HOOFDSTUK 2

Daniela


Fresia. Het was de enige bloem die een kamer in de herfst naar lente kon laten ruiken en in de lente deed niets een tuin zo tot leven komen als de geur van deze prachtige bloem. Hij deed je bijna denken aan vers fruit en aