Weinig schrijvers zijn zo bepalend voor een genre geweest als Robert Anson Heinlein. Geboren in 1907 te Butler, Missouri, doorliep hij de middelbare school in Kansas City alwaar hij een ontstellende hoeveelheid 'speculatieve fiction', zoals hij de SF van die tijd later noemde, doornam. Vooral Hugo Gemsbacks Electrical Experimenter maakte grote indruk. Magazines als Astounding en Amazing Stories deden later de rest. Heinlein diende zes jaar bij de Amerikaanse marine; toen was hij, vanwege een rugaandoening, genoodzaakt ontslag te nemen. Na deze periode ging hij terug naar de universiteit waar hij wis-en natuurkunde studeerde; maar ook deze poging was door zijn zwakke gezondheid gedoemd te mislukken. Daarna beproefde hij zijn geluk achtereenvolgens in de zilvermijnen, de architectuur, het makelaarswezen en zelfs in de politiek.
De opgedane ervaringen werden in de loop van de jaren dankbaar in zijn boeken verwerkt.
Zijn eerste roman 'LifeLine' begon in 1939 in het augustusnummer van Astounding. Het eerste grote succes kwam met The Man Who Sold the Moon, gevolgd door onder meer The Puppet Masters, The Door into Summer, het omstreden Starship Troopers, Glory Road en The Moon is a Harsh Mistress. Zijn laatste roman is het ruim 800 pagina's tellende Time Enough for Love. De Nova-reeks zal regelmatig met titels van deze grote auteur worden uitgebreid.
1
'LAAT DE RAKET RAZEN'
'Iedereen klaar?' Ross Jenkins junior wierp een zenuwachtige blik op zijn twee kameraden. 'Hoe staat het met jouw camera, Art? Je hebt het deksel dit keer toch wel van de lens gehaald?'
De drie jongens zaten in elkaar gedoken tegen een dikke betonnen muur, hoger dan hun hoofd en zo'n drie meter lang, die hen scheidde van een stalen, in de grond verankerde stellage waarop een zwart metalen voorwerp lag vastgeschroefd, een spits toelopend projectiel, venijnig om te zien en lelijk: een raket. Aan weerskanten waren hulpstukken gemonteerd, waaraan stompe vleugels konden worden bevestigd, maar de hulpstukken waren leeg; het ding was vastgelegd voor wetenschappelijk onderzoek.
'Hoe staat het ermee, Art?' herhaalde Ross. De aangesproken jongen richtte zich op in z'n volle lengte van één meter zestig en keek hem aan.
'Luister 's,' antwoordde Art Mueller, 'natuurlijk heb ik dat deksel eraf gehaald ik heb 'm afgecheckt op mijn controlelijst. Bemoei jij je nou maar met je raket de laatste keer ging hij helemaal niet af en heb ik een meter of zes film verpest.'
'Maar je bent het een keer vergeten - oké, oké, hoe zit het met het licht?'
Als antwoord stak Art zijn zoeklichten aan; de stralen schoten recht omhoog, weerkaatsten tegen blinkende, roestvrij stalen spiegels en wierpen een helder licht op de modelraket en de stellage die het opstijgen tijdens de test moest voorkomen. De derde jongen, Maurice Abrams, bekeek het tafereel door de periscoop die hen in staat stelde over de muur van gewapend beton die hen afschermde van de test stellage, heen te kijken.
'Het is een plaatje,' verkondigde hij met opwinding in zijn stem. 'Ros, geloof jij echt dat dit het brandstofmengsel is, waar we naar gezocht hebben?' Ross haalde zijn schouders op. 'Ik weet het niet. De tests in het lab waren prima we zullen het gauw genoeg weten. Kom op iedereen op z'n plaats! Controlelijsten Art?' 'Compleet.''Morrie?''Compleet.' 'En de mijne is compleet. Let op! Ik zet de klok aan. Daar gaat hij!' Hij begon de seconden af te tellen, totdat de raket zou worden ontstoken. 'Tien. . . negen. . . acht. . . zeven. . . zes. . . vijf. . . vier. . . ' Art likte langs zijn lippen en zette zijn camera aan. 'Drie! Twee! Eén! - Contact!' 'Laat 'm razen gilde Morrie, al overstemd door het oorverdovende kabaal van het ontsnappende raketgas. Een grote zwarte rookpluim spoot uit de opening van de bulderende raket toen hij ontvlamde, golfde tegen een hoop aarde een meter of zes, zeven achter de teststellage en vulde de kleine open plek met een verstikkende walm. Ross schudde ontevreden met zijn hoofd en verstelde de controleknoppen. De rook trok op; door de periscoop voor hem kon hij de uitlaat van de raket aan de andere kant van de betonnen barricade zien. De vlam had zich van de overtollige rook ontdaan en was bijna transparant, afgezien van enkele vonken. Hij kon zowaar bomen en grond dwars door de vuurstraal heen zien. Het beeld schitterde en trilde, maar de uitlaatgassen waren vrij van rook.
'Wat zegt de dynamometer?' schreeuwde hij tegen Morrie zonder zijn blik van de periscoop af te wenden. Morrie observeerde het instrument, dat op de teststellage zelf was gemonteerd, door een toneelkijker en zijn eigen periscoop. 'Ik kan het niet lezen!' schreeuwde hij. 'Ja, toch wel, wacht even. Tweeënvijftig, nee, maak er honderdtweeënvijftig van; hij is al een keer rond geweest. Honderdtweeënvijftig, drieënvijftig, vier-. Ross, 't is je gelukt! Het is je gelukt! Dat is meer dan twee keer zoveel stuwkracht als we ooit gehad hebben.' Art keek op vanaf de plek waar hij zijn filmcamera met alle mogelijke zorg omgaf. Het was een gewoon 8-millimeter gevalletje, dat door hemzelf was omgebouwd om meer film te kunnen gebruiken, zodat elke seconde van de test kon worden opgenomen. Het functioneerde wel, maar moest doorlopend met zorg behandeld worden. 'Hoe lang nog?' vroeg hij. 'Nog zeventien seconden,' schreeuwde Ross tegen hem. 'Let op - ik geef hem de volle laag.' Hij schoof de hendel van de smoorklep naar rechts, helemaal open. De raket antwoordde door z'n stem te verheffen van een zwaar gebulder naar een hogere toonaard met een nijdige boventoon, die bijna buiten de gehoorgrens lag. Er sprak een grommende dreiging uit. Ross keek op en zag Morrie achter zijn periscoop vandaan komen om op een kist te klimmen met de toneelkijker in zijn hand. 'Morrie, bukken!' De jongen hoorde hem niet door het gekrijs van de straalmotor, terwijl hij drukdoende was een beter zicht op de raket te krijgen. Ross sprong achter zijn controlepost vandaan, dook op hem af, greep hem rond zijn middel en sleurde hem naar beneden achter de veilige barricade. Ze kwamen samen nogal hard op de grond terecht en begonnen te worstelen. Het was geen echt gevecht; Ross was kwaad, maar niet kwaad genoeg om te vechten, terwijl Morrie alleen maar verbaasd was. 'Wat moet dat?' protesteerde hij, toen hij weer wat op adem was gekomen. 'Stompzinnige idioot!' gromde Ross in z'n oor. 'Wat wou je nou? Je hoofd eraf laten blazen?' 'Maar ik was niet' Maar Ross krabbelde alweer overeind en ging terug naar zijn plekje achter het controlebord; Morries uitleg, als hij die al had, ging verloren in het geraas van de raket. 'Wat is er aan de hand?' schreeuwde Art. Hij was niet achter zijn geliefde camera vandaan gekomen; niet alleen uit een soort van plichtsbesef, maar gedeeltelijk ook uit besluiteloosheid welke kant hij zou hebben moeten kiezen. Ross hoorde hem schreeuwen en draaide zich om. 'Die zak,' schreeuwde hij verbitterd, met zijn duim naar Morrie wijzend, 'probeerde om. . . ' Ross' lezing van het incident ging verloren; de grommende stem van de raket veranderde opeens van toonhoogte en ging ten slotte ten onder in een explosie die door merg en been ging.
Tegelijkertijd verscheen er een felle lichtflits die de jongens zeker zou hebben verblind, als ze niet beschermd waren geweest door de barricade, maar die niettemin elk detail van de kleine open plek tussen de bomen verlichtte met een schittering die de ogen verblindde. Ze knipperden nog na bij de herinnering aan het spookachtige licht, toen walmende rookwolken achter de barricade opstegen, hen insloten en voor een hoestbui zorgden. 'Tja,' zei Ross verbitterd en keek Morrie recht in de ogen, 'dat was het einde van de Starstruck V.' 'Luister eens, Ross,' protesteerde Morrie. Zijn stem klonk schril in de vreemde nieuwe stilte. 'Dat is mijn schuld niet. Ik probeerde alleen maar om. . . ''Dat zeg ik ook niet,' kapte Ross hem af. 'Ik weet dat het jouw schuld niet is. Ik had hem al definitief overgeschakeld. Hij stond op zichzelf en kon het niet verwerken. Laat maar. Maar houd je kop voortaan naar beneden; je was hem verdomme bijna kwijtgewest. Daar is die barricade voor. 'Maar ik was helemaal niet van plan mijn hoofd boven de muur uit te steken. Ik wou alleen maar proberen. . . ''Laat nou verder maar zitten, jullie tweeën,' kwam Art tussenbeide. 'D'r is er dus weer één de lucht ingevlogen. Nou en? Dan bouwen we weer een andere. Wat er ook gebeurd is, het staat hier allemaal op.' Hij tikte zachtjes tegen zijn camera. 'Laten we een kijkje gaan nemen bij het wrak.' Hij wilde om het eind van de barricade heen lopen. 'Wacht even,' commandeerde Ross. Hij keek aandachtig door zijn periscoop en merkte op: 'Lijkt me oké. Allebei de brandstofkamers zijn gebarsten. Het kan nauwelijks nog echt gevaarlijk zijn. Kijk uit dat je je niet verbrandt. Kom op.' Ze liepen achter hem aan naar de test stellage. De raket zelf was een compleet wrak, maar de test stellage was onbeschadigd; hij was bestand tegen dit soort afstraffingen. Art richtte zijn aandacht op de dynamometer die de stuwkracht van de raket mat. 'Daar zal ik een nieuwe schaal voor moeten maken,' merkte hij op. 'De boog is niet beschadigd, maar de wijzerplaat, het rondsel en de staaf zijn kapot.' De twee andere jongens gaven geen antwoord; zij waren druk bezig met de raket zelf. De verbrandingskamer was wijd opengebarsten en het was duidelijk dat er stukken ontbraken. 'Wat denk jij ervan, Ross?' informeerde Morrie. 'Denk je dat de pomp op hol is geslagen, of zou het spul gewoon te sterk zijn geweest?' 'Moeilijk te zeggen,' mijmerde Ross afwezig. 'Ik denk niet dat het de pomp is geweest. De pomp zou verstopt kunnen raken en helemaal geen brandstof meer leveren, maar ik snap niet hoe hij te veel brandstof zou kunnen leveren, dat is dan wel heel opmerkelijk.' 'Dan moet het de verbrandingskamer geweest zijn. De toevoer ziet er goed uit. Er zitten zelfs geen deuken in, niet veel tenminste,' voegde hij er aan toe, turend in de vallende schemering. 'Misschien. Nou, laten we er maar een zeildoek overheen gooien en het morgenochtend nog eens bekijken. We kunnen nu toch niets meer zien. Kom op, Art.' 'oké. Wacht even, dan pak ik mijn camera.' Hij maakte de camera los van het statief en stopte hem in de draagtas. Daarna hielp hij de twee anderen zeildoeken over de test apparatuur heen leggen, één voor de teststellage en één voor de barricade met zijn controle-instrumenten en periscopen. Daarna maakten ze rechtsomkeert en verlieten de open plek. De open plek was omgeven door een omheining van prikkeldraad, daar neergezet op aandringen van de ouders van Ross, die de eigenaars waren van het stuk land, om te voorkomen dat allerlei wezens op vier zowel als op twee benen in de vuurlijn van de jongens verzeild zouden raken terwijl ze aan het experimenteren waren. Het hek in die omheining zat recht achter de barricade op een afstand van zo'n vijftien meter. Vanaf het begin van de test hadden ze geen gelegenheid gehad een blik te werpen in de richting van het hek; in feite was hun aandacht zozeer op de raket gericht geweest, dat iets minder dan een aardbeving hen nauwelijks zou hebben gestoord. Ross en Morrie liepen iets vooruit met Art dicht op hun hielen, zo dicht dat hij, toen ze plotseling stilhielden, over hen struikelde en bijna zijn camera liet vallen. 'Hè, kijk eens een beetje uit waar je loopt!' protesteerde hij. Til je lompe voeten op!' Ze antwoordden niet maar bleven stil staan, terwijl ze voor zich uit en naar beneden staarden. 'Wat nou?' ging hij verder. 'In trance? Waarom . . . joh!' Hij had het ook gezien. 'Het' was het lichaam van een forse man, in elkaar gezakt op de grond, half binnen en half buiten het hek. Hij had een bloedige wond aan het hoofd en er lag bloed op de grond. Ze renden er met z'n allen op af, maar het was Morrie die ze terugtrok, zodat ze de vooroverliggende figuur niet konden aanraken. 'Kalm aan!' beval hij. 'Niet aanraken. Denk aan je eerste hulp. Hij heeft een hoofdwond. Aanraken kan dodelijk zijn.' 'Maar we moeten toch kijken of hij nog leeft,' protesteerde Ross. 'Ik zal wel eens kijken. Hier, geef me dat maar.' Hij stak zijn hand uit en haalde de papieren met gegevens van het experiment met de raket uit de zak van Ross. Daar rolde hij een koker van zo'n anderhalve centimeter doorsnee van. Vervolgens zette hij die voorzichtig tegen de rug van de onbeweeglijke figuur, links boven zijn hart. Met zijn oor tegen het andere einde van zijn geïmproviseerde stethoscoop luisterde hij. Ross en Art hielden hun adem in. Zijn gespannen gezicht ging over in een grijnslach. 'Z'n motor draait nog,' merkte hij op. 'Goed en krachtig. We hebben hem tenminste niet vermoord.' "We"?''Wie anders? Waarom denk je dat hij hier zo ligt? Kijk maar eens rond, dan vind je waarschijnlijk wel een stuk van de raket dat hem buiten westen heeft geslagen.' Hij kwam overeind. 'Maar daar gaat het nu niet om. Ross, jij rent als een gek naar huis om een ziekenauto te bellen. Zet er vaart achter! Art en ik blijven hier wachten met. . . met, uh, hem. Misschien komt hij bij en dan zullen we hem rustig moeten houden.' 'oké.' Ross was al weg, terwijl hij het zei.
Art staarde naar de bewusteloze man. Morrie pakte zijn arm vast. 'Ga zitten, jongen. Geen paniek. We zullen het later nog moeilijk genoeg krijgen. Zelfs als die gozer niet al te erg gewond is, denk ik toch wel dat dit zo'n beetje het einde betekent van de activiteiten van de Galileo Marching-and-Chowder Society, althans wat betreft de lawaaierige raketafdeling.' Art zag er ongelukkig uit. 'Ik denk het ook.''Niks "denken". Da's wel zeker. De vader van Ross zag de zaak al somber in die keer dat alle ramen uit zijn kelder werden geblazen - en dat kan ik hem niet kwalijk nemen. Nou krijgt hij dit weer op zijn dak. We kunnen minstens verwachten dat we zijn land niet meer mogen gebruiken. We mogen van geluk spreken, als hij geen eis tot schadevergoeding op z'n dak krijgt.' Treurig genoeg moest Art hem gelijk geven. 'Ik denk dat we maar weer postzegels moeten gaan verzamelen,' gaf hij toe, maar met zijn gedachten was hij ergens anders. Een kort geding. Het gebruik van het land deed niet ter zake. Natuurlijk was het voor het drietal fantastisch geweest dat ze het landgoed van Ross senior aan de rand van de stad hadden mogen gebruiken, zeker als je in aanmerking nam dat hij met zijn moeder achter de winkel woonde, en Morries ouders in een flat zaten, maar. . . een kort geding. Misschien konden de ouders van Ross het zich wel veroorloven; maar het kleine winkeltje bracht net genoeg op voor een pover bestaantje voor Art en zijn moeder, inclusief alle baantjes na schooltijd die hij sinds de lagere school had gehad. Een kort geding zou het einde betekenen van de winkel. Zijn eerste gevoel van sympathie voor de gewonde man begon plaats te maken voor een gevoel van onrecht dat hem was aangedaan. Wat voerde die kerel hier eigenlijk uit? Het was niet alleen verboden terrein; het hele gebied stond vol waarschuwingsborden. 'Laat me die vent eens bekijken,' zei hij. 'Niet aanraken,' waarschuwde Morrie. 'Nee, nee. Heb jij je zaklantaarn bij je?' 'Zekers. Hier. . . vangen.' Art pakte de kleine zaklantaarn en probeerde het gezicht van hun slachtoffer te onderzoeken, wat nogal moeilijk was, omdat hij met zijn gezicht voorover lag en de zichtbare helft onder het bloed zat. Met een zonderlinge klank in zijn stem zei Art: 'Morrie, kan het kwaad, als ik wat van dat bloed wegveeg?' 'Om de dooie dood kan dat kwaad! Laat hem gewoon maar liggen totdat de dokter er is.' 'oké, oké. Het hoeft ook eigenlijk niet. Ik weet het toch zeker. Morrie, ik weet wie het is.' 'Oh ja? Wie dan?' 'Mijn oom.' 'Je oom!' 'Mijn oom, ja. Je weet wel. . . Ik heb wel eens over hem verteld. Mijn oom Don. Dr. Donald Cargraves, mijn "Atoombom" oom.'
2
'EEN LEVENSGROTE UITDAGING'
'Ik weet vrijwel zeker dat het mijn oom is,' ging Art verder. 'Ik zou het met zekerheid kunnen zeggen als ik zijn hele gezicht kon zien.' 'Weetje dan niet of het je oom wel of niet is? Iemand van je eigen familie moetje per slot van rekening. . . '
'Nee. Ik heb hem niet meer gezien sinds hij hier langskwam om moeder op te zoeken, vlak na de oorlog. Dat is een hele tijd geleden. Ik was toen nog maar klein. Maar hij lijkt er wel op.'
'Maar hij ziet er niet oud genoeg uit,' zei Morrie wijs. 'Ik zou zeggen. . . Daar heb je de ziekenwagen!'
Daar was hij inderdaad, met Ross naast de chauffeur om hem de weg te wijzen en de chauffeur vloekend, omdat de weg voornamelijk in de verbeelding van Ross bestond. Een paar minuten lang waren ze met z'n allen drukdoende. 'Het ziet er niet zo slecht uit,' verkondigde de broeder die met de ziekenwagen was meegereden. 'Akelige schedelwond. Misschien een hersenschudding, misschien ook niet. Kom, we draaien hem om, kalm aan! Ik houd zijn hoofd vast.' Toen hij met zijn gezicht omhoog op de brancard werd gelegd, knipperde de patiënt met zijn ogen; hij kreunde en probeerde kennelijk iets te zeggen. De dokter leunde over hem heen.
Art wist Morries aandacht te trekken en drukte duim en wijsvinger tegen elkaar. De identiteit van de man leed geen twijfel meer nu Art zijn gezicht had gezien.
Ross wilde weer in de ziekenwagen klimmen maar de broeder wuifde hem weg. 'Maar komen jullie allemaal wel even langs het ziekenhuis. We zullen hier een ongevallenrapport over moeten opmaken.' Zodra de ziekenwagen weghobbelde, vertelde Art zijn ontdekking aan Ross. Ross keek stomverbaasd. 'Jouw oom, hè? Je eigen oom. Wat deed hij hier?'
'Ik heb geen idee. Ik wist niet dat hij in de stad was.' 'Zeg, moetje luisteren... Ik hoop niet dat hij erg gewond is, zeker niet nu het je oom blijkt te zijn, maar is dit de oom, degene over wie je ons hebt verteld, die genoemd is voor de Nobelprijs?''Dat probeer ik je juist te vertellen. Het is mijn oom Donald Cargraves.' 'Doctor Donald Cargraves!' Ross floot. 'Als we mensen beginnen toe te takelen, nemen we ook niet meteen de eerste de beste, wel?' 'Ik vind het niet om te lachen. Stel dat hij doodgaat? Wat moet ik tegen mijn moeder zeggen?' 'Ik lachte niet. Laten we naar het ziekenhuis gaan om te kijken hoe zwaar hij gewond is, voordat je haar iets vertelt. Het heeft geen zin haar onnodig ongerust te maken.' Ross zuchtte. 'Ik denk dat we mijn ouders het nieuws ook maar moesten vertellen. . . Daarna rijd ik ons wel naar het ziekenhuis.' 'Heb je het ze niet verteld toen je opbelde?' vroeg Morrie. 'Nee. Ze waren in de tuin, dus heb ik alleen opgebeld en ben ik hem gesmeerd om op de ziekenwagen te wachten. Misschien hebben ze hem de laan zien oprijden, maar daar ben ik niet op blijven wachten.' 'Dat kan ik me indenken.' De vader van Ross stond ze bij het huis op te wachten. Hij beantwoordde hun groet en zei toen, 'Ross. . . Ja? 'Ik heb een ontploffing gehoord in de buurt van jullie geliefde privéplekje. En ik heb een ziekenwagen zien komen en weer weg zien rijden. Wat is er gebeurd?' 'Nou, dat zat zo, vader: Wij waren bezig met een proefdraai op volle kracht van de nieuwe raket en. . . ' Hij schetste de gebeurtenissen. Meneer Jenkins knikte en zei, 'Ik snap het. Kom mee, jongens.' Hij liep in de richting van de omgebouwde stal waarin zijn auto stond. 'Ross, ren jij even naar je moeder om te vertellen waar we naar toe gaan. Zeg dat ik heb gezegd dat ze zich niet ongerust hoeft te maken.' Hij liep verder en leunde daarbij licht op zijn stok. Meneer Jenkins was een gepensioneerde elektrotechnicus, kalm van aard en zwijgzaam. Art kon zich zijn eigen vader niet herinneren; Morries vader leefde nog steeds maar was heel anders. Abrams regelde een groot en lawaaierig huishouden vol kinderen door een luide stem te kombineren met kwistige genegenheid. Toen Ross hijgend terugkeerde, werd zijn aanbod om te rijden door zijn vader weggewuifd. 'Nee, dank je. Ik wil wel dat we er ook aankomen.' De tocht werd in stilte gemaakt. Meneer Jenkins liet hen achter in de hal van het ziekenhuis. 'Wat zal hij gaan doen, denk je?' vroeg Morrie zenuwachtig. 'Ik weet het niet. Vader zal de zaak wel eerlijk bekijken.' 'Daar ben ik juist zo bang voor,' gaf Morrie toe. 'Momenteel wil ik geen gerechtigheid; ik wil liefdadigheid.' 'Ik hoop dat oom Don het goed maakt,' bracht Art in het midden. 'Huh? Oh, ja, natuurlijk! Sorry, Art, ik ben bang dat we jouw gevoel een beetje vergeten. Het voornaamste is natuurlijk dat hij beter wordt.' 'Eerlijk gezegd, vóórdat ik wist dat het oom Don was, maakte ik me meer zorgen over de mogelijkheid dat ik moeder met een kort geding zou opschepen dan over wat we een vreemdeling eventueel zouden hebben aangedaan.' 'Vergeet het maar,' adviseerde Ross. 'Mensen kunnen er nu eenmaal niets aan doen dat ze zich zorgen maken over hun eigen problemen. Vader zegt altijd dat wat je doet het criterium is, niet wat je denkt. We hebben allemaal voor hem gedaan wat we konden.' 'Wat voornamelijk bestond uit hem niet aanraken, voordat de dokter arriveerde,' verduidelijkte Morrie. 'En dat was nodig.' 'Jawel,' stemde Art in, 'maar ik ben het niet met je eens, Ross, dat het niet uitmaakt wat je denkt zolang je maar goed handelt. Het lijkt mij, dat verkeerde ideeën even slecht kunnen zijn als de daad op zich.' 'Ho eens even. Als een of andere figuur iets moedigs doet terwijl hij doodsbang is, dan is hij moediger dan degene die hetzelfde doet en niet bang is?' 'Hij is minder. . . nee, hij is meer. . . Je maakt me helemaal in de war Het is niet hetzelfde.' 'Niet helemaal misschien. Laat maar.' Een tijdlang bleven ze zwijgend zitten. Toen zei Morrie, 'Ik hoop in ieder geval, dat hij het goed maakt.'
Meneer Jenkins kon wat nieuws vertellen. 'Nou, jongens, jullie hebben geluk. Volgens de röntgenfoto is de schedel niet beschadigd. De patiënt werd wakker toen ze z'n scalp dichtnaaiden. Ik heb met hem gepraat en hij heeft besloten geen van jullie in ruil te scalperen.' Hij glimlachte. 'Mag ik hem zien!' vroeg Art. 'Vanavond niet. Ze hebben hem een injectie gegeven en hij slaapt nu. Ik heb je moeder opgebeld, Art. 'Echt waar? Dank u wel, meneer.' 'Ze zit op je te wachten. Ik zetje wel af.
'Arts gesprek met zijn moeder was niet al te problematisch; meneer Jenkins had voor een uitstekende basis gezorgd. Mevrouw Mueller was in feite niet in staat te geloven dat Art 'slecht' zou kunnen zijn. Maar toch maakte ze zich zorgen om hem; meneer Jenkins had haar gerustgesteld, niet alleen wat Art betrof, maar ook wat betreft het welzijn van haar broer. Morrie had nog minder moeilijkheden met meneer Abrams. Na de verzekering dat de onschuldige toeschouwer niet zwaargewond was geraakt, had hij zijn schouders opgehaald. 'Nou en? We hebben advocaten in de familie voor dit soort zaken. Met vijftig cent per week zul je er zo'n vijfhonderd jaar over doen om er een af te betalen. Ga maar naar bed.' 'Ja, pa.' De volgende ochtend kwamen de jongens bij elkaar op het testterrein, nadat een telefoontje naar het ziekenhuis hen ervan verzekerd had dat doctor Cargraves een goede nacht had gehad. Ze besloten hem die middag op te zoeken; nu wilden ze wat nakaarten over de ongelukkige Starstruck V. Het eerste werkje bestond uit het bij elkaar zoeken van de stukken, proberen ze weer in elkaar te zetten en dan proberen uit te vissen wat er was gebeurd. Arts film van het gebeuren zou noodzakelijk zijn om het gebeurde te verklaren, maar die was nog niet klaar. Ze waren al een flink eind gevorderd met het in elkaar zetten, toen ze uit de richting van het hek gefluit en geschreeuw hoorden. 'Hallo daar! Iemand thuis?' 'Kom eraan!' antwoordde Ross. Ze liepen langs de omheining, totdat ze het hek konden zien. Er stond een lange, potige gedaante te wachten; een man, zo jong, sterk en dynamisch van uiterlijk dat het verband om zijn hoofd misplaatst leek en nog sterker afstak bij zijn vriendelijke glimlach. 'Oom Don!' schreeuwde Art, terwijl hij hem tegemoet rende. 'Hallo,' zei de nieuwkomer. 'Jij bent Art. Nou, je bent heel wat groter geworden, maar niet veel veranderd.' Hij schudde zijn hand. 'Wat doet u uit bed? U bent ziek.' 'Ik niet,' verklaarde zijn oom. 'Ik heb een ontslagbrief van het ziekenhuis om dat te staven. Maar stel me eens voor. . . Is dit de rest van het stelletje moordenaars?''Oh, neem me niet kwalijk. Oom Don, dit is Maurice Abrams en dit is Ross Jenkins. . . Doctor Cargraves.' 'Hoe maakt u het, meneer?''Blij met u kennis te maken, doctor.' 'Ook blij jullie te leren kennen.' Cargraves wilde het hek passeren, maar aarzelde even. 'Zeker weten dat deze toestand niet vol mijnen ligt?' Ross keek zorglijk. 'Luister eens, doctor, het spijt ons allemaal vreselijk. Ik snap nog steeds niet hoe het is gebeurd. Dit hek wordt afgeschermd door de barricade.' 'Ricochetschot waarschijnlijk. Laat maar. Ik mankeer niets. Een beetje geschaafd vel en wat bloed, dat is alles. Als ik bij jullie eerste waarschuwingsbord was omgedraaid, zou het nooit gebeurd zijn.' 'Hoe kwam u hier eigenlijk terecht?' 'Een redelijke vraag. Ik was tenslotte niet uitgenodigd, wel?' 'Oh, maar dat bedoelde ik niet.' 'Ik ben jullie wel een verklaring schuldig. Toen ik gisteren de stad kwam binnenwaaien had ik al gehoord van de Galileo Club; Arts moeder had me er over geschreven. Toen mijn zuster me vertelde waar Art was en wat hij aan het doen was, besloot ik even aan te wippen in de hoop op tijd hier te zijn om jullie proefdraai te bekijken. Jullie dienstmeisje vertelde me hoe ik hier moest komen.' 'Bedoelt u dat u zich enkel en alleen hierheen haastte om ons speelgoed te komen bekijken?' 'Zekers. Waarom niet? Raketten interesseren me.' 'Ja, maar, we hebben eigenlijk niet zoveel om u te laten zien. Dit zijn maar kleine modellen.' 'Een nieuw model,' antwoordde doctor Cargraves ernstig, 'van wat dan ook kan van belang zijn, onverschillig wie het maakt of hoe groot het is. Ik wilde eens kijken hoe jullie werken. Kan dat?' 'Oh, natuurlijk, meneer. Het is ons een eer.' Ross leidde hun gast rond, met Morrie die zo nu en dan bijsprong en Art die er af en toe een opmerking tussendoor gooide. Art zag vuurrood en was dolblij: dit was zijn oom, één van de allergrootsten, een pionier van het Atoomtijdperk. Ze inspecteerden de teststellage en het controlepaneel. Cargraves maakte de indruk geïmponeerd te zijn en betreurde het verlies van de Starstruck V. Hij was echt onder de indruk. Het is vrij normaal in de Verenigde Staten dat jongens praktisch alles wat mechanisch werkt uit elkaar halen en weer in elkaar zetten, van wekkers tot opgekalefaterde oude auto's. Het is niet zo alledaags dat ze gecontroleerde en geregistreerde proefnemingen doen waarop de wetenschap zich baseert. Hun uitrusting was primitief en hun faciliteiten beperkt, maar de benadering was juist, dat moest de wetenschapsman toegeven. De roestvrij stalen spiegels, die de stralen van het zoeklicht over de barricade terugkaatsten, zetten doctor Cargraves aan het denken. 'Vanwaar al die moeite om lampen te beschermen?' vroeg hij. 'Lampen zijn goedkoper dan roestvrij staal.' 'We konden het spiegelstaal gratis krijgen,' legde Ross uit. 'De lampen kosten geld.' De geleerde grinnikte. 'Die reden spreekt me wel aan. Nou, jullie hebben hier een hele toestand bij elkaar gescharreld. Ik wou dat ik de raket had gezien, voordat hij in de lucht vloog.' 'Natuurlijk is het spul dat wij bouwen,' zei Ross bedeesd, 'niet te vergelijken met een onbemande grote raket of een postraket om maar eens iets te noemen. Maar we willen wel graag iets uitdokteren dat goed genoeg is om mee te dingen naar de junioren-prijzen.' 'Al eerder meegedaan?' 'Nog nooit. Onze natuurkundeklas op de middelbare school heeft vorig jaar een keer ingeschreven bij de nieuwelingen. Het was niet veel zaaks, gewoon wat geknoei met buskruit, maar het heeft ons wel op weg geholpen; hoewel we voor zover ik me kan herinneren allemaal altijd al gek zijn geweest op raketten.' 'Jullie hebben verdraaid aardige controleapparatuur. Waar hebben jullie een werkplaats om dat te maken? Of laten jullie het maken?' 'Oh, nee. We maken het in de werkplaats op school. Als de leraar het goed vindt, mag je na schooltijd voor jezelf werken.' 'Dat moet een aardige middelbare school zijn,' merkte de natuurkundige op. 'Die waar ik op heb gezeten had niet eens een werkplaats.' 'Ik geloof ook wel dat het een behoorlijk progressieve school is,' gaf Ross toe. 'Het is een middelbare school voor werktuigkunde en natuurwetenschappen en ze hebben meer lessen in wiskunde, natuurkunde en praktische toepassing dan de meeste. Het is fijn om de werkplaatsen te kunnen gebruiken. Daar hebben we onze telescoop ook gebouwd.' 'Ook al astronomen, hè?' 'Ach, Morrie is onze astronoom.' 'Is dat zo?' informeerde Cargraves en wendde zich tot Morrie. Morrie haalde zijn schouders op. 'Och, niet helemaal. We hebben allemaal onze hobby’s. Ross doet scheikunde en raketbrandstoffen. Art is radioamateur en cameragek. Als je astronomie studeert, kun je het zittend af.' 'Ik snap 't,' antwoordde de natuurkundige plechtig. 'Een kwestie van efficiënte zelfbescherming. Ik wist van de hobby’s van Art. Tussen haakjes, Art, ik moet me nog bij je verontschuldigen; gistermiddag heb ik een kijkje genomen in je souterrain. Maar maak je geen zorgen; ik heb niets aangeraakt.'
'Oh, ik maak me er geen zorgen over als u ergens aanzit, oom Don,' protesteerde Art, die nog roder werd, 'maar het moet er een troep zijn geweest.'
'Het zag er niet als een salon uit, maar meer als een werklaboratorium. Ik heb gezien datje aantekeningen bijhoudt, nee, die heb ik ook niet aangeraakt!'
'We houden allemaal aantekeningen bij,' merkte Morrie ongevraagd op. 'Dat is de invloed van de ouweheer van Ross.' 'Oh ja?'
'Vader vertelde me dat het hem niet kon schelen,' verklaarde Ross, 'wat ik allemaal rotzooide, zolang ik maar boven het knoeierijniveau bleef. Ik moest hem aantekeningen voorleggen over alles wat ik uitprobeerde en hij gaf dan cijfers voor duidelijkheid en volledigheid. Na een tijdje kreeg ik de zaak door en hield hij ermee op.' 'Helpt hij jullie met je projecten?'
'Helemaal niet. Hij zegt dat het onze baby’s zijn en dat wij ervoor moeten zorgen.'
Ze maakten zich op om naar hun clubhuis te gaan, een bijgebouwtje dat nog was overgebleven uit de tijd toen het landgoed van Ross senior nog een boerderij was. Ze verzamelden de treurige stukken van de Starstruck V., waarbij Ross elk onderdeel controleerde. 'Ik geloof dat we alles hebben,' merkte hij op en begon de overblijfselen op te rapen. 'Wacht eens even,' opperde Morrie. 'We hebben helemaal niet gezocht naar het stuk dat doctor Cargraves een fikse tik heeft verkocht.' 'Dat is zo,' gaf de geleerde toe. 'Ik ben persoonlijk nogal geïnteresseerd in dat onderdeel, bot voorwerp, projectiel, granaatscherf of wat het dan ook geweest is. Ik wil wel eens weten hoe dicht ik bij het spelen op een harp ben geweest.'
Ross leek een beetje in de war. 'Kom eens hier, Art,' zei hij met zachte stem. 'Ik ben hier. Wat is er?'
'Vertel mij eens welk stuk er nog ontbreekt. . . '
'Wat maakt het uit?' Maar hij boog zich over de kist waarin de restanten van de raket lagen en controleerde de onderdelen. Hij keek nu ook tamelijk verbaasd. 'Ross. . . 'Ja?' 'Er ontbreekt helemaal niks.'
'Dat dacht ik ook al. Maar dat moet toch.'
'Zou het niet zinvoller zijn,' stelde Cargraves voor, 'om te gaan kijken in de buurt waar ik geraakt ben?'
'Ik denk het wel.' Ze zochten allemaal en vonden niets. Toen gingen ze zo grondig te werk dat iets groters dan een middelgrote mier nog aan het licht zou zijn gekomen. Ze vonden een cent en een gebroken Indiaanse pijlpunt, maar niets dat op een stuk van de geëxplodeerde raket leek. 'Zo komen we er niet,' gaf de doctor toe. 'Waar lag ik precies toen jullie me vonden?'
'Precies in de poort,' vertelde Morrie hem. 'U was op uw gezicht gevallen en...''Wacht eens even. Op mijn gezicht?' 'Ja. U was. . . '
'Maar hoe kwam ik dan op mijn gezicht terecht? Ik stond met mijn gezicht naar jullie testterrein, toen het helemaal zwart werd. Dat weet ik zeker. Ik had eigenlijk achterover moeten vallen.' 'Tja. . . dat is in ieder geval niet gebeurd, meneer. Misschien was het wel een ricochetschot, zoals u al zei.' 'Hmm. . . misschien wel.' De doctor keek om zich heen. Er bevond zich niets in de buurt van het hek om een ricochetschot waarschijnlijk te maken. Hij keek naar de plek waar hij gelegen had en praatte in zichzelf. 'Wat zei u, doctor?' 'Uh? Oh, niks, helemaal niks. Laat maar. Ik kreeg even een idiote gedachte. Het zou niet kunnen.' Hij rechtte zich alsof hij de hele zaak van zich afzette. 'Laten we maar geen tijd meer besteden aan het verdwenen "botte voorwerp". Ik was alleen maar nieuwsgierig. Laten we teruggaan.' Het clubhuis was een gelijkvloers gebouwtje van ongeveer zes vierkante meter. Eén muur werd in beslag genomen door de scheikundewerkbank van Ross met de gebruikelijke warboel aan reageerbuisjes, branders, vreemd uitziende, krakelingachtige apparaten van glas, en een dubbele gootsteen, die er uitzag alsof hij gered was uit de handen van een rommelkoopman. Een zelfgemaakte zuurkast met een scharnierende glazen voorkant nam één kant van de bank in beslag. Parallel aan de aangrenzende muur, in een klein glazen kastje, stond een precisieweegschaal van een goed merk, maar uit een nogal belegen jaar, geplaatst op een afzonderlijke zuil. 'Eigenlijk zouden we airconditioning moeten hebben,' vertelde Ross de doctor, 'om echt goed werk af te leveren.' 'Zo slecht ziet het er niet uit,' merkte Cargraves op. De jongens hadden de ruwe muren bekleed met multiplex; de kieren waren opgevuld en het was van binnen geschilderd met afwasbare vernis. Ze hadden de vloer bedekt met linoleum, afgedankt materiaal, maar nog wel bruikbaar. De ramen en deuren sloten goed. Het zag er schoon uit. 'Veranderingen in de vochtigheidsgraad zouden sommige experimenten echter wel eens de mist in kunnen helpen,' vervolgde hij. 'Zijn jullie van plan hier ooit eens airconditioning aan te brengen?' 'Ik betwijfel het. Ik denk zo, dat de Galileo Club op het punt staat opgedoekt te worden.' 'Wat? Oh, dat lijkt me zonde.' 'Ja en nee. Komend najaar gaan we waarschijnlijk allemaal naar de technische school.' 'Aha. Maar zijn er geen andere leden?'
'Vroeger wel, maar ze zijn verhuisd, weggegaan naar school, het leger. We zouden wel nieuwe leden kunnen krijgen, denk ik zo, maar we hebben het niet geprobeerd. Ach. . . We werken goed samen en. . . u weet hoe dat gaat.'
Cargraves knikte. Hij begreep het beter dan de jongens zelf. Deze drie waren bezig met serieuze zaken; het merendeel van hun schoolmakkers, zelfs al waren ze in techniek geïnteresseerd, waren eerder bezig met het opvoeren van een afgetakelde auto tot honderd kilometer per uur dan met het zorgvuldig bijhouden van aantekeningen. 'Nou, jullie hebben het hier in ieder geval wel gezellig. Het is jammer datje het allemaal niet mee kunt nemen.'
Tegenover de scheikunde uitrusting stond een lage, brede, beklede bank. De andere twee jongens lagen er onverschillig uitgestrekt op te luisteren. Achter hen waren boekenplanken ingebouwd in de muur. Jules Verne verdrong zich naast Marks Handbook of Mechanical Engineering. Cargraves merkte nog meer oude bekenden op: H.G. Wells's Seven Famous Novels, The Handbook of Chemistry and Physics, en Smiths Atomic Energy for Military Purposes. Daartussen geperst, zij aan zij met Ley's Rockets en Eddingtons Nature of the Physical World, lagen tientallen pulpbladen met robots of ruimteschepen op de voorplaat.
Hij pakte een beduimeld exemplaar van Haggards When the Earth Trembled en ging met zijn lange lichaam tussen de twee jongens in zitten. Hij begon zich thuis te voelen. Hij kende deze jongens; hij hoefde maar terug te blikken langs de gaanderij van zijn herinneringen om zichzelf terug te vinden.
Ross zie: 'Neem me niet kwalijk, maar ik moet even naar huis.' Cargraves bromde, Tuurlijk,' met zijn neus in het boek. Ross kwam terug met de aankondiging: 'Mijn moeder zou graag willen dat jullie allemaal blijven eten.'
Morrie glimlachte, Art keek nogal bezorgd. 'Mijn moeder vindt dat ik hier sowieso al veel te vaak eet,' protesteerde hij zwakjes, zijn ogen gericht op zijn oom.
Cargraves pakte hem bij zijn arm. 'Ik sta deze keer borg voor je, Art,' stelde hij hem gerust; toen tegen Ross, 'Zeg tegen je moeder dat we het graag accepteren.'
Aan tafel praatten de volwassenen en luisterden de jongens. De geleerde, zijn tulbandverband maakte nu helemaal een zonderlinge indruk, kon uitstekend met Ross' ouders opschieten. Iedereen kon goed opschieten met mevrouw Jenkins, die zelfs op een kannibalenfeest nog vriendelijk en aardig zou zijn geweest, maar de jongens waren er niet aan gewend meneer Jenkins op zijn praatstoel aan te horen.
Ze hadden de gebruikelijke lage dunk van de verstandelijke vermogens van volwassenen; ze hadden respect voor meneer Jenkins, maar hadden hem onbewust beschouwd als behorend tot een generatie die als geheel niet in staat was te begrijpen dat de wereld een paar jaar geleden totaal veranderd was in Alamogordo, Nieuw Mexico, op 16 juli 1945. En toch bleek meneer Jenkins te weten wie doctor Carraves was en ook dat hij tot voor kort in dienst was geweest van North American Atomics. De jongens luisterden aandachtig om erachter te komen wat doctor Cargraves nu van plan was te gaan doen, maar meneer Jenkins vroeg er niet naar en Cargraves vertelde het niet uit zichzelf.
Na het eten gingen de drie jongens met hun gast terug naar het clubhuis. Cargraves bracht het grootste gedeelte van de middag languit door op de slaapbank, terwijl hij verhalen vertelde over vroeger bij Oak Ridge, toen het vooruitzicht op het verdrinken in de onontkoombare, klevende modder ontzettender was dan het altijd aanwezige gevaar van radioactieve besmetting, en het verhaal, oud maar steeds weer nieuw en eindeloos opwindend, van die zwarte, regenachtige morgen in de woestijn van Nieuw-Mexico, toen een grote paarsgouden paddenstoel omhoog steeg naar de stratosfeer en verkondigde dat de mens de atoomenergie eindelijk gedeeltelijk had beteugeld. Daarna zweeg hij, omdat hij zei de oude roman van H. Rider Haggard die hij had gevonden te willen herlezen. Ross en Morrie gingen aan de slag bij de werkbank; Art nam een tijdschrift. Zijn ogen gingen steeds weer terug naar zijn fantastische oom. Het viel hem op dat hij de bladzijden niet zo vaak bleek om te slaan. Een hele poos later legde doctor Cargraves zijn boek neer. 'Wat weten jullie eigenlijk van atomen?' De jongens wierpen elkaar een vluchtige blik toe, voordat Morrie durfde antwoordden: 'Niet zo veel, geloof ik. Natuurkundelessen op de middelbare school gaan zo ver niet, en je kunt er niet mee gaan knoeien in een eigen laboratorium.' 'Dat is zo. Maar hebben jullie belangstelling?' 'Ja, nou en of! Wat we konden lezen, hebben we ook gelezen Pollard en Davidson, en het nieuwe boek van Gamov. Maar we beschikken niet over de benodigde wiskundige kennis.' 'Wat voor wiskunde krijgen jullie dan?' 'Differentialen vergelijkingen.' 'Huh? 'Cargraves keek verbaasd. 'Wacht eens even. Jullie zitten nog op de middelbare school?' 'We hebben net ons diploma.' 'Wat voor soort middelbare school doceert differentialen vergelijkingen? Of begin ik oud te worden?' Morrie leek een bijna verdedigende houding aan te nemen in zijn uitleg. 'Het is een nieuwe benadering. Eerst moet je een proefwerk maken, daarna geven ze je algebra met vierkantsvergelijkingen, vlakke en boldriehoeksmetingen, meetkunde en stereometrie, en meetkunde en analytische stereometrie allemaal in één cursus, door elkaar heen. Wanneer je die cursus af hebt je kunt het zo langzaam of zo vlug doen als je zelf wilt ga je verder.' Cargraves schudde zijn hoofd. 'Er is wel het een en ander veranderd, terwijl ik bezig ben geweest met de neutronen. oké, examinandi, op die manier zullen jullie binnen niet al te lange tijd toe zijn aan de kwantumtheorie en golfmechanica. Maar ik vraag me af, hoe ze dat er bij jullie allemaal inpompen? Snappen jullie het gepostuleerde aspect van de wiskunde?' 'Ja, ik dacht het wel.' 'Vertel eens.' Morrie haalde diep adem. 'Geen enkele vorm van wiskunde heeft op zichzelf enige realiteit, gewoon rekenen nog niet eens. Iedere vorm van wiskunde is louter en alleen een vinding van het verstand, zonder enige relatie met de wereld om ons heen, behalve dan dat het af en toe van pas komt om bepaalde zaken te omschrijven.' 'Ga door! Je doet het prima!' 'Maar dan nog is het niet echt - of niet "waar" - zoals de oude Grieken erover dachten. Elk mathematisch stelsel is louter en alleen afgeleid van willekeurige veronderstellingen, die we "postulaten" noemen, wat de oude Grieken "axioma's" noemden.' 'Je bent op dreef, jongen! Hoe staat het met het operationele aspect in de wetenschappelijke theorie? Nee. . . Art vertel jij het maar.' Art keek verlegen; Morrie zag er tevreden maar opgelucht uit. 'Nou, het operationele begrip is, uh, je baseert je theorie op de handelingen die je uitvoert, zoals meten, tijdopnemen, zodat je geen dingen in de experimenten legt, die er eigenlijk niet zijn.' Cargrave knikte. 'Dat is genoeg; het maakte duidelijk dat je weet waarover je praat.' Hij bleef een hele tijd stil, waarna hij eraan toevoegde: 'Jullie zijn echt geïnteresseerd in raketten?' Dit keer antwoordde Ross. 'Nou, uh, ja, eigenlijk wel. Raketten onder meer. We willen in ieder geval graag een gooi doen naar die juniorprijzen.' 'En daarmee uit?' 'Nou, nee, niet helemaal, ik geloof dat we allemaal denken, ach, misschien ooit eens. . . ' Zijn stem klonk zachter. 'Ik denk dat ik het begrijp.' Cargraves ging rechtop zitten. 'Maar waarom zou je je druk maken om die wedstrijd? Jullie hebben er uiteindelijk zelf al op gewezen dat modelraketten het niet halen bij het grote werk. Die prijzen worden alleen maar uitgereikt om de belangstelling voor de raketbouw gaande te houden; het is net zoiets als de wedstrijden met modelvliegtuigjes, die gehouden werden toen ik nog een jongen was. Maar jullie kunnen veel meer; waarom doen jullie geen gooi naar de seniorenprijzen?'
Er waren drie paar ogen op hem gericht. 'Hoe bedoelt u?' Cargraves haalde zijn schouders op. 'Waarom gaan jullie niet naar de maan, met mij?'
3
'EEN AFGEPRIJSDE COLUMBUS'
De stilte die het clubhuis vulde, maakte een compacte indruk, alsof men er boterhammen van zou kunnen snijden. Ross vond zijn spraak het eerst terug. 'Dat meent u niet,' zei hij met een kalme stem. 'Jazeker,' antwoordde doctor Cargraves bedaard. 'Ik meen het heel serieus. Ik ben van plan om te proberen een tocht naar de maan te maken. Ik zou jullie graag met me meenemen. Art,' voegde hij eraan toe, 'doe je mond dicht. Het tocht.'
Art slikte met moeite, deed wat hem gezegd werd, en deed hem toen prompt weer open. 'Maar luister eens,' zei hij, gejaagd pratend, 'Oom Don. . . als u ons ik bedoel, hoe kunnen we - en als we het doen, wat moeten we dan gebruiken om. Hoe denkt u. . . '
'Rustig, rustig!' protesteerde Cargraves. 'Wees eens even stil allemaal, dan zal ik jullie vertellen wat ik van plan ben. Dan kunnen jullie erover nadenken en me vertellen of jullie wel of niet mee willen doen.' Morrie sloeg op de bank naast hem. 'Het kan me niet schelen,' zei hij, 'het kan me niet schelen, al was u van plan er op uw bezemsteel heen te vliegen. . . Ik doe mee. Ik ga mee.' 'Ik ook,' voegde Ross er vlug aan toen, terwijl hij zijn lippen likte. Art keek de andere twee verwilderd aan. 'Maar ik bedoel helemaal niet dat ik niet. . . Ik vroeg alleen maar. . . Oh, flauwe kul! Ik ook! Dat weten jullie best.'
De jonge geleerde leek een buiging te maken zonder daarbij op te staan. 'Heren, ik waardeer het vertrouwen dat u in mij stelt. Maar jullie zijn voorlopig nog nergens aan gebonden.' 'Maar... '
'Dus even rustig graag,' ging hij verder, 'en dan zal ik mijn kaarten open op tafel leggen. Dan kunnen we praten.
Ik wil dat jullie allemaal beloven, op jullie woord van eer, niets van wat ik ga vertellen zonder mijn nadrukkelijke toestemming door te vertellen, of we nou tot zaken komen of niet. Het is duidelijk dat jullie je hierdoor niet verplichten te zwijgen, als je moreel verplicht bent vrijuit te spreken; het staat jullie vrij mij te verraden als er morele of wettelijke gronden voor mochten zijn. Zo niet, dan mondje dicht, erewoord. Nou?' 'Zeker!' 'oké!' 'Afgesproken!' 'Prima,' stemde Cargraves in, terwijl hij achterover leunde. 'Dat was meer een formele kwestie om jullie te doordringen van de noodzaak te zwijgen als het graf. Later zul je wel begrijpen waarom. Nou komt het: mijn hele leven kijk ik al uit naar de dag waarop de mens het heelal zal veroveren en de planeten zal gaan verkennen, en ik wil er ook deel aan hebben. Ik hoef jullie niet te vertellen wat voor gevoel dat is.' Hij zwaaide met een hand langs de boekenplanken. 'Deze boeken maken duidelijk dat jullie het begrijpen; jullie zijn zelf al even gek. En bovendien, wat ik op het testterrein heb gezien, wat ik hier zie, wat ik gisteren heb gezien toen ik stiekem in Arts lab heb rondgekeken, maakt duidelijk dat jullie er niet tevreden mee zijn er alleen maar van te dromen en over te lezen; jullie willen iets doen! Heb ik gelijk?' 'Jazeker!' klonk het in koor. Cargraves knikte. 'Ik vond precies hetzelfde. Ik haalde mijn eerste graad in de machinebouw met het idee dat een raket machinebouw was en dat ik de opleiding nodig zou hebben. Na het behalen van mijn graad heb ik als ingenieur gewerkt, tot ik genoeg geld had opgespaard om terug te gaan naar school. Ik haalde mijn doctorsgraad in de atoomfysica, omdat ik het vage gevoel had en ik was niet de enige, dat atoomenergie noodzakelijk was voor ruimteschepen. Daarna kwam de oorlog en het Manhattan Project. Toen het Atoomtijdperk was aangebroken voorspelden heel wat mensen dat ruim te vluchten niet veraf meer konden zijn. Maar zo is het niet gegaan niemand wist hoe hij het atoom bruikbaar kon maken voor een raket. Weten jullie waarom?' Ietwat aarzelend merkte Ross op, 'Ja, ik geloof van wel.' 'Zeg het maar.' 'Nou, voor een raket heb je massa nodig, vermenigvuldigd met snelheid, flink wat massa in wat de straalmotor oplevert en heel wat snelheid. Maar in een atoomreactie zit niet zo erg veel massa en de energie straalt alle kanten uit in plaats van in een mooie, rechte straal. Evengoed. . . ' Evengoed" wat?' 'Nou, er moet een manier zijn om al die energie in te dammen. Verdraaid, met zoveel energie uit zo weinig gewicht moet er een manier zijn.' 'Precies wat ik altijd heb gedacht,' zei Cargraves met een glimlach. 'We hebben atoominstallaties gebouwd die meer energie opleveren dan de Boulder Dam. We hebben atoombommen gemaakt, waarbij die twee uit. de oorlog meer op voetzoekers lijken. Energie om te verbranden, energie om weg te gooien. Toch zijn we er nog niet in geslaagd om die energie aan een raket te koppelen. Natuurlijk zijn er andere problemen. Een atoomcentrale vergt heel wat beveiliging om de werkers te beschermen, dat weten jullie ook. En dat betekent gewicht. Gewicht is alles in een raket. Als je vijftig kilo dode massa toevoegt, moet je de prijs betalen in brandstof. Stel datje omhulsel alleen al een ton woog; hoeveel brandstof zou je dat kosten, Ross?' Ross krabde z'n hoofd. 'Ik weet niet wat voor soort brandstof u bedoelt en over wat voor soort raket u het heeft, wat hij moet doen.' 'Da's redelijk,' gaf de geleerde toe. 'Ik stelde je een onmogelijke vraag. Stel dat we een chemische brandstof maken en een maanraket, en een massaratio nemen van twintig tegen één. Voor een omhulsel van een ton zullen we dan twintig ton brandstof mee moeten nemen.' Art ging plotseling rechtop zitten. 'Wacht eens even, oom Don.' 'Ja?' 'Als je een chemische brandstof gebruikt, zoals alcohol of vloeibare zuurstof, dan heb je geen stralingsomhulsel nodig.' 'Die zit, jongen. Maar het was maar een voorbeeld. Als je een behoorlijke manier had om atoomenergie te gebruiken, dan zou je in staat zijn je massaratio te drukken tot, laten we zeggen, één tegen één. Dan zou een omhulsel van één ton nog maar één ton brandstof nodig hebben om het te dragen. Vind je dat beter?' Art trilde van opwinding. 'Dat zou ik wel denken. Dat betekent een echt ruimteschip. We zouden er overal in naar toe kunnen gaan!' 'Maar we zijn nog steeds op de aarde,' merkte zijn oom droogjes op. 'Ik zei "als". Je moetje energie niet verbruiken voordatje vertrokken bent. En er is nog een derde hindernis: atoomcentrales zijn nogal moeizaam te controleren, moeilijk aan te zetten, moeilijk af te zetten. Maar dat kunnen we laten rusten, totdat we eraan toe zijn. Ik denk nog steeds dat we naar de maan kunnen.' Hij pauzeerde. Ze wachtten vol verwachting. 'Ik geloof dat ik een manier heb gevonden om atoomenergie toe te passen op raketten.' Er was niemand die opstond. Niemand die juichte. Niemand die een toespraak begon met: 'Op deze historische dag. . . ' In plaats daarvan hielden ze hun adem in, in afwachting tot hij verder zou gaan. 'O, ik zal nu niet in details treden. Je zult het allemaal wel zien als we samenwerken.' 'Dat zullen we!' 'Uiteraard!' 'Ik hoop 't. Ik heb geprobeerd om de maatschappij waarvoor ik werkte voor het plan te interesseren, maar ze vonden het daar onuitvoerbaar.' 'Waarom?' 'Maatschappijen doen zaken om geld te verdienen; dat zijn ze verplicht aan hun aandeelhouders. Zien jullie een manier om geld te verdienen aan een maanvlucht?' 'Wat een flauwe kul,' liet Art zich ontvallen. 'Ze zouden bereid moeten zijn een faillissement te riskeren door iets dergelijks te steunen.' 'Nee, nee. Je zit ernaast, jongen. Vergeet niet datje met andermans geld omgaat. Heb je enig idee hoeveel het zou kosten aan research en machinebouw, volgens de gewone commerciële methoden, voor zo iets omvangrijks als een tocht naar de maan?' 'Nee,' gaf Art toe. 'Heel wat duizendjes, schat ik zo.' Morrie merkte op: 'Meer in de buurt van de honderdduizend.' 'Dat zit er dichter bij. De technisch directeur van onze maatschappij heeft een voorlopig budget opgemaakt van één en een kwart miljoen.' 'Allemachtig!' 'O, hij wilde me alleen maar duidelijk maken dat het commercieel geen haalbare kaart was. Hij wilde mijn idee toepassen op energie-installaties voor schepen en treinen. Dus heb ik mijn ontslag ingediend.' 'Mooi.' Morrie keek peinzend. 'Ik geloof dat ik snap,' zei hij langzaam, 'waarom u ons geheimhouding liet zweren. Zij hebben uw idee in hun bezit.' Cargraves schudde nadrukkelijk met zijn hoofd.'Nee, helemaal niet. Jullie zouden zeker gerechtigd zijn te gaan kwekken als ik zou proberen om jullie in een plan te betrekken om iemand anders zijn octrooirechten afhandig te maken; zelfs als ze die opeisten met een smerig contract waarin staat dat mijn idee gepikt zou zijn.' Cargraves sprak vol vuur. 'Mijn contract was anders. De maatschappij heeft de plannen voor het doel waarvoor het onderzoek werd verricht: energietoepassing. We zijn op goede voet uit elkaar gegaan. Ik kan het ze niet kwalijk nemen. Toen de koningin Columbus aan schepen hielp, was er niemand die had durven dromen dat hij terug zou komen met het Empire State Building in zijn achterzak.' 'Hé,' zei Ross, 'die seniorenprijzen; ze zijn niet groot genoeg. Daarom heeft nog niemand echt een gooi gedaan naar de hoogste prijs. Een prijs die de onkosten niet eens zou dekken, althans niet voor het soort budget dat u noemde. Het is ergens een soort oplichterij, of niet?' 'Geen oplichterij, maar het komt er in de praktijk wel op neer,' gaf Cargraves toe. 'Met een hoogste prijs van $250.000,- zullen ze General Electric, of du Pont, of North American Atomics, of welke andere grote researchmaatschappij dan ook, zeker niet in verleiding brengen. Ze kunnen het zich niet veroorloven, tenzij ze er andere voordelen in zien. In feite komt veel van het prijzengeld van diezelfde maatschappijen.' Hij ging weer rechtop zitten. 'Maar we kunnen er een gooi naar doen!' 'Hoe?' 'Het prijzengeld kan me geen moer schelen. Ik wil alleen maar gaan!' 'Ik ook!' verklaarde Ross; Art viel hem bij. 'Precies mijn idee. Wat het hoe betreft, daar hebben jullie mij voor nodig. Ik kan geen miljoen dollar uitgeven, maar ik geloof dat er een manier is om dit met een kleinigheid af te kunnen. We hebben een schip nodig. We hebben brandstof nodig. Er zal heel wat gesleuteld en gedaan moeten worden. We hebben onze vaste onkosten en we hebben voorraden nodig voor de tocht. Ik heb een schip.' 'Dat heeft u? Nu? Een ruimteschip?' Art zat met wijd open ogen. 'Ik heb een optie om een Atlantische vrachtraket voor een prikkie te kopen. Dat kan ik wel regelen. Het is een prima raket, maar ze zijn de bemande vrachtschepen aan het vervangen door de zuinigere, draadloos bestuurde gevallen. Het is een V-17 en hij is niet geschikt om om te bouwen voor personenvervoer, dus krijgen we hem als oud roest. Maar als ik hem koop, ben ik bijna blut. Bij de Raad voor Atoomleer van de VN kan een lid van de Wereld-Associatie van Atoomgeleerden, dat ben ik dus!' gooide hij er grijnzend tussendoor, 'splijtbaar materiaal krijgen voor experimentele doeleinden, als de commissarissen van de Associatie hun goedkeuring verlenen. Dat kan ik ook regelen. Ik heb voor thorium gekozen, wat ik liever heb dan uranium-235 of plutonium, doet er niet toe waarom. Maar ik liep stuk op het project zelf, gewoon te kostbaar. Ik was al bereid om het te proberen te financieren met aanbevelingen en lezingen en allerlei andere flauwe kul die soms nodig zijn om wetenschappelijk werk over te laten komen bij het publiek, toen ik jullie ontmoette.' Hij kwam overeind en ging tegenover ze staan. 'Ik heb niet zoveel nodig om die oude V-17 om te bouwen tot een ruimteschip. Maar ik heb geoefende handen en hersens nodig. Jullie zullen mijn mecaniciens zijn, assistent-ingenieurs, werkplaatsmonteurs, instrumentmakers en als het zover is, mijn bemanning. Jullie zullen urenlang moeilijk, smerig werk moeten doen en bovendien zelf jullie eten moeten koken. Het levert jullie enkel koffie en koek op en het risico om je nek te breken. Misschien komt het schip wel nooit van de grond. Gebeurt dat wel, dan bestaat er een goede kans, datje het nooit zult kunnen navertellen. Het zal zeker niet één groot avontuur zijn. Ik zal jullie achter je vodden zitten tot jullie er doodziek van worden en waarschijnlijk komt er toch niets van terecht. Maar zo ligt het. Denk er eens over na en laat het me horen.' Er hing het soort van zenuwslopende stilte die meestal voorafgaat aan een aardbeving. Toen sprongen de jongens overeind, tegelijk door elkaar heen schreeuwend. Toen het geroezemoes was bedaard, viel het Cargraves op dat Ross plotseling nogal somber keek. 'Wat is er, Ross? Nu al de zenuwen?' 'Nee,' Ross schudde zijn hoofd. 'Ik ben bang dat het te mooi is om waar te zijn.' 'Misschien, misschien. Ik denk dat ik weet wat jou dwars zit. Je ouders?' 'Uh, huh. Ik vraag me af, of onze ouders het goed zullen vinden.'
4
'PIONIERSBLOED'
Cargraves keek naar hun treurige gezichten. Hij wist waarmee ze geconfronteerd werden, een jongen kan niet zomaar naar zijn vader toestappen en zeggen: 'Tussen haakjes, pa, vergeet maar dat ik naar de universiteit zou gaan. Ik heb een afspraak met de Kerstman op de Noordpool.' Dat was de ware reden van zijn aarzeling geweest, voordat hij zijn plannen had verteld. Ten slotte zei hij, 'Ik ben bang dat jullie dat zelf zullen moeten regelen. Je belofte aan mij gaat niet op voor jullie ouders, maar vraag ze wel jullie vertrouwen te respecteren. Ik wil niet dat onze plannen uitlekken.'
'Maar luister eens, doctor Cargraves,' merkte Morrie op, 'waarom zo geheimzinnig? Onze ouders zouden wel eens het idee kunnen krijgen dat het allemaal maar een dwaze jongensdroom is. Waarom kunt u niet gewoon naar ze toegaan en ze uitleggen welke rol wij in het geheel spelen?'
'Nee,' antwoordde Cargraves, 'het zijn jullie ouders. Wanneer ze me willen ontmoeten, zal ik ze opzoeken en proberen ze bevredigende antwoorden te geven. Maar je zult ze er zelf van moeten overtuigen dat het jullie ernst is. Wat de geheimzinnigheid betreft, de redenen zijn deze: er is maar één aspect van mijn idee waarop octrooi verleend kan worden en, volgens de regels van de Atoomconventie van de V.N., kan het door iedereen die er gebruik van wil maken gepatenteerd worden. De maatschappij verwerft het octrooi, maar niet exclusief. Het idee om het toe te passen op een nogal gewaagde onderneming in de ruimtevaart is van mij en ik zou niet willen dat iemand anders me te vlug af is met meer geld en meer steun. Als we klaar zijn om te vertrekken zullen we de journalisten optrommelen.
Maar ik snap wel wat jullie bedoelen,' ging hij verder. 'Het moet niet te gek worden. Enfin, ik zal proberen ze te overtuigen.'
Doctor Cargraves maakte een uitzondering in het geval van Arts moeder, omdat het zijn eigen zuster was. Hij loodste Art naar zijn laboratorium in het souterrain zodra ze klaar waren met eten en, na geholpen te hebben met de afwas, praatte hij met haar. Ze luisterde kalm terwijl hij de zaak uitlegde. 'Nou, wat denk je ervan?' Ze bleef doodstil zitten, haar ogen overal op gericht, behalve op zijn gezicht, haar handen druk bezig met gefriemel aan haar zakdoek. 'Don, dat kun je me niet aandoen.' Hij wachtte tot ze verder zou gaan. 'Ik kan hem niet laten gaan, Don. Hij is alles wat ik heb. Sinds Hans dood is. . . ''Dat weet ik,' antwoordde de doctor zacht. 'Maar Hans was al dood, toen Art nog een baby was. Daarom kun je de jongen geen beperkingen opleg- gen.' 'Denk jij dat het er daardoor gemakkelijker op wordt?' Ze was bijna in tranen. 'Nee, dat niet. Maar het is ter wille van Hans dat je zijn zoon niet in de watten moet leggen. Hans was een geleerde. Hij weigerde zijn visie op de waarheid op maat te knippen voor politieke misdadigers... ' 'En het is zijn dood geworden!' 'Weet ik, weet ik. Maar vergeet niet, Grace, enkel door het feit dat jij een Amerikaans meisje was, kon je aan genoeg touwtjes trekken om hem uit het concentratiekamp te krijgen.''Ik zie niet in wat dat ermee te maken heeft. O, je had hem moeten zien, toen ze hem vrijlieten!' Ze huilde nu. 'Ik heb hem gezien, toen je hem hier had laten komen,' zei hij zacht, 'en dat was erg genoeg. Maar het feit datje Amerikaanse bent, heeft er heel wat mee te maken. Wij hebben een zekere mate van vrijheid, persoonlijke vrijheid, wetenschappelijke vrijheid. Die vrijheid wordt niet levend gehouden door voorzichtigheid en de onwil risico's te nemen. Als Hans nog leefde, zou hij met me meegegaan zijn, dat weetje, zus. Je bent het aan zijn zoon verplicht hem niet gevangen te houden. Je kunt hem toch niet eeuwig aan je schort laten hangen. Over een paar jaar zul je hem toch zijn eigen weg moeten laten gaan.' Ze hield haar hoofd gebogen. Ze gaf geen antwoord. Hij klopte zachtjes op haar schouder. 'Denk er eens over na, zus. Ik zal proberen hem heel terug te brengen.' Toen Art naar boven kwam, veel later, zat zijn moeder er nog steeds. 'Arthur?' 'Ja, moeder.' 'Wil je de ruimte in?' 'Ja, moeder.' Ze haalde diep adem en antwoordde toen vastberaden. 'Goed, Arthur. Doe dan wat oom je vertelt.' 'Dat zal ik, moeder.' Morrie wist zijn vader vlak na het eten te scheiden van de rest van het krioelende kroost. 'Pa, ik wil van man tot man met je praten.' 'En hoe anders?'
'Nou, dit is iets heel anders. Ik weet dat je me in de zaak wilde hebben, maar je was het ermee eens dat ik naar de universiteit zou gaan.' Zijn vader knikte. 'Die zaak loopt toch wel. We zijn trots op de geleerden in onze familie. Je oom Bernard is een prima chirurg. Vragen we hem soms om mee te helpen in de zaak?'
'Ja, pa, maar dat is het nou juist; ik wil niet naar de universiteit.' 'Waarheen dan?'
'Nee, ik wil niet studeren.' Hij legde het plan van doctor Cargraves uit, en vertelde alles zo snel mogelijk in een poging zijn vader het hele beeld voor ogen te toveren, voordat hij een beslissing kon nemen. Toen hij uitgesproken was, wachtte hij op een reactie.
Zijn vader schommelde heen en weer. 'Zo, dus nu is het de maan, hè? En volgende week de zon misschien. Als je iets wilt bereiken, Maurice, zul je toch een keer een keuze moeten maken.' 'Maar, pa, dit wil ik juist bereiken!' 'Wanneer denk je te vertrekken?' 'Je bedoelt datje het goedvindt? Mag ik?'
'Niet zo vlug, Maurice. Ik heb geen ja gezegd, ik heb ook geen nee gezegd. Het is alweer een hele tijd geleden datje ten overstaan van iedereen die het horen wilde je verhaal hield, "Vandaag ben ik een man " Dat betekende dat je een man was, Maurice, vanaf dat moment. Het is niet aan mij het goed te vinden; het is aan mij jou advies te geven. Ik adviseer je het niet te doen. Ik vind het gekkenwerk.' Morrie bleef zwijgend staan, koppig maar vol respect. 'Wacht eens een week en kom er dan nog maar eens op terug. De kans dat je je nek breekt is vrij groot bij deze onderneming, hè?' 'Nou. . . ja, ik geloof van wel.'
'Een week is niet te lang om te beslissen of je zelfmoord wilt plegen. Praat er intussen niet over met mama.' 'O, nee!'
'Als je besluit door te zetten, breng ik haar het nieuws wel bij. Mama zal dit niet leuk vinden, Maurice.'
Doctor Donald Cargraves kreeg de volgende ochtend een telefoontje, waarin hem werd verzocht naar het huis van de Jenkins' te komen, als het hem schikte. Hij voldeed aan dit verzoek met het, vond hij zelf, onredelijke gevoel, dat hij op het matje werd geroepen. Hij trof mevrouw en meneer Jenkins in de salon; Ross was nergens te zien. Meneer Jenkins gaf hem een hand en bood hem een stoel aan. 'Sigaret, doctor? Sigaar?' 'Nee, dank u wel.' 'Als u pijp rookt,' voegde mevrouw Jenkins eraan toe, 'ga gerust uw gang' Cargraves bedankte haar en stopte dankbaar zijn vertrouwde pijp. 'Ik hoor van Ross een vreemd verhaal,' begon meneer Jenkins. 'Als ik niet van hem op aan kon, zou ik bijna denken dat zijn fantasie op hol was geslagen. Misschien kunt u het me uitleggen.' 'Ik zal het proberen, mijnheer.' 'Dank u. Is het waar, doctor, dat u voornemens hebt een tocht naar de maan te maken?' 'Jazeker.' 'Wel! Is het ook waar, dat u Ross en zijn makkers hebt uitgenodigd met u mee te gaan?' 'Dat is zo, ja.' Doctor Cargraves betrapte zich er op dat hij hard op de steel van zijn pijp zat te bijten. Meneer Jenkins staarde hem aan. 'Ik ben stomverbaasd. Zelfs als het allemaal veilig en redelijk zou zijn, dan nog komt uw keuze van jongens als partners me nogal vreemd voor.' Cargraves verklaarde waarom hij dacht dat de jongens volwaardige assistenten konden zijn. 'Hoe dan ook,' concludeerde hij, 'jong zijn hoeft per definitie geen handicap te zijn. Het merendeel van de geleerden bij het Manhattan Project bestond uit zeer jonge kerels.' 'Maar geen jongens, doctor.''Misschien niet. Maar toch, Sir Isaac Newton was nog maar een jongen toen hij de differentiaalberekening uitvond. Professor Einstein in eigen persoon was nog pas zesentwintig toen hij zijn eerste verhandeling over de relativiteit publiceerde, en het werk was verricht toen hij nog veel jonger was. In de mechanica en de natuurwetenschappen heeft leeftijd niets met de zaak te maken; het is uitsluitend een kwestie van training en kunde.' 'Zelfs al is het waar wat u zegt, doctor, training kost tijd en deze jongens hebben niet de tijd gehad voor de training die u in dit geval nodig heeft. Het duurt jaren om mecanicien te worden, het duurt nog langer om instrumentmaker te worden. Verdraaid, ik ben zelf mecanicien. Ik weet waarover ik praat.' 'Normaal gesproken zou ik het met u eens zijn. Maar deze jongens kunnen precies wat ik nodig heb. Heeft u hun werk wel eens bekeken?' 'Sommige dingen.' 'Hoe goed is het?' 'Het is prima werk, binnen de beperkingen van wat ze weten.' 'Maar wat ze weten is precies wat ik voor dit werk nodig heb. Het zijn raketfanaten. In hun liefhebberij hebben ze geleerd wat ik nodig heb.' Meneer Jenkins dacht hierover na en schudde toen zijn hoofd. 'Ik geloof dat er wel iets in zit. Maar het plan is fantastisch. Ik zeg niet dat ruimtevluchten fantastisch zijn; ik verwacht wel dat de technische problemen ooit zullen worden opgelost. Maar een ruimtevlucht is niet iets voor in de achtertuin. Als het er ooit van komt, zal het worden aangepakt door de luchtmacht, of als project van een van de grote maatschappijen, en niet door onvolwassen jongens.' Cargraves schudde zijn hoofd. 'De regering past ervoor. Het zou worden weggehoond door het Congres. Wat de maatschappijen betreft, ik weet bijna zeker dat zij er ook niet aan willen.' Meneer Jenkins keek hem spottend aan. 'Dan lijkt het me niet waarschijnlijk dat wij nog een ruimtevlucht zullen meemaken.' 'Dat zou ik niet willen zeggen,' wierp de geleerde tegen. 'De VS is niet het enige land op deze aardbol. Het zou mij niets verbazen als ik op een ochtend zou horen dat het de Russen is gelukt. Ze beschikken over de technische bekwaamheden en ze zijn ogenschijnlijk bereid geld aan de wetenschap te spenderen. Misschien dat het ze lukt.' 'Nou, en als ze erin slagen?' Cargraves haalde diep adem. 'Ik heb niets tegen de Russen, als ze me voor zijn op de maan, neem ik mijn petje voor ze af. Maar ik prefereer ons systeem boven dat van hen; het zou een bittere pil voor ons zijn als mocht blijken dat zij zo iets enorms en grandioos wel zouden kunnen volbrengen, terwijl wij nog niet eens bereid zijn er binnen ons stelsel iets aan te doen. Hoe dan ook,' ging hij verder, 'ik ben trots genoeg op mijn eigen land om te wensen dat wij het zullen zijn, liever dan een ander land.' Meneer Jenkins knikte en ging op een ander onderwerp over. 'Al beschikken deze drie jongens over de speciale deskundigheid die u nodig heeft, dan begrijp ik nog niet waarom uw keuze juist op jongens is gevallen. Eerlijk gezegd komt het hele plan me daarom nogal onbezonnen voor. U zou ervaren mecaniciens en technici moeten hebben en uw bemanning zou uit bekwame raketpiloten moeten bestaan.' Doctor Cargraves legde het uit en verklaarde dat hij zijn plannen hoopte uit te voeren met een klein budget.
Toen hij uitgesproken was, zei meneer Jenkins: 'Dus in feite hebt u de jongens aan de haak geslagen omdat u in geldnood zat?' 'Als u het zo wilt zien.' 'Ik zie het niet zo; u ziet het zo. Eerlijk gezegd kan ik uw optreden helemaal niet goedkeuren. Ik geloof niet dat u het kwaad bedoelde, maar u heeft er niet eerst over nagedacht. Ik neem het u niet in dank af, dat u Ross en zijn vrienden hebt warm gemaakt voor een zaak die niet bij hun leeftijd past, zonder eerst hun ouders te raadplegen.'Doctor Cargraves voelde zijn mond strak worden, maar zei niets; hij vond dat hij moeilijk kon beweren, dat hij bijna de hele nacht had wakker gelegen met juist dit soort gedachten. 'Maar,' ging meneer Jenkins verder, 'ik begrijp uw teleurstelling en ik sympathiseer met uw enthousiasme.' Hij glimlachte vluchtig. 'Ik zal u een voorstel doen. Ik zal drie mecaniciens in dienst nemen - u mag ze uitkiezen - en één assistent-ingenieur of natuurkundige om u te helpen uw schip te bouwen. Als het zover is, zorg ik voor een bemanning. Volgens mij zullen we die niet in dienst hoeven nemen - we zullen kunnen kiezen uit een lange lijst vrijwilligers. Wacht even,' zei hij toen Cargraves iets wilde zeggen, 'u bent mij niets verplicht. We maken er een zakelijke onderneming van met een speculatieve inslag. We maken een contract op waarin u mij, als u het haalt, een redelijk percentage van het prijzengeld toewijst én van de baten uit exclusieve nieuwsreportages, boeken, lezingen, enzovoort. Lijkt u dat een oplossing?' Cargraves haalde diep adem. 'Meneer Jenkins,' zei hij traag, 'als ik vorige week zo'n voorstel had gekregen, zou ik het met twee handen hebben aangegrepen. Maar ik kan het niet aannemen.' 'Waarom niet?' 'Ik kan de jongens niet laten vallen. Ik heb me al verplicht.' 'Maakt het enig verschil als ik u vertel dat er absoluut geen kans op is, dat Ross mee gaat?' 'Nee, ik zal op zoek moeten gaan naar een soortgelijke hulp, maar u kunt het niet zijn. Het zou te veel weg hebben van afkoperij - niet beledigend bedoeld, meneer Jenkins! - door me te onttrekken aan het voorstel dat ik Ross heb gedaan.'
Meneer Jenkins knikte. 'Daar was ik al bang voor. Ik respecteer uw houding, doctor. Ik zal Ross binnen roepen om hem de uitslag mee te delen.' Hij ging op weg naar de deur. 'Wacht even, meneer Jenkins. . . ' 'Ja?' 'Ik wil alleen maar zeggen dat ik uw houding ook respecteer. Zoals ik al zei, het project is gevaarlijk, behoorlijk gevaarlijk. Ik vind het een gevaar binnen de grenzen van de redelijkheid, maar ik kan u het recht niet ontzeggen uw zoon te verbieden zijn leven met mij op het spel te zetten.' 'Ik vrees dat u me niet begrijpt, doctor Cargraves. Het is zeker gevaarlijk en natuurlijk maken mijn vrouw en ik ons daar zorgen over, maar dat is niet mijn uiteindelijke bezwaar. Ik zou niet willen proberen Ross buiten gevaar te houden. Ik laat hem vlieglessen nemen; ik heb zelfs het een en ander gedaan om twee extra oefenvliegtuigen uit het leger te pakken te krijgen, voor de middelbare school. Ik heb hem niet tegengehouden toen hij met explosieve wilde experimenteren. Dat is de reden niet.' 'Wat dan wel, als ik vragen mag?' 'Natuurlijk. Ross gaat dit najaar volgens plan naar de universiteit. Ik vind een goede basisopleiding belangrijker voor hem dan de eerste man op de maan te worden.' Hij draaide zich weer om. 'Wacht u even! Als u over zijn opleiding inzit, vindt u mij een competent leraar?' 'Eh? Jazeker.' 'Ik neem het op me de jongens te onderwijzen in technische en machine- bouwkundige vakken. Ik zal erop toezien dat ze niet achter raken.' Meneer Jenkins aarzelde een moment. 'Nee, doctor, de zaak is afgedaan. Een ingenieur zonder diploma is sowieso al in het nadeel. Ross zal zijn diploma moeten halen.' Hij liep vlug naar de deur en riep: 'Ross!' 'Kom eraan, vader.' Het onderwerp van gesprek rende de trap af, de kamer binnen.
Hij keek om zich heen, eerst naar Cargraves, toen ongerust naar zijn vader en ten slotte naar zijn moeder, die opkeek van haar breiwerk, tegen hem glimlachte maar niets zei. 'Hoe is de uitspraak?' informeerde hij. Zijn vader stelde het nogal bot: 'Ross, je gaat dit najaar naar school. Ik kan dit plan niet goedkeuren.' De kaakspieren van Ross trilden maar hij antwoordde niet meteen. In plaats daarvan zei hij tegen Cargraves: 'Hoe is het met Art en Morrie?' 'Art gaat mee. Morrie heeft me opgebeld en zei dat zijn vader er niet zoveel in zag maar het hem niet wilde verbieden.' 'Maakt dat enig verschil, vader?' 'Ik vrees van niet. Ik ga niet graag tegen je in, jongen, maar als puntje bij paaltje komt, ben ik toch tot je eenentwintigste verantwoordelijk voor je. Je moetje diploma halen.' 'Maar.. . maar. . . luister eens, vader. Een diploma is niet alles. Als de tocht succesvol is, ben ik zo beroemd dat ik geen titel nodig heb om een baan te krijgen. En als ik niet terugkom, heb ik geen diploma nodig!' Meneer Jenkins schudde zijn hoofd. 'Ross, mijn besluit staat vast.' Cargraves zag dat Ross moeite had om zijn tranen te bedwingen. Op de een of andere manier maakte het hem ouder, niet jonger. Toen hij weer sprak, klonk zijn stem nogal onzeker. 'Vader?' 'Ja, Ross?' 'Als ik niet mee mag, mag ik dan tenminste meehelpen met het ombouw- karwei? Ze zullen hulp nodig hebben.' Cargraves bekeek hem met andere ogen. Hij kon zich wel voorstellen hoeveel pijn en frustratie dit voorstel de jongen bezorgde. Meneer Jenkins keek verrast op, maar antwoordde snel. 'Dat mag. . . tot je naar de universiteit moet.' 'Stel dat ze tegen die tijd nog niet klaar zijn? Ik zou ze niet graag in de steek laten.' 'Goed dan. Als het nodig is, ga je het tweede trimester naar school. Dat is mijn laatste concessie.'
Hij richtte zich tot doctor Cargraves. 'Ik reken op u voor wat scholing.' Daarna tegen zijn zoon, 'Maar nu is de zaak afgedaan, Ross. Als je eenentwintig bent, kun je je leven wagen in een ruimteschip als je wilt. Eerlijk gezegd verwacht ik datje nog kans genoeg zult hebben om de eerste vlucht naar de maan mee te maken als je het beslist wilt proberen.' Hij stond op. 'Albert.' 'Eh? Ja, Martha?' Hij keek naar zijn vrouw. Ze legde het breiwerk in haar schoot en zei met nadruk: 'Laat hem gaan, Albert!' 'Eh? Wat bedoel je, lieve?' 'Ik bedoel, laat de jongen naar de maan gaan als hij dat kan. Ik weet wat ik gezegd heb en voor mij heb je een goed betoog gehouden. Maar ik heb zitten luisteren en ik ben er wijzer van geworden. Doctor Cargraves heeft gelijk, ik had ongelijk. We kunnen niet verwachten ze in het nest te houden. O, ik weet wat ik gezegd heb,' ging ze verder, 'maar een moeder zal altijd wel een beetje huilen. Evengoed is dit land niet opgebouwd door mensen die bang waren om op weg te gaan.
De betovergrootvader van Ross stak de bergen over in een Conestoga-wagen en bouwde dit landgoed hier op. Hij was negentien en zijn vrouw zeventien. In de familie-annalen staat opgetekend dat hun ouders sterk gekant waren tegen de verhuizing.' Ze maakte een onverwachte beweging, waardoor één van haar breinaalden brak. 'Ik moet er niet aan denken dat het temperament door mij afgezwakt zou worden.' Ze stond op en liep snel de kamer uit. Meneer Jenkins liet zijn schouders hangen. 'Je hebt mijn toestemming, Ross,' zei hij toen. 'Doctor, ik wens u veel geluk. En als u me nu wilt excuseren. . . ' Hij volgde zijn vrouw.
5
'KINDERZIEKTEN'
'Hoe ver nog?' Het lawaai van de carrosserieloze auto, samen met het geluid van de woestijnwind, dwong Art tot schreeuwen. 'Kijk eens op de kaart,' zei Ross, druk aan het stuur draaiend om een prairiehaas te ontwijken. 'Het is drieënvijftig kilometer van verkeersweg 66 naar de afslag, en dan nog zeven kilometer.'
'We zijn zo'n veertig kilometer terug van snelweg 66 af gegaan,' antwoordde Art. 'We zullen die afslag wel gauw te zien krijgen.' Hij wierp een zijdelingse blik over het kale, kleurrijke landschap van Nieuw- Mexico. 'Heb jij ooit zoveel uitgestrekt, nutteloos land bij elkaar gezien? Cactussen en prairiewolven, wat moet je ermee?'
'Ik hou er wel van,' antwoordde Ross. 'Hou je goed vast.' Er lag een vlak, recht stuk voor ze, kilometers lang; Ross stuurde wat bij en joeg de kleine auto op. . . zeventig. . . tachtig. . . negentig. . . vijfennegentig. De naald trilde in de richting van de drie cijfers.
'Hé, Ross?' Ja?
'Deze kar is zo jong niet meer. Waarom zouden we ons over de kop rijden?'
'Schijterd,' zei Ross, maar hij nam wat gas terug.
'Helemaal niet,' protesteerde Art. 'Wanneer we het loodje leggen als we proberen naar de maan te komen, prima, dan zijn we helden. Maar als we als een idioot onze nek breken, nog voordat we vertrokken zijn, dan is dat alleen maar belachelijk.' 'oké, oké, is dat de afslag?'
Er liep een landweggetje naar rechts, dwars door de woestijn. Ze volgden die weg ongeveer een kwart kilometer en stopten toen voor een stalen hek dat de weg blokkeerde. Een stevig hekwerk, bekroond met prikkeldraad, strekte zich naar links en rechts uit. Aan het hek hing een bord:
GEVAAR
Onontplofte Granaten
U betreedt dit gebied op eigen risico .
Niets aanraken - alle verdachte
voorwerpen melden bij de
districtsboswachter.
'Hier is het,' constateerde Ross. 'Heb je de sleutels?' Het gebied was een verlaten oefenterrein uit de oorlog. Dit woestijngebied was de kosten en het risico van ontruiming niet waard, maar het was ideaal voor Cargraves; ze hadden er voldoende de ruimte en geen last van toevallige voorbijgangers. Bovendien was het vrijgesteld van huur, geleend van de Associatie van Atoomgeleerden, door Cargraves.
Art gooide Ross een bos sleutels toe. Ross probeerde ze en zei: 'Je hebt me de verkeerde gegeven.'
'Ik dacht van niet. Nee, nee,' ging hij verder, 'dat zijn de sleutels die doe gestuurd heeft.' 'Wat doen we nou?'
'Het slot forceren, misschien?' 'Niet bij dit slot. Klimmen?'
'Met die kar onder één arm? Doe niet zo dwaas.'
Er kroop een auto naar ze toe, waarvan de snelheid verloren ging in de
uitgestrektheid van de woestijn. Hij stopte vlak bij en een man met een
militaire stetsonhoed stak zijn hoofd naar buiten. 'Hé, daar!'
Art mompelde 'Ook zo,' en zei toen: 'Goedemorgen.'
'Wat voeren jullie daar uit?'
'We proberen naar binnen te komen.'
'Zie je dat bord dan niet? Wacht 's even, heet één van jullie soms Jenkins?'
'Hij is Ross Jenkins. Ik ben Art Mueller.'
'Aangenaam. Ik ben de boswachter hier. De naam is O'Buchanan. Ik zou jullie er wil in willen laten, maar ik weet niet of ik dat nou wel moet doen.'
'Waarom niet?' Ross zei het nogal geprikkeld. Hij voelde dat ze als kleine jongens werden behandeld.
Tja. . . we hebben hier onlangs een klein ongelukje gehad. Daarom is het slot veranderd.' 'Een ongeluk?'
'Op de een of andere manier heeft iemand zich toegang weten te verschaffen zonder het hek te beschadigen. Hij liep tegen een landmijn op, ongeveer tweehonderdvijftig meter aan deze kant van jullie hut.' 'Is hij. . . dood?'
'Als een pier. Door de buizerds kreeg ik het in de gaten. Moetje horen, ik zal jullie binnenlaten; want ik heb een kopie van jullie vergunning. Maar ga niet op onderzoek uit. Blijf in het gemarkeerde gebied rond de hut, en blijf op de weg die langs de stroomleiding loopt.' Ross knikte. 'We zullen voorzichtig zijn.' 'Doe dat. Wat gaan jullie daar eigenlijk doen? Prairiehazen fokken?' 'Precies. Reuzenprairiehazen. Twee en een halve meter lang.' 'Zo, zo. Nou, zorg dan maar dat ze binnen het gemarkeerde gebied blijven, anders heb je prairiehaashamburger.'
'We zullen voorzichtig zijn,' herhaalde Ross. 'Enig idee wie die man van dat ongeluk was? Of wat hij hier uitvoerde?'
'Nee, geen van tweeën. De buizerds hebben niet genoeg overgelaten om hem te identificeren. Het is idioot gewoon. Er viel daar niets te halen, het was nog voordat jullie spullen aankwamen.' 'O, zijn die er?'
'Zekers. De kratten staan buiten opgestapeld. Het was geen man uit deze buurt,' ging de boswachter verder. 'Dat kon je zien aan zijn schoenen. Moet eigenlijk met een auto gekomen zijn, maar nergens een auto te bekennen. Idioot gewoon.'
'Ja, daar lijkt het wel op.' was Ross het met hem eens, 'maar hij is dood, en daarmee uit.'
'Precies. Hier zijn jullie sleutels. O, ja. . . ' Hij stak zijn hand weer in zijn zak. 'Bijna vergeten. Telegram voor jullie.' 'Voor ons? Bedankt!'
'Ik zou maar een postbus bij de hoofdweg neerzetten,' stelde Buchanan voor. 'Dit is toevallig hier terechtgekomen.'
'Doen we,' beloofde Ross afwezig, terwijl hij de enveloppe openscheurde.
'Tot kijk.' Buchanan bracht zijn motor op gang. Tot kijk en nogmaals bedankt.' 'Wat staat er in hemelsnaam in?' vroeg Art. 'Lees maar:'
EINDEXAMEN VANDAAG GEHAALD. VERTREKKEN ZATERDAG. ZORG VOOR FANFARE, DANSENDE MEISJES EN TWEE VETGEMESTE KOEIEN, EEN RODE EN EEN GEVLEKTE, (getekend) DOC EN MORRIE.
Ross glimlachte. 'Stel je voor! Die gekke Morrie raketpiloot! Die zal nu wel naast zijn schoenen lopen.'
'Dat zal zeker wel. Verdomme. We hadden die opleiding allemaal moeten volgen.'
'Rustig maar. Laten we er niet moeilijk over doen; we zouden de halve zomer verknoeid hebben.' Voor Ross was het hiermee afgedaan. Art begreep zijn eigen jaloezie niet. Ergens diep van binnen was hij jaloers op het feit dat Morrie naar Spaatz Field had kunnen gaan in het gezelschap van Arts verafgode oom, meer dan op het eigenlijke doel van die reis. Ze hadden allemaal vlieglessen met dubbele besturing gehad; Morrie was doorgegaan en had zijn persoonlijke brevet gehaald. Volgens de regels uit de tijd, volgens Art kon een vliegtuigpiloot een verkorte opleiding volgen voor raketpiloot. Doctor Cargraves was in het bezit van een wat stoffig vliegbrevet van zo'n vijftien jaar geleden. Hij was van plan geweest zijn raketbrevet te halen toen hij erachter kwam dat Morrie ook wel in aanmerking kwam en was het vanzelfsprekend geweest hem mee te nemen. Zo was er voor Ross en Art een lading klussen overgebleven die nog geregeld moeten wordën voor ze konden beginnen. Daarna waren ze op eigen gelegenheid naar Nieuw-Mexico gegaan om het kamp in te richten. De waarschuwing om de stroomleiding te volgen bleek noodzakelijk; de jongens ontdekten dat de woestijn binnen het hek bol stond van de brisantbommen en kriskras werd doorkruist door wagensporen, die allemaal op elkaar leken en daar jaren geleden moesten zijn gemaakt door vrachtwagens, tanks en mobiele eenheden. De hut zelf troffen ze aan binnen een omheining van touw, ongeveer tweehonderdvijftig meter breed en één kilometer lang. Een paar honderd meter voorbij de omheining lag een weidse vlakte die zich kilometers ver uitstrekte tot aan de horizon en er uitzag als een groen, rimpelend meer - de dode krater van de atoombomtest uit 1951, de Doomsday Bom van de N.V. Ze hadden geen aandacht voor de hut of de opgestapelde goederen, voordat ze dit bekeken hadden. Ross reed de auto naar de overkant van de omheining en ze keken er een met starende blik naar. Art liet een laag, eerbiedig gefluit horen. 'Zou jij daaronder hebben willen liggen?' informeerde Ross met zachte stem. Art zweeg en klom uit de auto. 'Ik vraag me af of we daar kunnen komen.' 'Nou, ik zou het maar niet proberen. Dat zien we later wel eens.' 'Er kunnen geen blindgangers meer in of ook in de buurt van de krater liggen, niet na zo iets.' 'Vergeet onze vriend niet die door de buizerds in opgegeten. Blindgangers die niet rechtstreeks bloot stonden aan de ontploffing zouden wel eens niet afgegaan kunnen zijn. Deze bom ging vijf kilometer boven de grond af.' 'Hè? Ik dacht. . . 'Jij dacht aan de test in Chihuahua. Dat gebeurde op de grond. Maar kom op. Werk aan de winkel.' Hij trapte op de starter. De hut was geprefabriceerd, neergezet na de test met de atoombom om onderdak te verlenen aan de waarnemers. Sindsdien was hij niet meer gebruikt en daar zag hij ook naar uit. 'Wat een troep,' merkte Art op. 'We hadden beter een tent mee kunnen nemen.' 'Het wordt prima, als we hem wat opgeruimd hebben. Heb jij petroleum bij die spullen buiten zien staan?' Twee vaten.' 'oké. Ik zal eens kijken of ik deze kachel aan de gang kan krijgen. Ik zou ook wel wat willen eten.' De hut was heel behoorlijk, maar vuil. Er was een aangeboorde bron; het water was goed, maar het had een vreemde smaak. Er stonden zes kale slaapbanken, waar alleen nog een slaapzak op hoefde. De keuken was aan het eind van de kamer. In de eetkamer stond een grote, vurenhouten tafel en er waren planken en haken aan de muren bevestigd. De hut had ramen en een waterdicht dak. De kachel deed het goed, hoewel hij ietwat stonk; Ross fabriceerde roereieren, koffie, brood met boter, gebakken aardappels en een appeltaart met slechts wat kleine brandwonden en oneffenheden.
Ze hadden de hele dag nodig om de hut schoon te maken, de auto uit te laden en uit de kratten te halen wat ze meteen nodig hadden. Tegen de tijd dat ze klaar waren met hun avondeten, deze keer opgediend door Art, waren ze blij in hun slaapzak te kunnen kruipen. Ross snurkte al zachtjes voordat Art zijn ogen dichtdeed. Tussen het gesnurk van Ross en het sombere gehuil van de prairiewolven door dacht Art erover om maar wat watten in zijn oren te stoppen, toen de zon hem 's ochtends wakker maakte. 'Ross, opstaan!' 'Wat is er.'
'Kom eruit. We liggen onze tijd hier te verdoen.'
'Ik ben moe,' antwoordde Ross en draaide zich nog eens lekker om. 'Ik denk dat ik maar eens op bed ontbijt.'
'Je zuster op een houtvlot. Kom op, man, vandaag moeten we de fundering voor de werkplaats leggen.'
'Je hebt gelijk.' Ross kroop vol spijt uit bed. 'Prachtig weer, ik denk dat ik een zonnebad neem.'
'Ik had zo gedacht dat jij voor het ontbijt zorgt, terwijl ik de zaak vast ga markeren.' 'oké, slavendrijver.'
De machinewerkplaats was een geval van metalen platen en scharnieren, die in elkaar gezet moesten worden. Ze vermengden de specie met de zandaarde van de woestijn, wat hun een cement opleverde dat goed genoeg was voor een noodgebouwtje. Het was noodzakelijk om het elektrische gereedschap uit de kratten te halen en op te meten, voordat de steunen in het cement konden worden vastgezet. Ross keek toe hoe Art de laatste bout plaatste. 'Weetje zeker dat we alles hebben?' 'Absoluut. Slijpmachine, frees, draaibank. . . ' Hij raakte ze aan. 'Drilboor, de twee zagen.' Ze hadden het nodige gereedschap voor praktisch elk denkbaar karwei. Tegen het vallen van de avond hadden ze de verschillende delen van het gebouwtje uitgelegd tegenover de plaats waar de werkplaats moest komen, klaar om in elkaar te zetten. 'Denk jij dat die stroomleiding het allemaal wel kan hebben?' zei Art bezorgd toen ze ophielden.
Ross haalde zijn schouders op. 'We gebruiken het gereedschap toch niet allemaal tegelijk. Stop met tobben, anders komen we nergens. We moeten nog afwassen, als we willen eten.'
Die zaterdag was al het gereedschap aangesloten en getest, en had Art één van de motoren gereviseerd. De kleine berg gereedschap was opgeborgen en de hut was schoon en redelijk netjes. Bij het uitpakken van de kisten ontdekten ze dat er verschillende waren opengebroken, maar zo te zien was er niets beschadigd. Ross was geneigd de zaak daarmee als afgedaan te beschouwen, maar Art maakte zich zorgen. Ze hadden aan zijn kostbare radiografische en elektronische apparatuur gezeten. 'Maak je niet bol,' raadde Ross hem aan. 'Zeg het tegen doe als hij hier is. Het spul was verzekerd.'
'Het was verzekerd tijdens het transport,' legde Art uit. 'Trouwens, wanneer denk jij dat ze hier zullen zijn?'
'Ik zou het niet kunnen zeggen,' antwoordde Ross. 'Als ze met de trein komen, kan het wel dinsdag of nog later worden. Als ze naar Albuquerque vliegen en daar op de bus stappen, kunnen ze morgen al hier zijn. . . Wat was dat?' Hij keek vluchtig in het rond. 'Waar?' vroeg Art. 'Daar. Daarginds, meer naar links. Een raket.' 'Verdraaid. Dat moet een militair geval zijn; we zitten hier niet op de handelsroutes. Hé, hij heeft z'n neusmotoren ingeschakeld!' 'Hij gaat landen! Hij gaat hier landen!' 'Denk jij, wat ik denk?'
'Ik weet het niet. Ik dacht. . . daar komt hij! Hij kan niet. . . ' Zijn woorden gingen verloren in een donderend kabaal als van een expres- trein, toen de raket vaart minderde. Voordat de remmotoren waren ingeschakeld, was hij voor zijn eigen geraas uitgevlogen. De piloot zette hem zachtjes neer, niet meer dan vijfhonderd meter bij de hut vandaan, met een laatste plof van de neus- en buikmotoren die er een kort maar krachtig eind aan maakten.
Toen ze hijgend naast de gladde, grijze wanden van het voertuig stonden, ging de deur voor de stompe vleugels open en sprong er een lange figuur naar beneden, onmiddellijk gevolgd door een kleinere man.
'Doe! Doe! Morrie!'
'Hallo,' schreeuwde Cargraves. 'Nou, we hebben het gehaald. Is het eten klaar?'
Morrie hield zich met moeite in bedwang; hij knapte bijna van de onderdrukte emoties. Ik heb de landing uitgevoerd,' verkondigde hij.
'Echt waar?' Art kon het nauwelijks geloven.
'Jazeker. Waarom niet? Ik heb m'n brevet. Wil je het zien?' ' "Puike piloot Abrams" staat hier,' citeerde Ross, toen ze het document
bekeken. 'Maar waarom liet je hem niet wat meer zweven? Je zette hem
vrijwel alleen op zijn motoren aan de grond.'
'O, ik oefende wat voor de maanlanding.'
'O, deed je dat? Nou, doe voert de maanlanding uit of ik geef je op een briefje dat ik niet meega.'
Cargraves onderbrak de grappenmakerij. 'Rustig nou maar. Niemand van ons zal in het luchtledige proberen te landen.'
Morrie keek stomverbaasd. Ross zei, 'Wie zal dan. . . '
'Art zal de maanlanding uitvoeren.'
Art slikte en zei, 'Wie? Ik?'
Tot op zekere hoogte. Het zal een radarlanding moeten worden; we kunnen geen brokken riskeren door zo iets stugs als een landing op straalmotoren wanneer we niet meer naar huis terug kunnen lopen. Art zal de circuits moeten wijzigen om het aan de automatische piloot te kunnen overlaten. Maar Morrie zal voortdurend paraat blijven,' ging hij verder toen hij de uitdrukking op Morries gezicht zag. 'Morries reactiesnelheid ligt hoger dan die van mij. Ik begin oud te worden. Nou, hoe staat het met het eten? Ik wil me omkleden en aan de slag gaan.' Morrie was gekleed in een lange pilotenjas, terwijl Cargraves zijn beste pak had aangetrokken. Art nam hem eens op. 'Vanwaar dat snelle pak, oom? Je ziet er niet uit, alsof je verwacht had per raket te komen. Ik dacht trouwens dat het schip verscheept zou worden?'
'Verandering van schema. Ik arriveerde rechtstreeks vanuit Washington op het veld en Morrie vertrok zodra ik was aangekomen. Het schip was toch klaar, dus hebben we het zelf meegenomen en zo'n vijfduizend piek vervoerkosten uitgespaard.'
'Ging alles van een leien dakje in Washington?' vroeg Ross bezorgd. 'Ja, met behulp van de rechtskundige afdeling van de associatie. Heb wat papieren bij me die jullie moeten tekenen. Maar laten we onze tijd hier niet staan te verleuteren. Ross, wij beginnen meteen aan het scherm. Als we gegeten hebben.' 'Mij best.'
Ross en de doctor waren drie dagen bezig met de moeizame, smerige taak de brandstofopslag vlak bij de staartmotoren de slopen. De neus- en buikmotoren, die uitsluitend bij de landing en het manoeuvreren gebruikt zouden worden, lieten ze onveranderd.
Die liepen op een speciale brandstof; Cargraves wou ze laten zoals ze waren om een van de nadelen van atoomaandrijving te omzeilen: het relatieve probleem van het in- en uitschakelen van de energie, als dat nodig was. Terwijl ze aan het werk waren, praatten ze een beetje bij. Ross vertelde hem van de man die op een niet ontplofte landmijn was getrapt. Cargraves leek nauwelijks geïnteresseerd totdat Ross hem vertelde van
de geopende kratten. Cargraves legde zijn gereedschap neer en veegde het zweet van z'n gezicht. 'Daar wil ik meer over horen,' merkte hij op.
'Hoezo, doe? Er is toch niets beschadigd.'
'Geloof jij dat die vent onze spullen heeft opengebroken?'
'Nou, eerst wel, tot het me weer te binnen schoot dat die boswachter botweg zei, dat die kerel al een maaltje voor de buizerds was geweest nog voordat onze spullen waren gearriveerd.'
Cargraves keek bezorgd en stond op.
'Waar ga je heen, doe?'
'Ga jij maar verder,' zei de geleerde afwezig. 'Ik moet Art even spreken.'
Ross wilde iets zeggen, bedacht zich echter en ging weer aan het werk.
'Art,' begon Cargraves, 'wat zijn jij en Morrie aan het doen?'
'Nou, we kijken zijn astrogatie-instrumenten na. Ik spoor de circuits op met de versnellingsintegrator. De gyro lijkt me overigens uit balans.'
'Dat moet ook. Kijk maar in de gebruiksaanwijzing. Laat maar zitten trouwens. Zou jij een foto-elektrisch circuit rondom dit gebied in elkaar kunnen zetten?'
'Als ik de spullen had wel.'
'Doet er niet toe watje zou kunnen als. Wat kun je doen met de spullen die je hebt?'
'Wacht even,' protesteerde de jonge medewerker. 'Vertel me eerst wat jij wilt doen, dan zeg ik wel of ik het in elkaar kan zetten.' 'Sorry. Ik wil een detectorcircuit rondom het schip en de hut. Kan dat?' Art krabde eens achter zijn oor. 'Laat eens kijken. Ik heb foto-elektrische cellen nodig en ultraviolet licht. De rest valt wel bij elkaar te scharrelen. Ik heb twee belichtingsmeters bij mijn fotospullen; die zou ik kunnen gebruiken als cellen, maar hoe moet het met het uv-licht? Als we een zonnelamp hadden, zou ik hem kunnen filteren. Wat denk je van een booglamp? Met een booglamp zou ik wel wat kunnen doen.' Cargraves schudde zijn hoofd. 'Te onzeker. Je zou er de hele nacht op moeten letten. Wat heb je nog meer in je mars?'
'Mmm. . . Nou, we zouden misschien thermoparen kunnen gebruiken. Dan kan ik gewoon licht gebruiken en dat dan doorfilteren tot infrarood overblijft.'
'Duurt dat lang? Watje ook gaat doen, voor het donker moet het af zijn, al staat alleen maar de bovenste draad van de omheining onder stroom.' 'Dan kan ik dat beter doen,' ging Art met hem mee, 'als dat. . . Hé!' 'Wat hé?'
'In plaats van het hek flink onder stroom te zetten, waardoor iedereen die het aanraakt een fikse schok zal krijgen, gooi ik er maar een paar volt tegenaan en koppel die dan terug via een circuit met behoorlijk wat versterking. Ik kan het wel zo regelen dat als iemand het hek aanraakt, de zaak als een hond zal gaan janken. Hoe vind je dat?' 'Dat is beter. Ik wil nu meteen een alarmsysteem. Zie Morrie te pakken te krijgen en ga samen aan het werk.' Cargraves ging terug naar zijn werk, maar zijn gedachten waren er niet bij. Het akelige voorgevoel dat hij had gehad bij het raadsel van het zoekgeraakte 'botte voorwerp' kwam weer boven. Nu nog meer raadselen, zijn ordelijke gedachtegang hield niet van onduidelijkheden.
Ongeveer een uur later wilde hij uit de raket stappen om te kijken hoe ver Art al gevorderd was. Via het ruim kwam hij in de controlecabine terecht. Daar trof hij Morrie aan. Hij fronste zijn wenkbrauwen. 'Hallo,
kerel,' zei hij. 'Ik dacht dat jij Art aan het helpen was.'
Morrie keek nogal schaapachtig. 'O, dat!' zei hij. 'Ja, daar heeft hij het wel over gehad, maar ik was bezig.' Hij wees op de computer, die zonder dekplaat een vreemde aanblik bood.
'Heeft hij gezegd dat ik wou datje hem zou helpen?'
'Ja, dat wel, maar hij had mijn hulp niet nodig. Hij kan dat soort dingen net zo goed alleen af.'
Cargraves ging zitten. 'Morrie,' zei hij zacht, 'ik geloof dat we eens even met elkaar moeten praten. Heb je er al bij stilgestaan wie de tweede man wordt op deze expeditie?'
Morrie gaf geen antwoord. Cargraves ging verder. 'Dat wordt jij, natuurlijk. Jij bent de tweede piloot. Als mij iets overkomt, zullen de overige twee jou moeten gehoorzamen. Realiseer je je dat?' 'Dat zal Art niet zo leuk vinden.' Morries stem klonk mompelend. 'Niet zoals de toestand nu is. Art voelt zich lichtelijk buitenspel gezet. Dat kun je hem niet kwalijk nemen: hij was teleurgesteld, toen hij de opleiding voor piloot niet kon volgen.' 'Maar dat was mijn schuld niet.'
'Nee, maar jij moet het wel zien te regelen. Jij dient je zo te gedragen dat zij, als het zover is, jouw bevelen ook willen accepteren. Deze tocht is niet bepaald een picknick. Er zullen momenten zijn, waarop ons leven zal afhangen van onmiddellijke gehoorzaamheid. Ik zeg het je ronduit, Morrie: Als ik de keus had gehad, zou ik Ross als tweede man hebben aangewezen. Hij is niet zo wispelturig als jij. Maar jij bent het geworden en je zult het moeten waarmaken. Anders vertrekken we niet.' 'O, maar we moeten vertrekken! We kunnen het nu niet meer opgeven!'
'We redden het wel. De moeilijkheid is alleen, Morrie,' ging hij verder, 'dat jullie losjes en vrij zijn opgevoed. Dat is prima. Daar houd ik van. Maar er komt een dag waarop dat losse en vrije niet genoeg is, wanneer je bereid moet zijn te gehoorzamen, van harte en zonder protesten. Snap je waar ik heen wil?' 'Je bedoelt dat ik naar de werkplaats moet gaan om Art te helpen?' 'Precies.' Hij draaide de jongen om, met zijn gezicht naar de deur toe, sloeg hem op zijn schouder en zei, 'Ingerukt!' Morrie 'rukte in'. Bij de deur bleef hij staan en zei over zijn schouder: 'Maak je over mij maar geen zorgen, doe. Ik red het wel.' 'Roger!' Cargraves besloot later met Art te gaan praten.
6
'GEVAAR IN DE WOESTIJN'
De ruimtepakken werden de dag daarop afgeleverd en veroorzaakten, tot ergernis van Cargraves, opnieuw een onderbreking van de werkzaamheden. De jongens waren echter zo opgewonden over dit bewijs dat ze bezig waren zich voor te bereiden op een wandeling over het maanoppervlak, dat hij besloot ze aan de pakken te laten wennen. De pakken waren aangepaste, stratosfeerdrukpakken, ontwikkeld voor de luchtmacht. Ze leken op duikerpakken, al waren ze lang niet zo log. De helm was een 'goudvissenkom' van plexiglas, gelamelleerd met zacht polyvinylbutyral plastic, dat hem praktisch splintervrij maakte. Er zat geen verwarmingsapparatuur in. In tegenstelling tot de algemeen heersende gedachte heeft het vacuüm in de ruimte geen temperatuur; het is er niet koud en niet warm. Een mens op de luchtledige maan zou alleen door uitstraling warmte kunnen verkrijgen of verliezen, of door direct contact met het oppervlak van de maan. Omdat werd aangenomen dat de maan in temperatuur varieerde van ver onder nul tot een hitte, die de temperatuur van kokend water te boven kwam, had Cargraves dikke asbestzolen onder de schoenen van de pakken laten maken en soortgelijke kussens in het kruis van de broek van elk pak, zodat ze af en toe zouden kunnen zitten zonder te verbranden of te bevriezen. Overhandschoenen van hetzelfde materiaal completeerden de isolatie. De pakken waren zo goed geïsoleerd, en luchtdicht, dat de lichaamswarmte het verlies door uitstraling meer dan compenseerde. Cargraves had eigenlijk de voorkeur gegeven aan een thermostaat, maar dat soort verfijningen konden ze rustig overlaten aan de pioniers en kolonisten die zouden volgen.
Elk pak was verbonden met een zuurstoffles die veel groter en zwaarder was dan de noodlandingfles van een vliegenier, een fles die veel te zwaar was om op de aarde mee te dragen, maar niet te zwaar voor het oppervlak van de maan, waar een gewicht slechts een zesde bedraagt van dat op de aarde.
De oudere stratosfeerpakken hadden de neiging nogal stijf en onbuigzaam te worden, wat van de eenvoudigste bewegingen al een inspannende bezigheid maakte. Toen hij zijn eigen pak uitprobeerde, was Cargraves blij te merken dat hij zich gemakkelijk kon bewegen, zelfs nog toen hij Ross hem had laten opblazen tot een druk van drie atmosfeer, binnenin het pak, die gelijkstond aan ongeveer tien kilo per vierkante centimeter. Het volume, dat als kenmerkend werd beschouwd voor deze afdankertjes van het leger, bleek een realiteit. Cargraves liet ze experimenteren, waarbij hij erop toe zag, dat er zoveel mogelijk tests in de praktijk werden uitgevoerd, om de laboratoriumtests van de fabrikant aan te vullen. Daarna werden de pakken overgedragen aan Art om er walkietalkieapparatuur in te installeren.
De volgende dag zette de doctor de jongens allemaal aan het werk aan het aandrijfmechanisme. Hij verwachtte de levering van het atoomsplitsingelement, thorium; het anti-stralingsscherm moest klaar zijn. Dit scherm was geconstrueerd uit lood, staal en organisch plastic, in een verhouding die, zo hadden zijn berekeningen uitgewezen, de hoogste effectiviteit opleverde om het voorste gedeelte van de raket te beschermen tegen de alfa-, beta- en gamma- stralen, en de glibberige neutronen. Van deze stralen zijn de gamma's het doordringendst; ze lijken veel op röntgenstralen. Alfa-deeltjes zijn identiek aan de kernen van helium- atomen; beta-deeltjes zijn simpele elektronen die zich met een extreem hoge snelheid voortbewegen. Neutronen zijn ongeladen elektrische deeltjes die veel van de massa van de meeste atoomkernen vormen en het zijn die deeltjes, die de machtige explosie van een atoombom op gang brengen. Deze stralen zijn allemaal gevaarlijk voor leven en welzijn. De thorium energie-eenheid zou alleen aan de voorkant worden afgeschermd, omdat de stralen die naar het heelal zouden ontsnappen verwaarloosd konden worden. Morrie had de raket binnen de omheining neergezet met een zijde naar de hut toe. Het was nu noodzakelijk de raket rond te draaien tot de pijpen van de hut afwezen, zodat de straling, als het thorium eenmaal op z'n plaats zat, zonder enig gevaar over de krater van de Doomsday Bom kon uitzwermen en de raket zou bovendien in een gunstige positie zijn voor een proefdraai met de uitlaat van de hut af. De omdraaiingprocedure werd uitgevoerd met hydraulische hefbomen, spierkracht en zweet; dit in sterke tegenstelling tot de soepele, elektrische bediening van raketten met behulp van draaibare onderstellen, takels en mobiele hijskranen, een vertrouwd gezicht op iedere rakethaven. Ze waren er allemaal tot laat in de middag mee bezig. Toen dat achter de rug was, gaf Cargraves hun vrijaf en nam ze mee op een al eerder beloofde tocht in de Doomsday Krater. Dit bomterrein is al zo vaak afgebeeld en beschreven, en de jongens waren er zo aan gewend het van een afstand te bekijken, dat het maar een beperkte sensatie was om er in rond te lopen. Niettemin kregen ze kippenvel van de verlatenheid, de volslagen doodsheid van die kilometerslange ijzige, gladde woestenij. Cargraves liep voorop met een geigerteller bij zich van het soort dat tijdens de oorlog in Canada werd gebruikt om naar uranium te zoeken. Dit was voornamelijk om de jongens te doordringen van de noodzaak voortdurend waakzaam te zijn wanneer het om radioactieve elementen ging. Hij verwachtte niet echt het waarschuwende geratel in zijn koptelefoon te zullen horen; de proefneming was al zo lang geleden gedaan, dat het naargeestige meer bijna zeker zo ongevaarlijk was als de uitgestorven straten van Hiroshima. Maar dat bracht ze in de stemming voor een klein lesje. 'Nou moeten jullie eens goed luisteren, jongens,' begon hij toen ze teruggingen, 'overmorgen arriveert het thorium. Vanaf dat moment is het gedaan met de vrije tijd. Dat spul is vergif. Dat moetje de hele tijd voor ogen houden.' 'Tuurlijk,' beaamde Morrie. 'Dat weten we allemaal.' 'Je weet het ergens aan de oppervlakte van je hersenen. Ik wil dat jullie het je elk ogenblik realiseren, door en door. We zullen het onbeschermde terrein tussen het schip en de omheining afbakenen. Als je hoed ergens in dat gedeelte mocht waaien, laat hem liggen, laat hem verrotten, maar ga er niet achteraan!' Ross keek nogal ontdaan. 'Wacht eens even, doe. Kan het werkelijk kwaad als je er een paar seconden aan wordt blootgesteld?' 'Waarschijnlijk niet,' gaf Cargraves toe, 'vooropgesteld dat het de enige dosis zou zijn, die je ooit zou krijgen. Maar we zullen allemaal doorlopend een bepaalde dosis opvangen, zelfs door het scherm heen. Radioactiviteit hoopt haar giftige uitwerking op. Elke blootstelling die te vermijden valt, moet je vermijden. Je hebt dan meer kansen wanneer je ooit eens per ongeluk een dosis mocht opvangen. Art!' 'Ja?' 'Vanaf nu ben jij gezondheidsofficier. Jij moet erop toezien dat iedereen de hele tijd zijn röntgenfilm draagt - en ik bedoel dan ook de hele tijd - plus zijn elektroscoop. Ik wil dat jij de films verwisselt en ontwikkelt en de elektroscopen controleert volgens de aanwijzingen in de handleiding. En aan mij iedere vrijdagmorgen rapport uitbrengen, vaker als je iets ontdekt boven de toegestane limiet. Begrepen?' 'Begrepen, doe.' 'Bovendien organiseer jij eens per week voor ons allemaal een bloeddrukcontrole, in de stad.' 'Ik denk dat ik zelf wel kan leren bloeddruk op te nemen,' stelde Art voor.
'Laat dat maar aan de gediplomeerde esculapen over. Jij hebt al genoeg te doen om alle elektronische apparatuur netjes draaiende te houden. Nog één ding.' Hij keek om zich heen en wachtte op hun onverdeelde aandacht. 'Als een van ons blijk geeft van een mogelijke overdosis straling, dan zal ik hem naar huis moeten sturen om behandeld te worden. Er zal geen sprake zijn van "nog één kans". Jullie hebben hier te maken met de harde feiten, niet met mij, maar met natuurwetten. Als je een fout maakt, vlieg je eruit en zullen we iemand anders moeten zien te vinden.' Ze knikten allemaal plechtig. Art zei: 'Doe?' 'Ja?'
'Stel dat jouw film blijk geeft van een overdosis?'
'Ik? Ik kijk wel link uit! Maar als het toch zo mocht zijn, mag je me het hek uittrappen; ik ben als de dood voor dat spul! Desondanks,' ging hij wat serieuzer verder, 'neem je mij dezelfde tests af als de anderen. Laten we nu maar eens gaan eten. Ik wil dat Morrie en jij vanavond het werk in de keuken op je nemen, zodat Ross meteen na het eten aan zijn studie kan beginnen. Ross, jij en ik moeten morgen om vijf uur op, laten we dus maar vroeg onder de wol kruipen.' 'oké. Wat gaat er gebeuren?' 'Uitstapje naar Albuquerque, boodschappen doen.' Hij had geen zin nadere uitleg te geven. Ze hadden geen vuurwapens. Hij had het een zinloze uitgave gevonden; veel mensen hebben jaren in de woestijn doorgebracht zonder ooit op iets te schieten, was zijn gedachtegang geweest. En wat de droomreis betrof: wat viel er op de maan nou te schieten? Maar hij was nerveus geworden door de sporen binnen dit omheinde, verboden terrein. Arts waakhondomheining werd iedere nacht getest en Art sliep met het zwakstroomgezoem van het elektrische circuit in zijn oren; tot nu toe was er geen nieuw alarm geweest. Maar hij bleef zenuwachtig. Cargraves werd om ongeveer drie uur 's ochtends wakker doordat Art hem door elkaar rammelde en hij licht in zijn ogen voelde schijnen. 'Doe! Doe! Word wakker!' 'Hm?'
'Ik hoorde geknars uit de luidspreker.' Cargraves sprong onmiddellijk uit bed. Ze bogen zich over de luidspreker. 'Ik hoor niks.' 'Ik heb hem wat zachter gezet, maar je moet het kunnen horen. Daar is het weer, gehoord?' Er klonk onmiskenbaar geknars uit de luidspreker- kast. 'Zal ik de anderen wakker maken?' 'Mmm. . . nee. Nog niet. Waarom heb je het licht aangedaan?' 'Omdat ik het liever aanhad, denk ik,' gaf Art toe. 'Snap ik.' Cargraves schoot in zijn broek en frommelde wat aan zijn schoenen. 'Je moet het licht tien seconden uitdoen. Ik ga door dat raam naar buiten. Als ik binnen twintig minuten nog niet terug ben, of je hoort iets dat niet zo best klinkt, maak je de jongens wakker om me te komen halen. Maar blijf bij elkaar. Laat elkaar om geen enkele reden alleen.' Hij liet een zaklamp in zijn zak glijden. 'oké.' 'Eigenlijk zou je niet alleen moeten gaan.' 'Kom, Art. Ik dacht dat we dit soort zaken ondertussen wel geregeld hadden.' 'Jawel, maar. . . ach, laat maar!' Art ging bij de schakelaar staan. Cargraves sprong uit het raam en was op handen en voeten achter de machinewerkplaats gekropen voordat het licht weer aan ging. Hij hield zich schuil in de schaduw om zijn ogen aan de duisternis te laten wennen. Het was een maanloze nacht, helder en haarscherp. Orion schitterde aan de oostelijke hemel. Cargraves kon al gauw de saliestruiken, de palen van de omheining en de duistere massa van het schip zo'n honderd meter verderop onderscheiden. Het hangslot op de machinewerkplaats was niet beschadigd en de ramen van de werkplaats zaten op slot. Zoveel mogelijk gebruikmakend van de schaarse dekkingsmogelijkheden, wist hij moeizaam het schip te bereiken. De deur stond op een kier. Hij kon zich niet meer herinneren of hij, of Ross als laatste naar buiten was gekomen. Zelfs al was Ross het geweest dan was het nog niets voor Ross om te vergeten de deur te sluiten. Hij voelde duidelijke afkeer om het schip binnen te gaan. Hij wou dat hij het kopen van revolvers niet had uitgesteld; een .45 in zijn hand zou hem een heel wat geruster gevoel hebben gegeven. Hij zwaaide de deur open en kroop vlug naar binnen, snel weg van de deur waar zijn silhouet een gemakkelijk doelwit vormde. Hij kroop de duisternis binnen, terwijl hij luisterde en probeerde zijn kloppende hart tot bedaren te brengen. Toen hij er zeker van was niets te horen, pakte hij de zaklantaarn, hield hem een eindje voor zich uit en deed hem aan. Het stuurcompartiment was leeg. Ietwat opgeluchter sloop hij terug door het scheepsruim, ook leeg. Het motorcompartiment, leeg. Alles leek onaangeroerd. Hij verliet het schip met de nodige omzichtigheid en zorgde er dit keer voor dat de deur in het slot viel. Hij liep in een grote boog om de hut en de werkplaats heen en probeerde zich ervan te overtuigen dat er niemand binnen de omheining was. Maar bij het licht van de sterren zouden zich zeker wel een man of vijftig hebben kunnen verbergen tussen de saliestruiken door gewoon plat en stil op de grond te blijven liggen. Hij liep terug naar de hut, fluitend naar Art toen hij wat dichterbij kwam. 'Dat werd tijd,' klaagde Art. 'Ik stond op het punt de anderen wakker te porren om je te komen halen. Iets gevonden?' 'Nee. Nog iets uit de knarskast?' 'Geen kik meer.' 'Zou het een prairiewolf geweest kunnen zijn die langs de draad streek?' 'Hoe zou een prairiewolf over het buitenste hek kunnen komen?' wilde Art weten. 'Er onderdoor graven. Er zitten hier prairiewolven. We hebben ze gehoord.' 'Alleen afgaand op zijn gejank kun je niet schatten hoe ver weg een prairiewolf zit.' 'Moetje die ouwe woestijnrat eens even horen! Vooruit, laat het licht aan, maar ga jij terug naar bed. Ik blijf wel wakker. Ik moet over een uur toch al opstaan. Kruip er weer in.' Cargraves ging zitten om wat na te denken en een pijp te roken. Cargraves was te druk bezig tijdens de tocht naar Albuquerque om zich ongerust te maken over de afgelopen nacht. De manier waarop Ross met zijn opgevoerde kar omsprong liet hem nauwelijks enige tijd om over iets anders na te denken dan de vergankelijkheid van het bestaan en de moeilijkheid zich goed vast te houden. Maar Ross bracht ze als een razende naar de stad. Cargraves zocht twee Garandgeweren uit, overschot uit de voorraden van het leger, en nam er nog een speciale politie .38 bij in een .45 frame. Het water liep hem in de mond bij het zien van een prachtig jachtgeweer met telescoop, maar zijn geld begon op te raken; nog een paar onvoorziene aankopen of een flink oponthoud bij het vertrek en de firma zou op de fles gaan. Hij bestelde een voorraad noodrantsoenen voor de reis. Ross merkte terloops op, terwijl de winkelbediende de bestelling opschreef: 'In de meeste ruimtevaartverhalen eten ze gewoon pillen met geconcentreerd voedsel. Denk je dat het ooit zover komt?' 'Van mijn geld zeker niet,' antwoordde de natuurkundige. 'Jullie mogen van mij pillen eten als je daar trek in hebt. Ik heb liever voedsel waar ik mijn tanden in kan zetten.' 'Mijn idee,' zei Ross. Ze stopten bij een kwekerij waar Cargraves een stuk of dertig jonge rabarberplanten bestelde. Hij was van plan een uitgekiend zuurstofkoolstofdioxide luchtverversingssysteem gedurende hun verblijf op de maan te gebruiken, indien mogelijk, en de planten zouden de ene helft van de kringloop moeten vormen. Ze zouden voldoende vloeibare zuurstof met zich meeslepen voor de reis heen en terug, maar een 'uitgebalanceerde aquarium'-inrichting om hun luchtvoorraad te verversen zou het mogelijk maken op de maan te blijven zolang ze te eten hadden. De kunstmest die nodig was voor de hydrologische verzorging van de rabarber werd eveneens besteld. Toen ze dat achter de rug hadden, namen ze elk een hamburger en een reep melkchocolade, en gingen ze vol gas terug naar het kamp. Morrie en Art kwamen uit de werkplaats rennen toen ze aankwamen. 'Nog nieuws?' Rosse liet hun de geweren zien. Art wilde ze dolgraag proberen en dat vond Cargraves best. Morrie aarzelde en zei: 'Tussen haakjes, doe, de B.L.-inspecteur is hier geweest.' 'De wat?' 'De Burgerlijke luchtvaartinspecteur. Hij had een brief van jou.' 'Van mij? Wat stond er in?' 'Nou, het verzoek om een inspecteur langs te sturen die de reserveonderdelen van de raket zou nakijken en goedkeuren. Ik heb hem verteld dat hij nog niet klaar was.' 'Wat heb je nog meer gezegd? Heb je hem verteld dat hij door atoomenergie werd aangedreven?' 'Nee, maar dat scheen hij te weten. Hij wist ook dat we van plan waren een ruimtevlucht te maken. Waar zit de kneep, doe? Ik dacht datje het een beetje stil wilde houden?' 'Dat wou ik ook,' zei Cargraves verbitterd. 'Wat heb je hem verteld?' 'Niets, echt niet. Ik dacht zo dat jij het maar moest afhandelen, dus heb ik me van de domme gehouden. Ik heb Art op de hoogte gebracht en hij speelde het spelletje mee. Hebben we iets fout gedaan?' ging hij ongerust verder. 'Ik weet wel dat hij van Burgerlijke Luchtvaart kwam, maar ik vond dat hij met jou moest praten. Denk je dat we hem beledigd hebben?' 'Van mij mag hij een rolberoerte krijgen,' zei Cargraves woest. 'Het was geen inspecteur van de Burgerlijke Luchtvaart, Morrie. Het was een nepfiguur.' 'En. . . maar hij had een brief van je.' 'Vervalst. Ik wil wedden dat hij ergens buiten het hek heeft rondgehangen tot ik een keer weg zou gaan. Heb je hem ooit ergens alleen gelaten?' 'Nee. Wacht even, één keer maar, vijf minuten ongeveer. We waren in het schip en hij stuurde me terug voor een zaklantaarn. Sorry hoor.' De jongen zag er diep ongelukkig uit.
'Vergeet het maar. Het was normaal en beleefd om zo iets te doen. Jij wist niet dat het een bedrieger was. Ik vraag me af hoe hij door het hek is gekomen? Was hij met de auto?' 'Ja. Ik... zat het hek op slot?' 'Ja, maar hij kan de boswachter wel overdonderd hebben om hem binnen te laten.' Terwijl ze praatten, waren ze naar het schip gelopen. Cargraves onderzocht het schip vluchtig, maar vond niets dat niet in de haak was. Het leek aannemelijk dat de indringer niet had gevonden waarnaar hij had gezocht, waarschijnlijk omdat de energie-eenheid nog niet geïnstalleerd was. Hij bleef tobben over de toestand met het gesloten hek. 'Ik rij even naar het hek,' kondigde hij aan, terwijl hij naar de auto liep. 'Zeg het even tegen de jongens.' 'Ik zal je wel rijden.' De jongens waren bepaald niet kapot van Cargraves' manier van rijden. Het was een aspect waarin ze niet veel vertrouwen hadden. Ze vonden zijn stijl nogal conventioneel. 'oké. Kom op dan.' Morrie rende naar de twee anderen die ammunitie stonden te verknallen aan onschuldige blikjes en schreeuwde ze toe. Een paar seconden later had hij de motor al op volle toeren en stond op het punt weg te spuiten toen Cargraves zich in de stoel naast hem liet glijden. Het hangslot was nog intact, maar één schakel van de ketting was doorgezaagd en vervangen door ijzerdraad. 'Dat is dus dat,' en daarmee was de zaak voor Cargraves afgedaan. 'Kunnen we er niet beter een nieuwe ketting omheen leggen,' informeerde Morrie. 'Waarom al die moeite? Hij heeft die ijzerzaag toch nog.' Cargraves maakte zich zorgen. Morrie voelde zich verantwoordelijk omdat hij de oplichter niet had ontmaskerd. Achteraf bedacht hij wel tien dramatische manieren waarop hij dat had kunnen doen. Cargraves vertelde hem zijn mond te houden tot na het eten. Toen de afwas van de baan was, bracht hij de anderen op de hoogte van de onheilspellende gebeurtenissen. Art en Ross hoorden het met een ernstig gezicht aan, echter zonder duidelijke opwinding. 'Zo zit 't dus,' zei Ross. 'Het begint erop te lijken dat iemand ons niet zo erg graag mag.' 'Die vuile, smerige dinges,' zei Art zacht. 'Ik vond het eigenlijk al een gladjakker. Ik zou hem wat graag bij het uiteinde van één van die Garands zien staan.' 'Dat gebeurt misschien nog wel eens,' antwoordde Cargraves nuchter. 'Ik kan het net zo goed toegeven, jongens, ik maak me al langer zorgen dan vandaag. . . ' 'Dat weten we ook sinds je die waakhondtoestand wilde hebben.' 'Dat geloof ik. Ik snap maar niet, waarom iemand dit zou willen doen. Pure nieuwsgierigheid kan ik nog begrijpen, als het eenmaal is uitgelekt, zoals kennelijk is gebeurd, dat we een ruimtevlucht gaan maken. Maar wie het dan ook mag zijn, het is meer dan nieuwsgierigheid die hem hiertoe aanzet, als je rekening houdt met alle moeite die hij ervoor overheeft.' 'Ik wil wedden dat hij jouw ruimtemotor wil stelen, oom Don.' 'Daar zou je een prachtig verhaal van kunnen maken, Art, maar het is zo zinloos. Als hij weet dat ik een raketmotor heb, dan hoeft hij alleen maar een vergunning aan te vragen bij de kommissie om er gebruik van te maken.' 'Misschien denkt hij wel dat je wat geheimen achterhoudt voor de kommissie.' 'Als hij dat denkt, kan hij een onderzoek aanvragen. Hij zou geen brieven hoeven te vervalsen of hekken openbreken. Als hij met bewijzen tegen mij kan komen, draai ik de gevangenis in.' 'Het punt is niet,' beweerde Morrie, 'waarom hij hier rondsnuffelt, maar wat we kunnen doen om hem dat af te leren. Ik vind dat we 's nachts de wacht moeten houden.' Hij keek vluchtig naar de twee geweren. 'Nee,' verwierp Cargraves. 'Het schreeuwcircuit van Art is beter dan een wachtpost. Je kunt 's nachts niet genoeg zien. Dat heb ik gemerkt.' 'Zeg,' bracht Art naar voren, 'ik zou de radar op het dak van de hut kunnen zetten. Als we hem instellen op een landing registreert hij alles in de buurt.' 'Nee,' antwoordde Cargraves. 'Ik wil niet het risico lopen dat de apparatuur naar de knoppen gaat. Het is belangrijker de zaak in orde te hebben voor de maanlanding dan te gebruiken voor insluipers.' 'O, maar ik zal hem niet beschadigen!' 'Ik blijf erbij,' hield Morrie vol, 'dat het beste medicijn is hem onder schot te nemen.' 'Nog beter,' legde Art uit. 'Ik zie hem op het scherm. Jij hebt een koptelefoon op met zo'n driehonderd meter draad en dan laveer ik je regelrecht naar hem toe, in het donker. Dan heb je hem.' 'Klinkt niet gek,' gaf Morrie toe. 'Rustig aan.' waarschuwde Cargraves. 'Jullie denken dan wel dat dit het Wilde Westen is, maar daar kom je dan nog wel achter, wanneer je zult merken dat een rechter een nogal dwarsliggende houding zal aannemen als je een man neerknalt alleen maar omdat hij op verboden terrein rondloopt. Jullie hebben te veel stripverhalen gelezen.' 'Ik raak die dingen nooit aan,' ontkende Art onstuimig. 'Niet vaak, in ieder geval,' verbeterde hij zichzelf. 'Als we niet mogen schieten, waarom heb je die geweren dan gekocht?' wilde Ross weten. 'Goeie vraag. Je mag schieten, maar alleen als je er zeker van bent dat het zelfverdediging is. Ik neem die geweren liever mee terug naar de winkel dan dat ik hier een stel woestelingen met bloeddoorlopen ogen en jeukende vingers om de trekker rond heb lopen. We zouden de geweren ook kunnen gebruiken om nog meer insluipers schrik aan te jagen. Je mag schieten, maar dan wel waar hij niet is, tenzij hij het eerst schiet.' 'oké.' 'Mij best.' 'Ik hoop dat hij het eerst schiet.' 'Nog meer ideeën?' 'Nog één,' antwoordde Art. 'Stel dat die gozer de stroomleiding doorsnijdt. Alles is daarop aangesloten; licht, radio, zelfs de knarskast. Hij zou de leiding afkunnen kappen als we slapen en de hele zaak kunnen plunderen zonder dat wij er iets van merken.' Cargraves knikte. 'Daar had ik aan moeten denken.' Hij liet er zijn gedachten over gaan. 'We zullen nu meteen een provisorische leiding van de scheepsaccu’s naar de knarskast aanleggen. Morgen sluiten we dan wel een noodcircuit aan.' Hij stond op. 'Kom op, Art. En jullie aan de slag. Studeren.' 'Studeren?' protesteerde Ross. 'Vanavond. Daar kunnen we onze gedachten nooit bijhouden, vanavond zeker niet.' 'Je zou eens een poging kunnen wagen,' zei de doctor streng. 'Er zijn figuren die boeken hebben geschreven terwijl ze op hun executie zaten te wachten.' De nacht verstreek. Ross en doe waren al vroeg in de ochtend bij het schip, terwijl Art en Morrie achterbleven om een noodcircuit in elkaar te zetten. Doe was van plan alles in gereedheid te brengen voor de aankomst van het thorium. Samen met Ross klom hij de raket binnen en vol goede moed gingen ze aan de slag. Cargraves begon het gereedschap klaar te leggen, terwijl Ross zich, vrolijk en vals fluitend, langs de rand van het scherm wrong. Cargraves keek net op tijd op om een felle flits te zien, waarna hij recht in het gezicht werd geraakt door een donderend geweld dat hem tegen de zijkant van het schip smakte,
7
'WE GAAN, AL MOETEN WE LOPEN'
Art stond aan zijn schouder te trekken, 'Doe!' zei hij op smekende toon. 'Doe! Wakker worden, ben jè erg gewond?' 'Ross. . . ' zei Cargraves zwak. 'Ik ben Ross niet, ik ben Art.'
'Maar Ross, hoe is het met Ross? Is hij, is hij dood?' 'Ik weet het niet. Morrie is bij hem.' 'Ga eens kijken.' 'Maar jij bent. 'Ga kijken, zei ik!' Waarna hij weer buiten kennis raakte. Toen hij voor de tweede keer bij bewustzijn kwam, stond Art over hem
heen gebogen. 'Oom,' zei hij, 'het thorium is er. Wat moeten we doen?'
Thorium. Thorium? Zijn hoofd deed pijn, het woord leek zonder enige betekenis. 'Uh, ik ben er zo. . . hoe is het met Ross? Is hij dood?' 'Nee, hij is niet dood.'
'Is hij er erg aan toe?'
'Er is iets met zijn ogen. Hij heeft verder niks, maar hij kan niet zien. Wat moet ik met het thorium aan, oom?'
'O, wat kan mij dat thorium schelen! Zeg maar dat ze het mee terug moeten nemen.'
'Wat?'
Hij probeerde overeind te komen, maar hij was te draaierig, te zwak. Hij liet zijn hoofd weer achterover vallen en probeerde zijn duizelende gedachten te ordenen. 'Doe niet zo stom, Art,' mompelde hij knorrig. 'We hebben geen thorium nodig. De reis gaat niet door, het is allemaal één grote vergissing geweest. Stuur het terug; het is vergif' Zijn ogen stonden vol tranen; hij deed ze dicht. 'Ross. . . ' zei hij. Hij kwam opnieuw weer bij kennis door de aanraking van handen met zijn lichaam. Morrie en Art waren hem voorzichtig maar grondig aan het onderzoeken. 'Kalm aan maar, doe,' waarschuwde Morrie hem. 'Hoe is het met Ross?'
'Nou. . . ' Morrie fronste zijn voorhoofd. 'Ross lijkt niets te mankeren, op zijn ogen na. Hij zegt dat hij niets mankeert.' 'Maar hij is blind?' 'Tja, hij kan niet zien.' 'We moeten hem naar een ziekenhuis brengen.' Cargraves ging rechtop zitten en probeerde overeind te komen. 'Auw!' Hij ging abrupt weer zitten. 'Er is iets met zijn voet,' zei Art. 'Laat maar eens zien. Stil blijven liggen, doe.' Ze trokken voorzichtig zijn linkerschoen uit en stroopten zijn sok naar beneden. Morrie betastte de voet. 'Wat denk jij, Art?' Art onderzocht hem. 'Verstuikt of gebroken. Ze zullen er een röntgenfoto van moeten maken.' 'Waar is Ross?' drong Cargraves aan. 'We moeten hem naar een ziekenhuis brengen.' 'Tuurlijk, tuurlijk,' beaamde Morrie. 'Daar moeten we met jou ook naar toe. We hebben Ross naar de hut gebracht.' 'Ik wil naar hem toe.' 'Dat kan. Momentje, dan haal ik de auto.' Geholpen door Art slaagde Cargraves erin op zijn goede voet te gaan staan en naar de deur te hobbelen. Het afstapje uit het schip was een pijnlijke zaak, maar hij haalde het en liet zich dankbaar op de stoel in de auto vallen. 'Wie is daar?' riep Ross, toen ze binnenkwamen met Cargraves die op de twee jongens leunde. 'Wij allemaal,' zei Art tegen hem. Cargraves zag Ross op zijn slaapbank liggen met een zakdoek over zijn ogen. Cargraves strompelde naar hem toe. 'Hoe is 't nou, jongen?' zei hij schor. 'O, ben jij 't, doe. Gaat wel. Er komt nog heel wat meer voor kijken om mij klein te krijgen. Hoe is het met jou?' 'Ik mankeer niets. Hoe staat het met je ogen?' 'Nou,' gaf Ross toe, 'eerlijk gezegd doen ze het niet zo goed meer. Ik zie alleen maar paarse en groene vlekken.' Zijn stem klonk rustig, opgewekt bijna, maar de aderen in zijn nek waren duidelijk opgezwollen. Cargraves wou het verband verwijderen. Morrie hield hem tegen. 'Laat dat verband zitten, doe,' zei hij ferm. 'Er valt niets te zien. Wacht tot we hem naar het ziekenhuis hebben gebracht.' 'Maar. . . oké, oké. Laten we dat dan doen.' 'We wachten alleen op jou. Art zal jullie brengen.' 'En wat ga jij doen?' 'Ik,' zei Morrie, 'ga op het dak van deze keet zitten met een lading boterhammen en een geweer. En ik blijf daar zitten tot jullie terug zijn.' 'Maar' Cargraves haalde zijn schouders op en liet het erbij. Morrie klauterde naar beneden toen ze terugkwamen en hielp de strompelende Cargraves de hut binnen. Ross werd door Art naar binnen geloodst; hij had nu een professioneel verband om zijn ogen en uit het zakje van zijn overhemd stak een donkere bril. 'Hoe is de toestand?' vroeg Morrie in het algemeen, maar zijn ogen waren op Ross gericht. 'Het is nog te vroeg om er iets van te kunnen zeggen,' zei Cargraves moeizaam, terwijl hij voorzichtig in een stoel ging zitten. 'Geen duidelijk aanwijsbare beschadiging, maar de oogzenuw lijkt verlamd te zijn.' Morrie klikte met zijn tong en zei niets. Ross tastte naar een stoel en ging zitten. 'Rustig aan maar,' raadde hij Morrie aan. 'Het komt wel goed. De flits veroorzaakte een "shock" in mijn ogen. De dokter heeft me er alles over verteld. Zo'n geval kan wel een maand of drie duren, maar dan komt het weer in orde.' Cargraves beet op zijn lip. De dokter had hem meer gezegd dan hij Ross had verteld; soms kwam het niet in orde; soms was het blijvend. 'Hoe is het met jou, doe?' 'Verstuikt en mijn rug iets verrekt. Ze hebben me verbonden.' 'Verder niks?' 'Nee. Allebei een tetanusinjectie gehad, maar dat was enkel voor de zekerheid.' 'Nou,' kondigde Morrie vrolijk aan, 'het komt me voor dat de firma binnen afzienbare tijd weer kan gaan draaien.' 'Nee,' ontkende Cargraves. 'Nee, dat zie ik niet meer gebeuren. Ik probeer deze uilskuikens al vanaf het ziekenhuis iets aan het verstand te brengen, maar ze willen niet luisteren. Het is gedaan met ons. De firma is failliet.' Geen van de jongens zei iets. Hij ging met stemverheffing verder. 'Er komt helemaal geen reis naar de maan. Zien jullie dat dan niet in?' Morrie keek hem onverstoorbaar aan. 'Je zei, "de firma is failliet". Je bedoelt datje geen geld meer hebt?' 'Nou, niet helemaal, maar het speelt wel een rol. Ik bedoel' 'Ik heb nog wel wat aandelen,' merkte Ross op, waarbij hij zijn omzwachtelde hoofd omdraaide. 'Daar gaat het niet om,' antwoordde Cargraves vriendelijk. 'Ik waardeer je aanbod, begrijp me niet verkeerd, en denk niet dat ik wil opgeven. Maar de schellen zijn van mijn ogen gevallen. Het was idioot, idioot vanaf het begin, louter idioterie. Ik heb mijn verlangen echter zwaarder laten wegen dan mijn verstand. Ik had jullie hier nooit bij mogen betrekken. Jouw vader had gelijk, Ross. Nou moet ik al het mogelijke in het werk stellen om het weer goed te maken.' Ross schudde zijn hoofd. Morrie wierp Art een vluchtige blik toe en zei: 'Wat zeg jij ervan, officier van gezondheid?' Art keek nogal bezwaard, wilde iets zeggen, maar bedacht zich. In plaats daarvan ging hij naar het medicijnkastje en pakte er een koortsthermometer uit. Hij liep terug naar Cargraves. 'Doe je mond eens open, oom.' Cargraves wilde iets zeggen. Art stak het buisje in zijn mond. 'Niet praten als ik je temperatuur opneem,' waarschuwde hij en keek terloops op zijn horloge. 'Wat. . . ' 'Mond dicht!' Cargraves bedaarde, innerlijk kokend van woede. Niemand zei iets totdat Art de thermometer weer pakte. 'Hoeveel is het?' vroeg Morrie. 'Achtendertig acht.' 'Laat mij eens kijken,' vroeg Cargraves. Art hield de thermometer uit zijn buurt. De doctor stond op en liet zijn gewicht gedachteloos op zijn gewonde voet rusten. Hij ging toen plotseling weer zitten. Art sloeg de thermometer af, maakte hem schoon en borg het ding weer op. 'Het zit namelijk zo,' zei Morrie ferm. 'Jij bent niet de baas; ik ben de baas.' 'Huh? Morrie, wat is er in 's hemelsnaam met je aan de hand?' Morrie zei: 'Wat zeg jij, Art?' Art keek nogal bezwaard maar zei op halsstarrige toon: 'Zo zit het, oom.' 'Ross?' 'Ik zie de clou nog niet zo,' zei Ross langzaam, 'maar ik snap wel waar ze heen willen. Ik sluit me aan bij Art en Morrie.' De pijn in Cargraves' hoofd kwam weer opzetten. 'Ik geloof dat jullie allemaal gek geworden zijn. Maar dat maakt toch geen verschil; we zijn evengoed op de fles.' 'Nee,' zei Morrie, 'we zijn niet gek en het staat nog te bezien of het met ons gedaan is of niet. Het punt is: jij staat op de ziekenlijst. Daardoor deel ik de lakens uit; dat heb je zelf zo geregeld. Jij kunt geen bevelen uitdelen of beslissingen voor ons nemen, zolang je op de ziekenlijst staat.' 'Maar. . . ' Hij zweeg en begon, voor het eerst sinds uren, te lachen. 'Dit is belachelijk. Jullie belazeren me met een formaliteit. Je kunt me niet op de ziekenlijst zetten voor een beetje verhoging.' 'Daarvoor sta je ook niet op de ziekenlijst; dat is de reden waarom je erop blijft staan. Art heeft je op de ziekenlijst gezet omdat je bewusteloos was. En daar blijf je, tot hij je eraf haalt. Jij hebt hem officier van gezondheid gemaakt.' 'Ja, maar. . . Luister 's, Art. . . sta ik al lang op de ziekenlijst? Dit is niet zomaar een geintje datje hebt verzonnen om mij te omzeilen?' 'Nee, oom,' verzekerde Art hem, 'toen ik Morrie vertelde dat jij gezegd had het thorium niet te accepteren, wilde hij het verifiëren. Maar je lag op apegapen. We wisten niet wat we moesten beginnen, totdat Morrie opmerkte dat ik officier van gezondheid was en dat ik moest beslissen of je wel of niet in staat was je werk te doen. Dus. . . ' 'Maar je hebt. . . Hoe dan ook, daar gaat het in wezen allemaal niet om. Ik heb het thorium teruggestuurd; er komt helemaal geen reis; er is helemaal geen officier van gezondheid meer; er is geen tweede man meer. Die functies zijn verleden tijd.' 'Maar dat probeer ik je nou juist te vertellen, oom. We hebben het thorium niet teruggestuurd.' 'Huh?' 'Ik heb ervoor getekend,' verklaarde Morrie, 'als jouw plaatsvervanger.' Cargraves wreef over zijn voorhoofd. 'Dat. . . dat slaat alles! Het maakt echter totaal niets uit. Ik ben tot de slotsom gekomen dat het hele plan een vergissing is geweest. Ik ga niet naar de maan en dat doet de zaak de das om. Wacht even, Morrie. Ik bestrijd niet dat jij de baas bent, voorlopig. . . maar ik mag toch nog wel wat zeggen, of niet?' Tuurlijk. Zeg maar. Maar er wordt niets geregeld voordat je temperatuur naar beneden is en je een nachtje hebt geslapen.' 'oké. Maar je zult zien dat de zaak zichzelf regelt. Jullie hebben mij nodig om de ruimtemotor te bouwen. Ja?' 'Mmm. . . jawel.' 'Zonder enige twijfel. Jullie hebben een heleboel opgestoken over de atoomleer, en verdraaid snel ook. Maar jullie weten nog niet genoeg. Ik heb je nog niet eens verteld hoe de motor moet gaan functioneren.' 'We zouden een vergunning voor je patent kunnen vragen, zelfs zonder jouw toestemming,' bracht Ross naar voren. 'Wij gaan naar de maan.' 'Dat zou je kunnen doen. . . als je een andere kernfysicus kunt vinden om jullie te steunen. Luister naar me, jongens. Vergeet die verhoging van mij nou maar. Ik heb ze voor het eerst weer allemaal op een rijtje sinds ik die klap op mijn kop heb gekregen bij jullie testterrein. Ik zal het jullie allemaal uitleggen. We moeten het bijltje erbij neergooien, maar ik wil niet dat jullie nijdig op me zijn.' 'Wat bedoel je met "sinds ik die klap op mijn kop heb gekregen"?' Op zakelijke toon vertelde Cargraves, Toen wist ik al, nadat we het terrein hadden afgezocht, dat het "ongeluk" geen ongeluk was. Iemand heeft me te grazen genomen, waarschijnlijk met een ploertendoder. Toen snapte ik niet waarom en dat snap ik nog steeds niet. Er had me een licht op moeten gaan toen we te maken kregen met indringers. Maar ik kon niet geloven dat het serieus was. Gisteren begreep ik het. Niemand doet zich voor als regeringsambtenaar tenzij er heel wat op het spel staat en hij tot vrijwel alles in staat is. Ik liep er maar over te tobben. Maar ik zag nog steeds niet in, wat iemand van ons zou willen en ik dacht er helemaal niet aan dat ze zouden proberen ons te vermoorden.' 'Denk je dat ze ons wilden vermoorden?' vroeg Ross. 'Klaarblijkelijk wel. Die namaakinspecteur heeft ons erin geluisd. Hij heeft een of ander soort bom geplaatst.' 'Misschien was het eigenlijk zijn bedoeling het schip te vernielen in plaats van ons te vermoorden.' 'Waarom dan?' 'Nou,' zei Art, 'misschien zijn ze ook wel op de seniorenprijzen uit.' 'Met het saboteren van ons schip wint hij geen prijzengeld.' 'Dat niet, maar het zou ons er wel vanaf kunnen houden hem te verslaan.' 'Misschien wel. Het is vergezocht, maar elke verklaring behoort tot de mogelijkheden. Maar die verklaring is niet van belang. Iemand wil ons te grazen nemen en hij is bereid tot het uiterste te gaan. Deze woestijn is totaal verlaten. Als ik me een stel wachtposten kon veroorloven, zouden we de zaak misschien nog door kunnen zetten. Maar dat kan ik niet. En ik mag jullie niet zomaar neer laten knallen of laten bombarderen. Dat zou niet eerlijk zijn tegenover jullie en niet tegenover jullie ouders.' Art zat weerspannig en treurig voor zich uit te kijken. Morries gezicht was een ondoorgrondelijk masker. Ten slotte zei hij: 'Als dat alles is watje te zeggen hebt, doe, stel ik voor de zaak tot morgen te laten rusten en een hapje te gaan eten.' 'Prima.' 'Wacht nog eens even.' Ross was opgestaan. Hij tastte naar de rugleuning van zijn stoel en probeerde zich te oriënteren. 'Waar zitje, doe?' 'Ik zit hier, links van je.' 'Goed. Nou heb ik nog het een en ander te vertellen. Ik ga naar de maan. Ik ga naar de maan, hoe dan ook, of je nou mee wilt of niet. Ik ga naar de maan al zal ik nooit meer kunnen zien. Ik ga naar de maan al moeten Morrie of Art me daar rondleiden. Jij kunt verder doen watje wilt. Maar je verbaast me, doe,' ging hij verder. 'Je durft de verantwoordelijkheid voor ons niet op je te nemen, hè? Daar komt het zo'n beetje op neer?' 'Ja, Ross, daar komt het wel op neer.' 'Toch wasje wel bereid die verantwoordelijkheid te aanvaarden door ons mee te nemen op een reis naar de maan. Dat is veel gevaarlijker dan alles wat hier zou kunnen gebeuren, nietwaar? Nietwaar?' Cargraves beet op zijn lip. 'Het ligt anders.' 'Ik zal je vertellen hoe anders het is. Als we omkomen tijdens de vlucht staat het voor negenennegentig procent zeker vast dat we allemaal tegelijk omkomen. Dan hoef jij niet naar onze ouders om iets uit te leggen. Zo anders is het!' 'Kom nou, Ross!' 'Kom me niet aan met "Kom nou, Ross". Verdomme nog aan toe, doe,' ging hij verbitterd verder. 'Stel dat het op de maan was gebeurd: zou je dan ook zo staan te piepen met je moreel aan flarden? Doe, je verbaast me. Als jij elke keer dat het een beetje tegen zit, een zenuwaanval krijgt, dan stem ik voor Morrie als vaste leider.' 'Zo is het wel genoeg, Ross,' bracht Morrie rustig naar voren. 'oké. Ik was toch klaar.' Ross ging weer zitten. Er hing een pijnlijke stilte. Morrie verbrak het stilzwijgen. 'Art, laten wij even wat te eten maken. Het studie uurtje begint nu toch al wat later dan normaal.' Cargraves keek verrast op. Morrie zag de uitdrukking op zijn gezicht en vervolgde: 'Zeker. Waarom niet? Art en ik kunnen om beurten hardop voorlezen.' Cargraves deed die nacht net alsof hij sliep, lang voordat het zover was. Hij merkte op dat Morrie en Art om beurten de hele nacht op wacht stonden, gewapend en wel. Hij zag ervan af ze enig advies te geven.
Tegen zonsopgang gingen de jongen allebei naar bed. Cargraves kroop moeizaam maar bedaard uit bed en kleedde zich aan. Steunend op een stok strompelde hij naar het schip. Hij wilde de schade opnemen die de bom had aangericht, maar zijn oog viel eerst op de kist met het thorium, ontstellend groot vanwege het antistralingstransportscherm. Opgelucht zag hij dat het zegel van de atoomcommissie nog intact was. Toen krabbelde hij moeizaam het schip in en ging langzaam op weg naar het motorcompartiment.
De schade viel opmerkelijk mee. Met wat laswerk, dacht hij, wat smeedwerk en uitbalanceren moest het te repareren zijn. Piekerend zocht hij voorzichtig verder. Hij vond zes kleine stopverfachtige stukjes plastic die verborgen lagen onder het achterste gedeelte van het scherm. Hoewel er geen slaghoedjes of bedrading aan deze onschuldig ogende kleine voorwerpen vastzaten, had hij geen blauwdruk nodig om hem duidelijk te maken wat het waren. Klaarblijkelijk had de saboteur geen tijd gehad om meer dan één van zijn dodelijke kleine stukjes speelgoed te bedraden in die paar minuten waarin hij alleen was geweest. Hij had zonder twijfel het motorcompartiment willen vernietigen, en daarbij diegene te vermoorden die zo ongelukkig was de valstrik af te laten gaan. Zeer behoedzaam en voortdurend transpirerend verwijderde hij de brokken springstof en ging voorzichtig op zoek naar meer. Tevreden gesteld liet hij ze in het zakje van zijn overhemd glijden en ging naar buiten. Het geploeter om uit de raket te komen, bemoeilijkt door zijn kreupele been, maakte hem duizelig; hij voelde zich een menselijke bom. Daarna hinkte hij naar de omheining en smeet ze zover mogelijk weg in het reeds eerder besmette gebied. Uit voorzorg legde hij ze allemaal een eindje bij zich vandaan, voordat hij de eerste weggooide, zodat hij elk ogenblik plat op de grond kon gaan liggen. Maar er volgde geen explosie; kennelijk was het spul betrekkelijk ongevoelig voor schokken. Toen hij dat achter de rug had wendde hij zich af, gerustgesteld omdat de zon en de regen het spul wel zouden ontbinden. Hij trof Ross aan buiten de hut, met zijn omzwachtelde gezicht naar de zon toe gericht. 'Ben jij dat, doe?' riep de jongen. 'Ja. Goedemorgen, Ross.' 'Goedemorgen, doe.' Ross schuifelde in de richting van de natuurkundige, de grond aftastend met zijn voeten. 'Zeg, doe. . . ik heb gisteravond nogal wat krasse dingen gezegd. Het spijt me. Ik denk dat ik een beetje van streek was.' 'Laat maar zitten. We waren allemaal van streek.' Hij pakte de tastende hand van de jongen vast en drukte die stevig. 'Hoe is het met je ogen?' Het gezicht van Ross klaarde op. 'Dat gaat prima. Toen ik opstond heb ik even onder het verband door gekeken. Ik kan zien. . . ' 'Mooi!' 'Ik kan zien, maar het is allemaal wat wazig en ik zie dingen dubbel, of misschien wel driedubbel. Maar het licht deed pijn aan mijn ogen, dus heb ik het verband weer op z'n plaats gedaan.' 'Het ziet ernaar uit, dat het allemaal weer in orde komt,' waagde Cargraves te zeggen. 'Maar doe het rustig aan.' 'O, dat zal ik zeker. Zeg, doe. . . ' 'Ja, Ross?' 'Mmm. . . O, niks. Laat maar.' 'Ik denk dat ik het wel weet, Ross. Ik ben van gedachten veranderd. Ik ben gisteravond voordat ik in slaap viel van gedachten veranderd. We gaan door.' 'Goed zo!' 'Misschien is het goed, misschien niet. Ik weet het niet. Maar als jullie er zo over denken, ga ik met jullie mee. We gaan, al moeten we lopen.'
8
'OP WEG MAAR DE HEMEL!'
'Dat lijkt er meer op, doe!' 'Zijn de anderen al op?'
'Nog niet. Ze hebben maar weinig geslapen.'
'Weet ik. Laat ze maar slapen. Wij gaan wel buiten in de auto zitten. Hou mijn arm maar vast.'
Toen ze eenmaal zaten, vroeg Ross, 'Doe, hoe lang duurt het nog voordat we klaar zijn?'
'Niet lang meer. Waarom?'
'Nou, volgens mij ligt de oplossing van onze problemen in hoe snel we ervandoor kunnen. Als die pogingen om ons tegen te houden voortduren, zal er vast wel een poging lukken. Ik wou dat we vandaag al konden vertrekken.'
'Dat kan niet,' antwoordde Cargraves, 'maar zo lang zal het niet meer duren. Ik moet allereerst de aandrijving installeren, maar dat is in feite niet meer dan het in elkaar zetten van de onderdelen. Ik had vrijwel alles al voorbereid, voordat ik jullie ontmoette.' 'Ik wou dat mijn kijkers niet met verlof waren.'
'Het is toch een klus die ik zelf zal moeten doen. Niet dat ik probeer jou erbuiten te houden, Ross,' voegde hij er haastig aan toe, toen hij de uitdrukking op zijn gezicht zag. 'Ik heb het nooit uitgelegd, omdat ik dacht dat het gemakkelijker zou zijn, als we de spullen voor onze neus hadden liggen.' 'Nou, hoe werkt het dan?'
'Herinner je je de turbine van Heron in de elementaire natuurkunde? Onderaan een kleine stoomketel en een spiraalvormige buis als een tuin- sproeier er bovenop? Je verhit de ketel, de stoom stijgt naar boven door de spiraal die hem laat rondwervelen. Nou, zo werkt mijn aandrijving ook ongeveer. In plaats van vuur gebruik ik een thoriumkernreactor; in plaats van water gebruik ik zink. We brengen het zink aan de kook, laten het verdampen, waardoor we zink-"stoom" krijgen. We laten de "stoom" door de straalpijp ontsnappen. Dat is het wel zo'n beetje.' Ross floot voor zich heen. 'Simpel, en handig. Maar werkt het ook?' 'Ik weet dat het werkt. Ik was een krachtcentrale aan het uitproberen, toen het me opeens begon te dagen. Ik kreeg de strakke, intense straal die ik hebben wilde, alleen was er geen turbine te vinden die ertegen bestand was. Alle bladen braken. Toen realiseerde ik me dat ik een raketaandrijving had uitgevonden.' 'Het is niet mis, doe! Maar waarom gebruik je geen lood? Dan heb je meer massa met minder volume.' 'Een goeie zet. Geconcentreerde massa betekent een kleinere raket, kleinere tanks, een kleiner schip, kortom overal veel minder inerte massa. Maar massa is niet ons voornaamste probleem; wat wij nodig hebben is een intens snelle straal. Ik heb zink gebruikt omdat het kookpunt lager ligt dan bij lood. Ik wil de damp oververhitten om een goede, snelle straal te krijgen, maar ik mag niet boven de stabiele grens van de moderator uitkomen.' 'Koolstof?' 'Ja, koolstof, grafiet. We gebruiken koolstof om de stroom neutronen te matigen en cadmium inlassen om de snelheid onder controle te houden. De stralingen worden opgezogen in een bad van vloeibare zink. Het zink kookt en de zink-"stroom" snort zo vrolijk als wat uit de straalpijp.' 'Ik snap het. Maar waarom gebruik je geen kwik in plaats van zink? Het is nog zwaarder dan lood en het kookpunt ligt nog lager dan bij de andere twee.' 'Dat zou ik wel willen, maar 't is te kostbaar. Deze hele toestand draait op afbraakprijzen.' Hij hield op toen Morrie zijn hoofd buiten de deur van de hut stak.
'Hallo daar! Komen jullie ontbijten, anders gooien we het naar buiten!' 'Niet doen!' Cargraves schoof één been over de rand van de auto, zijn verkeerde been, raakte de grond en zei 'Au!' 'Wacht even, dan kun je op mij leunen,' stelde Ross voor. Ze strompelden terug, terwijl ze elkaar hielpen. 'Afgezien van de reactor,' ging Cargraves verder, 'valt er niet veel meer te doen. Het thorium zit al vast in het grafiet. Dan blijven er nog twee behoorlijke klussen over: de luchtsluis en de proefdraai.' Hoewel de raket op de trans-Atlantische route buiten de atmosfeer had geopereerd, was hij niet voorzien van een luchtsluis omdat de ontwerpers nooit de bedoeling hadden gehad hem te openen, behalve dan op de grond. Cargraves was van plan een stalen kist rond de binnenkant van de huidige deurpost te lassen met een tweede luchtdichte deur, die naar binnen toe open zou gaan. 'Ik kan die sluis wel lassen,' bood Ross aan, 'als jij de reactor in elkaar zet. Als mijn ogen tenminste op tijd weer in orde zijn.' 'Zelfs dan lijkt het me niet zo verstandig om in een lasstraal te moeten staren. Kunnen de anderen niet lassen?' 'Ja, dat wel, maar tussen ons gezegd en gezwegen, ik maak een wat fijnere lasnaad.' 'We zullen wel zien.'
Aan het ontbijt vertelde Cargraves de andere twee dat hij besloten had door te gaan. Art werd rood en begon te stotteren. Morrie zei ernstig: 'Ik dacht al dat je temperatuur na een nachtje gezakt zou zijn. Wat zijn de plannen?' 'Onveranderd. Hoe staat jouw afdeling ervoor?' 'Bliksem, ik zou vanmiddag nog kunnen vertrekken. De gyro's lopen als een trein; ik heb Hohmannbanen en S-trajektoriën zitten te berekenen tot ik er doodziek van werd; wat de computer en mezelf betreft: zo!' Hij stak een duim omhoog. 'Prima. Dan zorg jij dat de voorraden aan boord komen. Hoe zit het met jou, Art?' 'Wie, ik? Nou, ik geloof dat ik alles wel klaar heb. De twee radars staan afgesteld. Ik heb nog wel wat ideetjes die ik op het FM-circuit wil uitproberen.' 'Is het momenteel in orde?' 'Ik dacht van wel.''Laat de radio's dan maar met rust. Ik heb nog wel wat voor je te doen.' 'O, mij best hoor.' 'Hoe staat het met dat radarscherm dat Art in elkaar zou zetten?' informeerde Morrie. 'Eh? O, je bedoelt voor onze vriend de insluiper. Hm. . . ' Cargraves dacht over de zaak na. 'Ross denkt, en ik ben het met hem eens, dat we de indringer het best te vlug af kunnen zijn door te proberen hier zo snel mogelijk vandaan te komen. Ik zou die radar niet uit het schip willen halen. Het zou ons tijd kosten en de kans blijft bestaan dat we een stuk apparatuur naar de knoppen helpen dat we door gebrek aan geld niet kunnen vervangen, maar waar we ook niet buiten kunnen.' Morrie knikte. 'Mij best. Ik denk nog steeds dat een man met een geweer in zijn handen meer waard is dan al dat technische gefrutsel. Moeten jullie luisteren: We zijn met vier man. Dat is twee uur per nacht. Laten we op wacht gaan staan.' Cargraves ging hiermee akkoord. Er werden diverse ideeën naar voren gebracht om de menselijke wachtpost en het onder stroom staande hek aan te vullen, maar ze werden allemaal weggestemd als te tijdrovend, te duur of te onpraktisch. Er werd besloten de toestand te laten zoals hij was; alleen zouden 's nachts de lampen blijven branden, inclusief een snoer met lampen dat rondom het schip zou worden opgehangen. Al die leidingen moesten zo worden aangelegd dat ze automatisch op de scheepsaccu’s zouden overschakelen, als het hoofdnet uitviel.
De woensdag daarop ging Cargraves met een gevoel van tevredenheid eten. De thoriumreactor stond op zijn plaats, achter het gerepareerde scherm. Dat was op zich uitstekend; hij had een hekel aan het pietepeuterige, gevaarlijke karwei om met het radioactieve element om te springen, al maakte hij gebruik van beschermende kleding en ging hij de zaak met tangen te lijf. Maar de reactor stond; de luchtsluis was op zijn plaats gelast en getest op luchtdichtheid; bijna alle voorraden waren aan boord. Voor Art en Ross waren versnellingshangmatten gebouwd (Cargraves en Morrie zouden de golven energie in de twee stuurstoelen doorstaan). De reactor had op een laag niveau gedraaid; alles was prima verlopen, vond hij, en de lampjes op het paneel stonden op groen.
De namaakinspecteur was niet opnieuw komen opdagen en de nachtelijke wachturen waren al evenmin verstoord. Het fijnste was nog wel dat de ogen van Ross steeds beter werden; de oogspecialist had hem maandag genezen verklaard, op voorwaarde dat hij een paar weken lang een donkere bril zou dragen. Cargraves hinkte nog wel op zijn verstuikte enkel, maar hij had zijn stok aan de wilgen gehangen. Hij voelde zich prima. Hij viel enthousiast aan op Aggregate a la Galileo (hachee voor gewone stervelingen), terwijl hij dacht aan een exposé dat hij voor de Physical Review zou schrijven. Enige Geverifieerde Experimentele Faktoren in de Ruimtevaart leek hem wel een aardige titel, door Doctor Donald Morris Cargraves, B.S., Sc.D., LL.D., Nobel Prijs, Nat. Acad., Fr. Acad., etc. Die onderscheidingen had hij nog niet; hij probeerde alleen maar hoe ze stonden. Buiten kwam de auto knarsend tot stilstand en Art kwam binnen met de post. 'De Kerstman!' begroette hij ze. 'Eén van je ouwelui, Ross, en één van die geblondeerde blondine waar je zo gek op bent.' 'Ik ben niet gek op haar en ze is blond van zichzelf,' antwoordde Ross nadrukkelijk. 'Jij je zin. Je komt er nog wel achter. Drie voor jou, Morrie, allemaal zakelijk. De rest is voor jou, doe,' besloot hij, terwijl hij die van zijn moeder bij zich hield. 'Alweer hachee,' voegde hij eraan toe. 'Dat is om je voor te bereiden op hetgeen je op de maan te eten krijgt,' zei de kok. 'Zeg, doe. . . ' 'Ja, Morrie?' 'De ingeblikte rantsoenen staan in het expeditiekantoor in de stad hier. Ik zal ze vanmiddag ophalen. De andere twee zijn rekeningen. Daarmee is mijn controlelijst kompleet.' 'Prima,' antwoordde hij afwezig terwijl hij een brief openscheurde. 'Dan kun je Ross en mij helpen met de proefdraai. Dat is dan nog de enige behoorlijke klus.' Hij vouwde de brief open en las hem. Toen las hij hem nog eens. Opeens viel het Ross op dat hij opgehouden was met eten. Hij zei: 'Wat is er aan de hand, doe?' 'Ach, niet zoveel bijzonders, maar het is wel vreemd. De mensen in Denver kunnen de dynamometer voor de test niet leveren.' Hij gooide Ross de brief toe. 'Wat betekent dat voor ons?' vroeg Morrie. 'Dat weet ik nog niet. Ik ga met je mee de stad in. Laten we dat maar meteen na het eten doen; ik zal de Oostkust moeten bellen.' 'Doen we.' Ross gaf de brief terug. 'Zijn er geen andere zaken waar je ze kunt kopen?' 'Nauwelijks "genoeg". Dynamometers van zo'n twee ton zijn niet bepaald uit voorraad leverbaar. We zullen Baldwin Locomotives eens proberen.' 'Waarom maken we ze niet?' vroeg Art. 'We hebben ze zelf gemaakt voor onze Starstruck-serie.' Cargraves schudde zijn hoofd. 'Hoezeer ik jullie ook waardeer als uitstekende, all round amateurmecaniciens en krakelingenbuigers, er zijn klussen waar speciale apparatuur voor nodig is. Maar over de Starstruckserie gesproken,' ging hij verder, opzettelijk van onderwerp veranderend, 'realiseren jullie je eigenlijk wel dat we het schip nog geen naam hebben gegeven? Wat denken jullie van Starstruck VI?' Art vond het goed. Morrie wierp tegen dat het Moonstruck zou moeten worden. Maar Ross had een andere gedachte. 'Starstruck was goed genoeg voor onze modelraketten, maar we willen toch wel wat iets meer, voor het maanschip.' 'De Pioneer?' 'Oubollig.' 'De Thor, vanwege de aandrijving?' 'Goed, maar nog niet goed genoeg.' 'Laten we hem de Einstein noemen.' 'Ik snap wel waarom je hem naar doctor Einstein wil noemen,' merkte Cargraves op, 'maar ik heb misschien wel een andere naam die voor jullie hetzelfde symboliseert. Wat denken jullie van de Galileo?' Er was geen onenigheid; opnieuw waren de leden van de Galileo Club eenstemmig. De man die als eerste de bergen op de maan had gezien en omschreven, de man wiens naam alleen al een symbool was voor vastberaden aandrang op wetenschappelijke vrijheid en de vrije, onderzoekende geest, die naam klonk hun als muziek in de oren. Cargraves vroeg zich af of iemand zich hun eigen namen nog zou herinneren na meer dan drie eeuwen. Met geluk, heel veel geluk was Columbus niet vergeten. En mocht het geluk hen ooit in de steek laten dan betekende een ongeluk met de raket een mooie, snelle dood. Het geluk leek hen in de steek te laten. Cargraves stond tot na vijven, Oostkust-tijd, in een telefooncel te zweten en daarna nog een een uur tot het ook na vijven was in Chicago, voordat hij moest toegeven dat de dynamometers die hij nodig had, niet op korte termijn leverbaar waren. Hij gaf zichzelf de schuld yan deze misrekening zonder het tot zijn verdienste te rekenen dat zuinigheidsredenen hem ertoe hadden gebracht de instrumenten bij de firma in Denver aan te schaffen; hij had verwacht ze tweedehands te kunnen krijgen. Maar door zichzelf de schuld te geven, voelde hij zich beter. Morrie merkte zijn lange gezicht op toen hij in de zwaarbeladen kleine auto stapte. 'Niet gelukt?' 'Niet gelukt. Laten we teruggaan naar het kamp.' Ze snelden een paar minuten in een bezorgd stilzwijgen gehuld over de woestijnweg. Uiteindelijk nam Morrie het woord. 'Wat denk je hiervan, doe? We doen een test op de grond met alles erop en eraan, alleen zonder dynamometers.' 'Wat heeft dat voor zin? Ik wil de stuwkracht weten.' 'Daar kom ik nog op. We zetten een mannetje in het schip. Hij houdt de snelheidsmeter in de gaten, de slingersnelheidsmeter uiteraard, niet die met de geïntegreerde afstand. Die is onderverdeeld in q's. Bereken het aantal gravitaties tegenover het brutogewicht van het schip op dat moment en je hebt je stuwkracht in ponden.' Cargraves aarzelde. De vergissing van de jongen was zo overduidelijk en toch zo gemakkelijk gemaakt dat hij hem het wilde uitleggen zonder zijn trots te krenken. 'Het is een knap plan, maar eigenlijk zou ik afstandsbediening willen gebruiken; de kans bestaat altijd dat een nieuw type kernenergiereactor zal ontploffen. Maar dat is het niet; als het schip aan de grond verankerd staat, zal het ook niet versnellen, ongeacht de hoeveelheid stuwkracht die erachter zit.' 'O!' zei Morrie. 'Hmm. Daar ging ik mooi de mist in, doe.' 'Een voor de hand liggende fout.' Na vijf kilometer zei Morrie weer: 'Ik heb het, doe. De Galileo moet loskomen om de stuwkracht op de snelheidsmeter te kunnen aflezen. Ja? oké, dan vlieg ik hem in. Wacht even, wacht even,' ging hij haastig verder, 'ik weet precies wat je gaat zeggen: Je zult niemand zo'n risico willen laten lopen. Het schip kan exploderen, of neerstorten. oké, misschien wel. Maar het is mijn werk. Ik ben niet onmisbaar op deze reis, maar dat ben jij wel. Ross heb je nodig als boordwerktuigkundige; Art heb je nodig voor de radar en de radio; je hebt geen tweede piloot nodig. Ik ben gekozen.' Cargraves probeerde een nonchalante klank in zijn stem te leggen. 'Morrie, je analyse pleit voor je gevoel, maar niet voor je verstand. Zelfs al is het waar watje zegt, dat laatste klopt niet helemaal. Ik ben misschien wel onmisbaar, als de reis doorgaat. Maar als de testvlucht misloopt, als de reactor ontploft, of als het schip onhandelbaar is en neerstort, komt er helemaal geen reis en ben ik niet onmisbaar.' Morrie grinnikte. 'Vlijmscherp opgemerkt, doe.' 'Je probeerde me erin te luizen, niet? Nou, ik mag dan oud en zwak zijn, seniel ben ik nog lang niet. Niettemin heb je me het antwoord in de mond gelegd. We vergeten de proefdraai op de grond en testen hem in de lucht. Ik zal hem invliegen.' Morrie floot, 'Wanneer?' 'Zodra we terug zijn.' Morrie trapte het gaspedaal op de plank; Cargraves wenste dat hij zijn mond had gehouden tot ze bij het kamp waren geweest. Veertig minuten later deelde hij zijn laatste aanwijzingen uit. 'Jullie rijden een eind buiten het reservaat en zoeken een plekje op minstens tien kilometer afstand, vanwaar je het kamp kunt zien en waar je weg kunt kruipen in een kuil langs de weg, of zo iets. Als je een Hiroshimapaddenstoel ziet, probeer dan niet terug te komen. Rij verder naar de stad en breng verslag uit bij de autoriteiten.' Hij gaf Ross een tas. 'Voor het geval ik er tussenuit mocht knijpen, dan zijn deze spullen voor je vader. Hij weet wel wat hij ermee moet doen. Vooruit, actie. Ik geef jullie twintig minuten. Op mijn horloge is het nu zeven minuten over vijf.' 'Wacht even, doe.' 'Wat is er, Morrie?' Zijn stem klonk zenuwachtig en geïrriteerd. 'Ik heb het de jongens gevraagd en ze zijn het met me eens. De Galileo is te vervangen, maar jij niet. Ze willen datje blijft om het opnieuw te kunnen proberen.' 'Genoeg daarover, Morrie.' 'Nou, ik zou erom willen loten.' 'Je gaat te ver, Morrie!' 'Jawel, meneer.' Hij klom in de auto. De twee anderen verdrongen zich naast hem. 'Tot kijk!' 'Veel succes!' Hij zwaaide naar hen toen ze wegreden en draaide zich om naar de openstaande deur van de Galileo. Hij voelde zich opeens heel erg alleen.
De jongens vonden een geschikte plek en kropen weg in de glooiende berm, als soldaten in een loopgraaf. Morrie had een kleine telescoop bij zich; Art en Ross waren gewapend met dezelfde toneelkijkers die ze gebruikt hadden bij hun modelraketten.
'Hij heeft de deur dichtgedaan,' kondigde Morrie aan. 'Hoe laat is 't?' 'Ik heb het vijfentwintig over vijf' 'Kan elk moment gebeuren. Kijk goed uitje doppen.' De raket was heel klein, zelfs door de toneelkijkers; Morrie zag de toestand net een ietsje beter. Plotseling gilde hij: 'Daar gaat hij! Victorie!' De staartstraal, glinsterend zilver, zelfs in het zonlicht, laaide op. Het schip stond nog doodstil. 'Daar gaan zijn neusmotoren!' De Galileo kon, uitgerust met neus en buikstraalmotoren om te manoeuvreren, opstijgen zonder lanceerplatform of katapult. Hij liet nu zijn buikmotoren meespelen; de boeg van de Galileo kwam omhoog, maar de tegengesteld gerichte neus en staartmotoren hielden de raket nog op dezelfde plaats.
'Hij is los!' De rode pluimen uit de neus werden plotseling afgekapt, waarna het schip van de grond wegschoot. Hij was al boven hun hoofd voordat ze hun adem hadden kunnen inhouden. Even later was hij hen alweer voorbij en schoot weg in de richting van de horizon. Toen het de bergen passeerde, buiten hun gezichtsveld, ademden ze tegelijk uit. 'Pff,' zei Art heel zachtjes. Ross begon te rennen. 'Hé, waar ga jij heen?' 'Terug naar het kamp. We willen er toch wel zijn voordat hij terug is?' 'O!' Ze stormden achter hem aan. Ross vestigde een nieuw record met zijn kar op weg naar het kamp, maar zijn snelheid kon hun verlangen niet bijhouden. En de tijd konden ze al evenmin voorblijven. De Galileo kwam weer aanstormen boven de horizon en remde al af op z'n neusmotoren toen de auto met een smak stilhield. Hij kwam aan in een steile duikvlucht met de hoofdmotor al uitgeschakeld. De neusstralen spatten uit elkaar op precies dezelfde plek vanwaar hij was gestart. Hij trok hem omhoog met de buikmotoren en liet hem langzaam op zijn plaats zakken. Morrie schudde zijn hoofd. 'Wat een landing!' zei hij vol respect. Cargraves tuimelde als een klein hoopje naar buiten. De jongens gilden en sloegen hem op z'n rug. 'Hoe deed hij het?' 'Kon je hem in de hand houden?' 'Tot in de puntjes! De hoofdmotor reageert wat log, maar dat hadden we al verwacht. Als hij eenmaal warm is, wil hij niet meer afkoelen. Je moet je hoofd vol "stoom" zien kwijt te raken. Ik zal al halverwege Oklahoma City voordat ik genoeg vaart kon minderen om terug te komen.''Wat een schip!'
'Wanneer vertrekken we?' Het gezicht van Cargraves werd ernstig. 'Wat denken jullie van een nachtje opblijven om onze spullen in te pakken?' 'Wat dacht je wat? Dat doen we!'
'Afgesproken. Art, naar het schip jij en in de weer met de radio. Zie het bureau van de Associated Press in Salt Lake City te pakken te krijgen. En United Press. Roep de nieuwsdiensten op. Vertel dat ze wat televisiewagens hierheen sturen. Het hek is nou van de dam. Maak ze duidelijk dat hier een verhaal in zit.' 'Ben al weg!' Hij klauterde het schip binnen en hield toen stil in de deuropening. 'Hela, en als ze me niet geloven?' 'Zorg ervoor dat ze je wel geloven. Zeg maar dat ze doctor Larksbee van de kommissie kunnen bellen. Zeg maar dat ze naast de grootste primeur sinds de oorlog grijpen, als ze dit laten lopen. En, luister eens, roep Buchanan op de frequentie van Staatsbosbeheer. Hij heeft voor ons zijn mond moeten houden; hij moet er ook bij zijn.' Tegen middernacht was het karwei vrijwel geklaard en Cargraves stond erop dat ze om beurten zouden gaan liggen, met z'n tweeën tegelijk, niet om te slapen, maar enkel en alleen om niet volkomen uitgeput aan de reis te beginnen. De brandstoftanks van de buik en neusmotoren werden bijgevuld en de speciaal geïnstalleerde reservetanks werden volgegooid. De tonnen zink voor de hoofdmotor bevonden zich al aan boord evenals een gelijk gewicht aan reserve in poedervorm. Het voedsel was aan boord; het zorgvuldig gerantsoeneerde water was aan boord. (Water was geen probleem; de luchtververser zou de dampen zuiveren.) De tanks voor de vloeibare zuurstof waren vol. Cargraves zelf had de twee Garands aan boord gebracht onder het voorwendsel dat ze op de terugreis misschien wel eens ergens op een woeste plek zouden kunnen neerkomen, en dat met het oog op het feit dat ze hun spaarzame boeken uit de band hadden gerukt om ruimte en gewicht te besparen. Hij was moe. Alleen aan de hand van de zorgvuldig voorbereide lijsten was hij in staat zich ervan te overtuigen dat het schip in elk opzicht gereed was, of spoedig zou zijn. De jongens waren moe, in de war en opgewonden. Morrie had het vraagstuk van hun vertrekbaan al drie keer uitgewerkt en had het ervan op z'n zenuwen gekregen, hoewel de uitkomst iedere keer tot op de decimaal nauwkeurig klopte. De angst dat hij een of andere stomme, fatale fout had gemaakt knaagde aan hem en hij was pas tevreden toen Cargraves, met een schone lei, op hetzelfde antwoord uitkwam. Buchanan, de boswachter, kwam rond één uur opdagen. 'Is dit het Krankzinnigengesticht van Centraal-Nieuw-Mexico?' informeerde hij vrolijk. Cargraves beaamde dat. 'Ik heb me al eerder afgevraagd wat jullie hier uitspookten,' ging de boswachter verder, 'Natuurlijk heb ik jullie schip gezien, maar ik werd toch wel verrast door jullie boodschap. Ik hoop dat je het niet erg vindt als ik jullie voor stapelgek verklaar; evengoed wens ik jullie veel succes.' 'Bedankt.' Cargraves liet hem het schip zien en legde hem de opzet uit. Het was volle maan, ongeveer een uur na de hoogste stand. Ze waren van plan even na zonsopgang te vertrekken, wanneer de maan in het westen zou wegzinken. Twaalf uur wachten om een verschil van zo'n tweeduizend kilometer per uur uit te sparen was meer dan zijn zenuwen zouden kunnen verdragen. Hij had de raket naar het westen gericht aan de grond gezet; zo hoefden ze hem ook niet te keren Buchanan bekeek de hele toestand en vroeg waar de stralen zouden neerspatten. Cargraves liet het hem zien. Waarna Buchanan vroeg: 'Heb je voor bewaking gezorgd?' Dat was Cargraves inderdaad vergeten. 'Geeft niet,' zei Buchanan. 'Ik bel kapitein Taylor even op; die kan wel voor een stel agenten zorgen.' 'Vergeet dat opbellen maar; we doen het via de radio. Art!' Tegen vieren begon de pers op te dagen. Tegen de tijd dat de politie arriveerde, realiseerde Cargraves zich dat hem een hoop ellende bespaard was gebleven. Het terrein was stampvol. Escortes vanaf het buitenste hek naar de omheining bleken noodzakelijk om er zeker van te kunnen zijn dat niemand binnen startafstand op het terrein verzeild raakte. Eenmaal binnen de omheining bleek de harde hand van de politiemensen nodig om ze daarbinnen te houden, en te voorkomen dat ze in de buurt van het schip gingen rondzwermen. Om vijf uur aten ze hun laatste ontbijt in het kamp, met een bewaker voor de deur om wat rust te hebben. Cargraves weigerde interviews; hij had een stencil laten maken en kopieën aan Buchanan gegeven om rond te delen. Maar de jongens werden door iedereen aangeklampt, zodra hij zijn rug had gekeerd. Uiteindelijk wees hij ze een lijfwacht toe. In een carré van bewakers liepen ze naar het schip. Flitslampen verblindden hun ogen en televisiecamera's volgden hun bewegingen. Het leek onmogelijk dat dit dezelfde eenzame plek was waar ze zich, pas enkele uren geleden, zorgen hadden gemaakt over stille indringers in het duister. Cargraves liet de jongens naar binnen klimmen en draaide zich om naar Buchanan en kapitein Taylor. 'Tien minuten, heren. Weet u zeker dat u iedereen uit de buurt kunt houden? Als ik eenmaal in de stoel zit, kan ik de grond in de nabije omgeving niet meer zien.' 'Maakt u zich geen zorgen, kapitein Cargraves,' stelde Taylor hem gerust. 'Tien minuten.' Buchanan stak zijn hand uit. 'Het allerbeste, doctor. Neem wat groene kaas voor me mee terug.' Puffend en hijgend kwam er een man aanhollen die langs een bewaker schoot en Cargraves een gesloten brief in zijn hand drukte. 'Hé, wat moet dat?' vroeg Taylor. 'Terug naar je plaats.' De man haalde zijn schouders op. 'Het is een gerechtelijk bevel.' 'Hoezo?' Tijdelijk verbod om met dit schip te vliegen. Bevel om voor het gerecht te verschijnen en gronden aan te voeren, waarom er geen permanent verbod moet worden uitgevaardigd om u ervan te weerhouden het leven van minderjarigen in gevaar te brengen.' Cargraves zette grote ogen op. Hij had het gevoel alsof de wereld rondom hem in elkaar stortte. Ross en Art verschenen in de deuropening. 'Doe, wat is er?' 'Hé, jongens, kom er maar uit,' gilde de onbekende en daarna tegen kapitein Taylor: 'Ik heb nog een brief met het bevel ze in hechtenis te nemen.' 'Terug het schip in,' beval Cargraves vastberaden en maakte de brief open. De onbekende begon te protesteren. Taylor pakte hem bij zijn arm vast.
'Kalmpjes aan maar,' zei hij. 'Bedankt,' zei Cargraves. 'Buchanan, kan ik jou even spreken? Kapitein, houdt deze figuur even in de gaten?'
'Luister eens, ik wil helemaal geen bonje,' protesteerde de onbekende. 'Ik doe alleen maar mijn plicht.'
'Dat vraag ik me af,' zei Cargraves nadenkend. Hij loodste Buchanan rond
de neus van het schip en liet hem de brief zien.
'Dat lijkt me wel in orde,' moest Buchanan bekennen.
'Misschien. Hier staat dat het een bevel is van een staatsgerechtshof Dit is federaal gebied, of niet soms? Trouwens, kapitein Taylor en zijn mannen
zijn hier alleen maar op jouw verzoek en met jouw toestemming. Is dat niet zo?'
'Hmm. . . jawel. Dat is zo.' Opeens propte Buchanan de brief in zijn zak. 'Die zal ik eens even vertellen hoe laat het is!' 'Een ogenblikje nog.' Cargraves vertelde hem vlug van de namaakinspecteur en de indringer, zaken die hij voor zich had gehouden, op een brief naar de Kommissie voor de Burgerlijke Luchtvaart in Washington na. 'Deze kerel is misschien een oplichter, of het knechtje van een oplichter. Laat hem er niet tussenuit knijpen, voordatje de zaak hebt nagetrokken bij het gerechtshof dat dit bevel zogenaamd heeft uitgevaardigd.' 'Komt voor elkaar.'
Ze gingen terug, en Buchanan riep Taylor even apart. Cargraves greep de onbekende niet bepaald zachtzinnig bij zijn arm. De man protesteerde. 'Wat zou je zeggen van een dreun op je neus?' vroeg Cargraves was bijna vijftien centimeter langer en stevig gebouwd. De man hield verder zijn mond. Taylor en Buchanan waren na enkele ogenblikken weer terug. De politieagent zei: 'U moet over drie minuten vertrekken, kapitein. Ik kan de menigte maar beter uit de buurt zien te houden.' Hij draaide zich om en riep, 'Hé! Sergeant Swanson!' 'Present!' 'Bekommer jij je even om deze figuur.' Het was de onbekende en niet Cargraves die hij aanwees. Cargraves klom het schip binnen. Toen hij zich omdraaide om de deur te sluiten, kwam hem een gejuich tegemoet, eerst nogal onsamenhangend, maar al snel aangroeiend tot een massaal geschreeuw. Hij deed de deur dicht, sloot hem af en draaide zich om. 'Op jullie plaatsen.' Art en Ross liepen naar hun hangmatten, direct achter de stuurstoelen. De hangmatten hingen vertikaal, meer zo iets als een rechtopstaand veldbed dan een tuinhangmat. Ze gespten de veiligheidsgordels vast om hun knieën en borst. Morrie zat al in zijn stoel, zijn benen vastgesnoerd, zijn veiligheidsriemen vastgegespt, zijn hoofd achterover tegen het stootkussen. Cargraves liet zich in de stoel naast hem vallen, waarbij hij zijn pijnlijke voet zoveel mogelijk ontzag. 'Helemaal klaar, Morrie.' Zijn ogen gleden over het instrumentenbord, speciaal lettend op de temperatuur van het zink en de verklikker voor de positie van de cadmiumdampplaten. 'Helemaal klaar, kapitein. Breng 'm maar aan de gang, als je klaar bent.' Hij snoerde zichzelf vast en wierp een blik door de ruit van kwartsglas voor zich. Zover hij kon kijken, was het terrein helemaal vrij. Hun bestemming staarde hem recht aan, rond en prachtig. Onder zijn rechterarm zat een grote, geribbelde knop, gemonteerd op de armleuning. Hij pakte die knop stevig vast. 'Art?'
'Klaar, meneer.' 'Ross?' 'Klaar, kapitein.' 'Co-piloot?' 'Klaar, kapitein. Tijd, zes-nul-één.' Hij draaide de knop langzaam naar rechts. Achter hem trokken cadmium-platen, in werking gezet door de afstandbediening, zich langzaam terug tussen rasterwerken van grafiet en thorium; ontelbare miljoenen neutronen werd het gemakkelijk gemaakt thorium-atomen op te zoeken en te vernietigen. De gefolterde kernen besteedden hun energie aan het verdampen van het gesmolten zink. Het schip begon te trillen. Met zijn linkerhand liet hij de neusraketten invallen, waarbij hij ze in balans hield met de toenemende stuwkracht achterin. Hij liet de buikmotoren aanslaan; het schip richtte zich op. Hij bracht de neusmotoren tot zwijgen. De Galileo sprong naar voren; ze werden achteruit gedrukt tegen hun stootkussens. Ze waren op weg naar de hemel, ver en afgelegen.
9
'IN EENZAME DIEPTEN'
Voor Art en Ross leek de wereld op duizelingwekkende wijze negentig graden rond te draaien. Ze hadden rechtop gestaan, vastgesnoerd aan hun verticale hangmatten, recht naar voren starend langs Cargraves en Morrie naar buiten door de ruit, naar de maan en de westelijke horizon. Toen de raket vertrok, was het net alsof ze opeens naar achteren werden geduwd, plat op hun rug, alsof ze met grote kracht in de kussens en veren werden weggedrukt. Wat ook in werkelijkheid gebeurde. Het was de geweldige stuwkracht van de motor die hen had teruggeduwd tegen de veren en hen vasthield. Het geweld van de stuwkracht zorgde ervoor dat de richting waarin ze gingen 'naar boven' leek. Maar de maan staarde hen nog altijd roerloos aan door het venster; 'naar boven' was ook 'naar het westen'. Vanaf de plek waar zij plat op hun rug lagen, bevonden Cargraves en Morrie zich boven hen en de zware stalen stootbalken onder hun stuurstoelen zorgden ervoor dat ze niet bovenop hen vielen. De maan glinsterde en kolkte onder de drukgolven van de lucht. Het gekrijs van de razende luchtmoleculen tegen de scheepsromp was luider en zenuwslopender dan het regelmatige gebulder van de motor beneden hen. De horizon viel gestadig verder weg van de schijf van de maan, terwijl ze naar het westen schoten en hoogte wonnen. De lucht, ochtendgrijs toen ze vertrokken, werd middagblauw toen hun gelijkmatige stijging hen hoger en hoger naar het zonlicht voerde. De lucht begon paars te worden en de sterren kwamen te voorschijn. Het gekrijs van de lucht werd minder akelig. Cargraves zette zijn gyro's aan en liet Joe de Robot zijn aanvangskoers corrigeren; de maan schoot kalm een eindje naar rechts en de raket stabiliseerde zich. 'Alles oké?' riep hij, nu de instrumenten even niet om zijn volle aandacht vroegen. 'Prima!' riep Art terug.
'Er zit iemand op mijn borst,' voegde Ross eraan toe. 'Wat?' 'Ik zei dat er iemand op mijn borst zit!' schreeuwde Ross. 'Nou, bereid je dan maar vast voor. Z'n broer zal niet lang op zich laten wachten.' 'Wat zegje?' 'Laat maar!' schreeuwde Cargraves. 'Niet belangrijk. Copiloot!' 'Jawel, kapitein!' 'Ik zet hem helemaal op de automaat. Wees erop voorbereid onze koers te controleren.' 'Aye, aye, kapitein.' Morrie zette zijn octant vlak voor zijn ogen. Ross verschoof zijn hoofd een beetje zodat hij het scherm van de buikradar gemakkelijk kon zien. Hij drukte zijn hoofd in de kussens en gespte zijn armen vast; hij wist wat er ging gebeuren. 'Astrogator klaar!' De lucht was nu zwart en de sterren staken er scherp tegen af. Het beeld van de maan trilde niet meer en het griezelige gekrijs van de lucht was weggestorven, zodat alleen het onvermoeibare gebulder van de motor nog was overgebleven. Ze waren buiten de atmosfeer, hoog en vrij. Cargraves schreeuwde. 'Hou je vast, jongens! Daar gaan we!' Hij gaf de volledige besturing over aan Joe, de automatische piloot. Die geesteloze, mechanische en elektronische held schudde figuurlijk met zijn niet- bestaande hoofd en stelde vast dat de koers hem niet beviel. Het beeld van de maan zwaaide naar 'beneden' in de richting van de boeg, gezien vanuit het schip, totdat de raket op weg was in een richting die bijna veertig graden meer oostelijk lag dan het beeld van de maan. Nu hij het schip op een koers had gezet naar het punt waar de maan zou staan, als de Galileo er aankwam, in plaats van waar hij nu stond, richtte Joe z'n aandacht op de motor. De cadmiumplaten werden nog verder teruggetrokken; de raket hapte meteen toe en ging er hard tegenaan. Ross kwam tot de ontdekking dat er nu inderdaad een hele familie op z'n borst zat. Ademhalen was een heel karwei en zijn ogen werden wat mistig. Als Joe gevoel had gehad, zou hij zeker niet trots kunnen zijn op wat hij zojuist had gepresteerd, want zijn beslissingen waren allemaal al genomen, voordat het schip de grond had verlaten. Morrie had met Cargraves' goedkeuring een van de diverse driedimensionale schijven uitgezocht en in Joe's 'ingewanden' geïnstalleerd. Die schijf' vertelde 'Joe wat voor soort koers hij naar de maan diende te volgen, welke koers eerst te nemen, hoe snel de raket te laten vliegen en hoe lang. Joe kon de maan niet zien; hij had nog nooit van de maan gehoord, maar zijn elektronische zintuigen konden waarnemen welke koers het schip aanhield in verhouding tot de stabiele, onveranderlijke wenteling van de gyro's om het schip vervolgens in de richting te manoeuvreren die de schijf in zijn buik aanwees. De schijf zelf was ontworpen door een verre neef van Joe, de grote Eniac-79 computer van de Universiteit van Pennsylvania. Met behulp van de kleine astrogatiecomputer in het schip kon Morrie of Cargraves elk denkbaar probleem oplossen, en de Galileo met de hand besturen, maar met behulp van zijn neef kon Joe hetzelfde beter, sneller, nauwkeuriger en met nimmer verslappende aandacht, vooropgesteld dat de menselijke piloot wist wat hij hem moest vragen en hoe. Joe was geen uitvinding van Cargraves; duizenden geleerden, technici, en mathematici hadden hun bijdrage aan zijn bestaan geleverd. Z'n grootvaders hadden de V-2 raketten bestuurd in de bange, laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog. Zijn voorvaderen waren ontwikkeld vóór de dodelijke, oceaanomvattende geleide projectielen van de wereldpolitiemacht van de Verenigde Naties. Zijn broers en zusters zaten in elk ruimteschip dat, particulier of commercieel, onbemand of met passagiers, de hemel doorkruiste. Een trans-Atlantische vlucht of een reis naar de maan, voor Joe maakte het geen verschil. Hij voerde uit wat zijn schijf hem opdroeg. Het kon hem niet schelen, hij was er zich niet eens van bewust. Cargraves riep: 'Hoe staat het met jullie daar beneden?' 'Goed wel,' antwoordde Ross met moeizaam zwoegende stem. 'Ik voel me misselijk,' gaf Art kreunend toe. 'Door je mond ademen. Diep ademhalen.' 'Kan ik niet.' 'Kom op, nog even. Het duurt niet lang meer.' In feite waren ze nog maar vijfenvijftig seconden op topsnelheid, toen Joe constateerde, nog altijd op advies van zijn schijf, dat het welletjes was geweest. De cadmiumplaten gleden verder terug in de reactor, waardoor de neutronen werden tegengewerkt; het kabaal van de raketmotor werd minder. Het schip minderde geen vaart; het hield gewoon op met snel accelereren. Het behield de verkregen snelheid en het frictieloze vacuüm van de ruimte deed niets om zijn onstuimige gang af te remmen. Maar de versnelling werd teruggebracht tot één aardoppervlakgravitatie, één voldoende om de krachtige aantrekking van het machtige gewicht van de Aarde te overbruggen, waardoor het schip in staat was onbelemmerd voort te snellen - iets minder dan één G eigenlijk, omdat de greep van de Aarde al aan het afnemen was en voortdurend minder zou worden tot aan de overgang, meer dan driehonderdduizend kilometer ver in het heelal, waar de aantrekkingskracht van Aarde en maan gelijk zijn. Voor de vier inzittenden van het schip had de vermindering van de stuwkracht hen weer teruggebracht tot iets minder dan hun normale gewicht. Deze valse 'zwaartekracht' had niets te maken met de aantrekkingskracht van de Aarde; die kan men alleen maar voelen wanneer men verbonden is of gedragen wordt door de Aarde, haar oceanen, of haar atmosfeer. De aantrekkingskracht van de Aarde bestaat in het heelal, maar het menselijk lichaam heeft geen zintuigen om die waar te nemen. Als een man van een geweldige hoogte, stel vijfenzeventigduizend kilometer, naar beneden zou vallen, zou hij niet het gevoel hebben dat hij viel, maar veel eerder het gevoel krijgen dat de Aarde hem tegemoet snelde. Toen de ingrijpende aanvangsvlucht voorbij was, riep Cargraves weer tegen Art: 'Voel je je wat beter, jongen?' 'Ik voel me best nu,' antwoordde Art. 'Prima. Kom naar boven, dan kunnen jullie beter zien.' 'Altijd,' reageerde zowel Art als Ross, als uit één mond.'oké. Kijk uit waar je loopt.' 'Doen we.' De twee maakten hun riemen los en klommen omhoog naar de controlepost, langs hand en voetsteunen die tegen de zijkant van het schip waren gelast. Toen ze eindelijk zover waren, gingen ze gehurkt op de stutbalken van de stuurstoelen zitten, elk aan één kant. Ze keken naar buiten. Vanuit hun hangmatten hadden ze de maan niet meer kunnen zien sinds de koerswijziging. Vanaf hun nieuwe plaats zagen ze hem wel, dicht tegen de 'onderste' rand van het venster aan. Hij was vol, zilverwit en zo schitterend helder dat het pijn deed aan hun ogen, hoewel ze niet zichtbaar dichterbij waren gekomen om een duidelijke toename in omvang te kunnen constateren. De sterren eromheen in de koolzwarte hemel waren harde, heldere diamanten zonder flonkering. 'Kijk nou eens,' hijgde Ross. 'Kijk die ouwe Tycho daar eens staan te schijnen als een vuurtoren.' 'Ik wou dat we de Aarde konden zien,' zei Art. 'Dit koekblik zou meer dan één venster moeten hebben.' 'Wat wil je nou voor die paar stuivers?' vroeg Ross. 'Een klokkenspel? De Galileo was een vrachtschip.''Ik kan haar op het scherm laten zien,' bood Morrie aan en schakelde de stuurradar in de buik in. Het scherm lichtte na een paar seconden op, maar het beeld was nogal teleurstellend. Art kon er genoeg uit opmaken, maar esthetisch gezien was het onbevredigend. Het stelde niet meer voor dan een cirkelvormige schaal waarop de verhouding en de afstand af waren te lezen; de Aarde was gewoon een vage massa licht op de rand van de cirkel, die de richting achter hen voorstelde. 'Dat bedoel ik niet,' protesteerde Art. 'Ik wil hem zien. Ik wil hem de vorm zien aannemen van een globe en continenten en oceanen kunnen onderscheiden.' 'Dan zul je tot morgen moeten wachten, want dan zetten we de motor af en draaien het schip om. Dan kun je de Aarde zien, en de zon ook trouwens.' 'oké. Hoe hard gaan we? Laat maar, ik zie het al,' ging hij verder, terwijl hij naar het instrumentenbord tuurde. '5.300 kilometer per uur.' 'Je kijkt verkeerd,' verbeterde Ross hem. 'Er staat 23.000 kilometer per uur.' 'Jij bent gek.' 'Dat dacht je maar. Jouw ogen zijn niet zo best meer.' 'Rustig, jongens, rustig,' raadde Cargraves hun aan. 'Jullie kijken naar verschillende instrumenten. Welke snelheid wil je weten?' 'Ik wil weten hoe hard we gaan,' hield Art vol. 'Kom nou, Art. Je verbaast me. Uiteindelijk heb jij elk instrument afzonderlijk uit elkaar gehaald. Denk eens even na voor je wat zegt.' Art staarde opnieuw naar het instrumentenbord en er verscheen een schaapachtige uitdrukking op zijn gezicht. 'Tuurlijk, was ik vergeten. Laat eens kijken, we hebben de 22.000 en nog wat, tegen de 23.000 nu, kilometer per uur bereikt, in vrije val. Maar we vallen niet.' 'We vallen doorlopende,' merkte Morrie op, zelfvoldaan in zijn status van piloot. 'Je valt de hele tijd vanaf het moment datje opstijgt, alleen heb je de motor om de val te overwinnen.' 'Ja, ja, dat weet ik ook wel,' kapte Art hem af. 'Ik was alleen maar even in de war, 5.300 is de snelheid die ik wilde weten, 5.400 inmiddels.' 'Snelheid' is in het heelal een merkwaardig glibberig begrip, omdat het relatief is aan een willekeurig gekozen 'vast' punt, maar de punten in het heelal zijn nooit vast. De snelheid waarmee Art genoegen nam, was de snelheid van de Galileo langs een lijn van de Aarde tot aan hun ontmoetingspunt, de maan. Die snelheid was ergens diep binnenin Joe de Robot bepaald door drie zeer gecompliceerde getallen te combineren door middel van automatische vectorvermeerdering: het eerste was de geaccumuleerde versnelling van het schip door zijn straalmotor, het tweede de bewegingen die het schip onderging door de nabijheid van de Aarde; de 'vrije val'-snelheid, waar Art het over had. En ten slotte was er dan nog de wenteling van de Aarde zelf, waarbij zowel rekening werd gehouden met de snelheid van die wenteling als met de richting op de dag van vertrek, en de plaats van de breedtegraad van hun kamp in Nieuw- Mexico. Die laatste werd er eigenlijk eerder van afgetrokken dan erbij opgeteld, voor zover de regels van de gewone rekenkunde van toepassing zijn op dit soort berekeningen. Het vraagstuk kon nog oneindig veel gecompliceerder gemaakt worden. De Galileo bewoog mee met de Aarde en de maan op hun jaarlijkse reis rond de zon, met een snelheid van ongeveer dertig kilometer per seconde. Of: om en nabij de honderdduizend kilometer per uur gezien vanuit het heelal. Bovendien zwaaide de lijn Aarde-maan eens per maand rond de Aarde, omdat deze de maan volgde, maar dat had Joe de Robot gecompenseerd toen hij ze op een koers bracht naar de plek waar de maan zou staan, in plaats van waar hij stond. Daar kwamen de gecompliceerde bewegingen van de zon dan nog bij en van haar planeten met betrekking tot de duizelingwekkend wervelende 'vaste' sterren, snelheden die je praktisch zelf kon bepalen, afhankelijk van het type ster datje als referentiepunt koos, maar allemaal snelheden die in de vele kilometers per seconde liepen. Maar deze zaken lieten Joe koud. Zijn schijf en zijn vele circuits vertelden hem hoe hij hen van de Aarde naar de maan moest brengen; hij wist hoe hij dat diende uit te voeren en de ideeën van Einstein omtrent de relativiteit baarden hem geen zorgen. De massa machinerie en bedrading die zijn wezen vormde, kende geen ingebouwde bezorgdheid. Het was echter wel in staat de binnenkomende gegevens te combineren om te laten zien dat de Galileo zich nu iets sneller dan 5.400 kilometer per uur voortbewoog langs een denkbeeldige lijn die de Aarde verbond met het punt waar de maan zich zou bevinden wanneer zij arriveerden. Morrie kon dit getal controleren door radarobservaties op afstand te doen, en wat rekenwerk. Als de waargenomen posities niet overeenkwamen met hetgeen Joe had berekend, kon Morrie de correcties aan Joe doorvoeren, die ze zou accepteren en in zijn volgende berekeningen zou incalculeren, even bedaard en automatisch als een fatsoenlijke maag zetmeel omzet in suiker. '5.400 kilometer per uur,' zei Art. 'Dat is niet zoveel. De V-2 raketten uit de oorlog gingen harder. Laten we hem eens helemaal openzetten om te kijken hoe hij reageert. Wat zeg jij, doe?' 'Prima,' beaamde Ross, 'we hebben vrij baan. Laten we eens wat door het heelal stormen.' Cargraves zuchtte. 'Luister eens,' antwoordde hij, 'ik heb jullie verdraaide snelheidsduivels er niet van kunnen weerhouden je leven op het spel te zetten in die hoop oud roest die jullie een auto noemen, al waagde ik mijn eigen leven door m'n mond te houden. Maar ik bestuur deze raket op mijn manier. Ik heb geen haast.' 'oké, oké, het was maar een idee,' stelde Ross hem gerust. Hij was even stil en voegde er aan toe, 'Maar één ding vraag ik me toch af. . . ' 'Wat dan?' 'Nou, ik heb een keer, ik heb het al duizend keer gelezen, datje ruim elf kilometer per seconde moet gaan om van de Aarde weg te komen. Toch gaan we voorlopig niet sneller dan 5.400 kilometer per uur.' 'We komen toch vooruit, of niet soms?' 'Jawel, maar. . . ' ' In feite zullen we nog heel wat meer snelheid moeten maken voordat we wegkomen. Het eerste gedeelte van de reis gaat veel vlugger dan het laatste. Maar stel dat we gewoon onze huidige snelheid aanhouden. . . hoe lang doen we er dan over naar de maan?' Ross berekende de afstand van de maan tot de Aarde en rondde het getal af op 385.000 kilometer. 'Circa drie dagen.' 'En wat is daar nou verkeerd aan? Laat maar,' ging Cargraves verder. 'Ik hoef het niet zo nodig te weten. Die misvatting is één van de oudste die er bestaat en die steeds weer de kop opsteekt, als een niet technisch onderlegd figuur het in z'n hoofd haalt een aardig artikeltje te schrijven over de toekomst van de ruimtevaart. Het komt allemaal doordat men twee dingen door elkaar haalt, namelijk het afschieten van iets en een raket- vlucht. Als je een kogel naar de maan zou willen afvuren, zoals Jules Verne voorstelde, zou deze bij het verlaten van het geweer elf kilometer per seconde moeten gaan, omdat hij anders zou terugvallen. Maar met een raket zou je de oversteek met een slakkengang kunnen maken, als je maar genoeg energie en genoeg brandstof hebt om net hard genoeg te kunnen blijven gaan om niet terug te vallen. Natuurlijk zou het je massaratio behoorlijk overhoop gooien. Maar iets dergelijks zijn we op het moment ook aan het doen. We hebben energie te over; ik zie niet in waarom we onszelf zouden afpeigeren met een hogere snelheid enkel en alleen om er een beetje eerder te zijn. De maan wacht wel. Die wacht al een hele tijd. Hoe dan ook,' voegde hij eraan toe, 'onverschillig wat je ook zegt, en onverschillig hoeveel natuurkundeboeken er ook geschreven en bestudeerd worden, mensen blijven de ballistiek verwarren met een raket- vlucht. Dat doet me denken aan die oude mop; waarom zou een raket in de lege ruimte nooit kunnen functioneren, omdat er niets is om zich tegen af te zetten? Ja, lach maar!' vervolgde Cargraves bij het zien van hun gezichtsuitdrukking. 'Jullie vinden het net zo grappig als De-Wereld-Is-Plat-theorie. Maar ik heb een luchtvaartingenieur, nog in 1943, niets meer of minder horen beweren.' 'Nee! Het is niet waar!' 'Toch wel. Het was een man met vijfentwintig jaar beroepservaring en hij had gewerkt bij Wright en bij de Marine. Maar dat zei hij in 1943. Het jaar daarop bombardeerden de Duitsers Londen met hun V-2's. Toch zou dat volgens hem nooit gekund hebben!' 'Je zou toch zeggen, dat iedereen die ooit de terugslag van een geweer heeft gevoeld, kan begrijpen hoe een raket werkt,' merkte Ross op. 'Zo pakt het toch niet uit. Meestal heeft zo iets geen enkel effect op de hersencellen; je krijgt er alleen maar pijn in je schouder van.' Hij probeerde zich op te richten uit zijn wachteroverliggende houding in de stuurstoel. 'Kom op. Eten. Oei! Mijn voet slaapt. Ik wil eerst wat eten en dan gaan slapen. Het ontbijt stelde wat mij betreft niet zoveel voor; te veel mensen die je op de vingers stonden te kijken.' 'Slapen?' zei Art. 'Zei je "slapen"? Ik kan niet slapen; ik ben veel te opgewonden. Ik denk dat ik de hele reis geen oog dichtdoe.' 'Je ziet maar. Ik ga in ieder geval een dutje doen, zodra we gegeten hebben. Er valt nu toch niets te zien, en dat blijf zo totdat we in de vrije val gaan. Je hebt de maan beter in beeld gehad door een telescoop.' 'Dat is niet hetzelfde,' merkte Art op. 'Nee, dat is zo,' gaf Cargraves toe. 'Evengoed ben ik van plan om uitgerust in plaats van afgetobd op de maan te landen. Morrie, waar heb jij de blikopeners verstopt?' 'Ik. . . ' Morrie zweeg en er verscheen een uitdrukking van grote ontsteltenis op zijn gezicht. 'Ik geloof dat ik ze heb laten liggen. Ik had ze op de gootsteen neergelegd en toen begon de een of andere journaliste me een of andere maffe vraag te stellen en... ' 'Ja, dat heb ik gezien,' viel Ross hem in de rede. 'Je was behoorlijk op de uitsloverige toer. Werkelijk schattig om te zien.' Cargraves floot toonloos. 'Ik hoop niet dat we iets hebben achtergelaten dat werkelijk onmisbaar is. Laat die blikopeners verder maar, Morrie. Ik heb het gevoel dat ik zo'n blik met mijn tanden open kan krijgen.' 'O, maar dat hoeft nou ook weer niet, doe,' zei Morrie gedienstig. 'Ik heb een mes met een dingetje om' Terwijl hij praatte, voelde hij in zijn zakken. De uitdrukking op zijn gezicht veranderde op slag en hij trok zijn hand terug. 'Hier zijn de blikopeners, doe.' Ross keek hem onschuldig aan. 'Heb je haar adres, Morrie?' Het middageten, of het verlate ontbijt, hoe men het wilde noemen, was een eenvoudige maaltijd. Daarna haalde Cargraves zijn slaapzak voor de dag en spreidde hem uit op het schot, nu een dek, dat het stuurcompartiment scheidde van de scheepsruimte. Morrie besloot in zijn stoel te slapen. Met een hoofdsteun, arm- en voetsteunen was die ogenschijnlijk wel voor dat doel geschikt, een soort van uitermate goed gecapitonneerde kappersstoel in een licht achteroverhellende stand. Cargraves liet het hem uitproberen, maar waarschuwde hem wel de stuurinrichting te blokkeren, voordat hij in slaap viel. Ongeveer een uur later klom Morrie naar beneden en spreidde zijn slaapzak naast die van Cargraves uit. Art en Ross sliepen in hun hangmatten die voor dat doel zeer geschikt waren, zolang je maar niet vastgesnoerd lag. Ondanks het gedempte gebulder van de motor, ondanks de opwinding sliepen ze allemaal binnen een paar minuten. Ze waren doodmoe en hadden het hard nodig. Terwijl ze sliepen reduceerde Joe de Robot het vermogen van de motor in overeenstemming met het afnemen van de aantrekkingskracht van de Aarde. Art werd het eerst wakker. Hij had even moeite zich te oriënteren en was bijna uit zijn hangmat bovenop de twee slapers onder hem gevallen, voordat hij de omgeving weer herkende. Toen het eenmaal zover was, was hij op slag klaar wakker. Het heelal! Hij was op weg naar de maan. Onnodig zachtjes, omdat hij sowieso toch nauwelijks boven het lawaai van de motor uit te horen kon zijn en omdat zowel Ross als Cargraves zelf een redelijke imitatie van een raketmotor ten beste gaf, klom hij uit de hangmat en kroop op handen en voeten naar de stuurstoelen. Hij liet zich in Morries stoel vallen met een merkwaardig, maar plezierig licht gevoel, dank zij de sterk gereduceerde acceleratie. De maan, nu zichtbaar groter en bijna pijnlijk mooi, stond in dezelfde positie aan de hemel, zodanig dat hij zijn blik naar beneden moest richten om de starende blik te retourneren. Daar maakte hij zich even ongerust over; hoe zouden ze ooit de maan kunnen bereiken, als de maan niet naar de plek schoof, waar zij op afgingen? Morrie zou er zich niet druk om hebben gemaakt; als piloot was hij op de hoogte met raakvlakken en snijdende lijnen. Maar omdat het tegen het gezonde verstand leek in te druisen, hield het Art bezig, tot hij erin slaagde zich de situatie ongeveer als volgt voor te stellen: als een auto op weg is naar een spoorwegovergang en van links nadert een trein, zo, dat hun gecombineerde snelheden een botsing zullen veroorzaken, dan zal de onderlinge verhouding tussen de locomotief en de auto niet veranderen, tot op het moment van de eigenlijke botsing. Het was doodgewoon een kwestie van gelijkvormige driehoeken, gemakkelijk te zien in een diagram, maar moeilijk om goed in je hoofd te houden. De maan snelde naar hun ontmoetingspunt met ongeveer 3.200 kilometer per uur, en toch zou hij nooit van positie veranderen; hij zou alleen maar groter en groter worden totdat hij de hele hemel zou bedekken. Hij liet zijn ogen over de oppervlakte dwalen, in zijn gedachten de prachtige namen opsommend, Mare Tranquilitatis, Oceanus Procellarum, de Apenijnen van de maan, LaGrange, Ptolemaeus, Mare Imbrium, Catharina. Mooie woorden die over de tong rolden. De hoofdsteden van alle eenenvijftig Verenigde Staten kende hij niet al te goed en het zou hem zelfs moeite hebben gekost de Verenigde Naties op te noemen, maar de geografie van de maan kende hij even goed als de straten van zijn geboortestad. Aan deze kant van de maan, althans, hij vroeg zich af hoe de andere kant eruit zou zien, de kant die de Aarde nog nimmer heeft gezien. Het felle schijnsel van de maan begon pijn te doen aan zijn ogen; hij keek op en liet zijn ogen rusten op het diepe, zwarte fluweel van het heelal, zwarter nog door het kontrast met de sterren. Er stonden maar weinig echt heldere sterren in het gebied waar de Galileo op aan koerste. Aldebaran schitterde fel, ver omhoog en verder weg, links voorbij de maan. De rechtse sponning van het venster kapte dwars door de Melkweg heen waardoor hij slechts een klein gedeelte van die ongelofelijke sterrenrivier kon zien. Hij onderscheidde het bedeesde licht van Aries, en in de buurt van de machtige Aldebaran stonden de spookachtige, sprookjesachtige Pleiaden, maar recht vooruit en verder omhoog stonden slechts zwakke sterren en lag een uitgestrekt, zwart en eenzaam niemandsland. Hij leunde achterover en staarde in die afgelegen, eenzame diepte, weids en ver verheven boven het menselijke begrip, tot hij erdoor gehypnotiseerd werd, er als het ware naar toe werd getrokken. Hij had de warmte en de veiligheid van het schip ogenschijnlijk verlaten en dook diep onder in de zwijgende duisternis voor hem. Hij knipperde met zijn ogen en huiverde, en voor de eerste keer wou hij dat hij de veilige, vertrouwde, vriendelijke, huiselijke omgeving nooit had verlaten. Hij verlangde naar zijn lab in het souterrain, het kleine winkeltje van zijn moeder en de alledaagse kletskoek van gewone mensen; mensen die thuisbleven en zich niet druk maakten om het heelal. Toch fascineerde de zwarte diepte hem. Hij voelde aan de schakelaar onder zijn rechterhand. Hij hoefde die maar los te maken, helemaal naar rechts te draaien en ze zouden naar voren duiken, vastgenageld door een onvoorstelbare acceleratie en voortsnellen voorbij de maan, te vroeg voor hun ontmoeting in het heelal. Verder voorbij de maan, weg van de zon en de Aarde achter hen, verder en verder, totdat het thorium zou zijn opgebrand of totdat het zink verdampt zou zijn, maar zelfs dan nog zonder tot stilstand te komen, om eeuwig voort te gaan in de voortglijdende jaren en de bodemloze diepte. Hij knipperde met zijn ogen, kneep ze stevig dicht en greep de twee armleuningen van de stoel vast.
10
'DE WETENSCHAPPELIJKE AANPAK'
'Slaapje?' Art schoot recht overeind door die plotselinge stem in zijn oor; hij had zijn ogen nog dicht gehad. Het was doe, die achter hem omhoog was geklommen.
'O. Goedemorgen, doe. Blij dat ik je zie. Ik begon het hier een beetje op m'n zenuwen te krijgen.'
'Ook goedemorgen, als het morgen is. Het zal vast wel ergens morgen zijn.' Hij keek vluchtig op zijn horloge. 'Het verbaast me niets datje de zenuwen kreeg, zo in je eentje hierboven. Hoe zou je het vinden om deze reis alleen te maken?' 'Mij niet gezien.'
'Mij ook niet. Het zal op de maan wel net zo verlaten zijn, maar het lijkt me een rustiger gevoel om wat vaste grond onder je voeten te hebben. Maar ik denk niet dat deze reis erg populair zal worden, voordat er een stel leuke, lawaaierige nachtclubs en wat kegelbanen op de maan zijn neergezet.' Hij ging in zijn stoel zitten. 'Dat is niet erg waarschijnlijk, hè?'
'Waarom niet? De maan zal best ooit wel eens een trekpleister voor toeristen worden. Is het je wel eens opgevallen dat toeristen, wanneer ze ergens voor het eerst zijn, meteen op zoek gaan naar hetzelfde soort vermaak dat ze voor hetzelfde geld ook thuis kunnen vinden?' Art knikte aandachtig, terwijl hij die opmerking in zijn oren knoopte. Hij had zelf maar weinig ervaring met toeristen en reizen, tot nu toe dan. Ross was diep in gedachten verzonken, terwijl ze het ontbijt klaarmaakten. Het zou een waarachtige maaltijd worden, uit hun beperkte voorraad vers voedsel. De Galileo was uitgerust met een soort van kombuis, hoofdzakelijk een kookplaat en een kleine ijskast. Borden en messen, vorken en lepels konden in beperkte mate worden afgewassen met het water dat werd opgevangen in het reservoir van de airconditioner en daarna werd gesteriliseerd op de kookplaat. Het schip had alles aan boord dat onontbeerlijk was om in leven te blijven, zelfs een nauwe badkamer. Maar elk hulpmiddel, zoals bij voorbeeld de borden, was van zink, als reserve voor de hongerige motor.
Ze zaten, of liever hurkten, aan een maaltijd bestaande uit echte melk, cornflakes, gekookte eieren, broodjes, jam en koffie. Cargraves zuchtte voldaan toen het allemaal verorberd was. 'Zo zullen we er niet veel hebben,' merkte hij op terwijl hij zijn pijp stopte. 'Ruimtevaart is nog niet helemaal wat het zijn moet, nog niet althans.' 'Let op je pijp, schipper!' waarschuwde Morrie.
Cargraves keek stomverbaasd. 'Vergeten,' bekende hij schuldbewust. Hij keek verlangend naar zijn pijp. 'Zeg, Ross,' vroeg hij. 'Denk jij dat de luchtververser het snel genoeg zal kunnen zuiveren?' Toe maar. Probeer het,' spoorde Ross hem aan. 'Van één pijpje gaan we vast niet dood.'
'Wat me weer doet denken aan de studietijd,' ging doe verder. 'Jullie hebben allemaal dertig minuten verdiend, dus blijft er nog anderhalf uur over. Ik zou maar eens aan de slag gaan.'
Art was met stomheid geslagen. 'Ik dacht datje een grapje maakte, oom. Je bent toch niet van plan zo'n strak leerschema op de maan aan te houden, of wel?'
'Tenzij de omstandigheden het beletten. Dit is trouwens een uitstekend tijdstip om enige reserve op te doen, omdat er verder toch niets te zien is of te doen valt.'
Art bleef verbaasd kijken, maar toen klaarde zijn gezicht op. 'Ik ben bang, dat het niet zal gaan, oom. De boeken zijn allemaal zo ver weggestouwd, dat we er pas bijkunnen als we geland zijn.'
'O ja? Nou, daar laten we ons niet door weerhouden. Een school,' dicteerde hij, 'is een blok hout met aan de ene kant een leerling en aan de andere kant een leraar. Ik zal wel het een en ander vertellen en we kunnen wat mondelinge vragen behandelen. Om te beginnen een herhalingsvraag. Kom er maar bij, slachtoffers.'
Dat deden ze en even later zaten ze met gekruiste benen in een cirkel op het schot van het scheepsruim. Cargraves diepte een potlood en een redelijk schoon stuk papier op uit zijn altijd uitpuilende zakken. 'Art, jij eerst. Teken en beschrijf een cyclotron. Basisrepetitie, laat maar eens zien hoeveel je vergeten bent.'
Art zette moeizaam de omtrekken van de essentiële onderdelen van een cyclotron op papier. Hij schetste twee holle, halve cilinders, vlak naast elkaar met de opening naar elkaar toe. 'Die zijn van koper,' legde hij uit, 'en het zijn allebei elektroden voor een zeer hoge frequentie. Het is in feite een soort korte golf radiozender, die teken ik niet. Dan heb je een enorm krachtige elektromagneet waarvan het krachtveld door de opening tussen de ringen, de halve cilinders, loopt, vertikaal erop gericht. De hele toestand staat in een grote luchtledige kamer. Dan krijg je een bron van ionen. . . ' 'Wat voor soort ionen?''Nou, als je een beetje waterstof in de luchtledige kamer laat stromen en dat oppept met een gloeiende draad in het centrum van de twee ringen, dan krijg je waterstofkernen, protonen.' 'Ga door.' 'Die protonen zijn positief geladen, uiteraard. De wisselstroom zou ze heen en weer blijven slingeren tussen de twee elektroden, de ringen. Maar het magnetische veld zorgt ervoor, dat protonen positief geladen deeltjes zijn, dat ze in cirkels gaan ronddraaien. De protonen wervelen in een spiraal tussen de twee elektroden, steeds sneller bij iedere omwenteling totdat ze uiteindelijk door een klein, dun metalen raam in de luchtledige kamer naar buiten vliegen, en dan staat er iets te gebeuren.' 'Maar waarom al die moeite?' 'Nou, als je die stroom snelle protonen op een of ander materiaal richt, bij voorbeeld een stuk metaal, dan gebeuren er allerlei dingen. De elektronen van de atomen kunnen om zeep geholpen worden, of de protonen kruipen zelfs naar binnen en zetten de kernen op stelten en brengen verwisselingen teweeg, of maken het doelwit radioactief, dat soort dingen.' 'Dat is wel goed zo,' stemde Cargraves met hem in, waarna hij hem nog een aantal vragen stelde om wat meer details te horen te krijgen. 'Eén ding nog,' zei hij achteraf. 'Je weet de antwoorden wel, maar onder ons gezegd, die tekening lijkt nergens op. Die stelt niets voor.' 'Ik ben nou eenmaal niet zo artistiek aangelegd,' verdedigde Art zich. 'Ik maak liever een foto.' 'Je hebt misschien wel te veel foto's gemaakt. En wat die artistieke aanleg betreft, die heb ik ook niet, maar ik heb wel leren schetsen. Kijk, Art, en jullie kunnen dat ook in je oren knopen: als je niet kunt schetsen, kun je niet zien. Als je werkelijk ziet, waar je naar kijkt, kun je dat ook op papier zetten, exact. Als je je werkelijk voor de geest kunt halen, waar naar je hebt gekeken, kun je dat uitje hoofd schetsen.' 'Maar de lijnen gaan niet zoals ik wil.' 'Een potlood doet wat jij wilt. Het heeft geen eigen leven. Het antwoord is oefenen en nog eens oefenen, en nadenken over waar-naar je kijkt. Jullie branieschoppers willen allemaal natuurkundige worden. Nou, accuraat kunnen tekenen is voor een natuurkundige even noodzakelijk als z'n rekenliniaal. Noodzakelijker zelfs, want je kunt ook zonder rekenliniaal. oké, Art. Nu jij, Ross. Vertel maar eens iets over de protoactinium radioactieve reeksen.' Ross haalde diep adem. 'Er zijn drie families van radioactieve isotopen: de uraniumfamilie, de thoriumfamilie en de protoactiniumfamilie. De laatste begint met isotoop U-235 en . . . ' Ze gingen aanzienlijk langer door dan anderhalf uur, want Cargraves was van plan ze later zoveel mogelijk vrij te laten, terwijl hij zich toch ook wilde houden aan de letter en de geest van zijn contract met de vader van Ross. Ten slotte zei hij, 'Ik geloof dat we weer eens wat moeten eten. De motor zal binnen niet al te lange tijd uitschakelen. Hij is al voortdurend langzamer gaan draaien, merkje hoe lichtje bent?' 'Wat dacht je van een noodrantsoen?' vroeg Morrie in zijn tweede bevoegdheid van hoofdsteward. 'Nee, daar dacht ik niet aan,' antwoordde Cargraves langzaam. 'Ik geloof dat we deze maaltijd beter kunnen beperken tot wat amino zuren en wat gelatine.' Hij fronste zijn wenkbrauwen. 'Ik snap het,' merkte Morrie instemmend op, waarbij hij de overige twee even vluchtig aankeek. 'Misschien heb je wel gelijk.' Morrie en Cargraves, allebei piloten, hadden tijdens hun opleiding ervaring in vrije val opgedaan. De magen van Ross en Art moesten nog op de proef gesteld worden. 'Wat krijgen we nu?' vroeg Art. Ross keek verachtelijk. 'O, hij denkt dat onze magen zich zullen omdraaien. Kom zeg, we wegen nu al bijna niets meer. Waar zie je ons voor aan, doe?' 'Nee,' zei Cargraves, 'maar ik denk wel datje valziek zou kunnen worden. Ik ben het wel geweest. Ik vind het geen gek idee, voorverteerd voedsel.' 'O, onzin. Ik heb een sterke maag. Ik ben nog nooit luchtziek geweest.' 'Zeeziek wel?' 'Ik ben nog nooit op zee geweest.' 'Nou, bekijk het maar,' zei Cargraves. 'Maar er is één ding waar ik op sta. Doe een zak over je hoofd heen. Watje kwijtraakt, zou ik niet graag in de airconditioner terecht zien komen.' Hij draaide zich om en begon wat gelatine voor zichzelf klaar te maken door het poeder gewoon in het water te gooien, te roeren en op te drinken. Ross trok een gek gezicht maar haalde toch geen noodrantsoen voor de dag. In plaats daarvan zette hij de kookplaat aan om wat hete melk klaar te maken voor animozuurkoncentraten.
Even later ontwaakte Joe de Robot uit zijn dutje en schakelde de motor helemaal uit. Ze stuiterden niet tegen het plafond. De raket draaide niet als een dolleman in het rond. Er gebeurde niet van die stripverhaaltoestanden. Geleidelijk aan hielden ze gewoon op iets te wegen, terwijl de stuwkracht afnam. De oorverdovende, nieuwe stilte was opmerkelijk. Cargraves had van tevoren het hele schip geïnspecteerd om er zeker van te zijn dat alles stevig zat vastgebonden, vastgesnoerd en weggestouwd, opdat het schip niet volgepropt zou raken met vrij rondzwevende rommeltjes. Cargraves zette zich met een hand af tegen zijn stoel, draaide zich in de lucht om alsof hij aan het zwemmen was, en zweefde zachtjes naar bene den, of liever gezegd: overdwars. Boven en beneden bestonden niet meer. Cargraves controleerde zijn vorderingen met één hand en kwam tot stilstand door Arts hangmat vast te grijpen. 'Hoe staat het ermee?' 'Wel goed, geloof ik,' antwoordde Art hevig slikkend. 'Het is alsof je in een lift naar beneden gaat.' Hij zag ietwat groen. 'En jij, Ross?' 'Het gaat,' verklaarde Ross en moest opeens kokhalzen. Zijn kleur zweemde meer naar grijs dan naar groen. Ruimteziekte is geen lolletje, dat weet iedere aankomende raketpiloot. Het heeft iets weg van zeeziekte, iets van dat afschuwelijke, niet te beheersen kokhalzen dat het gevolg is van het hevige stampen van een schip op zee, met dit verschil dat het gevoel alsof alles onder je vandaan valt, nooit ophoudt. 'Blijf voorlopig maar hier,' waarschuwde doe hen. 'Ik ga het schip keren.' 'Dat wil ik zien,' zei Ross stoer. 'Daar heb ik naar uitgekeken.' Hij gespte zijn veiligheidsgordel los en moest opeens kokhalzen. Speeksel kwam op merkwaardige wijze naar buiten zeveren, niet langs zijn kin, maar in grote druppels die weifelend bleven zweven. 'Pak je zakdoek,' adviseerde Cargraves, die zich zelf ook niet zo best voelde. 'Kom maar kijken als je je goed genoeg voelt.' Hij draaide zich om naar Art.
Art had zijn zakdoek al gepakt. Cargraves maakte rechtsomkeert en zweefde terug naar zijn stuurstoel. Hij realiseerde zich dat hij niets voor hen kon doen. Zijn eigen maag maakte ook al vreemde buitelingen en langzame, schuine omwentelingen. Hij wilde er zijn veiligheidsriem omheen snoeren. Terug in zijn stoel zag hij dat Morrie, dubbelgevouwen, zijn maag vasthield, maar hij zei niets en richtte zijn aandacht op het omdraaien van het schip. Morrie redde het wel. Het schip omdraaien was een eenvoudige zaak. In het centrum van het zwaartepunt van het schip was een klein, maar zwaar, metalen wiel aangebracht. Op het paneel voor hem zaten schakelaars waarmee hij dit wiel om iedere willekeurige as kon laten draaien, omdat het vrij was opgehangen in kompasbeugels en en de beugels geblokkeerd konden worden. Met een elektromotor kon hij het snel in beide richtingen laten draaien en daarna stopzetten. Alleen dit wiel kon het schip in vrije val omdraaien en in de nieuwe positie vasthouden. (Het zal duidelijk zijn dat dit geen enkel effect had op de koers of de snelheid van de Galileo, maar uitsluitend op de positie, de richting waarin het schip wees, precies zoals een showduiker zich vanaf grote hoogte kan draaien en keren zonder daarbij zijn val te verstoren.) Het kleine wiel was in staat het grote vaartuig om te keren door een zeer simpele natuurwet, die op Aarde echter niet zo vaak werd toegepast. Het principe bestond uit het vasthouden van het moment, in dit geval van het impulsmoment. Schaatsenrijders zullen de toepassing van deze wet begrijpen; een aantal van hun grilligste kunststukjes zijn erop gebaseerd. Terwijl het kleine wiel razendsnel in de ene richting draaide, draaide het enorme schip langzaam in de andere richting. Als het wiel werd stopgezet, viel het schip even abrupt stil. 'Donkere brillen, jongens!' riep Cargraves enigszins te laat toen het schip al rustig omkantelde en de sterren langs het raampje zwenkten. Ondanks hun ellendige misselijkheid wisten ze de vliegbrillen te vinden die ze voor deze gebeurtenis bij zich droegen, en op te zetten. Ze bleken al gauw noodzakelijk. De maan verdween uit hun gezichtsveld. De zon en de Aarde kwamen in beeld. De Aarde was een grote, stralende, halve maan. Op deze afstand één-vierde van het traject naar de maan - leek de Aarde zestien keer zo groot als de maan vanaf de Aarde gezien, en veel indrukwekkender. De punten van de halve maan waren blauw wit. Over de lengte lag het groenige blauw van de zeeën en het diepe groen en zanderig bruin van de oceanen en bossen en velden. . . want de lijn tussen donker en licht liep door het hart van Azië naar beneden in de Indische Oceaan. Dat was duidelijk te zien, even gemakkelijk als op een globe voor een klaslokaal. De Indische Oceaan werd gedeeltelijk verduisterd door een groot wolkendek, stormachtig wellicht voor degenen daar beneden, maar schitterend wit als de poolkappen voor degenen die vanuit het heelal toekeken. In de armen van de halve maan lag de nachtzijde van de Aarde, flauw, maar duidelijk verlicht door de bijna volle maan erachter. Maar, en dit zie je nooit op de maan, wanneer 'de nieuwe maan de oude maan in zijn armen houdt', het zwakverlichte donkere oppervlak werd hier en daar opgehelderd door kleine juweeltjes van licht; De steden van de Aarde, warm, vriendelijk en aanlokkelijk! Halverwege tussen de evenaar en de noordelijke punt lagen drie heldere stippen, niet ver van elkaar; Londen, Parijs en het herrezen Berlijn. Over de duistere Atlantische Oceaan, precies op de rand van de schijf, lag een bijzonder helder, rozig licht; de lichten van Broadway en de rest van New York. De jongens zagen New York voor het eerst, om maar te zwijgen over het merendeel van de rest van de globe. Maar, hoewel het hun geboorteplek was, hoewel ze haar bekeken vanuit een gunstige positie die totaal nieuw was voor de mens, werd hun aandacht bijna onmiddellijk van de Aarde afgeleid. Er stond een nog adembenemender objekt aan de hemel, de zon. Zijn ogenschijnlijke omvang bedroeg slechts een-zestiende van die van de machtige halvemaanvormige Aarde, maar hij duldde geen concurrentie. Hij stond onder de Aarde. Hij was niet groter en niet kleiner dan vanaf de Aarde gezien en niet aanmerkelijk stralender dan op een heldere, droge middag in de woestijn. Maar de hemel eromheen was zwart in het luchtledige heelal; de Koninklijke corona straalde, de uitlopers duidelijk zichtbaar. 'Kijk er niet te rechtstreeks naar,' waarschuwde Cargraves, 'zelfs al staatje polarisator op maximale interferentie.' Hij doelde op de dubbele lenzen die de jongens droegen, polaroid met een draaibare, buitenste lens. 'Hier moet ik een foto van hebben!' besliste Art, draaide zich om en zwom weg. Hij was zijn ruimteziekte vergeten. Hij was al weer vrij snel terug met z'n Contax, drukdoende er zijn langste objectief op te schroeven en vervolgens in de weer met zijn belichtingsmeter. Cargraves hield hem tegen. 'Waarom zou je de belichtingsmeter uitputten?' waarschuwde hij. Art hield abrupt op. 'Ja, dat zou wel eens kunnen gebeuren,' moest hij toegeven. 'Maar hoe maak ik dan een foto?' 'Misschien lukt het wel helemaal niet. Ik zou je langzaamste film gebruiken, je sterkste filter, je kleinste diafragma en je kortste sluitertijd. En dan maar bidden.' Toen hij het teleurgestelde gezicht van de jongen zag, ging hij verder: 'Ik zou me maar niet zo druk maken om foto's van de zon. Dat kunnen we wel overlaten aan de astronomen die ons zullen volgen, als wij het pad eenmaal geëffend hebben. Maar je moet een grandioze foto van de Aarde kunnen maken. Schiet eerst maar wat plaatjes van de zon, dan zullen we het eens proberen. Ik zal je objectief met mijn hand tegen het zonlicht afschermen.' Art deed zijn best en trof toen voorbereidingen voor het fotograferen van de Aarde. 'Een fatsoenlijke lichtmeting is er ook al niet bij,' klaagde hij. 'Te veel storing van de zon.' 'Nou, je weet hoeveel licht hij opvangt, alles. Laten we aannemen dat het ongeveer overeenkomt met woestijnzonlicht. We knippen er gewoon een stel boven en onder het vereiste diafragma.' Toen Art klaar was, zei Cargraves: 'Kijk uit voor zonnebrand, jongens.' Hij betastte de plastic binnenlaag van het kwartsraam. 'Dit spul moet dan wel het meest schadelijke filteren, maar evengoed, kalmpjes aan.' 'Flauwe kul, we zijn flink bruin geworden.' En dat waren ze; de zon van Nieuw-Mexico had zijn sporen achtergelaten. 'Weet ik, maar dit is de stralendste zonneschijn die je ooit hebt gezien. Kalm aan dus.' 'Hoe groot is de kans,' vroeg Morrie, 'dat dit pure spul gevaarlijk is? Afgezien van een fikse verbranding, bedoel ik dan.' 'Je hebt dezelfde artikelen gelezen als ik. We vangen ook meer kosmische straling op. Misschien blijven we erin. Misschien krijgen jouw kinderen wel groen haar. Dat is een van de risico’s die we lopen.' 'Ach, Columbus nam ook risico’s.' 'En kijk eens waar die terechtkwam,' merkte Art op. 'Ja, in de bajes voor al z'n moeite.' 'Hoe het ook zij,' zei Cargraves, 'ik draai het schip weer om, zodat de zon niet zo direct naar binnen schijnt. Deze schuit is te heet aan het worden.' Het was niet moeilijk de Galileo op temperatuur te houden, maar het was weer een heel andere kwestie om van de ongewenste hitte af te komen. De gepolijste scheepsromp reflecteerde het merendeel van de hitte die ze opving, maar de zonneschijn die direct op het venster viel, leverde een uitermate onbehaaglijk broeikaseffect op. Koeling, in de gebruikelijke zin van het woord, was niet de oplossing; het schip had een gesloten systeem en kon uitsluitend hitte kwijtraken door middel van uitstraling naar het heelal. Op dit moment werd er veel sneller stralingswarmte van de zon opgenomen dan afgevoerd. 'Ik wil nog wat foto's maken,' protesteerde Art. 'Ik houd de Aarde wel in beeld,' beloofde Cargraves, en stelde de schakelaars van het draaiende wiel af op het door hem beoogde doel. Daarna zweefde hij terug naar het uitkijkraam, waar de anderen als goudvissen in een kom rondzwommen. Ross raakte de transparante muur met één vinger aan; het lichte contact duwde hem van het raam weg. 'Doe, wat zou er gebeuren als dit raam getroffen werd door een meteoor?' 'Daar denk ik liever niet over na. Ik zou me er ook maar niet te druk over maken. Ley heeft uitgerekend dat de kans om op een tocht naar de maan en terug geraakt te worden door een meteoor, een op de half miljoen is. Ik geloof dat ik meer gevaar liep in die zogenaamde auto van jullie.' 'Het is een prima auto.' 'Ik geef toe dat hij het goed doet.' Hij draaide zich om met een beweging die veel weg had van een zwemmer die keert bij de rand van een zwembad. 'Art, als jij klaar bent met dat gedoe met die kamera, heb ik nog wel iets beters voor je te doen. Wat zou je ervan zeggen als je de Aarde eens probeerde wakker te schudden?' 'Alleen nog eentje van. Wat zei je daar?' 'Wat zou je ervan zeggen als je je radiobuizen eens opporde om te kijken of er iemand in de ether is?' Sinds hun vertrek hadden ze geen pogingen gewaagd om de radio te gebruiken. Niet alleen omdat de motor ernstig stoorde, maar de antennes waren ook volledig ingetrokken, zelfs de puntantennes. Maar nu de motor niet werkte, leek een poging tot communicatie de moeite waard. Art ging meteen aan de slag, terwijl hij beweerde dat de kans om iets op te vangen volgens hem zeer klein was. 'Er zou zo strak als een, als een, nou ja. . . gewoon strak moeten worden uitgezonden. En waarom zou iemand iets in deze richting uitzenden?' Ze kunnen ons niet vinden. Over een dergelijke afstand kan radar zo iets kleins als dit schip nooit bereiken, is de spiegeldwarsdoorsnede te klein. Art sprak met autoriteit. 'Tenminste, bij de radars, waarover ze nu beschikken. Misschien dat er ooit. . . ' 'Wat heb je?' 'Stil!' Art staarde geconcentreerd voor zich uit. Hij draaide voorzichtig aan de knoppen en grabbelde naar pen en papier. Schrijven, ontdekte hij, was moeilijk zonder de gewenste zwaartekracht om zichzelf onder controle te houden. Maar hij wist toch wat neer te krabbelen. 'Moetje dit horen,' fluisterde hij een paar minuten later. Hij las:
RADIO PARIJS ROEPT RUIMTESCHIP GALILEO RADIO PARIJS ROEPT RUIMTESCHIP GALILEO RADIO PARIJS ROEPT RUIMTESCHIP GALILEO DOCTOR DONALD CARGRAVES ARTHUR MUELLER MAURICE ABRAMS ROSS JENKINS GEGROET UW VLUCHT GEVOLGD TOT NUL EEN EEN DRIE GREENWICH TIJD VIJFENTWINTIG SEPTEMBER CONTACT VERLOREN ZULLEN U BLIJVEN OPROEPEN OP DEZE STRAAL EN GOLFLENGTE VOLGEN VERMOEDELIJKE BAAN VEEL SUCCES RADIO PARIJS ROEPT RUIMTESCHIP GALILEO RADIO PARIJS-
'En dan volgt een herhaling. Het is een opname.' Zijn stem trilde ietwat. Ross had geen commentaar.
'Tja, jongens, het ziet ernaar uit dat we beroemd zijn.' Cargraves probeerde zijn woorden zo gewoon mogelijk te laten klinken. Opeens ontdekte hij dat hij in elke hand een stuk van zijn pijp vasthield; hij had hem in tweeën gebroken zonder het te merken. Schouderophalend liet hij de stukken wegzweven.
'Maar hoe hebben ze ons gevonden?' hield Art aan.
'Dat staat in het bericht,' merkte Morrie op. 'Zie je die tijd? Toen zijn we in vrije val gegaan. Ze hebben de straal gevolgd.' 'Hoe dan? Met een telescoop?'
'Waarschijnlijk,' bracht Cargraves naar voren, 'met een speurder.'
'Maar alleen de V.N. beschikt over dergelijke apparatuur.' Cargraves veroorloofde zich een glimlach. 'En waarom zouden de V.N. geen belangstelling voor ons hebben? Luister eens, kerel, kun je iets terugsturen naar die lui?' 'Dat zal ik zeker proberen!'
11
'EEN ATOOMOORLOG TE VEEL?'
Art wijdde zich aan zijn opdracht, maar er kwam niets terug waaruit hij kon opmaken of zijn pogingen al dan niet succes hadden. De bandopname bleef binnenkomen, tussen de pogingen uit te zenden. Dat ging zo drie en een half uur lang door. Toen werd de ontvangst geleidelijk minder; ze zaten ernaast.
De Galileo vervolgde zijn tocht, weg van de Aarde, naar die onzichtbare grens waar de Aarde zijn aanspraken liet varen en de mindere massa van de maan ze overnam. Hoger en hoger, steeds maar verder, maar nog altijd vertraagd door de nog steeds werkzame aantrekkingskracht van de Aarde.
Ze aten en sliepen en aten weer. Ze staarden naar de terugwijkende Aarde. En ze gingen weer slapen.
Terwijl ze sliepen, ontwaakte Joe de Robot, raadpleegde zijn schijf en kwam botweg tot de conclusie dat hij genoeg had van die gewichtloosheid, en startte de motor. Maar eerst richtte hij het schip, zodat de straal op de maan gericht was en hun val zou afremmen. Het lawaai van de motor maakte hen wakker. Cargraves had opdracht gegeven zich vast te snoeren in afwachting van hun terugkerende gewicht. Ze maakten de riemen los en klommen omhoog naar de controlepost. 'Waar is de maan?' vroeg Art. 'Beneden ons, natuurlijk,' lichtte Morrie hem in. 'Probeer hem eens op de radar te krijgen, Morrie,' zei Cargraves. 'oké!' Morrie schakelde de stroom in, wachtte tot hij warm was gelopen en stelde hem daarna goed in. Op één helft van het scherm was de maan te zien als een grote, vage massa. 'Ongeveer 24.000 kilometer,' stelde hij vast. 'We moesten maar eens het een en ander gaan controleren, schipper.'
Ze waren meer dan een uur bezig met het nemen van waarnemingen, het aflezen van instrumenten en het maken van berekeningen. De positie en de afstand tussen de maan en het schip werden door de radar bepaald. Aanvullende radarcontroles bepaalden snelheid en koers. Met al deze factoren moest men rekening houden om de handelingen van Joe de Robot te kunnen controleren.
Er werden enkele kleine afwijkingen gevonden, waarvan de correcties aan de automatische piloot werden doorgevoerd. Joe aanvaardde zonder enig commentaar de veranderingen in zijn opdracht. Terwijl Cargraves en Morrie hiermee bezig waren, maakten Art en Ross een redelijk smakelijke maaltijd klaar. Het was een opluchting om weer onder invloed van de zwaartekracht te zijn, zeker voor hun maag. Dit orgaan had zich aangepast aan de vrije val, maar had zich er nauwelijks mee verzoend. Weer onder normale omstandigheden schreeuwde het om stevige kost.
Na het eten zat Cargraves ietwat triest aan zijn geruïneerde pijp te denken toen het controlealarm weerklonk. Joe de Robot had zijn opdrachten uitgevoerd, zijn schijf was afgewerkt en hij riep om aflossing.
Ze klauterden allemaal naar de controlepost. De maan, verblindend wit en ongelofelijk kolossaal, verdrong zich voor het raam. Ze waren er nu zo dichtbij, dat ze hun vorderingen met het oog konden waarnemen. 'Daar kijkje je ogen bij uit, hè?' zei Ross.
'Zeg dat wel,' beaamde Cargraves. 'Maar we moeten aan het werk. Ga weer terug, snoer jezelf vast en houd je gereed voor het manoeuvreren.'
Terwijl ook hij zich in zijn stoel vastgespte, draaide hij de knop om die Joe opdroeg te gaan slapen; hij had de directe besturing van de raket nu zelf in de hand; bijgestaan door Morrie die hem aan de hand van de instrumenten instructies gaf, onderwierp hij het schip aan een reeks over het algemeen vrij lichte manoeuvres, die slechts kleine koerswijzigingen tot gevolg hadden, maar allemaal bedoeld waren om het schip van de vlakke, kegelvormige baan die het tot nu toe had aangehouden in een ronde baan om de maan te brengen. 'Hoe ga ik?' vroeg hij een hele tijd later. 'Precies op maat,' verzekerde Morrie hem na een poosje. 'Overtuigd genoeg om de automaat in te schakelen en het schip te keren?'
'Laat me 'm nog een paar minuten volgen.' Al gauw gaf Morrie hem de bevestiging waarnaar hij had gevraagd. Ze waren al in vrije vlucht gegaan voordat Cargraves om een controle had verzocht. Hij riep nu tegen Art en Ross dat ze de riemen konden losmaken. Toen begon hij het schip te keren, zodat het raam uitzag op de maan, en haalde hij een schakelaar over die Joe opdroeg weer aan het werk te gaan; het was nu zijn zaak om de hoogte op de radar in de gaten te houden, en erop toe te zien dat hoogte en snelheid constant bleven. Art stond al bij het raam, met zijn kamera, toen Morrie en hijzelf hun riemen losgespten. 'Allemachtig!' riep Art uit, 'dit is me toch wel even iets!' Hij haalde zijn apparatuur te voorschijn en begon als een razende af te drukken, tot Ross hem erop attent maakte dat de dop van de lens er nog op zat. Daarna deed hij het wat rustiger aan. Ross zweefde ondersteboven en staarde naar de troosteloze verlatenheid. Ze snelden in stilte voort, slechts driehonderd kilometer boven de grond. Al snel naderden ze de lijn die licht en duisternis aan het oppervlak scheidde. De schaduwen lagen langgerekt over de dorre woestenij beneden hen, wat de bergpieken en de grote, gapende kraters een nog afschuwelijker aanzien gaf. 'Het is om bang van te worden,' constateerde Ross. 'Ik weet niet of ik het wel zo leuk vind.' 'Wil je bij de volgende halte uitstappen?' vroeg Cargraves. 'Nee, maar ik kan niet zeggen dat ik blij ben hier te zijn.' Morrie pakte zijn arm vast, ogenschijnlijk om zichzelf in evenwicht te houden, maar in werkelijkheid om hem op te beuren. 'Weetje wat ik denk, Ross,' begon hij, terwijl hij uitkeek over de eindeloze kilometerslange kraters. 'Ik denk dat ik weet hoe het zover gekomen is. Dat zijn geen vulkanische kraters, dat is zeker, en meteoren hebben daar ook niet voor gezorgd. Ze hebben het zelf gedaan!' 'Wie?' 'De maanmensen. Dit hebben het gedaan. Ze hebben zichzelf te gronde gericht. Ze hebben zichzelf geruïneerd. Zij hebben één atoomoorlog te veel meegemaakt.' 'Wat' Ross zette grote ogen op en keek toen weer naar de oppervlakte alsof het grimmige mysterie zich daar zou verduidelijken. Art hield op met fotograferen. 'Wat zeg jij ervan, doe?' Cargraves fronste zijn voorhoofd. 'Zou kunnen,' gaf hij toe. 'Van de andere theorieën over een natuurlijke oorzaak is er om de een of andere reden niet één steekhoudend. Het zou een verklaring zijn voor de betrekkelijk gladde gedeelten die wij "zeeën" noemen. Het zijn werkelijk zeeën geweest; daarom zijn ze minder zwaar getroffen.' 'En daarom zijn er ook geen zeeën meer,' ging Morrie verder. 'Ze hebben hun atmosfeer opgeblazen en de zeeën zijn verdampt. Kijk maar naar Tycho. Daar hebben ze het grootste ammunitiedepot van de planeet in brand gestoken. De hele planeet aan flarden. Ik wed dat iemand een anti wapen heeft ontwikkeld dat te goed functioneerde. Het ontstak alle atoombommen op de maan tegelijkertijd en dat werd hun ondergang. Ik weet het zeker.' 'Hm,' zei Cargraves, 'zeker weten doe ik het niet, maar ik geef toe dat het een aantrekkelijke theorie is. Misschien komen we erachter als we eenmaal zijn geland. De gedachte dat alle bommen tegelijk zouden kunnen afgaan, is theoretisch onjuist. Niemand heeft er enig idee van hoe dat moet.' 'Een paar jaar geleden wist ook nog niemand hoe hij een atoombom moest maken,' merkte Morrie op. 'Dat is waar,' Cargraves wilde op een ander onderwerp overstappen; dit lag akelig dichtbij de afschuwelijke gedachte die sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog niet meer uit zijn droom was weg te bannen. 'Ross, wat vind je nu van de andere kant van de maan?' 'Dat zullen we snel genoeg weten,' grinnikte Ross. 'Zeg, dit is de Andere Kant!'
Dat was inderdaad zo. Op hun cirkelvormige baan waren ze vanaf de Aarde gezien om de linkerrand van de maan heen gegleden en vlogen nu over de mysterieuze andere kant. Ross speurde het landschap af. 'Ziet er ongeveer hetzelfde uit.' 'Had je iets anders verwacht?' 'Nee, ik geloof van niet, maar ik hoopte van wel.' Terwijl hij aan het woord was, passeerden ze de scheiding van licht en donker. Onder hen werd het donker. De door de zon beschenen pieken verdwenen snel in de verte. Met de snelheid die ze hadden, een snelheid van bijna 6.500 kilometer per uur, die noodzakelijk was om hen in een lage baan te houden, zou de totale rondvlucht om de planeet iets meer dan anderhalf uur in beslag nemen. 'Geen foto's meer, denk ik,' zei Art treurig. 'Ik wilde dat we op een ander tijdstip hier aangekomen waren.' 'Ja,' beaamde Ross, nog steeds naar buiten turend, 'het is toch wel verdomd jammer zo dichtbij te zijn en dan nog niets te kunnen zien.' 'Niet zo ongeduldig,' zei Cargraves, 'als we over een dag of acht, negen teruggaan, draaien we er nog eens omheen en kun je turen en fotograferen tot je er scheel van bent.' 'Waarom maar een dag of acht, negen? We hebben voor veel langer voedsel bij ons.' 'Twee redenen. Ten eerste, als we met nieuwe maan vertrekken, hoeven we op de terugweg niet in de zon te staren. Ten tweede, ik heb heimwee en ben nog niet eens geland.' Hij grinnikte. Toch vond bij het niet verstandig hun geluk op de proef te stellen door te lang te blijven. De tocht langs de verlichte en vertrouwde kant van de maan was prachtig, maar zo kort dat het veel weghad van etalages kijken vanuit een raceauto. De kraters en de 'zeeën' waren oude, vertrouwde vrienden, maar toch ook vreemd en nieuw. Het deed hen denken aan de altijd wat vreemde ervaring een bekende televisiester in levenden lijve te ontmoeten; een vorm van herkenning met een eigenaardig gevoel van onwerkelijkheid. Art schakelde over op de filmcamera, die ooit eens was gebruikt om de vorderingen van de Starstruck-serie vast te leggen, en filmde Mare Fecuditatis tot aan de krater Kepler, waarna Cargraves hem met klem verzocht onmiddellijk op te houden en zich vast te snoeren. Ze naderden hun landingsbaan. Cargraves en Morrie hadden voor de landing een vlak en naamloos gebied voorbij Oceanus Procellarurn uitgezocht, omdat het juist op de grens lag tussen de aardse kant en de onbekende kant, en op die manier aan twee doelstellingen beantwoordde: trachten via de radio contact op te nemen met de Aarde, waarvoor een rechtstreeks uitzicht op de Aarde noodzakelijk was, en in ieder geval een gedeelte van de onbekende kant te kunnen onderzoeken. Joe de Robot werd weer opgeroepen en kreeg de opdracht een tweede schijf, verborgen in zijn duistere ingewanden, te raadplegen. De schijf zorgde voor de benodigde remkracht en het contact tussen de motoren en de radar. Cargraves bracht het schip zorgvuldig op de juiste hoogte en schakelde over op de automaat toen Morrie meldde dat ze zich precies op de juiste afstand bevonden. Joe nam het over. Hij draaide het schip om en zette daarna aan voor de landing, waarbij hij de aandrijving in de staart gebruikte om hun nog steeds geweldige snelheid af te doen nemen. De maan bevond zich nu beneden hen. Cargraves zag alleen nog maar sterren en de halve maan van de Aarde, 400.000 kilometer ver weg en op dit moment van geen enkele steun. Hij vroeg zich af of hij er ooit weer voet aan land zou zetten. Morrie bestudeerde de nadering op het radarscherm. 'Klopt tot op de negende decimaal, kapitein,' verkondigde hij trots en niet zonder enige overdrijving. 'We zitten gebeiteld.' Op het scherm kwam de grond snel omhoog. Toen ze vlak bij waren en, voorlopig, helemaal niet meer daalden, schakelde Joe de hoofdmotor uit. Toen hij weer wat bekomen was van de drieste omwenteling, zag Cargraves dat de neusstralen naar buiten lekten en voor hen uit elkaar spatten en realiseerde hij zich ook dat de buikmotoren meespeelden, omdat de stroom energie de zitting van zijn stoel omhoog duwde. Hij kreeg bijna het gevoel alsof hij het schip zelf aan de grond zou kunnen zetten, zoveel leek het op zijn eerste doldrieste landing in de woestijn van Nieuw-Mexico. Opeens zag hij één waanzinnige seconde lang hoe de gladde, vlakke bodem voor het uiteenspatten van de wroetende neusstralen plaats maakte voor een woestenij van rotsige richels, scherpe gletsjerspleten, losse en gevaarlijke kosmische stukken steen: een bodem waarvan ze, als ze er zonder te verongelukken op zouden landen, niet konden verwachten er ooit nog eens van op te stijgen. Het zonlicht had hen parten gespeeld. Met de zon in hun rug had de woeste bodem geen zichtbare schaduwen geworpen; de gelijkmatige vlakte had zich ogenschijnlijk uitgestrekt tot de bergen verder weg. Dit waren geen bergen, maar het was voldoende om van de Galileo een wrak te maken.
De afschuwelijke seconde die hij nodig had om de situatie te kunnen overzien, werd gevolgd door razende Aktie. Met één hand schakelde hij de automatische piloot uit; met zijn andere hand draaide hij driftig aan de knop van de staartmotor. Hij zette de buikmotoren in één keer op volle kracht. De neus kwam omhoog. Daar hing hij, klaar om te vallen, alleen de gyro's hielden hem nog op de motoren in evenwicht. Toen kwam langzaam de machtige staartmotor weer op gang, zo langzaam dat hij op dat moment wist, dat de logge reactie van de kernreactor nooit zou kunnen voldoen aan wat hem nu te doen stond: het schip zelf aan de grond zetten. De Galileo trok weg van de oppervlakte van de maan. 'Dat was op het nippertje,' zei Morrie laconiek. Cargraves veegde het zweet uit zijn ogen en huiverde. Hij wist wat er nu moest gebeuren. Hij wist dat hij het schip van de maan moest afwenden, globaal in de richting van de Aarde moest sturen en een terugweg proberen uit te werken. Een route naar een planeet met een atmosfeer die een piloot mogelijk maakte zijn barbaarse schip aan de grond te zetten. Toen wist hij ook dat er geen held in hem stak en dat hij oud begon te worden. Maar hij vond het vreselijk om het Morrie te vertellen. 'Ga je hem met de hand aan de grond zetten?' vroeg de jongen. 'Hè.' 'Da's de enige manier om hem op onbekend terrein neer te zetten. Dat is me nu wel duidelijk; je moet je plekje kunnen zien in de laatste halve minuut, neusmotoren aan en zonder radar.' 'Dat kan ik niet, Morrie.' De jongeman zei niets. Hij zat alleen maar voor zich uit te staren zonder enige uitdrukking op zijn gezicht. 'Ik zet hem terug op een koers naar de Aarde, Morrie.' De jongen liet absoluut niet blijken dat hij hem gehoord had. Op zijn gezicht stond geen goedkeuring noch afkeuring te lezen, zelfs geen vage aanduiding. Cargraves dacht aan het voorval met Ross die hem, blind en omzwachteld, een uitbrander had gegeven. Aan Art, die zijn ruimteziekte had bedwongen om foto's te nemen. Hij dacht ook aan de hete, afmattende dagen waarin hij met Morrie samen zijn brevet had gehaald. De jongen zei niets en keek hem ook niet aan. Die jongens, die verdomde jongens! Hoe was hij ooit hierboven verzeild geraakt, met een raket onder zijn bevel en een vracht minderjarigen voor wie hij de verantwoording droeg? Hij was een natuurkundige, geen superman. Als het Ross was geweest, als Ross piloot was geweest. . . Zelfs in deze situatie huiverde hij bij de gedachte aan de rijstijl van Ross. Art deed het even slecht. Morrie was nog erger. Hij wist dat hij nooit een puike piloot zou worden, nog in geen twintig jaar. Voor deze jongens met hun nonchalante onwetendheid en hun opgevoerde auto's was het weggelegd; rijden en vliegen was een kolfje naar hun hand. Ze waren te jong en te onwetend om zich zorgen te maken en hun reacties werden niet belemmerd door allerlei bijkomende zaken. De woorden van Ross schoten hem te binnen: 'Ik ga naar de maan, al moet ik lopen!' 'Zet hem aan de grond, Morrie.' 'Zeker, schipper!' De jongen had hem niet aangekeken. Hij gooide hem omhoog op zijn staart en liet hem langzaam dalen door gas terug te nemen op de staartmotor. Louter op zijn gevoel, afgaande op de een of andere innerlijke berekening, want Cargraves zag alleen maar sterren door het raam, gooide hij het schip weer om en schakelde de staartmotor uit. De grond was nu dichtbij en kwam snel omhoog. Hij gaf het schip een duw met de buikmotor, wat hen boven een vlak terrein bracht en liet het met snelle stoten van de neusmotoren doorzakken, terwijl hij af en toe vluchtig naar beneden keek. Toen het schip zo laag boven de grond hing, dat Cargraves ervan overtuigd was dat hij op zijn neus zou landen, waarbij het raam zou verbrijzelen en ze allemaal zouden sterven, gaf hij het schip nog één duw die het een weinig omhoog gooide, bracht het in balans en liet het op de buikmotoren dalen, bijna horizontaal, en dicht boven de grond. Morrie wierp een onverschillige blik uit het raam, liet de buikmotoren nog één keer werken en zette het schip neer. Er volgde een hevig geknars, waarna het stil werd. De Galileo was op de maan. 'Geland, schipper. Tijd: Nul-acht-drie-vier.' Cargraves haalde diep adem. 'Een prachtige landing, Morrie.' 'Bedankt, kapitein.'
12
‘EEN KAAL LANDSCHAP’
Ross en Art hadden hun riemen al los en waren al druk aan het praten over het voor de dag halen van de ruimtepakken, toen Cargraves wat beverig uit zijn stoel klom, en bijna tegen de grond sloeg. De lage zwaartekracht, een-zesde van die op Aarde, had hem misleid. Hij was zo langzamerhand gewend aan gewichtloosheid en aan de borstkast samenpersende druk van hoge acceleraties; het pseudonormale gewicht van een één g-motor leverde geen problemen op, en manoeuvres uitvoeren terwijl je vastgesnoerd lag was niet erger dan stuntvliegen. Dit was anders en je moest er een beetje aan wennen, stelde hij vast. Het deed hem vaag denken aan lopen op rubber, of het merkwaardige lichtvoetige gevoel als je juist zware laarzen of sneeuwschoenen hebt uitgetrokken.
Morrie bleef nog een tijdje op zijn post om het logboek aan te vullen en te ondertekenen. Hij aarzelde bij het vakje in het logboek waar 'positie' boven stond vermeld. Ze hadden hem op school geleerd om hier de lengte- en breedtegraad van de aankomsthaven aan te geven. De maan had een noord- en Zuidpool, net zoals de Aarde, en over de lengtegraad kon ook geen onzekerheid bestaan als eenmaal de nulmeridiaan was bepaald. Dat was gebeurd; Tycho zou het Greenwich van de maan worden.
Maar zijn navigatietabellen waren tabellen voor de Aarde. Het probleem was wel op te lossen, dat wist hij ook. Met behulp van boldriehoeksmetingen konden de uitkomsten van de hemeldriehoeken, waarop ruimtelijke navigatie is gebaseerd, worden toegepast op de speciale omstandigheden op Luna, maar het zou een langdurige berekening worden, die helemaal niet zou lijken op de voorberekende vereenvoudigingen die door elke piloot werden gebruikt in dit tijdperk van raketten en vliegtuigen. Hij zou terug moeten vallen op de methode van Mare St. Hilaire, al twintig jaar lang verouderd en elk brokje gegeven moeizaam te herleiden van aardse referentietermen tot begrippen die toepasbaar waren op de maan.
Ach, dat kon later ook nog wel, besloot hij, en dan kon Cargraves hem helpen. De oppervlakte van de maan lokte. Hij voegde zich bij het kleine groepje dat dicht op elkaar voor het raam stond. Voor hen lag een kale, doodse vlakte die een paar kilometer verderop overging in spitse heuvels. Het was heet, laaiend heet onder de schuin invallende stralen van de zon, en volkomen stil. De Aarde was niet te zien; ze waren tijdens de laatste minuten van hun geïmproviseerde landing naar de onbekende kant doorgeschoten. In plaats van de koperkleurige hemel die men boven deze verzengende, woestijnachtige verlatenheid zou verwachten, hing de zwarte, welvende koepel van de nacht erboven, bezaaid met briljante sterren. In ieder geval, dacht Morrie, in gedachten weer terug bij zijn navigatieproblemen, zou het moeilijk zijn om hier te verdwalen. Je kon zonder enige moeite op de sterren afgaan. 'Wanneer gaan we naar buiten?' vroeg Art. 'Kalmte kan je redden,' zei Ross tegen hem en richtte zich toen tot Cargraves. 'Zeg, doe, dat was me even een linke landing. Vertel eens, was die eerste nadering alleen maar om even rond te kijken of wist je het niet meer?' 'Morrie heeft hem aan de grond gezet.' Ross floot bewonderend. Art zei: 'Wat zei je nou? Ga me niet vertellen dat de radar is uitgevallen; ik heb dat ding op wel zes verschillende manieren getest.' 'Jouw apparatuur heeft ons niet in de steek gelaten,' stelde Cargraves hem gerust, 'maar er zijn bepaalde dingen die een man wel en een apparaat niet kan. Dit was zo'n geval.' Hij zette nauwkeurig uiteen, wat er was gebeurd. Ross bekeek Morrie van top tot teen. Morrie begon te blozen. 'Ik zei het al, een Puike Piloot, en een Puike Piloot blijft 't,' zei Ross tegen hem. 'Maar ik ben blij dat ik het niet wist.' Hij liep naar achteren, vals fluitend en frutselend aan zijn ruimtepak. 'Wanneer gaan we naar buiten?' drong Art aan. 'Rustig aan een beetje. Misschien trek jij wel het kortste houtje en moet jij aan boord blijven.' 'Maar. . . Luister eens, oom, waarom moet er iemand aan boord blijven? Het schip zal niet gestolen worden.' Cargraves aarzelde. Zijn aangeboren voorzichtigheid gebood hem minstens één man aan boord van het schip te houden, als veiligheidsmaatregel. Bij nader inzien was daar nauwelijks enige reden voor. Iemand binnenin het schip kon niets doen voor een man erbuiten zonder eerst een drukpak aan te trekken en dan pas naar buiten te komen. 'We gooien het op een akkoordje,' zei hij. 'Morrie en ik. . . Nee, jij en ik.' Hij realiseerde zich dat hij niet twee piloten tegelijk kon riskeren. 'Jij en ik gaan eerst. Als alles in orde is, volgt de rest. oké,' zei hij terwijl hij zich omdraaide. 'In de ruimtepakken.' Ze hielpen elkaar in de pakken, nadat ze eerst de huid rondom hun vliegbrillen rijkelijk hadden ingesmeerd met een witte zonnebrandzalf. Het gaf hun een toepasselijk, onaards aanzien. Toen liet Cargraves de pakken onder tweemaal de normale druk controleren, terwijl hij persoonlijk de zuurstofflessen op hun ruggen inspecteerde. Al die tijd waren ze doorlopend bezig met hun walkietalkies; gewone gesprekken waren weliswaar door de helm heen te horen, zij het heel zwak, zolang ze zich nog binnen in het schip bevonden; de radio's waren beter. 'oké, kerels,' zei hij ten slotte. 'Art en ik gaan samen de sluis binnen, daarna lopen we om naar de voorkant waar jullie ons kunnen zien. Als ik een teken geef, kom je ook naar buiten. Nog één laatste opmerking: blijf bij elkaar. Ga niet verder dan een meter of tien bij me vandaan. En onthoud dit. Wanneer je daarbuiten staat, willen jullie stuk voor stuk zien, hoe hoog je kunt springen; ik heb jullie er al over horen praten. Nou, ik denk datje wel zo'n meter of tien hoog komt als je het zou proberen. Maar doe het niet!' 'Waarom niet?' De stem van Ross klonk vreemd door de radio. 'Omdat we je, als je op je hoofd terechtkomt en je helm barst, ter plekke zullen moeten begraven! Kom op, Morrie. Nee, sorry, ik bedoel Art.' Ze wrongen zich de kleine sluis binnen die ze bijna helemaal vulden. De motor die de waaier aandreef om de lucht uit de sluis te pompen snorde maar heel even, zo klein was de ruimte die niet in beslag werd genomen door hun lichamen, zuchtte en stopte toen. De pompklep viel met een klik op zijn plaats en Cargraves ontgrendelde de buitendeur. Hij kwam tot de ontdekking dat hij eerder naar de bodem zweefde dan sprong. Art kwam achter hem aan, landde op handen en voeten en veerde weer iets omhoog. 'oké, jongen?' 'Jawel.' Ze liepen om naar de voorkant; hun laarzen schuifelden stil over de rulle bodem. Hij keek naar de grond en raapte een handvol op om te kijken of het eruit zag als spul dat door een radioactieve explosie was getroffen. Hij dacht aan de theorie van Morrie. Ze stonden op de bodem van een krater; dat was duidelijk, want de muur van heuvels strekte zich overal rondom hen uit. Was het een atoombomkrater? Hij zou het niet durven zeggen. De maanbodem had dan wel het grillige, bobbelige aanzien van een door atoombommen verschroeide aarde, maar dat zou evengoed op vulkanische activiteit kunnen duiden, of op een formidabele hitte afkomstig van een reusachtige meteoor. Ach, dat vraagstuk kon wel wachten. Art bleef plotseling stilstaan. 'Oom, ik moet terug.' 'Wat is er dan?' 'Ik ben mijn kamera vergeten!' Cargraves grinnikte. 'Volgende keer dan maar. Je onderwerp loopt niet weg.' Arts opgewektheid had een nieuw hoogtepunt bereikt, stelde hij vast; de anderen dachten zelfs dat hij met zijn kamera in bad ging. Over een bad gesproken, mijmerde Cargraves, daar ben ik eigenlijk wel aan toe. De ruimtevaart had zijn nadelen. Hij begon een hekel te krijgen aan zijn eigen lucht, zeker als die werd vastgehouden in een ruimtepak! Ross en Morrie stonden hen, niet bepaald geduldig, bij het raam op te wachten. Hun radiostemmen, die tot nu toe niet te horen waren geweest door de scheepsromp, drongen duidelijk door het kwarts. 'Hoe is het, doe?' schreeuwde Ross met zijn neus tegen het raam. 'Lijkt allemaal wel in orde,' hoorden ze hem zeggen. 'Dan komen we eraan!' 'Wacht nog een paar minuten. Ik wil het zeker weten.' 'oké.' Ross gaf blijk van zijn ongeduld, maar discipline was allang geen probleem meer. Art trok gekke gezichten en maakte een dansje, waarbij hij dicht boven de grond bleef, maar bij elke pas toch een metertje omhoog de lucht in zweefde. Toen hij een beetje hoger begon te springen en zijn hakken in de lucht tegen elkaar sloeg, beduidde Cargraves hem op te houden. 'Klapje vleugels dicht, maat,' waarschuwde hij, 'en kom naar beneden. Je bent Nijinsky niet.' 'Wie is Nijinsky?' 'Doet er niet toe. Doe het wat kalmer aan. Blijf in ieder geval met één voet op de grond. oké, Morrie,' riep hij, 'kom maar naar buiten. Met Ross.' Het raam was opeens leeg en verlaten. Toen Morrie voet op de maan zette en om zich heen keek naar de gelijkmatige, eentonige vlakte en de steile, brokkelige rotsen verderop, kwam er opeens een onheilspellend voorgevoel in hem op. 'Het zijn de kale resten,' mompelde hij, half in zichzelf, 'de kale resten van een dode wereld.' 'Ga je mee, Morrie?' vroeg Ross. 'Ik loop vlak achter je.' Cargraves en Art waren inmiddels ook genaderd. 'Waarheen?' vroeg Ross toen de kapitein aan kwam lopen. 'Deze eerste keer wil ik niet zo ver bij het schip vandaan,' verklaarde Cargraves. 'Deze plek hier zou best nog wel eens wat vreemde verrassingen kunnen opleveren, waar we niet op gerekend hebben. Hoe hoog is jullie druk?' 'Scheepsdruk.' 'Die kun je wel tot de helft terugbrengen zonder dat je last krijgt van de lage druk. Het is zuurstof, weet je wel?' 'Laten we eens naar die heuvels wandelen,' stelde Morrie voor. Hij wees achterom, waar de rand van de krater op minder dan een kilometer afstand zichtbaar was. Die kraterwand was naar de zon toe gericht en de schaduwen strekten zich uit vanaf de rand tot aan zo'n honderd meter voor het schip. 'Nou, gedeeltelijk in ieder geval. Schaduw zou wel eens aangenaam kunnen zijn. Ik begin te transpireren.' 'Ik geloof,' zei Morrie, 'dat als ik het me goed herinner, we vanaf de top van de kraterrand de Aarde moeten kunnen zien. Ik zag het in een flits, net toen we omkeerden. We zijn niet zo ver op de achterkant.' 'Waar zitten we eigenlijk precies?' 'Ik moet nog wat waarnemingen doen voordat ik dat kan vertellen,' bekende Morrie. 'Ergens ten westen van Oceanus Procellarum en dichtbij de evenaar.' 'Dat weet ik ook wel.' 'Nou, als je haast hebt, schipper, dan kun je beter de wegenwacht bellen.' 'Ik heb geen haast. Indiaan niet verdwaald, wigwam verdwaald. Maar ik hoop dat de Aarde daar vandaan te zien is. In dat geval zou het een prima plek zijn om Arts antenne op te zetten, niet al te ver van het schip. Eerlijk gezegd ben ik erop tegen het schip te verplaatsen voordat we teruggaan, zelfs als we daardoor de kans missen om contact op te nemen met de Aarde.' Ze bevonden zich nu in de schaduwen, tot opluchting van Cargraves. In tegenstelling tot het populaire fabeltje waren de schaduwen niet zwart, ondanks het ontbreken van door lucht verstrooid zonlicht. De schittering van de bodem achter hen en de verblindende glans van de heuvels verderop reflecteerden licht in de schaduwen. Toen ze al een eind in de richting van de heuvels waren gevorderd, drong het tot Cargraves door dat hij zijn gezelschap niet zo goed bij elkaar wist te houden. Hij was even blijven stilstaan om een bepaalde plek te onderzoeken die Ross had ontdekt en waar rotsen boven het puin van de woestijnbodem uitstaken en probeerde in het schemerlicht de soort te bepalen, toen hij tot de ontdekking kwam dat Morrie niet bij hen was. Hij hield zijn ergernis voor zich; het was heel goed mogelijk dat Morrie, die voorop liep, niet had gezien dat zij stil waren blijven staan. Maar hij keek toch angstig om zich heen. Morrie liep ongeveer honderd meter verder, waar de eerste glooiingen van de heuvels doorbraken. 'Morrie!' De gestalte stond rechtop, maar er kwam geen antwoord over de radio. Toen viel het hem op dat Morrie waggelde en zwenkende bewegingen maakte. 'Morrie! Kom terug! Voel je je wel goed?' 'Goed? Zeker wel, ik voel me prima.' Hij grinnikte. 'Nou, kom dan terug.' 'Kan niet terugkomen. Ben bezig. . . Ik heb het gevonden!' Morrie stapte zorgeloos verder, sprong hoog in de lucht en kwam wankelend weer neer. 'Morrie! Blijf stilstaan!' Cargraves snelde naar hem toe. Maar hij bleef niet stilstaan. Hij begon te springen, hoger en hoger. 'Ik heb het gevonden!' gilde hij. 'Ik heb het gevonden!' Hij zette zich nog een keer af en terwijl hij traag naar beneden zweefde, schreeuwde hij: 'Ik heb. . . de kale resten. . . gevonden. . . ' Zijn stem stierf weg. Hij kwam op zijn voeten terecht, sloeg buitelend voorover en zakte in elkaar. Cargraves zelf was met grote sprongen naderbij gekomen en was al haast bij hem toen hij viel. Eerst de helm, nee, die was niet gebarsten. Maar de ogen van de jongen staarden nietsziend in de verte. Zijn hoofd hing scheef, zijn gezicht zag asgrauw. Cargraves tilde hem op en rende in de richting van de Galileo. Hij kende de symptomen, hoewel hij ze alleen nog maar was tegengekomen in de lagendrukkamer die werd gebruikt voor de opleiding van piloten; anoxia! Er was iets misgegaan; Morrie snakte naar zuurstof. Hij zou kunnen sterven, voordat hij hem kom helpen, of nog erger: Hij zou misschien moeten leven met blijvend beschadigde hersenen, met het verlies van zijn uitstekende, heldere verstand. Het was al eerder zo afgelopen, meer dan eens, in de gevaarlijke tijden, waarin de mens het luchtruim probeerde te veroveren. De dubbele last vertraagde zijn gang niet in het minst. Met hun ruimte- pakken aan wogen ze allebei samen iets meer dan dertig kilo. Het was net genoeg om in evenwicht te blijven. Hij wrong hen allebei de sluis in, hield Morrie dicht tegen zich aan en wachtte vol martelend ongeduld terwijl de lucht door de klep siste. Al zijn kracht zou niet voldoende zijn om die deur te forceren voordat de druk gelijk was geworden. Eindelijk was hij binnen en had hij hem op het dek neergelegd. Morrie was nog steeds buiten westen. Gehinderd door zijn handschoenen probeerde hij met trillende vingers het pak uit te trekken, stapte daarna haastig uit zijn eigen pak en maakte Morries helm open. De patiënt gaf geen enkel teken van leven toen de frisse lucht hem tegemoet sloeg. Verbitterd vloekend probeerde hij de jongen rechtstreeks uit zijn pak zuurstof toe te dienen, maar hij kwam tot de ontdekking dat het ventiel op Morries pak om de een of andere reden dienst weigerde. Hij nam daarom zijn eigen pak, koppelde de zuurstofslang los en richtte de zuurstofstraal rechtstreeks op het gezicht van de jongen terwijl hij ritmisch op z'n borst duwde. Morrie knipperde met zijn ogen, snakkend naar adem. 'Wat is er gebeurd? Hoe is het met hem?' De andere twee waren door de sluis binnengekomen terwijl hij bezig was. 'Misschien komt het wel goed met hem. Ik weet het niet.' Hij was in feite vrij snel weer bij kennis, richtte zich op en knipperde met zijn ogen. 'Wat is er?' wilde hij weten. 'Ga liggen,' drong Cargraves aan en legde een hand op z'n schouder. 'oké. . . hé! Ik ben binnen.' Cargraves legde hem uit wat er was gebeurd. Morrie knipperde met zijn ogen. 'Nou, dat is gek. Er was helemaal niets met me aan de hand, ik voelde me alleen maar uitzonderlijk goed. . . ' 'Dat is één van de symptomen.' 'Ja, nou weet ik het weer. Maar het kwam zojuist niet bij me op. Ik had net een stuk metaal opgeraapt met een gat erin, toen.' 'Een wat? Bedoel je bewerkt metaal? Metaal dat door iemand ?' 'Ja, daarom was ik zo... ' Hij zweeg en keek nogal zorgelijk. 'Maar dat kan toch niet.' 'Het is mogelijk. Deze planeet zou best ooit eens bewoond geweest kunnen zijn. . . of misschien zijn er wel bezoekers geweest.' 'O, dat bedoel ik niet.' Morrie haalde zijn schouders op, alsof dat van geen enkel belang was. 'Ik stond ernaar te kijken en realiseerde me wat dat wilde zeggen, toen er een klein, kaal mannetje aan kwam lopen en. . . maar dat kan helemaal niet.' 'Nee,' beaamde Cargraves na een korte stilte, 'dat kan helemaal niet. Ik ben bang datje toen al anoxiadromen had. Maar hoe zit het met dat stuk metaal?' Morrie schudde zijn hoofd. 'Ik weet het niet,' moest hij toegeven. 'Ik kan me herinneren dat ik het in mijn hand vasthield en ernaar stond te kijken, zo duidelijk als wat. Maar het kleine mannetje herinner ik me even duidelijk. Hij stond daar en achter hem waren er nog meer en ik wist dat het de maanmensen waren. Er stonden gebouwen en bomen.' Hij zweeg. 'Dat doet de deur dicht, dacht ik zo.' Cargraves knikte en richtte zijn aandacht op het zuurstofpak van Morrie. Het ventiel werkte nu zonder mankeren. Er viel niet te zeggen wat er mis was gegaan, of het van binnen was bevroren toen Morrie verder in de diepere schaduwen was doorgedrongen, of dat het geblokkeerd was geraakt door een ondefinieerbaar stukje vuil, of dat Morrie het zelf te ver had dichtgedraaid toen hij op aandringen van Cargraves de druk had verminderd en zichzelf zodoende langzaam had laten stikken. Maar het mocht niet nog eens gebeuren. Hij richtte zich tot Art. 'Luister eens, Art. Ik wil die dingen zo uitrusten datje ze niet beneden een bepaalde grens kunt afsluiten. Mmm. . . nee, dat is niet genoeg. We moeten ook zo iets als een alarmsignaal hebben, iets waardoor je gewaarschuwd wordt als de toevoer stagneert. Bedenk eens wat moois.' Art kreeg de voor hem gebruikelijke, bezorgde uitdrukking op zijn gezicht wanneer zijn vindingrijke geest in de hoogste versnelling werkte. 'Ik heb nog wel wat buislampjes bij de reserveonderdelen liggen,' peinsde hij. 'Misschien zou ik er één op de halsring kunnen monteren en het dan zo proberen te versieren dat, wanneer de toevoer stagneert, het zou' Cargraves luisterde niet meer; hij wist dat het nog slechts een kwestie van tijd was voordat er een of ander onwaarschijnlijk maar perfect werkend nieuw stroomcircuit zou worden vervaardigd.
13
'ER KLOPT IETS NIET'
Op de top van de kring heuvels kwam de Aarde binnen hun gezichtsveld, zoals Morrie al had voorspeld. Cargraves, Art en Ross gingen op onderzoek uit, terwijl Morrie achterbleef om wat bij te komen en zijn navigatieprobleem verder uit te werken. Cargraves stond erop mee te gaan omdat hij de twee jongens geen berggeitje wilde laten spelen op de steile rotsen, een grote verleiding bij een dergelijke geringe zwaartekracht. Bovendien wilde hij de plaats waar Morrie zijn ongelukje had gehad, nader onderzoeken. Kleine, kale mannetjes, nee; een stuk metaal met een gat erin, eventueel. Als het echt zo was, zou het wel eens de eerste aanwijzing kunnen zijn tot de grootste ontdekking sinds de mens uit de duisternis was komen kruipen en zich van zichzelf bewust was geworden.
Maar helaas, de plek was vrij gemakkelijk te vinden; de voetstappen waren vers in deze rulle bodem. Maar hoe ze ook zochten, ze vonden niets. Hun feilen was nog niet helemaal zeker, omdat de bewuste plek nog steeds werd overschaduwd door de duisternis van de rand van de krater. Over een paar dagen zou het daglicht hier doordringen; hij nam zich voor het dan nog eens te proberen.
Maar het was heel goed mogelijk dat Morrie het in zijn delirium had weggesmeten, als het er ooit was geweest. Het zou wel tweehonderd meter ver weg hebben kunnen zeilen voordat het was gevallen en zich in de rulle bodem had begraven.
De heuveltop was meer de moeite waard. Cargraves vertelde Art dat ze door zouden gaan met hun pogingen een boodschap terug naar de Aarde te zenden. . . en moest hem er toen van weerhouden terug te rennen naar het schip om aan de slag te gaan. In plaats daarvan gingen ze op zoek naar een geschikt plekje om het 'Hondenhok' te installeren. Het Hondenhok was een klein, geprefabriceerd gebouwtje dat nu nog in onderdelen tegen de gebogen wanden van de Galileo stond opgesteld. Het was een ideetje van Ross geweest en één van de projecten waar Art en hij zelf gedurende de zomer mee bezig waren geweest, toen Cargraves en Morrie hun opleiding volgden. Officieel was het een plaatijzeren garage met een golfdak,, maar een bijzonder handige bijkomstigheid was, dat elk paneel door de deur van de Galileo naar buiten kon. Ze waren niet van plan het gebouwtje zomaar zonder meer op de oppervlakte van de maan neer te zetten; een dergelijke constructie zou afwisselend te heet of te koud zijn geworden. Ze ontdekten een plekje dichtbij de top, tussen twee rotspunten. De top van een van de steile rotspieken was gemakkelijk te bereiken en bood een vrij uitzicht op de Aarde. Door het ontbreken van een atmosfeer hoefde Art zich geen zorgen te maken over horizoneffecten; de golven zouden de richting volgen die hij ze gaf Toen de locatie bepaald was, gingen ze terug om het gereedschap en de voorraden op te halen. Cargraves en Ross namen het grootste gedeelte van het bouwmateriaal voor het Hondenhok voor hun rekening. Het zou niet eerlijk zijn geweest tegenover Art om hem om hulp te vragen; hij had al last van aanvallen van besluiteloosheid die werden veroorzaakt door zijn verlangen de hele tijd foto's te maken en een even sterk verlangen het toestel in elkaar te zetten, waarmee hij contact hoopte te kunnen maken met de Aarde. Op verzoek van Cargraves deed Morrie een paar dagen lang wat lichte karweitjes en hield hij zich verre van het inspannende werk in een ruimtepak. De lage zwaartekracht maakte het overbrengen van de basisconstructie, de overige materialen en het gereedschap naar het stukje grond vrij gemakkelijk. Per man konden ze meer dan tweehonderdvijftig kilo aan aards gewicht dragen, behalve op de steilere gedeelten waar de onhandelbare omvang hen ertoe dwong de vrachten op te splitsen. Allereerst bewerkten ze de zanderige bodem binnen de ruimte tussen de twee rotsen met schoffels, tot de grond voldoende gelijk was om de metalen vloer te leggen; daarna zetten ze het kleine bouwwerk in elkaar. Dat was snel gebeurd; er waren alleen maar wat schroefsleutels voor nodig en bovendien was het metaal zo licht als karton. Toen dat achter de rug was installeerden ze de 'deur': een stalen trommel in de vorm van een ton met aan de onder- en bovenkant een luchtdichte pakking. Toen de deur eenmaal op zijn plaats zat, schoffelden ze nog vele aardse tonnen maangrond bovenop het dak totdat de ruimte tussen de rotswanden, ongeveer een meter hoger dan het dak van het bouwsel, helemaal was opgevuld. Daarmee klaar, was er van het Hondenhok niet meer te zien dan de igloachtige deur die tussen de rotsige punten naar voren stak. De rulle bodem van Luna, toch al een slechte warmtegeleider, en de luchtledige holten die erin zaten, zouden voor de isolatie zorgen. Maar het was nog steeds niet luchtdicht. Ze installeerden draagbare, provisorische lampen en sleepten daarna verzegelde vaten en platte balen naar binnen. Uit de vaten kwamen kleverige, plakkerige vellen rubberachtig plastic te voorschijn, die ze als behangselpapier opplakten. Ze werkten zo snel mogelijk om ermee klaar te zijn voordat de lijm was vervlogen. Ze bedekten er het plafond, de muren en de vloer mee; daarna haalden ze aluminiumfolie uit de balen en bevestigden het bovenop het plastic, behalve op de vloer, die werd bedekt met zwaardere platen duuraluminium. De hut was gereed voor een drukproef. Er bleken nog een paar lekken te bestaan die gestopt moesten worden en dan zouden ze erin kunnen trekken. Het hele karwei was in minder dan twee 'dagen' geklaard. Het Hondenhok zou Arts radiokeet worden, maar dat was niet het enige. Het zou ook een opslagruimte worden voor alles wat ze mogelijkerwijs uit het schip konden missen, alles wat niet noodzakelijk was voor de terugreis. De vrachtruimte zou dan beschikbaar komen voor monsters, die ze me terug wilden nemen naar de Aarde; al waren die monsters doodgewone brokken rots. Maar voor Cargraves en de overige drie was het meer dan een opslagruimte, meer dan een radiokeet. Ze brachten er hun persoonlijke spulletjes in onder, installeerden de hydrologische tank voor de rabarber- planten om de lucht zelfverversend te maken, en richtten het zo goed mogelijk in als permanente verblijfplaats. Voor hen was het een symbool van de kolonisatie van deze planeet door de mens, zijn bedoeling er permanent te blijven, hem aan zijn behoeften aan te passen, en er een bestaan aan te ontwringen. Zelfs al waren ze door omstandigheden gedwongen hem binnen een paar dagen achter te laten. Ze vierden de voltooiing met een ceremonie die Cargraves opzettelijk had uitgesteld tot het Hondenhok af zou zijn. Opgesteld in een halve cirkel voor de kleine deur werden ze door Cargraves toegesproken: 'Als leider van deze expeditie, op gezag van een kommissie van de Verenigde Naties en met het gebruik van een voertuig dat geregistreerd staat in de Verenigde Staten, neem ik bezit van deze planeet als kolonie, in naam van de Verenigde Naties van de Aarde en in overeenstemming met aldaar geldende wetten van de Verenigde Staten: Hijsen, Ross!' Langs een korte, dunne stok wipten het vaandel van de Verenigde Naties en de vlag van de Verenigde Staten omhoog. Er was in die luchtledige leegte geen zuchtje wind om ze aan het wapperen te brengen, maar Ross had de bovenrand van tevoren met draad verstevigd; ze waren duidelijk te herkennen. Vlak bij zou een begin worden gemaakt met de bouw van het Cargraves Natuurkundig Laboratorium en het Galileo Observatorium. Ross keek van Cargraves naar de fleurige lappen vlaggendoek. 'Vreemd toch,' zei hij langzaam. 'Een mens is geen mengeling van chemische reacties; hij is een verzameling ideeën.' Cargraves stond versteld. Zijn jongens' werden volwassen! 'Wanneer beginnen we met ons onderzoek?' wilde Morrie weten. 'Is er een reden om niet aan de gang te gaan, nu het Hondenhok eenmaal klaar is?' 'Binnen niet al te lange tijd, dacht ik,' antwoordde Cargraves weinig op zijn gemak. Hij had Morries ongeduld de laatste paar dagen voortdurend moeten aanhoren; Morrie was zeker teleurgesteld nu het schip niet gebruikt zou worden voor plaatselijk verkenningswerk, zoals oorspronkelijk het plan was geweest. Hij was ervan overtuigd dat hij zijn opmerkelijk optreden bij de eerste landing zou kunnen herhalen. Cargraves was er aan de andere kant van overtuigd dat een reeks van dat soort landingen uiteindelijk op een ongeluk moest uitdraaien, wat hen geïsoleerd zou achterlaten, gedoemd dood te gaan van de honger of te stikken, als ze al niet zouden omkomen bij het ongeluk zelf. Daarom was hij niet van zijn besluit afgeweken het onderzoek te beperken tot tochten te voet, tochten die niet langer dan een paar uur konden duren. 'Laten we eens gaan kijken, hoe ver Art inmiddels is,' stelde hij voor. 'Ik wil hem niet achterlaten, want hij zal wel foto's willen maken. Aan de andere kant moet hij ook verder met zijn radiowerk. Misschien kunnen we hem een handje helpen.' 'oké.' Ze kropen door de luchtsluis en gingen het Hondenhok binnen. Art en Ross waren al eerder naar binnen gegaan. 'Art,' informeerde Cargraves, nadat hij zijn plompe pak had uitgetrokken, 'hoe lang duurt het nog voordat je klaar bent om je zender uit te proberen?' 'Nou, dat kan ik niet zo een-twee-drie zeggen, oom. Ik heb altijd gedacht dat we het nooit zouden redden met de apparatuur die we hebben. Als we de spullen mee hadden kunnen nemen die ik had willen' 'Je bedoelt, als we die hadden kunnen betalen,' merkte Ross op.. 'Nou ja. . . hoe dan ook, ik heb een heel ander idee. Deze toestand hier is de droomwens van iedere elektronicus, al die leegte. Ik ga proberen wat echte grote voedingsbuizen in elkaar te draaien, maar ik maak er geen buizen van. Ik kan de elementen gewoon open en bloot monteren zonder me druk te hoeven maken over glas. Het is de gemakkelijkste manier om experimentele buizen te ontwerpen, die je maar bedenken kunt.' 'Maar dan nog,' merkte Morrie op, 'dat kun je tot in het oneindige doorvoeren. Doe, volgens schema vertrekken we weer over pakweg tien aardse dagen. Ben je van plan het verblijf te verlengen?" voegde hij er hoopvol aan toe. 'Nee, zeker niet,' verklaarde Cargraves. 'Hm. . . Art, laten we het probleem van die zender eens even opzij zetten. Uiteindelijk is er geen enkele wet die ons voorschrijft dat we radiocontact met de Aarde tot stand moeten brengen. Maar hoe lang zou het duren voordat je de Aarde kunt ontvangen?' 'O, dat!' zei Art. 'Nu ik alles hier heb, kan ik die verbinding binnen een paar uur rond hebben.' 'Uitstekend. Dan zorgen wij voor wat eten.' Na een uur of drie kondigde Art aan dat hij klaar was om de zaak uit te proberen. 'Daar gaat hij dan,' zei hij. 'Let op.' Ze schaarden zich om hem heen. 'Wat denk je te ontvangen?' vroeg Ross gretig. Art haalde zijn schouders op. 'Misschien helemaal niets. Misschien de Luchtmacht, of de Berlijnse zender, als die op ons gericht staan. Radio Parijs lijkt me het meest waarschijnlijk, als ze ons nog proberen te bereiken.' Hij draaide aan de knoppen. Ze waren allemaal erg stil. Als het lukte, zou dat een groots ogenblik zijn en dat beseften ze allemaal. Plotseling keek hij uitermate verbaasd. 'Heb je iets?' Hij gaf geen antwoord. Toen lichtte hij zijn koptelefoon van één oor en zei op verwijtende toon: 'Eén van jullie heeft z'n walkietalkie nog aan staan.' Cargraves keek zelf de pakken na. 'Nee hoor, Art, ze zijn allemaal uit.' Art keek de kleine kamer rond. 'Maar. . . maar. . . er is verder niks wat het zou kunnen zijn. Iemand is hier niet goed.' 'Wat is er dan?' ' "Wat is er dan?" Ik ontvang energiegezoem ergens vandaan, ergens hier vandaan. . . dichtbij!'
14
‘GEEN ENKELE KANS’
'Weetje dat zeker?' vroeg Cargraves. 'Zeker weet ik het zeker!'
'Het zal Radio Parijs wel zijn,' opperde Ross. 'Je weet niet van hoever het komt.'
Art zag er beledigd uit. 'Ga jij hier dan zitten en probeer het maar, meneer de Betweter. Het was dichtbij. Het kan geen station op Aarde geweest zijn.' 'Terugkoppeling?'
'Doe niet zo stom!' Hij rommelde nog wat aan de knoppen. 'Het is nu verdwenen.'
'Wacht eens even,' zei Cargraves. 'Dit moeten we zeker weten. Art, kun jij een of andere zender in elkaar sleutelen?'
'Niet zo gemakkelijk jawel, dan kan ik. De basisapparatuur staat klaar.' De basisapparatuur was een zender met een klein vermogen die eigenlijk was afgestemd op de communicatie tussen het Hondenhok en iemand van de groep buiten.
'Eén tel om hem aan te sluiten.' Het duurde wat langer dan een tel, maar al snel zat hij over de microfoon heen gebogen en riep: 'Hallo! Hallo! Is daar iemand! Hallo!'
'Hij moet gedroomd hebben,' zei Morrie bedaard tegen Cargraves. 'Daarbuiten kan helemaal niemand zijn.'
'Kop dicht,' zei Art over zijn schouder en ging verder met roepen, 'Hallo! Hallo, hallo.'
Opeens verscheen er weer die nietszeggende uitdrukking op zijn gezicht,
toen zei hij op scherpe toon: 'Engels praten! Herhalen!'
'Wat was dat?' vroegen Cargraves, Ross en Morrie.
'Stil. . . alsjeblieft!' Toen, in de mikro: 'Ja, ik hoor u. Wie is dit? Wat? Zegt u dat nog eens?. . . Dit is Ruimteschip Galileo, Art Mueller hier. Wacht u even.' Art sloeg aan de voorkant van het paneel een schakelaar om. 'Ga uw gang maar. Herhaal wie u bent.'
Uit de zender klonk een zware basstem.
'Hier Maanexpeditie Nummer Eén,' zei de stem. 'Kunt u even wachten, dan roep ik onze leider op.'
'Wacht even,' schreeuwde Art. 'Ga niet weg!' Maar er kwam geen antwoord uit de luidspreker.
Ross begon in zichzelf te fluiten. 'Houd op met dat gefluit,' commandeerde Art.
'Sorry,' Ross zweeg even en voegde eraan toe: 'Ik denk wel dat jullie weten, wat dit betekent?'
'Ik weet niet meer wat wat dan ook betekent!'
'Het betekent dat we te laat zijn voor de seniorenprijzen. Iemand is ons voor geweest.'
'Hoe kom je daar nu bij?'
'Nou ja, zeker is het niet, maar het lijkt me wel waarschijnlijk.' 'Ik wil wedden dat wij eerder zijn geland.'
'We zullen zien. Luister!' Daar was de luidspreker weer, een andere stem dit keer, iets hoger, met een vaag Oxford-accent. 'Bent u daar nog? Hier kapitein James Brown van de Eerste Maanexpeditie.
Is dit Ruimteschip Galileo V?
Cargraves leunde voorover naar de microfoon. 'Ruimteschip Galileo, kapitein Cargraves hier.
Waar bent u?'
'Een eindje verderop, ouwe jongen. Maar maak je geen zorgen. Wij zijn bezig jullie te peilen. Blijf uitzenden, alsjeblieft.'
'Laat ons weten, waar we zitten ten opzichte van jullie positie.'
'Maak je daar geen zorgen over. Wij komen naar jullie toe. Blijf waar je bent en blijf uitzenden.'
'Wat is jullie lunaire breedte en lengtegraad?'
De stem weifelde even en vervolgde: 'We hebben jullie nu gelokaliseerd. Details kunnen we later wel uitwisselen. Tot ziens.'
Daarna schreeuwde Art nog 'hallo' tot hij er schor van werd, maar er kwam geen antwoord meer. 'Blijf wel in de lucht, Art,' besliste Cargraves. 'Ross en ik gaan terug naar het schip. Ze zullen het wel zien staan. Hoewel, ik weet het eigenlijk niet. Misschien zijn ze hier pas over een week.' Hij dacht na. 'Dat brengt heel wat nieuwe problemen met zich mee.'
'Er moet iemand naar het schip,' merkte Morrie op, 'en snel ook. Misschien staan ze wel op het punt te landen. Ze kunnen net zo goed elk ogenblik opduiken.'
'Ik geloof niet dat er vanuit een schip werd uitgezonden,' zei Art en draaide zich weer om naar zijn microfoon.
Toch werd er besloten dat Cargraves en Ross terug zouden gaan naar het schip. Ze trokken hun pakken aan, kropen door de luchtsluis en waren nog maar net aan de steile, rotsige afdaling begonnen, toen Ross de raket al zag. Hij hoorde hem uiteraard niet, maar hij keek even achterom om te zien of Cargraves achter hem aankwam. 'Kijk!' riep hij in zijn helmmicro, en wees. Het schip naderde vanuit het westen, laag en nogal langzaam. De piloot zweefde op de motor, want de luchtstroom was meer naar beneden dan naar achteren gericht. 'We zullen moeten opschieten!' riep Ross en rende met grote sprongen vooruit. Maar de raket zette niet aan voor een landing. Hij kwam met zijn neus naar beneden gericht regelrecht op de Galileo af, de voorste motoren op volle toeren om de val te breken. Op een hoogte van niet meer dan honderdvijftig meter trok de piloot hem weer omhoog en stoof weg op de staartmotor. Op de plek waar de Galileo stond was een lichtflits te zien, een explosie in een volmaakte stilte, en een stofwolk die snel weer optrok in het luchtledige. Het geluid bereikte hen via hun voeten, na een hele tijd. De Galileo was gekanteld en had een groot, gapend gat in de romp. De wond strekte zich uit vanaf het verbrijzelde raam tot aan het middendek. Cargraves stond doodstil naar het ongelofelijke tafereel te staren. Ross vond z'n stem als eerste weer terug. 'Ze hebben ons geen kans gegeven,' zei hij, met twee vuisten naar de hemel gebald. 'Geen enkele kans!'
15
'WAT VOORREDEN?'
Hij draaide zich om en liep strompelend terug de helling op, waar Cargraves nog steeds mistroostig en doodstil voor zich uit stond te staren. 'Heb je dat gezien, doe?' vroeg hij. 'Zag je dat? Die vuile rothonden hebben ons gebombardeerd. Ze hebben ons gebombardeerd. Waarom? Waarom, doe? Waarom zouden ze zo iets doen?'
De tranen stroomden over zijn wangen. Cargraves sloeg hem nogal onhandig op zijn schouder. 'Ik weet het niet,' zei hij langzaam. 'Ik weet het niet,' herhaalde hij, nog steeds niet bij machte de schok te verwerken. 'O, ik wil iemand vermoorden!'
'Anders ik wel.' Cargraves draaide zich bruusk om. 'Dat gebeurt misschien nog wel. Kom op. . . we moeten het de anderen gaan vertellen.' Hij begon de helling op te klimmen. Maar Art en Morrie kropen de sluis al uit toen ze aankwamen. 'Wat is er gebeurd?' vroeg Morrie. 'We voelden de grond beven.' Cargraves antwoordde niet onmiddellijk. 'Art, heb je de zender afgezet?'
'Ja, maar wat is er gebeurd?'
'Zet hem niet meer aan. Het zou ze hierheen kunnen leiden.' Hij zwaaide met zijn arm naar de bodem van de krater. 'Kijk maar!' Het duurde een paar minuten voor hetgeen ze zagen tot hen was doorgedrongen. Toen richtte Art zich hulpeloos tot Cargraves. 'Maar, oom,' zei hij op smekende toon, 'wat is er gebeurd? Waarom is het schip geëxplodeerd?'
'Ze hebben ons vanuit de lucht gebombardeerd,' zei Cargraves woedend. 'Ze hebben ons weg gebombardeerd. Als we aan boord waren geweest, zouden ze ons vermoord hebben. Dat was hun bedoeling.' 'Maar waarom?'
'Zomaar. Ze willen ons hier niet hebben.' Hij hield zich in en vertelde niet wat er volgens hem werkelijk aan de hand was: Hun onbekende vijand had alleen maar tijdelijk gefaald in zijn dodelijke opzet. Een snelle dood door een brisantbom was waarschijnlijk een zegen in vergelijking met wat hun nu te wachten stond. . . . aan hun lot overgelaten. . . op een dode, luchtledige planeet. Hoe lang zouden ze het volhouden? Een maand? Twee maanden? Ze hadden beter door de bom getroffen kunnen worden. Morrie draaide zich opeens om naar de sluis. 'Wat ga je doen, Morrie?' 'De geweren ophalen!' 'Aan geweren hebben we niks.'Maar Morrie hoorde hem al niet meer. Zijn antenne werd afgeschermd door de metalen trommel. Ross zei: 'Ik weet het nog zo net niet, of we niks aan geweren hebben, doe.' 'Hoe dat zo?' 'Nou, wat is hun eerstvolgende stap? Ze zullen wel willen zien wat ze hebben uitgevoerd. Ze hebben niet eens gezien of de bom wel raak was; toen schoten ze al weer weg.' 'Ja, en?' 'Als ze landen, kapen we hun schip!' Art kwam dichterbij. 'Hé, Ross, dat is een idee. We krijgen ze nog wel! We zullen ze eens wat laten zien! De moordenaars!' 'We kunnen het proberen!' besliste Cargraves opeens. 'We proberen het. Als ze landen, zullen we ons niet zonder slag of stoot overgeven. We kunnen er nauwelijks beroerder afkomen.' Plotseling voelde hij zich onbezorgd; het vooruitzicht van een vuurgevecht, een nieuwe ervaring voor hem, bracht hem niet meer van zijn stuk. Het vrolijkte hem zelfs op. 'Waar denk je dat we ons moeten schuilhouden, Ross? In de Galileo' 'Als we. . . Daar komen ze aan!'De raket was plotseling boven de krater- wand verschenen. 'Waar is Morrie?' 'Hier.' Hij kwam dichterbij, beladen met de twee geweren en de revolver. 'Hier Ross, neem jij. . . hé!' Hij had de raket van de onbekenden in het oog gekregen. 'We zullen moeten opschieten,' zei hij. Maar de raket landde niet. Hij daalde, dook over de kraterrand naar beneden, gleed op zijn staart over het wrak van de Galileo omhoog en ging weer weg.
'We hebben ze nog niet eens op de korrel kunnen nemen,' zei Morrie verbitterd. 'Nog niet,' antwoordde Ross, 'maar ik denk dat ze terug zullen komen. Dit was zo goed als zeker een tweede bomvlucht, voor het geval ze de eerste keer gemist zouden hebben. Wat denk jij, doe?' 'Ik denk van wel,' verklaarde Cargraves. 'Ze zullen ons schip wel willen bekijken en ons afmaken voor het geval ze ons gemist hadden. Maar we gaan niet naar de Galileo.' 'Waarom niet?' 'We hebben er geen tijd voor. Ze zullen waarschijnlijk zo snel mogelijk omkeren, terugkomen en landen. We zouden op het open terrein betrapt kunnen worden.' 'Dat risico zullen we moeten nemen.' De beslissing werd ze uit handen genomen. De raket kwam weer te voorschijn uit de richting waarin hij was verdwenen. Het was deze keer duidelijk een landingsvlucht. 'Kom op!' schreeuwde Cargraves, en rende als een gek de helling af. De raket landde ongeveer halverwege tussen de Galileo en de schaduwen, nu dichtbij de voet van de heuvels, want de zon was inmiddels vier 'dagen' hoger geklommen. Het schip was zelfs op die afstand duidelijk kleiner dan de Galileo. Cargraves had geen oog voor dergelijke details. Zijn onmiddellijke voornemen was om bij de deur van het schip te staan, voordat die open zou gaan, klaar om ze te grazen te nemen zodra ze naar buiten zouden komen. Maar zijn gezonde verstand kwam hem te hulp voordat hij in het volle zonlicht stapte. Hij realiseerde zich opeens dat hij geen geweer bij zich had. Morrie had er één gehouden, Ross had de andere, en Art liep met de revolver te zwaaien. Hij bleef vlak voor het verblindende, zonovergoten terrein stilstaan. 'Wacht even,' beval hij. 'Ik denk niet dat ze ons al gezien hebben. Ik geloof dat we het zo moeten houden, althans voorlopig.' 'Wat zijn je plannen?' vroeg Morrie. 'Wachten tot ze naar buiten komen, en dan het schip bestormen, als ze een flink eind uit de buurt zijn. Wacht op mijn teken.' 'Zouden ze ons niet kunnen horen?''Misschien wel. Als ze op deze frequentie zitten, kunnen we wel inpakken. Zet je walkietalkies af, allemaal.' Hij deed het zelf ook; de abrupte stilte was beklemmend. De raket stond praktisch met de staart naar hen toe. Hij zag nu drie gedaanten in ruimtepakken naar buiten komen door een deur die in de zijwand openzwaaide. De eerste keek even vluchtig om zich heen, maar zag hen kennelijk niet. Omdat hij vrijwel zeker een zonnebril droeg, viel het te betwijfelen of hij wel iets zou kunnen zien in de schaduwen. Hij gebaarde naar de andere twee en bewoog zich met lange, dravende passen in de richting van de Galileo. Cargraves liet ze helemaal tot de Galileo komen, en liet ze er in feite achter verdwijnen, voordat hij overeind kwam uit zijn ineengedoken houding. 'Kom op!' schreeuwde hij in een dode microfoon en rende vooruit met grote sprongen, die hem bij elke stap zo'n vijftien meter verder brachten. De buitendeur van de sluis stond open. Hij klom naar binnen en deed hem achter zich dicht. Hij werd vergrendeld door een in het midden gemonteerd wiel; de werking was duidelijk. Vervolgens keek hij om zich heen. De kleine sluis werd flauw verlicht door een glazen ruit in de binnendeur. Bij dit zwakke licht keek hij in het rond en tastte naar wat hij nu moest zien te vinden: de luchtklep. Hij vond hem en hoorde de lucht het compartiment binnensissen. Hij ging met zijn volle gewicht tegen de binnendeur hangen en wachtte af. Plotseling gaf de deur mee; hij bevond zich nu in de raket en knipperde met zijn ogen. Er zat nog een man in de stuurstoel. Hij draaide zijn hoofd om en zei kennelijk iets. Cargraves kon het door zijn helm heen niet horen en het interesseerde hem ook niet. Alle voordelen van de geringe zwaartekracht te baat nemend, dook hij op de man af en greep hem bij zijn hoofd en schouders. De man was te verbaasd om veel weerstand te kunnen bieden. Niet dat het ook maar iets had uitgemaakt; Cargraves had het gevoel alles en iedereen aan te kunnen, tijgers inbegrepen. Hij bemerkte dat hij het hoofd van de man tegen het zachte kussen van de acceleratiestoel ramde. Dat, realiseerde hij zich, had geen zin. Hij haalde uit met z'n gehandschoende vuist en begroef die in de maag van de man. De man gromde en zijn verzet verslapte. Cargraves joeg een korte, directe hoek tegen de onbeschermde kin. Verdere behandeling was niet meer nodig. Cargraves duwde hem op de grond, waarbij het hem toevallig opviel dat er een holster aan de riem van zijn slachtoffer hing, met iets dat op het eerste gezicht op een zwaar kaliber Mauser leek, en ging vervolgens bovenop hem staan. Hij keek uit het kajuitraam. Dichtbij het gebroken venster van de Galileo lag een gedaante ineengezakt op de grond, vriend of vijand, dat viel onmogelijk te bepalen. Maar er stond iemand over hem heen die bij hem hoorde, dat zonder twijfel. Het bleek niet alleen uit de onbekende snit van zijn ruimtepak, maar ook uit het pistool in zijn hand. Hij vuurde in de richting van de raket waarin Cargraves stond. Hij zag de flits van een schot, maar de daaraan verbonden knal bleef uit. Er volgde weer een schot, en dat was bijna oorverdovend; het schip werd getroffen en galmde als een reusachtige klok. Hij verkeerde in tweestrijd. Hij was erop gebrand zich in het gevecht te mengen; het wapen van zijn uitgeschakelde tegenstander bood een mogelijkheid. Toch kon hij zijn gevangene niet alleen achterlaten in het schip als hij naar buiten ging, en hij voelde er evenmin weinig voor een bewusteloze man te doden, zelfs niet in het vuur van de strijd. Hij had in een fractie van een seconde al besloten om zijn mannetje een behoorlijke opstopper te verkopen en naar buiten te gaan, toen de tragedie aan de andere kant van het raam hem geen tijd meer liet. De vreemdeling in het ruimtepak bij het venster van de Galileo stond opeens zonder helm. Rond zijn nek zat enkel nog een gescheurde kraag. Hij liet zijn pistool vallen en greep naar zijn gezicht. Hij bleef even zo staan, alsof zijn hachelijke toestand hem verbijsterde, deed twee aarzelende passen naar voren, en zakte zachtjes op de grond. Hij rolde nog wat heen en weer maar stond niet op. Hij lag nog krampachtig te stuiptrekken toen er een derde man vanachter het uiteinde van het schip kwam opdagen. Hij maakte het niet lang. Hij was kennelijk verward, niet in staat de loop van de gebeurtenissen te bevatten, wat heel waarschijnlijk was met het oog op de spookachtige stilte van het revolvergevecht. Het was heel goed mogelijk, dat hij nooit heeft geweten wat hem raakte, en al evenmin waarom. Hij was nog bezig zijn pistool te trekken toen hij voor de tweede keer werd getroffen, eerst in zijn borst en toen in zijn maag. Hij boog voorover, tot zijn helm de grond raakte, en zakte in elkaar. Cargraves hoorde een gerucht achter zich. Hij griste de revolver te voorschijn die hij op scherp had gezet, draaide zich om en zag de deur van de luchtsluis opengaan. Het was Art, rood aangelopen en met een verwilderde blik in zijn ogen. 'Zijn er hierbinnen nog meer?' riep de jongen hem toe, terwijl hij zijn revolver rondzwaaide. Zijn stem drong heel zwakjes tot Cargraves door.'Nee. Zetje radio aan,' schreeuwde hij terug, waarop hij zich realiseerde dat die van hemzelf ook nog uit was. Hij herhaalde zijn verzoek, toen hij hem had ingeschakeld. 'Die van mij staat aan,' antwoordde Art. 'Ik heb hem aangezet toen de sluis volstroomde. Hoe is het daarbuiten?' 'Prima, zo te zien. Kom, bewaak jij deze kerel hier.' Hij wees naar zijn voeten. 'Ik ga naar buiten.' Dat was echter niet meer nodig. De sluis ging opnieuw open en Ross en Morrie puilden allebei naar buiten. Verstrooid vroeg Cargraves zich af hoe ze zich samen in die nauwe ruimte hadden weten te wringen. 'Nog hulp nodig?' vroeg Morrie. 'Nee. En jullie kennelijk ook niet, als ik het zo bekijk.' 'We hadden ons verdekt opgesteld,' zei Ross uitbundig. 'Lagen verborgen in de schaduw van het schip en knalden ze neer zodra ze zich lieten zien. Allemaal, behalve die tweede. Die had ons verdomme bijna te pakken, voordat wij hem te pakken hadden. Weetje,' ging hij terloops verder, alsof hij zijn hele leven niet anders had gedaan, 'dat het nauwelijks mogelijk is een geweer goed te richten met één van deze viskommen over je hoofd?' 'Hm. . . Het is je toch aardig gelukt.' 'Puur geluk. Morrie schoot vanaf zijn heup.' 'Niet waar,' ontkende Morrie. 'Ik heb bij elk schot zorgvuldig staan mikken.' Cargraves waarschuwde ze een oogje op de gevangene te houden, omdat hij buiten een kijkje wilde nemen. 'Waarom,' vroeg Art, 'zouden we de moeite nemen om hem te bewaken? Neerknallen en eruit gooien, dat zeg ik ervan.' 'Bedaar een beetje,' zei Cargraves tegen hem. 'Gevangenen neerschieten is niet beschaafd.' Art snoof verontwaardigd. 'Is hij beschaafd?' 'Houd je gedeinsd, Art. Morrie, jij neemt het hier over.' Hij sloot zichzelf op in de luchtsluis.
Het onderzoek vergde weinig tijd. Twee van de vreemdelingen hadden wonden opgelopen die volgens hem in ieder geval dodelijk zouden zijn geweest, maar hun pakken waren toch al leeggelopen. De derde, wan wie de helm was getroffen, viel al evenmin nog te helpen. Zijn ogen puilden uit en staarden nietsziend naar de fluwelen hemel. Het bloed uit zijn neus schuimde nog. Hij was dood, verdronken in de leegte. Hij ging terug naar het kleine schip, zonder zelfs maar een vluchtige blik te werpen op de treurige hoop oud roest die eens de mooie, glanzende Galileo was geweest. Terug in het schip liet hij zich zuchtend in een van de acceleratiestoelen vallen. 'Het is nog niet zo gek,' zei hij. 'We hebben een schip.' 'Dat denk jij,' zei Art duister. 'Kijk eens naar dat instrumentenbord.'
16
‘HET GEHEIM ACHTER DE MAAN’
'Wat?' zei Cargraves en keek in de aangewezen richting. 'Dit is geen ruimteschip,' zei Art verbitterd. 'Dit ding is een jeep. Kijk daar maar.' Hij wees op twee peilglazen. Op de een stond SAUERSTOFF, op de andere ALCOHOL. 'Zuurstof en alcohol. Dit ding is meer een speelgoedwagentje.'
Op dat ogenblik opende de gevangene zijn ogen en probeerde rechtop te gaan zitten.
Cargraves greep hem bij een schouder, sleurde hem overeind en duwde hem in de stoel waaruit hij juist was opgestaan. 'En nu jij,' snauwde hij. 'Vertel!'
De man zag er nogal verdwaasd uit en gaf geen antwoord. 'Probeer het eens in het Duits, oom,' stelde Art voor. 'De opschriften zijn allemaal in het Duits.'
Cargraves moest ver terugduiken in z'n technische opleiding om met enige moeite op Duits over te schakelen. 'Hoe heet je?'
'Mijn naam is Friedrich Lenz, technisch sergeant tweede klas. Wie bent u?'
'Ik stel hier de vragen. Waarom heb je ons schip gebombardeerd?' 'Dienstbevel. Het werd me opgedragen.' 'Dat is geen reden. Waarom heb je een vreedzaam schip gebombardeerd?'
Er verscheen een koppige uitdrukking op zijn gezicht. 'Goed dan,' vervolgde Cargraves, nog steeds in het Duits. 'Zet de luchtsluis maar open, Art. We gooien deze prul naar buiten op de oppervlakte van de maan.'
De zogenaamde technisch sergeant barstte opeens uit in een stortvloed van woorden. Cargraves fronste zijn voorhoofd. 'Art,' zei hij, weer in het Engels, 'je zult me moeten helpen. Hij gaat te vlug voor mij.' 'En vertalen!' protesteerde Ross. 'Wat zegt hij allemaal?' 'Ik zal het proberen,' beloofde Art en schakelde over op Duits. 'Beantwoord die vraag nog eens een keer. En langzaam praten.' 'Ja. . . beloofde de man terwijl hij Cargraves aankeek. ' " Herr Kapitan!' " bulderde Art tegen hem. "Ja, Herr Kapitan,' " beaamde de man vol ontzag, 'ik was bezig uit te leggen. . . ' Eindelijk ging hij verder.
Art vertaalde als de man even zweeg. 'Hij zegt dat hij een bemanningslid van deze raket is. Hij zegt dat het commando werd gevoerd door luitenant. . . die naam heb ik niet verstaan; het is één van de kerels die we hebben neergeschoten, en dat hun leider opdracht had gegeven een schip op deze plaats op te sporen en te bombarderen. Hij zegt dat het geen. . . uh, niet zomaar een aanval was, omdat het een oorlogshandeling was.'
'Oorlog?' vroeg Ross. 'Waar heeft hij het verdomme over, "oorlog"? Er is helemaal geen oorlog. Het was pure moord met voorbedachten rade.' Art praatte weer tegen de gevangene. 'Hij zegt dat er oorlog is, dat er altijd oorlog is geweest. Hij zegt dat er altijd oorlog zal blijven, totdat het Rijk heeft gezegevierd.' Hij luisterde weer even. 'Hij zegt dat het Rijk duizend jaar zal bestaan.' Morrie bezigde een aantal woorden die Cargraves hem nog niet eerder had horen gebruiken. 'Vraag eens hoe hij daarbij komt.' 'Laat maar,' merkte Cargraves op. 'Er begint me iets te dagen.' Hij richtte zich rechtstreeks tot de man. 'Hoeveel leden heeft jullie partij, hoe lang zitten jullie al op de maan, en waar is jullie basis?' Art zei: 'Hij beweert dat hij dit soort vragen krachtens het volkenrecht niet hoeft te beantwoorden.' 'Je zou hem kunnen vertellen dat de krijgswetten zijn afgeschaft toen de oorlog ten einde was. Laat verder maar. . . Vertel hem dat we hem, als hij meent recht te hebben op de privileges van een krijgsgevangene, in vrijheid zullen stellen, en wel onmiddellijk!' Hij wuifde met zijn duim in de richting van de luchtsluis. Hij had Engels gesproken, maar de gevangene begreep het gebaar. Hij kwam dan ook bereidwillig met allerlei details op de proppen. Ze hadden een ondergrondse basis circa twintig kilometer ten westen van de krater waarin de vernietigde Galileo lag. Er was één raket op de basis, veel groter dan de Galileo, die ook werd aangedreven door kernenergie. Hij zag zichzelf als een onderdeeltje in het leger van het Rijk. Hij wist niet waarom er bevel was gegeven de Galileo op te blazen, maar hij nam aan dat het een militaire veiligheidsmaatregel betrof, om hun plannen te beschermen. 'Wat voor plannen?' Hij werd weer wat weerspannig. Cargraves opende zowaar de binnendeur van de sluis zonder zelf precies te weten hoe ver hij wilde gaan om de man inlichtingen af te dwingen, toen de man afknapte. Die plannen waren simpel: de verovering van de gehele aarde. Ze waren niet met zovelen, maar zij vertegenwoordigden wel een aantal van de knapste breinen op militair, natuurkundig en technisch terrein uit het Rijk. Ze waren uit Duitsland ontsnapt, hadden een afgelegen basis in de bergen gevestigd en waren sindsdien doende geweest met de heroprichting van het Rijk. De sergeant wist kennelijk niet waar de basis zich bevond; Cargraves ondervroeg hem diepgaand. Afrika? Zuid-Amerika? Een eiland? Maar het enige dat hij uit hem wist te krijgen was, dat het vanuit Duitsland een lange, onderzeese reis was. Maar het was de doelstelling, der Tag, die hen te zeer bezighield om zich zorgen te maken over het gevaar waarin ze zelf verkeerden. Ze hadden atoombommen, maar zolang ze nog gebonden waren aan hun geheime basis op Aarde, durfden ze niet tot daden over te gaan, want de V.N. hadden ze ook, en in grotere hoeveelheden. Maar toen ze erin slaagden ruimtevluchten uit te voeren, was de oplossing gevonden. Ze zouden veilig buiten bereik op de maan blijven en de steden op de Aarde één voor één vernietigen door vanaf de maan gelanceerde geleide projectielen, tot de volslagen machteloze landen van de Aarde zouden capituleren en om genade zouden smeken. De aankondiging van de uiteindelijke opzet bracht weer een vlaag van arrogantie teweeg bij hun gevangene. 'En jullie kunnen ons niet tegenhouden,' stelde hij vast. 'Je kunt mij doden, maar jullie kunnen ons niet tegenhouden.' 'Zal ik eens in zijn oog spugen, doe?' vroeg Morrie terloops. 'Ik zou het niet verspillen,' adviseerde Cargraves. 'Laten we eens zien of we met enig denkwerk een uitweg uit deze rottroep kunnen vinden. Suggesties?' Hij sleurde de gevangene uit zijn stoel en dwong hem voorover op het dek te gaan liggen. Vervolgens ging hij bovenop hem zitten. 'Zeg het maar,' drong hij aan. 'Volgens mij spreekt hij nog geen twee woorden Engels. Wat denk jij, Ross?' 'Nou,' antwoordde Ross, 'er zijn nu meer dingen die een rol spelen dan uitsluitend ons eigen hachje redden. We moeten ze tegenhouden. Maar het idee om vijftig man te lijf te gaan met twee geweren en twee pistolen lijkt mij meer een karwei voor Tarzan of Superman. Eerlijk gezegd zou ik niet weten, hoe we dat moeten aanpakken.' 'Als we ze nou eerst eens proberen op te sporen. Twintig kilometer is niet zoveel. Op de maan niet althans.' 'Luister eens,' zei Art, 'over een dag of twee heb ik wel een zender in elkaar gezet waarmee we de Aarde kunnen bereiken. Wat wij nodig hebben is versterking.' 'En hoe komt die hier?' wilde Ross weten. 'Wij hadden het enige ruimteschip, op dat van deze lieden na dan.' 'Ja, maar luister nou eens. De ontwerpen van doe liggen voor het grijpen. Je hebt volledige beschrijvingen achtergelaten bij de vader van Ross, nietwaar, doe? Ze kunnen zo aan de slag en er nog een stel bouwen en dan hierheen komen om die schooiers op te blazen.' 'Dat is misschien nog wel het beste,' antwoordde Cargraves. 'We mogen de zaak niet in het honderd laten lopen, dat staat wel vast. Ze zouden om te beginnen de aardse basis van deze schurken kunnen overvallen en waarschijnlijk binnen een paar weken deze hier kunnen platgooien, omdat ze weten dat ons schip functioneerde en onze ontwerpen in hun bezit zijn.' Morrie schudde zijn hoofd. 'Dat is een totaal verkeerde aanpak. We moeten ze nu meteen te grazen nemen. Geen uitstel, precies zoals zij ons hebben platgegooid. Stel dat de V.N. zes weken nodig hebben om hier te arriveren. Zes weken zou wel eens te lang kunnen zijn. Drie weken zou wel eens te lang kunnen zijn. Eén week is misschien al te lang. Een atoomoorlog is binnen één dag een bekeken zaak.' 'Nou, laten we onze vriend dan eens vragen of hij weet wanneer ze denken toe te slaan,' stelde Ross voor. Morrie schudde zijn hoofd en hield Art tegen. 'Zinloos. We zullen nooit de gelegenheid krijgen om een zender te bouwen. Ze zullen over deze krater uitzwermen als verslaggevers bij een moordzaak. Luister nou eens, ze kunnen elk ogenblik hier zijn. Denken jullie dat ze deze raket niet zullen missen?' 'O, verdraaid!' Dat was Art. Ross voegde eraan toe: 'Hoe laat is het, doe?'
Tot hun grote verbazing waren er nog slechts veertig minuten verstreken sinds het bombardement van de Galileo. Het leek wel een dag. De gevangene had toegegeven dat de raket waarin ze zich bevonden het enige bruikbare geval was op korte afstanden. En het ruimteschip hij noemde het de Wodan kon nauwelijks gebruikt worden voor een speurtocht. Misschien hadden ze een paar betrekkelijk vrije uren voor zich. 'Maar ik zie het nog steeds niet zitten,' moest Cargraves bekennen. 'Twee geweren en twee pistolen, en wij met z'n vieren. De overmacht is te groot, en we mogen niet verliezen. Ik weet dat jullie niet bang zijn om te sterven, maar we moeten winnen.' 'Waarom,' vroeg Ross, 'moet het met geweren?' 'Wat anders?' 'Deze kist heeft ons gebombardeerd. Ik wil wedden dat er meer dan één bom aan boord is.' Cargraves keek verrast op en richtte zich in rap Duits tot de gevangene. Hij kreeg een kort antwoord. Cargraves knikte en zei: 'Morrie, denk jij deze hoop oud roest van de grond te kunnen krijgen?' 'Ik zou altijd een poging kunnen wagen.' 'oké. Doen we. We dwingen die kerel hier hem op gang te brengen, met een pistool tussen zijn ribben, en daarna zul je het verder zelf uit moeten zien te vinden. Het zal bij deze ene kans blijven en oefenen is er niet bij. Laten we nou eerst eens kijken hoe die bommen werken.' De werking was tamelijk eenvoudig. Een richtkijker was niet aanwezig. De piloot bracht het schip in een rechte duikvlucht en gooide de bom los, vlak voordat hij weer optrok. Er was een installatie om de bom los te koppelen van het schip; de bom zou dan zijn weg vervolgen, langs de baan van het schip. Toen ze daarachter waren, verifieerden ze een en ander bij de piloot, die ze bevestigde. Er stonden twee stuurstoelen en twee passagierstoelen, direct achter de stuurstoelen. Morrie nam plaats in de ene stuurstoel, de gevangene in de andere. Ross zat achter Morrie, terwijl Cargraves met Art op z'n schoot zat, samen vastgesnoerd met één riem. Daardoor werd Art dicht tegen de achterkant van de stoel van de man geduwd, wat goed uitkwam, omdat Art om de stoel heen een revolver in de zij van de kerel porde. 'Alles klaar, Morrie?' 'Alles klaar. Ik vlieg er één keer overheen om me te oriënteren en de toegang van hun schuilplaats te lokaliseren. Dan keer ik om en geef ze de volle laag.' 'Uitstekend. Probeer hun raket niet te raken, als het even kan. Het zou wel aardig zijn om ooit nog eens naar huis te gaan. Omhoog met die handel! Achturig!'
De wrekers kwamen los van de grond. 'Hoe gaat het?' schreeuwde Cargraves even later. 'oké!' antwoordde Morrie met stemverheffing om boven het lawaai uit te komen. 'Ik vlieg zo door een schoorsteen naar beneden, als het moet. Verderop ligt een heuvel, geloof ik, daar!' De zilverachtige vorm van de Wodan vlak naast de heuvel waarlangs ze omhoog schoten, maakte een eind aan alle twijfel. Op het eerste gezicht was het een hoop rotsen. Ze waren er alweer voorbij en Morrie draaide om, met hevige terugstoten om zijn vaart af te remmen, waardoor ze stevig in hun stoelen werden geduwd. Art had moeite zijn revolver stevig vast te blijven houden zonder te vuren. Morrie was al op de terugweg en klom omhoog voor de duikvlucht. Cargraves vroeg zich af of Morrie de luchtsluis van de ondergrondse basis ook inderdaad had gezien; hij had er zelf geen glimp van kunnen opvangen. De tijd ontbrak om daar nog langer bij stil te staan. Morrie dook al naar beneden; ze werden tegen de kussens gedrukt toen hij even later worstelde om uit de duikvlucht te komen door de raket met horten en storten weer op te trekken. Ze hingen een seconde lang stil en Cargraves dacht al dat Morrie het net even te mooi had willen doen in zijn vurige verlangen een volmaakte treffer af te werpen; hij zette zich al schrap voor de klap. Toen gingen ze omhoog. Eenmaal op hoogte gooide Morrie hem weer om en zette zijn motor af. Ze daalden en door het kajuitraam staarde de grond hun tegemoet. Ze konden de werveling stof en zand nog steeds zien stijgen. Plotsklaps verscheen er middenin een sissende windvlaag, een machtige luchtstroom, stukken puin en nog meer zand. Dat alles was op slag verdwenen in het vacuüm van die vlakte daar beneden, en toen zagen ze de opengereten wond, een zwart gat dat naar beneden leidde. Hij had de luchtsluis met een voltreffer opgeblazen.
Morrie zette hem volgens Cargraves' plan aan de grond, achter de Wodan en een eind bij het gat vandaan. 'oké, doe!' 'Goed zo. Laten we ons plan nog eens doorlopen, er mag niets misgaan. Ross gaat met mij mee. Art en jij blijven in de jeep. Eerst onderzoeken we de Wodan, daarna verkennen we de basis. Als we langer dan dertig minuten wegblijven, kunnen jullie aannemen dat we dood zijn of gevangen genomen. Wat er ook gebeurt, je verlaat deze raket in geen geval. Als er iemand jullie kant opkomt, wegwezen. Laat ons zelfs niet naderbij komen, tenzij we alleen zijn. Wegwezen is de boodschap. Jullie hebben nog één bom;je weet watje daarmee moet doen.' Morrie knikte. 'De Wodan bombarderen. Dat zou ik toch niet graag doen.' Hij staarde weemoedig naar het grote schip, hun enige band met de Aarde. 'Maar het moet. Art en jij zullen het dan op een lopen moeten zetten, terug naar het Hondenhok om je daar schuil te houden. Het is jouw taak, Art, om op de een of andere manier een toestel in elkaar te sleutelen, waarmee je een bericht naar de Aarde kunt zenden. Dat is jullie taak. Je dient hier in geen geval terug te komen om Ross en mij op te sporen. Als jullie je schuilhouden, kan het weken duren voor ze jullie vinden, en daar ligt jullie kans. De enige kans ook van de Aarde. Afgesproken?' Morrie aarzelde. 'Stel dat we een bericht naar de Aarde weten te krijgen. Wat dan?' Cargraves dacht even na en antwoordde toen. 'We kunnen hier niet eeuwig blijven kletsen, we moeten aan het werk. Als je een bericht weet over te brengen en uit het antwoord blijkt duidelijk dat ze je geloven en er werk van maken, dan sta je er verder alleen voor. Maar ik raad jullie aan geen risico’s te nemen. Als wij hier over dertig minuten niet terug zijn, kun je ons waarschijnlijk toch niet meer helpen.' Hij zweeg een ogenblik en besloot er nog één ding aan toe te voegen; de trouw van de jongen had hem op één punt aan het twijfelen gebracht. 'Je weet toch dat, wanneer het erop aankomt die bom te laten vallen, je hem ook laat vallen boven de plek waar hij neer moet komen, ook al staan Ross en ik naast het doel?' 'Ik dacht van wel, ja.' 'Dat is een bevel, Morrie.' 'Ik begrijp 't.' 'Morrie!' 'Aye, aye, kapitein!' 'Uitstekend, meneer, dat lijkt er meer op. Art, Morrie heeft de leiding. Kom op, Ross.' Op het raketveld was geen beweging te zien. Het stof van het bombardement, zonder lucht om het omhoog te houden, was volledig verdwenen. De gebarsten luchtsluis lag donker en stil aan de overkant van het terrein; naast hen stond de glanzende, machtige Wodan, stil en verlaten. Cargraves liep om het schip heen, zijn revolver schietklaar in zijn hand, terwijl Ross hem volgde, gewapend met een van de Garands. Volgens plan bleef Ross een flink eind achter. Evenals de Galileo had de Wodan maar één deur, aan bakboord, net achter de stuurcabine. Hij gebaarde Ross achter te blijven en klom vervolgens langs een kleine metalen ladder omhoog en probeerde de klink. Tot zijn verbazing was het schip niet afgesloten, waarop hij zich afvroeg waarom hem dat eigenlijk verbaasde. Sloten werden alleen in steden gebruikt. Terwijl de druk in de luchtkamer geëgaliseerd werd, haalde hij een zaklantaarn tussen zijn riem vandaan die hij in de raketjeep had buitgemaakt en hield zich gereed om, wat er ook achter de deur zou verschijnen, onder ogen te zien. Toen de deur met een zucht openzwaaide, liet hij zich opzij vallen en het licht door het compartiment dwalen. Niets. . . niemand.
Het schip was van voor tot achtersteven totaal onbemand. Het was bijna te toevallig. Al was dit een rustperiode, of al was er aan het schip geen werk te doen, dan nog verwachtte hij minstens een wachtpost. Een bewaker betekende echter één paar handen minder om te werken... en ze waren hier op de maan, waar één paar handen voor honderd of duizend op Aarde telde. Mensen werden hier zeer gewaardeerd; het was waarschijnlijker, concludeerde hij, dat de bewaker een radar zou zijn, automatisch en immer waakzaam. En waarschijnlijk eveneens met een automatisch alarm, dacht hij, toen hij zich het prompte antwoord herinnerde op hun eigen oproep, die allereerste keer dat ze iets hadden uitgezonden. Hij liep door een passagierscompartiment, uitgerust met tientallen acceleratiekooien en via een scheepsruimte verder naar achteren. Hij was op zoek naar de energiebron.
Hij vond hem niet. In plaats daarvan stuitte hij op een aan elkaar gelast stalen schot zonder ook maar iets dat op een deur leek. Piekerend ging hij terug naar de controlekamer. Wat hij daar aantrof, zette hem nog meer aan het piekeren. De acceleratiestoelen waren redelijk conventioneel; sommige navigatie-instrumenten waren van het gangbare type; maar aan de stuurinrichting viel geen touw vast te knopen. Hoewel dit hem verbaasde, was één ding toch wel erg duidelijk. De schurken hadden de bijna onmogelijke taak om zo'n reusachtig ruimteschip op een geheime schuilplaats te bouwen, bepaald niet zonder hulp volbracht, net zo min als hij en de jongens de Galileo zonder hulp hadden gebouwd. In beide gevallen was het een en ander omgebouwd en had men wat aanvullende apparatuur geïnstalleerd. Want de Wodan was een van de mooiste, nieuwste en grootste schepen, die ooit door de fabriek in Detroit waren afgeleverd. De tijd begon te dringen. Hij had zeven minuten nodig gehad om het schip door te sluipen. Hij haastte zich naar buiten en zocht Ross weer op. 'Leeg,' berichtte hij. Details konden altijd later nog nader onderzocht worden. 'Laten we hun rattenhol eens proberen.' Hij begon met grote sprongen het terrein over te steken.
Ze moesten voorzichtig hun weg zoeken tussen het losse puin rondom de opening van het hol. Omdat de bom geen atoombom, maar een brisantbom was geweest, liepen ze niet het gevaar besmet te worden, maar wel het gevaar in de duisternis te struikelen, uit te glijden en te vallen. Opeens maakte het puin plaats voor een trap die tot diep onder het oppervlak leidde. Ross scheen met zijn zaklantaarn in het rond. De wanden, treden en het plafond waren bedekt met de een of andere vernissoort, die erop was gespoten om de zaak af te dichten. Het materiaal was doorzichtig, of zo goed als, en ze zagen dat het zorgvuldig gevoegd metselwerk afdichtte. 'Die hebben er heel wat voor over gehad, hè?' merkte Ross op. 'Stil!' antwoordde Cargraves. De steile gang eindigde meer dan zestig meter lager; ze stonden weer voor een deur, geen luchtsluis, die kennelijk was bedoeld als luchtdichte veiligheidsdeur. De eigenaars hadden er geen baat bij gehad; de ontploffing gevolgd door een plotselinge vermindering van de normale druk was te veel geweest. De deur zat op zijn plaats geklemd, maar was zo verwrongen en bol gaan staan dat ze zich erlangs konden wringen. Er scheen licht in de kamer erachter. De explosie had de meeste ouderwetse lampen die daar hingen gebroken, maar hier en daar brandde nog licht, waardoor ze konden vaststellen dat ze in een grote hal stonden. Cargraves ging behoedzaam verder. Rechts van de hal lag een kamer achter een gewone, open deur, die nog maar aan één hengsel hing. Daarbinnen ontdekten ze de reden voor het verlaten raketveld tijdens hun aanval. De kamer was een slaapzaal; de schurken waren in hun kooien gestorven. 'Nacht' en 'dag' waren willekeurige begrippen op de maan, voor zover ze betrekking hadden op de slaap, eet en werktijden van mensen. De nazi's hadden een ander schema; zij waren zo onfortuinlijk geweest te slapen toen de bom van Morrie hen van hun lucht had beroofd. Cargraves bleef net lang genoeg in de kamer om zich ervan te overtuigen dat ze allemaal dood waren. Hij liet Ross niet binnenkomen. Er was wel wat bloed dat voornamelijk uit de monden en de uitpuilende ogen vloeide. Dat was ook niet de reden voor zijn overdreven bezorgdheid. Hij ging naar buiten voordat hij misselijk begon te worden. Ross had iets ontdekt. 'Kijk hier eens!' zei hij dringend. Cargraves keek. Er was een gedeelte van de muur weggerukt door de plotselinge vermindering van de luchtdruk. Het was een metalen paneel, in plaats van het stenen metselwerk waaruit de rest van de muren bestond. Ross had eraan staan trekken en sjorren om te kunnen zien wat erachter lag en liet zijn licht nu in de duisternis erachter schijnen. Daar was een tweede gang, belegd met zorgvuldig op maat uitgehouwen stenen. Maar hier werd het steen niet bedekt door een isolerende laag vernis. 'Ik vraag me af, waarom ze hem afgesloten hebben toen ze dit bouwden?' wilde Ross weten. 'Denk je dat ze daar spullen hebben opgeslagen? Hun atoombommen bij voorbeeld?' Cargraves bekeek de met veel geduld passend gemaakte stenen die zich uitstrekten tot in een onpeilbare duisternis. Na een hele poos antwoordde hij zacht: 'Ross, je hebt geen magazijn van deze boeven ontdekt. Je hebt de woningen van maanmensen ontdekt.'
17
'HET EINDE NABIJ'
Deze keer zat Ross bijna net zo om woorden verlegen als Art. Toen hij weer in staat was uit zijn woorden te komen vroeg hij: 'Weetje dat zeker? Weetje dat zeker, doe?' Cargraves knikte. 'Zo zeker als ik op dit moment maar kan zijn. Ik vroeg me toch al af waarom die boeven zo'n enorme basis hadden aangelegd en waarom ze daarvoor dergelijk keurig metselwerk hadden aangebracht. Dat is een moeizaam karwei met een ruimtepak aan. Maar ik schreef het toe aan hun reputatie om de dingen nogal nauwgezet te maken, iets wat zij "efficiency" noemen. Ik had beter moeten weten.' Hij tuurde de mysterieuze, sombere gang in. 'Dit is zeker niet in de afgelopen maanden zo gebouwd.' 'Hoe lang geleden, denk je?'
'Hoe lang? Hoe lang is een miljoen jaar? Hoe lang is tien miljoen jaar? Ik weet het niet. Ik heb al moeite genoeg om in gedachten duizend jaar te overbruggen. Misschien komen we daar wel nooit achter.' Ross wilde op onderzoek uit. Cargraves schudde zijn hoofd. 'We kunnen niet zomaar in het wilde weg gaan zoeken. Dit is prachtig, zo iets is in eeuwen niet vertoond. Maar het loopt niet weg. Nu,' zei hij met een vluchtige blik op zijn horloge, 'hebben we nog elf minuten om de zaak hier af te ronden en terug te gaan naar de oppervlakte, anders gaat hier het een en ander gebeuren!'
De rest van de basis liep hij in de looppas door terwijl Ross hem in de rug dekte vanuit de centrale hal. Hij vond de radiokeet' waar een man dood achter de microfoon zat, en stelde vast dat de apparatuur op het eerste gezicht niet veel schade had opgelopen toen de wervelwind van ontsnappende lucht uit de basis was weggeglipt. Verderop lag een arsenaal bommen voor de jeep, en geweren, maar er was geen mens te zien. Hij ontdekte het magazijn voor de geleide projectielen, meer dan twee honderd waren het er. Die aanblik had afschuw bij hem moeten opwekken, omdat hij wist dat elk projectiel een stad kon vernietigen, maar hij had er geen tijd voor. Hij rende verder.
Hij kwam in een wat kleinere kamer, goed gemeubileerd, die een soort officierskajuit scheen te zijn, of een gemeenschappelijke ruimte voor de officieren. Daar trof hij een man aan, die er niet zo slecht aan toe was als de rest.
Hij lag voorover en droeg een ruimtepak. Hoewel hij zich niet verroerde, kwam Cargraves voorzichtig dichterbij.
De man was of dood of bewusteloos. Cargraves vroeg zich af wat hij moest doen en boog zich over hem heen. In zijn riem zat een pistool; Cargraves pakte het en stak het in zijn eigen riem.
Hij kon door het zware pak en zijn eigen handschoen heen geen hartslag voelen en hij kon er al evenmin naar luisteren, omdat hij zelf een helm droeg.
Volgens zijn horloge had hij nog vijf minuten; wat hij ook deed, het moest snel gebeuren. Hij pakte de slappe gedaante onder de oksels en sleepte hem met zich mee. 'Wat heb je daar?' vroeg Ross.
'Een souvenir. Laten we gaan. Geen tijd meer.' Hij spaarde zijn adem voor de klim naar boven. Hij had nog twee minuten over. 'Ren naar de jeep,' beval hij Ross. 'Ik kan dit geval hier niet meenemen anders denkt Morrie misschien aan een valstrik. We zien elkaar in de Wodan. Vooruit!' Hij gooide zijn vrachtje over zijn schouder en begaf zich op een draf naar het grote schip.
Eenmaal binnen legde hij zijn lading neer en ontdeed de man van zijn ruimtepak. Het lichaam was nog warm, hoewel de kerel op het eerste gezicht dood leek. Hij kwam echter tot de ontdekking dat er een zwakke hartslag te bespeuren viel. Hij begon kunstmatige ademhaling toe te passen, toen de jongens de sluis uitkwamen.
'Hallo,' zei hij, 'wil iemand me hier even aflossen? Ik weet er niet zoveel van.'
'Waarom al die moeite?' vroeg Morrie.
Cargraves hield even op en keek hem vragend aan. 'Nou, afgezien van de gebruikelijke redenen die je bij je opvoeding zijn voorgehouden, zou hij levend voor ons wel eens van meer nut kunnen zijn dan dood.' Morrie haalde zijn schouders op. 'oké, ik neem het wel over.' Hij liet zich op zijn knieën vallen, ging op de plaats van Cargraves zitten en ging aan het werk.
'Ik heb ze verteld van onze ontdekking, de ruïnes.' 'Zo erg is het niet,' merkte Cargraves op.
'Moet u luisteren, oom,' vroeg Art. 'Mag ik daar naar beneden? Ik moet er een paar foto's van hebben.'
'Foto's kunnen wachten,' verklaarde Cargraves. 'Voorlopig moeten we zien uit te vissen hoe dit schip werkt. Zodra we dat doorhebben, gaan we terug. Dat gaat voor.' 'Ja, natuurlijk,' gaf Art toe, 'maar. . . dan, daarna? Ik bedoel maar. Helemaal geen foto's?' 'Nou. . laten we het zo afspreken. Ross, Morrie en ik, om van jou nog maar te zwijgen, konden wel eens een hele tijd bezig zijn om erachter te komen hoe dit schip werkt. Misschien kunnen we jou wel een minuut of twintig missen. Intussen is de discussie gesloten. Kom op, Ross. O, ja, wat heb je met de gevangene uitgevoerd?' 'O, die,' antwoordde Morrie, 'we hebben hem vastgebonden achtergelaten.' 'Stel dat hij weet los te komen? Hij zou ervandoor kunnen gaan met de raket.' 'Die komt niet los. Ik heb hem zelf vastgebonden en ik vond het een boeiende bezigheid. Hij zal sowieso toch niet proberen ervandoor te gaan, zonder ruimtepak, zonder eten. Dat jochie weet best dat zijn enige kans op een gezegende oude dag van ons afhangt en die wil hij zeker niet op het spel zetten.' 'Dat is zo, oom,' beaamde Art. 'Je had moeten horen wat hij mij allemaal heeft beloofd.' 'Dan zal het wel goed zijn, denk ik zo,' zei Cargraves instemmend. 'Kom op, Ross.' Morrie ging weer aan het werk terwijl Art hem zo nu en dan afloste. Cargraves keerde een paar minuten later samen met Ross weer terug in het centrale compartiment. 'Geeft die homp vlees daar nog geen teken van leven?' vroeg hij. 'Nee. Zal ik ermee ophouden?' 'Ik neem het van je over. Soms komen ze pas na een uur of nog langer weer bij. Jullie tweeën gaan met een extra ruimtepak naar de jeep om sergeant Hoe-heet-ie-ook-al-weer op te halen. Ross en ik komen er niet meer uit,' verklaarde hij. 'Die sergeant is piloot. We zullen hem eens uitwringen.' Hij was amper goed en wel bezig, toen de man onder hem kreunde. Morrie draaide zich bij de sluis om. 'Ga maar,' stelde Cargraves hem gerust. 'Ross en ik kunnen deze kerel wel aan.' De man bewoog zich en kreunde. Cargraves draaide hem om. De man knipperde met zijn oogleden; zijn ogen waren lichtblauw. Hij staarde omhoog naar Cargraves. 'Hoe maakt u het?' zei hij in een nogal gemaakt aandoend Engels. 'Zou ik misschien overeind mogen komen?' Cargraves stapte achteruit en liet hem opstaan. Hij hielp hem niet. De man keek om zich heen. Ross stond doodstil en hield hem onder schot met een Garand. 'Dat is echt niet nodig,' protesteerde de man. Ross wierp een vluchtige blik op Cargraves, maar bleef de gevangene onder schot houden. De man richtte zich tot Cargraves. 'Met wie heb ik de eer?' vroeg hij. 'Bent u kapitein Cargraves van de Galileo?' 'Precies. Wie ben jij?' 'Ik ben Helmut von Hartwick, luitenant-kolonel van het elitekorps.' Hij sprak kolonel uit als 'kojonej'. 'oké, Helmut, ik geloof dat er wel iets uit te leggen valt. Wat is precies de bedoeling?' De zogenaamde kolonel lachte. 'Maar oude jongen, er valt niet zoveel uit te leggen, is het wel? Kennelijk ben je op de een of andere manier aan ons ontsnapt en heb je me overrompeld. Dat lijkt me toch wel duidelijk.' 'Dat lijkt mij ook, ja, maar dat is niet wat ik bedoel en het is niet genoeg.' Cargraves aarzelde. De man verbaasde hem enigszins; hij gedroeg zich niet in het minst als iemand die pas bekomen is van een verdoving. Misschien had hij maar gedaan alsof, en zo ja, hoe lang al? Ach, het was nauwelijks van belang, concludeerde hij. De man was nog steeds zijn gevangene. 'Waarom heb je mijn schip laten bombarderen?' 'Ik? Beste kerel, waarom denk je dat ik dat heb laten doen?' 'Omdat jij precies eender klinkt als die namaak-Engelsman op onze radio. Jij noemde jezelf "kapitein James Brown". Ik veronderstel niet dat er nog meer nep-Engelsen rondlopen.' Von Hartwick fronste zijn wenkbrauwen. ' "Misdadigers" is wat grof uitgedrukt, oude jongen. Maar wat één punt betreft heb je gelijk; ik ben de enige van mijn collega’s die zich kan verheugen in het twijfelachtige genoegen een goede Engelse school te hebben bezocht. Ik moet je dan ook vragen mijn accent niet als "namaak" te betitelen. Maar al heb ik de naam "kapitein James Brown" geleend, dan bewijst dat nog niet dat ik jullie schip heb laten bombarderen. Dat is gebeurd op bevel van onze Leider, en was dringend noodzakelijk. Ik ben persoonlijk niet verantwoordelijk.' 'Volgens mij lieg je op beide punten. Volgens mij heb jij nooit een Engelse school bezocht; je hebt dat namaak accent waarschijnlijk van Lord Bla bla opgevangen, of je bent veel naar de film geweest. En jouw Leider heeft ons niet laten bombarderen, omdat hij niet eens wist dat we hier waren. Jij hebt er bevel toe gegeven, zodra je ons had gepeild, zodra je tot de ontdekking kwam dat wij hier waren.' De man spreidde zijn armen en zag er pijnlijk getroffen uit. 'Echt waar, jullie Amerikanen staan meteen klaar met jullie conclusies. Denken jullie nou werkelijk dat ik een raket van brandstof kan voorzien, de bemanning kan optrommelen, de bommen aan boord kan brengen, en dat allemaal binnen tien minuten? Mijn enige bijdrage in dezen was het doorgeven van jullie positie.' 'Heb je ons dan verwacht?' 'Uiteraard. Als die stompzinnige radarman jullie niet was kwijtgeraakt toen jullie gingen landen hadden we jullie al veel eerder begroet. Je denkt toch zeker niet dat wij een militaire basis vestigen zonder erop voorbereid te zijn hem te verdedigen? Wij maken plannen, wij maken plannen voor alles. Daarom zullen we ook de overwinning behalen.' Cargraves veroorloofde zich een flauwe glimlach. 'Dit lijkt me toch nauwelijks in jullie plannen te passen.' De man wuifde de opmerking weg. 'Een oorlog kent ook tegenslagen. Ze zijn te verwachten.' 'Noem jij het "oorlog", wanneer je een ongewapend burgerschip bombardeert zonder zelfs maar één waarschuwing?' Von Hartwick leek pijnlijk getroffen. 'Kom nou toch, beste kerel! Dat soort gezeur past niet bij je. Het komt me voor dat jij ons zonder waarschuwing hebt gebombardeerd. Ik zelf zou op dit moment niet meer leven wanneer ik niet toevallig zo gelukkig was geweest juist mijn ruimtepak uit te willen trekken toen jullie aanvielen. Ik verzeker je dat ik geen waarschuwing heb gehad. En wat je aanspraak op een ongewapend burgerschip betreft, ik vind het zeer vreemd dat de Galileo onze basis kon opblazen. Jullie verbazen me; altijd als de kippen erbij om andere te veroordelen voor juist die dingen die jullie zelf doen.' Tegen de blinde onlogica van die redenatie schoten Cargraves' woorden te kort. Ross walgde; hij stond op het punt iets te zeggen. Cargraves schudde zijn hoofd. 'Die redenatie,' verkondigde hij, 'bevatte meer leugens, halve waarheden en verdraaide verklaringen per vierkante centimeter dan alles watje tot nu toe hebt uitgekraamd. Maar ik zal je op één punt uit de droom helpen: de Galileo heeft jullie basis niet gebombardeerd; hij is vernietigd. Maar jouw mannen waren wat slordig. We namen je raket in beslag en hebben jullie bommen gebruikt.' 'Idioten!'
'Dat was stom, nietwaar? Maar jij beweert dat we je zonder enige waarschuwing gebombardeerd hebben. Dat is niet waar; je bent voldoende gewaarschuwd, vaker nog dan waar je recht op had. Jij hebt de eerste klap uitgedeeld. Alleen je eigen verwaandheid bracht je op de gedachte dat wij niet zouden kunnen of niet zouden durven terug te slaan.' Von Hartwick wilde iets zeggen. 'Kop dicht!' zei Cargraves scherp. 'Ik heb genoeg van de flauwe kul van jou. Vertel maar eens hoe je aan dit Amerikaanse schip komt. Doe je best.' 'O, dat! We hebben het gekocht.' 'Doe niet zo idioot.' 'Ik doe niet idioot. Natuurlijk zijn we niet ergens naar binnen gestapt om een ruimteschip te bestellen, in te pakken en weg te wezen. Die transactie liep over verschillende schijven en uiteindelijk leverden onze vrienden precies wat we nodig hadden.' Cargraves dacht snel na. Het was mogelijk; iets dergelijks moest het geweest zijn. Hij kon zich nog vaag een order herinneren voor twaalf schepen van het Wodan-type.
Hij vroeg zich af of die raketten inderdaad alle twaalf opereerden op het traject waarvoor ze, naar men veronderstelde, waren aangekocht. 'Dat is de ellende met jullie stomme Amerikanen,' ging von Hartwick verder. 'Jullie gaan ervan uit dat iedereen jullie idiote vertrouwen in zulke waardeloze zaken als democratie deelt. Maar dat is niet waar. Wij hebben overal vrienden. Zelfs in Washington, in Londen, ja, zelfs in Moskou. Onze vrienden zitten overal. Dat is nog een reden waarom wij zullen zegevieren.' 'Misschien ook in Nieuw-Mexico?' Von Hartwick schoot in de lach. 'Dat was een zotte komedie, mijn vriend. Ik heb genoten van de dagelijkse berichten. Het zou niet in onze kraam te pas zijn gekomen je al te zeer af te schrikken, tot het erop begon te lijken datje wel eens zou kunnen slagen. Je hebt erg veel geluk gehad, door zo snel mogelijk te vertrekken.' 'Noem me niet "mijn vriend",' zei Cargraves geprikkeld. 'Ik word er doodziek van.' 'Uitstekend, waarde kapitein.' Cargraves schonk geen aandacht aan die opmerking. Hij begon zich ongerust te maken over het lange wegblijven van Art en Morrie. Zou het mogelijk zijn dat er nog meer van deze schurken in de buurt waren, nog in leven en in staat moeilijkheden te veroorzaken? Hij dacht er al over de gevangene ter plekke te binden en ze te gaan zoeken, toen de sluis met een zucht openzwaaide. Morrie en Art stapten naar buiten en duwden de gevangene voor zich uit. 'Hij wilde niet mee, oom,' lichtte Art hem in. 'We moesten hem overtuigen.' Hij grinnikte. 'Ik geloof niet hij ons vertrouwt.' 'oké. Trek jullie pakken uit.' De andere gevangene stond met stomheid geslagen bij het zien van von Hartwick. Haastig maakte hij zijn helm open, gooide hem achterover en zei in het Duits: 'Herr Oberst, het was niet mijn schuld. Ik was' 'Stil!' schreeuwde de officier, ook in het Duits. 'Heb je deze lieden iets over de besturing van dit schip verteld?' 'Nein, nein, Herr Oberst, ik zweer van niet!' 'Doe dan net of je gek bent, anders snij ik het hart uitje lijf!' Cargraves luisterde met een nietszeggend gezicht naar die interessante kleine woordenwisseling, maar voor Art was het te veel. 'Oom,' vroeg hij, 'heb je dat gehoord? Hoorde je wat hij van plan is?' Von Hartwick keek van neef naar oom. 'Dus jullie verstaan Duits?' zei hij kalm. 'Daar was ik al bang voor.' Ross had de loop van zijn geweer van von Hartwick laten afdwalen toen de jongens waren binnengekomen met de gevangene. Cargraves had het pistool dat hij zich had toegeëigend al veel eerder in zijn riem geschoven. Von Hartwick keek snel van de een naar de ander. Morrie en Art waren allebei gewapend, de een met een Garand, de ander met een revolver, maar die hielden ze op de piloot gericht. Von Hartwick deed een onverhoedse uitval naar Cargraves en graaide het pistool uit zijn riem. Ogenschijnlijk zonder te mikken schoot hij één keer. Toen sprong Cargraves op hem af en greep naar zijn handen. Von Hartwick liet het pistool als een knots op zijn hoofd neerkomen en deed een stap naar voren om hem rond zijn middel vast te pakken. De piloot greep met zijn handen naar zijn borst, produceerde een murmelend gekerm en zakte op de vloer. Niemand schonk enige aandacht aan hem. Na een fractie van een seconde van verbijsterde passiviteit renden de jongens in het rond en probeerden von Hartwick onder schot te krijgen zonder Cargraves te raken. Cargraves zelf was buiten bewustzijn toen de loop van het pistool op zijn hoofd was neergekomen. Von Hartwick hield de doctor met één arm omhoog. Hij schreeuwde: 'Stilte!' Zijn bevel zou geen enkel effect hebben gehad, als de jongens ook niet iets anders hadden gezien: Von Hartwick hield het pistool tegen Cargraves' hoofd. 'Voorzichtig, heren,' zei hij gejaagd. 'Ik heb er geen behoefte aan jullie leider letsel toe te brengen, en dat zal ook niet gebeuren, tenzij jullie me ertoe dwingen. Het spijt me dat ik hem moest slaan; ik moest wel toen hij me aanviel.' 'Kijk uit!' beval Morrie. 'Art! Ross! Niet schieten!' 'Dat is verstandig,' prees von Hartwick hem. 'Ik heb er geen behoefte aan het op een schietpartij te laten aankomen. Mijn enige bedoeling was hem uit de weg te ruimen.' Hij wees op het lichaam van de piloot. Morrie keek er even vluchtig naar. 'Waarom?' 'Hij was een dwaas. Ik kon het me niet veroorloven zijn moed op de proef te stellen. Hij zou jullie verteld hebben, wat jullie willen weten.' Hij zweeg en zei toen opeens: 'En nu ben ik weer jullie gevangene!' Het pistool gleed uit zijn hand en kletterde op de vloer. 'Haal doe daar weg,' snauwde Ross. 'Ik krijg hem zo niet onder schot.' 'Nee!' bulderde Morrie. 'Art, raap dat pistool op. Ross, zorg jij voor doe.' 'Waar heb je het over?' protesteerde Ross. 'Het is een moordenaar. Ik maak hem af.' 'Nee!' 'Waarom niet?' 'Nou, doe zou het niet goedvinden. Dat is reden genoeg. Niet schieten. Dat is een bevel, Ross. Bekommer jij je om doe. Art, jij bindt die bandiet vast. Maak er wat moois van.' 'Dat zal ik zeker!' beloofde Art. De officier verzette zich niet, zodat Morrie zijn aandacht kon richten op hetgeen Ross uitvoerde. 'Is het erg?' vroeg hij, terwijl hij zich over Cargraves heen boog. 'Niet zo heel erg, dacht ik. Ik weet wat meer als ik dat bloed een beetje heb weggeveegd.' 'Verbandmiddelen en dat soort zaken,' merkte von Hartwick terloops op, alsof er niets aan de hand was en hij helemaal niet werd vastgebonden, 'liggen in een trommel onder het instrumentenbord in de controlekamer.' 'Ga eens kijken, Ross,' droeg Morrie hem op. 'Ik houd de toestand hier wel in het oog. Niet,' zei hij tegen von Hartwick, 'datje er iets aan zult hebben, als hij doodgaat. Als dat gebeurt, ga je eruit, naar buiten zonder pak. Neerschieten is nog te goed voor je.' 'Hij gaat niet dood. Ik heb hem zeer zorgvuldig geraakt.' 'Dat moet je dan maar hopen. Veel langer dan een paar minuten zul je hem niet overleven.' Von Hartwick haalde zijn schouders op. 'Je kunt me nauwelijks bedreigen. We zijn allemaal ten dode opgeschreven. Dat realiseer je je toch wel, of niet?' Morrie keek hem nadenkend aan. 'Ben je klaar met hem, Art? Zeker weten dat hij goed stevig vast zit?' 'Hij wurgt zich, wanneer hij daar probeert uit te kronkelen.' 'Goed. Nou jij,' ging hij verder tegen von Hartwick, 'Jij bent misschien wel ten dode opgeschreven. Ik zou het niet weten. Maar wij niet. Wij vliegen met dit schip terug naar de Aarde. Als je je een beetje weet te gedragen, nemen we je misschien wel mee.' Von Hartwick lachte. 'Sorry dat ik je die illusie moet ontnemen, beste jongen, maar niemand van ons zal terugkeren naar de Aarde. Daarom moest ik die dierbare piloot van me uit de weg ruimen.' Morrie draaide zich om, zich plotseling bewust van het feit dat niemand de moeite had genomen na te gaan hoe zwaargewond de piloot was. Hij had spoedig zekerheid; de man was dood, recht door het hart geschoten. 'Ik zie niet in, waarom dat wat uitmaakt,' zei hij tegen von Hartwick. 'We hebben jou altijd nog. En je zult praten, anders snij ik je de oren af en geef ik ze je te eten.' 'Wat een benauwende gedachte,' kreeg hij als antwoord, 'maar het zal je niet helpen. Weetje, ik ben niet in staat jullie iets te vertellen; ik ben geen piloot.' Art staarde hem aan. 'Hij neemt je in de maling, Morrie.' 'Nee,' ontkende von Hartwick. 'Dat doe ik niet. Probeer maar eens mijn oren af te snijden, dan zullen jullie het wel merken. Nee, arme jongens, we zullen hier allemaal nog een flinke tijd moeten doorbrengen, totdat we doodgaan.' 'Raak hem niet aan, Art,' waarschuwde Morrie. 'Doe zou het niet goedvinden.'
18
'TE WEINIG TIJD'
Cargraves was weer voldoende bij kennis om in vloeken uit te barsten toen Ross wat ontsmettingsspul op de houw in zijn hoofd sprenkelde. 'Stil blijven zitten, doe!' 'Ik zit stil. Rustig aan maar.'
Ze vertelden hem de stand van zaken, terwijl ze een verband aanlegden. 'Die vuile smeerlap denkt dat hij ons een loer heeft gedraaid,' besloot Ross. 'Hij denkt dat we deze boot niet aan de gang kunnen krijgen zonder dat iemand ons dat voordoet.'
'Daar kon hij best wel eens gelijk in hebben,' moest Cargraves toegeven. 'Voorlopig staan we nog steeds voor een raadsel. We zien wel. Gooi hem in het scheepsruim en dan zullen we nog eens rondkijken. Morrie, het is goed datje hem niet hebt laten neerschieten.'
'Ik dacht zo dat je hem in leven wilde houden, tot je hem helemaal had uitgewrongen.'
Cargraves glimlachte eigenaardig. 'Dat was niet de enige reden, of wel?'
'Nou ja, verdomme!' Morrie voelde zich bijna bezwaard. 'Ik wou hem niet zomaar neerschieten toen hij die blaffer eenmaal had laten vallen. Dat is een rottruc.'
Cargraves knikte goedkeurend. 'Dat is zo. Dat is een van de redenen waarom ze denken dat wij onnozel zijn. Maar we hebben nog een kleine verrassing voor hem.' Hij stond op, liep naar von Hartwick toe en gaf hem een duw met zijn voet. 'Luister jij eens naar me. Als het even kan, neem ik je mee terug naar de Aarde om daar terecht te staan. Zo niet, dan berechten we je hier.'
Von Hartwick fronste zijn wenkbrauwen. 'Omdat ik met jullie in oorlog ben? Wat verrukkelijk Amerikaans!'
'Nee, niet daarom. Er is geen oorlog en er is geen oorlog geweest. Het Rijk is voorgoed verdwenen in de lente van 1945 en vandaag de dag heerst er vrede tussen Duitsland en de Verenigde Staten, ongeacht hoeveel halvegare gangsters zich eventueel nog schuilhouden. Nee, namaaksuperman, jij komt terecht te staan voor de moord op je medeplichtige, de arme onnozele hals die daar ligt.' Hij draaide zich om. 'Smijt hem in het ruim, jongens. Ross, kom op.' Drie uur later was Cargraves best bereid toe te geven dat von Hartwick gelijk had toen hij beweerde dat de bediening van de Wodan onmogelijk door een nieuweling kon worden nageplozen. Er zaten een aantal zonderlinge schakelaars op de armleuningen van de stuurstoelen die ongetwijfeld tot de stuurinrichting behoorden, maar wat ze ook overhaalden, omdraaiden of heen en weer bewogen, er gebeurde niets. En de motor zelf lag afgesloten achter een schot dat, te oordelen naar het geluid wanneer men er een klap tegen gaf, centimeters dik moest zijn. Cargraves betwijfelde of hij er zelfs met een snijbrander doorheen zou kunnen komen. Hij stond trouwens toch zeer afwijzend tegenover een dergelijke onderneming; een poging om de mysteries van het schip met dergelijke chirurgische ingrepen op te lossen zou mogelijk kunnen resulteren in een zodanige beschadiging van het schip dat er geen hoop meer bestond het te repareren. Ergens zou toch een bedieningshandboek moeten zijn. Ze gingen er allemaal naar op zoek. Ze maakten alles open wat maar open kon, kropen onder alles waar ze maar onder konden kruipen, tilden alles op wat zich maar liet verplaatsen. In het hele schip was geen handleiding voorhanden. De speurtocht bracht wel iets anders aan het licht. Er was geen eten aan boord van het schip. En dat laatste begon toch wel belangrijk te worden. 'Dat is wel genoeg, mensen,' riep doe toen hij er zeker van was dat verder zoeken zinloos was. 'We zullen de barakken maar eens proberen. We zullen het vinden. Om van eten nog maar niet te spreken. Jij gaat met mij mee, Morrie, om wat levensmiddelen op te scharrelen.'
'Ik ook!' schreeuwde Art. 'Ik wil wat foto's maken. Het maanvolk! Mensenlief' Met enig leedvermaak wenste Cargraves dat hij nog steeds jong genoeg was om zich onmogelijk langdurig zorgen te maken. 'Goed, prima,' stemde hij toe, 'maar waar is je kamera?' Arts gezicht betrok. 'Die ligt in het Hondenhok,' bekende hij. 'Dan zullen de foto's nog een tijdje moeten wachten. Maar ga wel mee; er staat daar beneden een bende elektronische apparatuur, waar je niet overheen kunt kijken.' 'Waarom gaan we niet met z'n allen?' wilde Ross weten. 'Ik heb de ruïnes ontdekt, maar ik heb nog geen kans gehad om ze te bekijken.' 'Sorry Ross, maar jij moet achterblijven om die kerel te bewaken. Hij zou wel eens meer van dit schip afkunnen weten dan hij kwijt wil. Ik zou niet graag die trap op komen lopen om te constateren dat het schip verdwenen is. Houd hem in de gaten. Vertel hem datje hem een fikse opstopper zult verkopen, als hij ook maar een vin verroert. En laat hem merken datje het meent.' 'Oké. Laat hij zich maar bewegen. Hoe lang blijven jullie weg?' 'Als we niets kunnen vinden, zijn we binnen twee uur terug.' Cargraves doorzocht allereerst de kamer van de officieren, omdat dat de meest voor de hand liggende plaats leek. Hij vond niets, maar hij constateerde wel dat een aantal van de schurken een nogal eigenaardige en onaangename voorkeur voor boeken en foto's aan de dag legden. Vervolgens nam hij de slaapzaal voor zijn rekening. Het was er nog even deprimerend als tevoren, maar hij was er nu op voorbereid. Art had hij de radio en radarkamer toegewezen en Morrie ging de overige ruimten na; er bestond voor niemand, behalve voor hemzelf, enige reden om de opgezwollen lijken aan te raken. Hij doorzocht de slaapzaal tevergeefs. Toen hij naar buiten liep, hoorde hij de stem van Art in zijn koptelefoon. 'Hé, oom, moet je kijken wat ik gevonden heb!' 'Wat dan?' zei hij met de stem van Morrie daar onmiddellijk achteraan. 'Handleiding gevonden, Art?''Nee, maar moetje kijken 'Ze ontmoetten elkaar in de centrale hal. 'Het' was een Graflexcamera, kompleet met flitser. 'Er is een complete doka achter de radiokamer. Daar heb ik hem gevonden. Wat denk je, oom? Foto's?' 'Nou, vooruit dan maar. Morrie, ga jij maar mee, misschien is ditje enige kans om de ruïnes te bekijken. Dertig minuten. Ga niet al te ver, breek je nek niet, neem geen risico’s en wees op tijd terug, anders kom ik jullie achterna met een flitspuit.' Hij zag ze met lede ogen weglopen, geneigd er zelf stiekem achteraan te gaan. Als de urgentie van zijn huidige verantwoordelijkheid hem niet volledig had opgeëist. Maar dat was wel zo. Hij dwong zichzelf de sombere speurtocht weer voort te zetten. Het was allemaal tevergeefs. Als er een handboek bestond, dan moest hij erkennen dat hij niet wist waar hij moest zoeken. Maar hij was nog steeds bezig toen de jongens terugkeerden. Hij keek even vluchtig op zijn horloge. 'Veertig minuten,' zei hij. 'Dat is vlugger dan ik van jullie verwacht had; ik had al gedacht dat ik jullie zou moeten komen halen. Wat heb je gevonden? Nog aardige foto's gemaakt?' 'Foto's? Of we foto's gemaakt hebben? Wacht maar eens tot je ze te zien krijgt!' 'Ik heb nog nooit zo iets gezien, doe,' verklaarde Morrie onder de indruk. 'Er ligt hier een hele stad. Het gaat steeds maar verder naar beneden. Enorm grote gewelfde hallen, een paar honderd meter in doorsnee, gangen links en rechts, overal naartoe, kamers, balkons. Ik heb er geen woorden voor.' 'Laat dan maar. Zodra we terug zijn moet je alles wat je hebt gezien zo volledig mogelijk proberen op te schrijven.' 'Doe, dit is iets geweldig kolossaals!' 'Ik besef het terdege. Maar het is zo groots dat ik niet eens probeer het te bevatten, nog niet althans. Onze volgende stap ligt duidelijk omlijnd voor ons: proberen hier levend vandaan te komen. Art, wat heb je bij de radio gevonden? Iets bruikbaars om de Aarde te kunnen bereiken?' 'Nou, oom, dat is moeilijk te zeggen, maar het ziet er niet zo veelbelovend uit.' 'Weetje dat wel zeker? We weten dat ze contact hebben gehad, althans volgens onze nauwgezet smerige vriend.' Art schudde zijn hoofd. 'Ik dacht datje zei dat ze de Aarde ontvingen. Die apparatuur heb ik ook wel gevonden maar ik kon hem niet uitproberen, omdat ik de koptelefoon niet binnenin mijn pak kon krijgen. Maar ik zou niet weten hoe ze naar de Aarde kunnen uitzenden.' 'Waarom niet? Ze hebben een zend, en ontvanginstallatie nodig.' 'Misschien hebben ze die wel nodig, maar ze kunnen het zich niet veroorloven die ook te gebruiken. Kijk eens, oom, vanaf hun basis op de Aarde kunnen ze in de richting van de maan uitzenden dat gaat prima; zij zijn de enigen die iets opvangen. Maar als de nazi's hier vandaan proberen terug te zenden kunnen zij geen plek op Aarde uitkiezen. Over die afstand zou de zendstraal ver uitwaaieren tot hij een veel te groot gebied zou bestrijken, dan zou het meer op een gewone radio-uitzending gaan lijken.' 'O!' zei Cargraves, 'ik begin het te snappen. Maak maar een goede aantekening voor jezelf, Art; daar had ik eigenlijk aan moeten denken. Onverschillig wat voor soort code ze gebruiken, wanneer mensen eenmaal radiosignalen uit de richting van de maan opvingen, zou het hek van de dam zijn geweest.' 'Dat dacht ik ook.' 'Ik geloof dat je groot gelijk hebt. Dat stelt me teleur; ik begon al mijn hoop te vestigen op het overbrengen van een boodschap.' Hij haalde zijn schouders op. 'Nou ja, één ding tegelijk. Morrie, heb jij de voorraden uitgezocht die je mee naar boven wilt nemen?' 'Staan klaar.' Ze volgden hem naar de keukenruimte en zagen dat hij drie stapels blikken had neergezet. Terwijl ze hun armen vollaadden, vroeg Morrie: 'Hoeveel mensen zaten hier eigenlijk, doe?' 'Ik heb zevenenveertig lichamen geteld, het slachtoffer van von Hartwick niet meegerekend. Hoezo?' 'Nou, er is me iets geks opgevallen. Ik heb een beetje kijk gekregen op het schatten van voorraden sinds ik zo'n beetje de voedselvoorraad bijhoud. Er is hier nog niet genoeg eten om zoveel mensen zelfs maar voor twee weken op de been te houden. Betekent dat wat ik denk dat het betekent?' 'Luister eens, Morrie, ik geloof dat je iets belangrijks hebt ontdekt. Daarom is von Hartwick zo verdomd eigenwijs. Het is niet alleen maar bluf. Hij verwacht werkelijk dat hij gered zal worden.' 'Hoe bedoel je, oom?' wilde Art weten. 'Hij verwacht een bevoorradingsschip en binnen niet al te lange tijd.' Art floot. 'Hij denkt dat wij bij verrassing gevangen genomen zullen worden.' 'En dat zou gebeurd zijn ook. Maar nu niet meer.' Hij zette zijn lading levensmiddelen weer neer. 'Kom mee.' 'Waarheen?' 'Er is me net iets te binnen geschoten.' Toen hij het verblijf van de officieren omspitte, was hij veel documenten, boeken, handleidingen, verslagen en allerlei andere paperassen tegengekomen. Hij had ze vluchtig doorgekeken, alleen maar voor de zekerheid, of er nergens iets vernoemd werd dat een aanwijzing had kunnen vormen voor de bediening van de Wodan. Eén van die paperassen was een dagboek of journaal van de commandant van de gevechtsgroep, waarin onder meer de ligging van de basis op Aarde stond vermeld; Cargraves had het opzij gelegd als iets dat hij later wilde bestuderen. Nu besloot hij het meteen te doen. Het was lang en besloeg een periode van bijna drie maanden. Hij las snel, waarbij Art over zijn schouder stond mee te lezen. Morrie stond er vol ongeduld bij en wees er ten slotte op, dat het tijdstip naderde waarop ze Ross hadden beloofd terug te zijn. 'Ga maar,' zei Cargraves verstrooid. 'Neem een lading eten mee. Maak vast wat klaar.' Hij las verder. In het boek was een namenlijst van het hele gezelschap opgenomen. Hij kwam tot de ontdekking dat von Hartwick als leidinggevend officier vermeld stond. Dat was voor hem een aanwijzing dat de man stond te liegen toen hij beweerde niets te begrijpen van de besturing van de Wodan. Geen bewijs, maar wel een duidelijke aanwijzing. Maar van die man verwachtte hij eigenlijk weinig anders dan leugens. Hij kwam al snel toe aan datgene waarnaar hij op zoek was. Iedere maand was er een bevoorradingsvlucht uitgevoerd. Als het schema onveranderd was gebleven - en de huidige voorraad wees zeer zeker in die richting - dan zou het volgende schip over een dag of zes, zeven moeten arriveren. Maar het allerbelangrijkste gegeven, waarvan hij pas zeker kon zijn toen hij het journaal helemaal uit had: ze hadden meer dan één grote raket in hun bezit; de Wodan hoefde niet te vertrekken om de voorraden op te halen; die zou pas vertrekken als het bevoorradingsschip eenmaal was geland; mits het schema werd aangehouden. De Wodan zou leeg terugvliegen terwijl het andere schip werd gelost. Op die manier zat het gezelschap op de maan nooit zonder een ontsnappingsmogelijkheid; dat was althans de conclusie die hij uit het verslag wist te distilleren. Er waren slechts twee, en niet meer dan twee, maanraketten, de Wodan en de Thor. De Thor werd over een week verwacht, voor zover hij kon nagaan, wat betekende, dat de Wodan de thuisbasis over ongeveer vijf dagen zou verlaten. De reisduur van de tocht stond ook opgetekend; zesenveertig uur plus wat daar nog bij kwam voor de Aarde-maan start, zo stond het beschreven. Hoog tijd! dacht hij. Als de Thor ooit zou vertrekken, kon het wel eens te laat zijn voor goede voornemens, te laat voor waarschuwingen. De schurken beseften terdege dat ruimtevluchten inmiddels geen geheim meer waren; er werd voortdurend verwezen naar de Galileo, tot en met een laatste aantekening, waarin vermeld stond dat hij was gelokaliseerd. Ze zouden vast en zeker zo snel mogelijk toeslaan. Voor zijn geestesoog zag hij rijen geleide atoomprojectielen in de grot vlak bij. Hij zag hoe ze de weerloze steden op Aarde platgooiden. Geen tijd meer om een krachtige zender in elkaar te zetten. Geen tijd meer voor wat dan ook, behalve voor drastische maatregelen. Geen tijd genoeg, vreesde hij.
19
'ONDER DRUK ZETTEN'
'De soep staat klaar!' begroette Morrie hem toen hij overhaast de Wodan binnenkwam. Cargraves peuterde zijn pak los en antwoordde: 'Daar heb ik geen tijd voor, nee, geef me maar wat van die sandwiches.'
Morrie voldeed aan het verzoek. Ross informeerde: 'Waarom zo haastig?' 'Ik moet naar de gevangene.' Hij draaide zich om en bleef toen staan. 'Nee, wacht eens. Kom eens hier, jongens.' Hij gebaarde ze bij hem te komen. Ze staken de koppen bij elkaar. 'Ik ga iets uitproberen.' Een paar minuten lang sprak hij op indringende fluistertoon. 'Nou, het spel kan beginnen. Ik laat de deur open.'
Hij ging de scheepsruimte binnen en gaf von Hartwick een por met zijn laars. 'Wordt eens wakker, jij.' Hij nam een hap van zijn sandwich. 'Ik ben wakker.' Von Hartwick draaide met enige moeite zijn hoofd om omdat hij lag vastgesnoerd met zijn enkels opgetrokken naar zijn polsen, die op zijn rug waren vastgebonden. 'Aha, eten,' zei hij opgewekt. 'Ik begon me al af te vragen hoe lang het zou duren voordat je je het noodzakelijke sociale contact met je gevangene zou herinneren.' 'Dit is niet voor jou,' deelde Cargraves hem mede. 'Die andere sandwich is ook voor mij.
'Jij hebt er geen nodig.'
Von Hartwick keek met belangstelling toe, maar niet bepaald geschrokken. 'Nee?'
'Nee,' zei Cargraves terwijl hij met zijn mouw zijn mond afveegde, 'jij niet. Ik was van plan je mee te nemen naar de Aarde om terecht te staan, maar ik kom tot de ontdekking dat ik daar geen tijd voor heb. Ik ga je persoonlijk berechten, nu.'
Von Hartwick haalde zijn schouders op in zijn boeien. 'Je doet maar. Ik twijfel er niet aan datje van plan bent me te vermoorden, maar breng het niet als een rechtszaak. Noem het dan een lynchpartij. Wees eerlijk tegenover jezelf In de eerste plaats heb ik me volkomen correct gedragen. Zeker, ik werd gedwongen één van mijn eigen mensen neer te schieten, maar dat was een noodzakelijke, militaire maatregel' 'Moord,' merkte Cargraves op. 'Bescherming van de veiligheid van het Rijk,' ging von Hartwick bedaard verder, 'en sowieso een zaak die jou helemaal niets aanging. Het gebeurde in mijn eigen schip, volkomen buiten de jurisdictie van welke idiote wet van de corrupte democratische naties. Wat het bombardement op je schip betreft, ik heb je al uitgelegd. . . '
'Kop dicht,' zei Cargraves. 'Straks krijg je de gelegenheid een paar woorden te zeggen. Het gerecht houdt zitting. Om het je voor eens en voor altijd duidelijk te maken, deze hele planeet is onderworpen aan de wetten van de Verenigde Naties. We hebben er officieel bezit van genomen en er een permanente basis gevestigd. Daarom. . . ' 'Te laat, rechter Lynch. Het Rijk heeft deze planeet drie maanden geleden al opgeëist.' 'Ik heb je al gezegd dat je je rustig moet houden. Dit is een belediging van de rechtbank. Nog één kik en we zullen iets moeten bedenken om je rustig te houden. Daarom is het mijn plicht als gezagvoerder van een voertuig dat onderworpen is aan de wetten van de Verenigde Naties, erop toe te zien dat deze wetten gehandhaafd worden. Jouw zogenaamde claim is niet steekhoudend. Er bestaat geen Rijk, dus kan het ook niets voor zich opeisen. Jij en je medebandieten zijn geen natie; jullie zijn misdadigers. Wij zijn niet verplicht jullie waanideeën te erkennen en dat doen we dan ook niet. Morrie! Breng me nog eens een sandwich.' 'Komt eraan, kapitein!' 'Als gezagvoerder van de Galileo,' ging Cargraves verder, 'moet ik namens de regering optreden, wanneer ik er alleen voorsta, zoals nu. Omdat ik geen tijd heb je mee terug te nemen naar de Aarde om daar terecht te staan, berecht ik je hier en nu. Twee aanklachten: moord met voorbedachten rade en piraterij.' 'Je meent het!' 'Je hebt een geregistreerd VN-vaartuig aangevallen. Dat heb je uit eigen beweging gedaan, of je er nu wel of niet het bevel toe hebt gegeven. Alle leden van de piratenbemanning zijn in dezelfde mate schuldig en bovendien is het een halsmisdaad. Moord met voorbedachten rade is dat ook. Bedankt voor de sandwich, Morrie. Waar heb je dat verse brood vandaan?' 'Uit een blik.' 'Handig. Ik heb nog even getwijfeld of ik je die opzet wel of niet ten laste zou leggen. Maar je moest mij eerst de revolver afhandig maken, voordat je je kameraad kon neerschieten. Dat is met voorbedachten rade. De aanklacht luidt dus, piraterij en moord met voorbedachten rade. Hoe luid je pleidooi? Schuldig of onschuldig?' Von Hartwick aarzelde even voordat hij antwoord gaf. 'Omdat ik de rechtsgeldigheid van dit zogenaamde gerechtshof niet erken, weiger ik een pleidooi te houden. Zelfs al zou ik toegeven, en dat doe ik niet, dat jij dit hier in alle eerlijkheid als grondgebied van de Verenigde Naties kon beschouwen, dan vorm jij alleen nog altijd geen gerechtshof.' 'De gezagvoerder van een schip heeft verstrekkende bevoegdheden in geval van nood. Zoek het maar eens een keer op.' Von Hartwick fronste zijn wenkbrauwen. 'De aard van die waarschijnlijk humoristisch bedoelde opmerking is voor mij een duidelijke aanwijzing dat ik al veroordeeld ben voordat de rechtszitting is begonnen.' Cargraves stond peinzend te kauwen. 'Ja, bij wijze van spreken wel,' gaf hij toe. 'Ik had graag een jury voor je willen hebben, maar in feite hebben we die helemaal niet nodig. Weetje, er hoeven geen bewijzen geleverd te worden omdat er helemaal geen bewijzen in twijfel getrokken kunnen worden. We zijn er allemaal getuige van geweest. De vraag is alleen: Wat zijn de gevolgen van die bewijzen volgens de wet? Nu krijg je de gelegenheid je zegje te doen als je dat van plan was.' 'Waarom zou ik me druk maken? Jullie leuteren maar over gerechtigheid en gelijkheid van rechten. Maar je brengt het niet in de praktijk. Je staat daar met handen die druipen van het bloed van mijn kameraden, die je hebt vermoord zonder ze enige kans te geven, en toch waagje het mij toe te spreken over een zogenaamde moord!' 'Dat hebben we al eens eerder besproken,' antwoordde Cargraves voorzichtig. 'Er ligt een hemelsbreed verschil, volgens de wetten van vrije mensen, tussen een niet uitgelokte aanval en een offensieve daad uit zelfverdediging. Als je op een donker weggetje wordt overvallen door een struikrover, hoef je geen gerechtelijk bevel te hebben om terug te mogen slaan. Ga verder. Heb je nog meer verontschuldigingen?' De man zweeg. 'Toe maar,' drong Cargraves aan. 'Je kunt altijd nog ontkennen schuldig te zijn en je zou me best wel eens kunnen overtuigen ook. Ik heb altijd al gedacht dat iemand met een Übermensch-komplex volslagen krankjorum moest zijn. Misschien kun je me ervan overtuigen datje voor de wet krankzinnig was.' Voor de eerste keer scheen de superieure houding van von Hartwick een flinke deuk op te lopen. Zijn gezicht liep rood aan en hij stond op het punt te ontploffen. Uiteindelijk wist hij zich weer enigszins onder controle te krijgen en zei: 'Laten we een eind maken aan deze klucht. Doe watje van plan bent en houd me niet langer voor de gek.''Ik verzeker je dat ik je niet voor de gek houd. Heb je nog meer ter verdediging aan te voeren?' 'Nee!' 'Ik oordeel je schuldig aan beide aanklachten. Heb je nog iets te zeggen voordat het vonnis wordt uitgesproken?' De beklaagde verwaardigde zich niet te antwoorden. 'Goed. Ik veroordeel je ter dood.'
Art haalde benauwd adem en trok zich terug uit de deuropening waar hij met wijd open ogen samen met Ross en Morrie had staan luisteren. Er was geen ander geluid te horen. 'Heb je nog iets te zeggen voordat de straf ten uitvoer wordt gebracht?' Von Hartwick wendde zijn hoofd af. 'Ik ben er niet zo bedroefd over. Ik ga tenminste een snelle, genadige dood tegemoet. Het enige wat jullie te wachten staat, is een langzame, slepende dood.' 'O,' zei Cargraves, 'dat wilde ik je nog vertellen. Wij gaan zeer zeker niet dood.' 'Denk je van niet?' Er lag een onverbloemde, triomfantelijke klank in de stem van von Hartwick. 'Ik weet het wel zeker. Weetje, de Thor arriveert hier over een dag of zes, zeven...' 'Wat? Hoe ben je daarachter gekomen?' De man was even met stomheid geslagen en mompelde toen: 'Niet dat het wat uitmaakt. . . jullie met z'n vieren. Maar ik begrijp nu waarom je hebt besloten mij te doden. Je was bang dat ik zou ontsnappen.' 'Helemaal niet,' antwoordde Cargraves. 'Je begrijpt het niet. Als het geen haalbare kaart was geweest, had ik je mee teruggenomen naar de Aarde om je zaak voor een hoger gerechtshof voor te laten komen, niet om jou ter wille te zijn. Je bent schuldig. Ik heb me echter gerealiseerd dat het niet mogelijk is. We zullen het erg druk hebben voordat de Thor hier aankomt en ik beschik niet over de faciliteiten die mij de zekerheid kunnen verschaffen dat jij veilig opgeborgen zit, behalve wanneer ik je doorlopend zou laten bewaken. Dat kan ik niet; we hebben er geen tijd voor. Maar ik ben niet van plan jou je straf te laten ontlopen. Ik heb geen cel om je in te stoppen. Ik was van plan de brandstof uit de kleine raket te laten lopen en je daarin op te sluiten zonder ruimtepak. Op die manier zouden we je veilig alleen hebben kunnen laten, terwijl wij aan het werk waren. Maar nu de Thor hier aankomt, hebben we de kleine raket nodig.' Von Hartwick grijnsde grimmig. 'Je denkt weg te kunnen komen, niet? Dat schip zal jullie nimmer thuisbrengen. Of ben je daar nog steeds niet achter?' 'Je begrijpt het niet. Als je nou eens even stil bent, zal ik het uitleggen. We nemen een stel bommen zoals jij bij de Galileo hebt gebruikt en blazen de kamer op waarin jouw geleide projectielen liggen opgeslagen. Dat is jammer, want een van die vertrekken werd gebouwd door de oorspronkelijke maanbewoners. Daarna laten we de Wodan in de lucht vliegen.' 'De Wodan? Waarom?' Von Hartwick was opeens erg op zijn hoede. 'Om er zeker van te zijn dat hij nooit meer terugvliegt naar de Aarde. Wij kunnen er niet mee overweg; ik wil er zeker van zijn dat niemand het eventueel wel zou kunnen. Want daarna waren we van plan de Thor op te blazen.' 'De Thor? Maar je kunt de Thor toch niet opblazen!' 'O, jazeker kunnen we dat, precies zoals jij de Galileo hebt opgeblazen. Ik mag echter niet riskeren dat eventuele overlevenden de Wodan in handen krijgen, dus gaat die er eerst aan. En dat houdt nauw verband met de reden waarom jij onmiddellijk moet sterven. Als we de Wodan hebben opgeblazen gaan we terug naar onze eigen basis, daar wist je nog niets van, hè? Maar die bestaat slechts uit één enkele kamer. Geen plaats voor gevangenen. Ik was van plan, zoals ik al zei, om je in de jeep op te sluiten, maar de noodzaak de Thor op te blazen, heeft daar verandering in gebracht. De jeep zal doorlopend bemand moeten zijn, tot de Thor is geland. En dan is er voor jou geen plaats meer. Sorry,' besloot hij glimlachend. 'Is er soms iets mis?' voegde hij eraan toe. De spanning begon zich op het gelaat van von Hartwick af te tekenen. 'Misschien lukt het je. . . ' 'O, zonder meer!' 'Maar zelfs dan zijn jullie nog steeds ten dode opgeschreven. Een snelle dood voor mij, maar een lange, langzame, slepende dood voor jullie. Als je de Thor opblaast, verspeel je je laatste kans. Denk er eens over na,' ging hij verder, 'verhongeren of stikken of sterven van de kou. Ik wil een overeenkomst met jullie sluiten. Als jullie me nu vrijlaten, geef ik jullie mijn woord van eer. Als de Thor aankomt, zal ik een goed woordje voor jullie doen bij de kapitein. Ik. . . ' Cargraves snoerde hem met een handgebaar de mond. 'Het woord van een schurk! Je zou nog niet eens een goed woordje voor je eigen oma overhebben! Het is nog steeds niet tot je doorgedrongen, dat wij alle troeven in handen hebben. Als we jou hebben gedood en met jouw vrienden hebben afgerekend, blijven we gewoon lekker warm en gezellig hier zitten, met genoeg eten en zuurstof, tot we worden opgepikt. We zullen niet eens eenzaam zijn; we waren net bezig de laatste hand te leggen aan onze zender, toen jij de signalen opving. We. . . ' 'Je liegt!' schreeuwde von Hartwick. 'Niemand zal jullie hier komen oppikken. Jullie hadden het enige schip. Dat weet ik, dat weet ik. We hebben volledige rapporten ontvangen.' 'Hadden het enige schip.' Cargraves glimlachte vriendelijk. 'Maar krachtens een eigenaardige, ouderwetse, democratische wet, die je niet zou kunnen begrijpen, werden de ontwerpen en tekeningen en notities voor mijn schip ijverig bestudeerd, zodra we vertrokken waren. Binnen niet al te lange tijd zullen we zelfs uit een aantal schepen kunnen kiezen. Ik stel je niet graag teleur, maar wij blijven zeker in leven. Ik ben trouwens bang dat ik je op een ander punt ook moet teleurstellen. Jouw dood zal minder gladjes en prettig verlopen als je in gedachten had.' 'Wat bedoel je?' 'Ik bedoel dat ik dit schip niet nog eens een keer onder het bloed wil hebben door jou neer te schieten. Ik ga je. . . ' 'Wacht. Een ter dood veroordeelde heeft recht op een laatste wens. Laat mij achter in de Wodan. Laat me in mijn schip sterven!' Cargraves lachte hem in zijn gezicht uit. 'Schitterend, von Sukkel. Werkelijk schitterend. Om je dan te zien vertrekken zeker. Dat kun je net denken!' 'Ik kan niet vliegen, geloof me dan toch!' 'O, ik geloof je wel. Ik prakkiseer er niet over de laatste woorden van een ter dood veroordeelde in twijfel te trekken. Maar ik kan geen miskleun riskeren. Ross!' 'Jawel!' 'Neem hem mee en gooi hem naar buiten.' 'Met alle plezier!' 'Dat is het.' Cargraves had op zijn hurken gezeten; hij kwam overeind en veegde de kruimels van zijn handen. 'Ik laatje niet eens losmaken waardoor je in een wat gemakkelijker houding zou kunnen sterven. Je bent mij te handig in het graaien naar revolvers. Je zult daar gewoon maar wat rond moeten hangen in deze toestand. Het duurt waarschijnlijk niet zo lang,' ging hij terloops verder. 'Ze zeggen dat het iets wegheeft van verdrinken. Binnen zeven, acht minuten weetje van niets meer. Tenzij je hart door je longen scheurt, dan is het wat eerder afgelopen met je.' 'Zwijn!' 'Kapitein Zwijn, voor jou.' Ross was druk bezig zijn pak dicht te ritsen, 'Oké, doe?' 'Vooruit maar. Of wacht, bij nader inzien,' voegde hij eraan toe, 'knap ik dit klusje toch liever zelf op. Ze zouden me wel eens kwalijk kunnen nemen dat ik het door een jongen heb laten afhandelen. Mijn pak, Morrie.' Hij floot een deuntje terwijl ze hem in zijn pak hielpen. Hij floot nog steeds toen hij von Hartwick als een schooltas beetpakte aan het touw waarmee zijn enkels zaten vastgebonden aan zijn polsen, en liep opgewekt naar de sluis. Hij smeet het pakketje naar binnen, stapte zelf in, zwaaide naar de jongens en zei: 'Tot zo!' en vergrendelde de deur. Toen de lucht naar buiten begon te fluiten begon von Hartwick te hijgen. Cargraves glimlachte tegen hem en zei: 'Ietwat tochtig, nietwaar?' Hij moest schreeuwen om zich door zijn helm heen verstaanbaar te maken. De mond van von Hartwick ging open en dicht. 'Zei je iets?' De man deed opnieuw zijn mond open, hijgde en kreeg een hoestbui; er sijpelde wat schuim op z'n borst. 'Je zult wat harder moeten praten,' schreeuwde Cargraves. 'Ik kan je niet verstaan.' De lucht floot weg. 'Ik kan wel vliegen!' 'Wat?''Ik kan wel vliegen! Ik zal je leren. . . 'Cargraves stak zijn hand uit en sloot de uitlaatklep af. 'Ik hoor niks met die herrie. Wat zei je?' 'Ik kan wel vliegen!' hijgde von Hartwick.'O, ja? Nou, en verder?''Lucht. Meer lucht. . . ''Onzin,' zei Cargraves. 'Je hebt lucht genoeg. Ik hoor je nog steeds praten. Er hangt hier nog zeker meer dan twee kilo.' 'Geef me lucht. Ik zal je vertellen hoe het werkt.' 'Vertel het me eerst maar,' stelde Cargraves. Hij strekte zijn hand weer uit naar de uitlaatklep. 'Wacht! Er zit een klein palletje, achter het instrumenten. . . Hij rustte even en hijgde hevig. 'Het instrumentenpaneel. Aan stuurboord. Het is een veiligheidsschakelaar. Hij is nauwelijks te zien; hij ziet er precies eender uit als een tapbout. Je moet hem indrukken.' Hij zweeg en haalde opnieuw piepend adem. 'Ik geloof datje me het beter kunt laten zien,' zei Cargraves kritisch. 'Als dit niet weer gelogen is, is dat voor mij genoeg om je mee terug te nemen naar de Aarde. Maar niet omdat je dat waard bent.' Hij leunde voorover en gaf een mep tegen de omloopklep; de lucht stroomde de sluis binnen.
Tien minuten later zat Cargraves in de linker stuurstoel, met zijn veiligheidsgordel om. Von Hartwick zat in de rechter stoel. Cargraves had een pistool in zijn linkerhand en liet de loop in de holte van zijn rechterarm rusten, zodat het op von Hartwick gericht zou blijven, zelfs tijdens de aanloop. Hij riep: 'Morrie! Iedereen klaar?' 'Klaar, kapitein,' klonk het zwakjes achter hem. De jongens waren genoodzaakt de acceleratiekooien in het passagierscompartiment te gebruiken, maar daar was niets aan te doen. De controlekamer bood tijdens de acceleratie slechts ruimte aan precies twee mensen. 'oké! Daar gaan we dan!' Hij richtte zich weer tot von Hartwick. 'Trek hem maar aan zijn staart, Zwijn. Kolonel Zwijn, bedoel ik.'
Von Hartwick staarde hem aan. 'Ik geloof niet,' zei hij langzaam, 'datje het ooit zou hebben doorgezet.' Cargraves grijnsde en wreef over de stoelleuning. 'Zullen we teruggaan om eens te kijken?' vroeg hij. Von Hartwick wendde zijn hoofd bruusk af naar voren. 'Achtung!' schreeuwde hij. 'Gereed voor acceleratie! Klaar. . . ' Zonder antwoord af te wachten schoot hij weg. Het schip had energie te over. Cargraves liet hem het schip vijf minuten lang op twee q's vasthouden en gaf hem daarna de vrije hand. Ze zouden over twintig uur langs de Aarde zijn geraasd, als het niet noodzakelijk was geweest af te remmen om te kunnen landen. Cargraves dacht er iets minder dan vierentwintig uur over te doen. Eenmaal in de vrije val kwamen de jongens naar voren en verlangde Cargraves van von Hartwick een gedetailleerde uiteenzetting omtrent de bediening van het schip. Toen hij tevreden was, zei hij: 'oké. Ross, jij brengt de gevangene samen met Art naar achteren en sjort hem stevig vast in een van die kooien. Daarna gesp je jezelf vast. Morrie en ik gaan wat praktijkervaring opdoen.' Von Hartwick begon te protesteren. Cargraves snoerde hem de mond. 'Houd je waffel! Er is jou nog geen gratie verleend; we hebben ons gewoon jouw kennis van zaken toegeëigend. Je bent een doodgewone misdadiger die in hoger beroep wil gaan.' In de daaropvolgende uren probeerden ze het schip uit, met enkel een korte pauze om te eten. De gevolgen van deze oefening op de koers en de snelheid waren nihil; door instrumenten werd aan één stuk door zorgvuldig nagegaan of een aandrijving in een bepaalde richting werd gecompenseerd. Vervolgens gingen ze slapen. Ze hadden slaap nodig. Tegen de tijd dat ze eraan toekwamen, waren ze een volle aardse dag wakker en in een niet aflatend tempo in de weer geweest. Toen ze weer wakker waren, riep Cargraves Art bij zich. 'Denk je datje de Aarde kunt bereiken met dit schip, jongen?' 'Ik zal het proberen. Wat moet ik zeggen, en wie wil je spreken?' Cargraves dacht na. 'Melbourne, Australië,' besliste hij, 'en vertel ze dat. Art knikte. Een paar minuten later, toen hij de werking van de onbekende apparatuur eenmaal doorhad, zei hij eindeloos achter elkaar: 'Ruimteschip City of Detroit roept VN, district Melbourne. . . ' Daar was hij vijfentwintig minuten mee bezig, toen een knorrige stem antwoordde: Pax, Melbourne; Pax, Melbourne, roept Ruimteschip City of Detroit. Komt u maar, City of Detroit.' Art tilde zijn koptelefoon op een keek hulpeloos om zich heen. 'Jij kunt maar beter met ze praten, oom.' Toe maar. Vertel ze maar wat ik jou verteld heb. Dit is jouw taak.' Art hield verder zijn mond en deed wat hij moest doen.
Morrie liet hem voorzichtig dalen en gleed soepel in een strakke ronde baan net buiten de atmosfeer. Hun snelheid bedroeg nog altijd tegen de acht kilometer per seconde; ze omcirkelden de aardbol in negentig minuten. Vanuit de omloopbaan bracht hij zijn snelheid langzaam terug en liet hem behoedzaam naar beneden zakken totdat de stompe vleugels van de City of Detroit, voorheen de Wodan, aan de ijle atmosfeer begonnen te knagen. Dan weer omhoog de ruimte in en vervolgens weer terug, steeds verder en steeds langzamer. Tijdens de tweede omloopbaan hoorden ze het radioverslag van de overval van VN-troepen op de schuilplaats van de schurken en de inbeslagname van de Thor. Bij de volgende ronde boden twee maatschappijen tegen elkaar op voor een exclusieve uitzending uit de ruimte. De vierde keer werd er driftig gepingeld om de televisierechten. De vijfde keer ontvingen ze officiële instructies om te proberen op de Columbia-rakethaven te landen. 'Zal ik hem dan maar aan de grond zetten?' Morrie schreeuwde boven het gekrijs van de wrijving uit. 'Ga je gang maar,' moedigde Cargraves hem aan. 'Ik ben een oude man. Ik heb een chauffeur nodig.'
Morrie knikte en begon aan zijn nadering. Ze bevonden zich ergens boven Kansas.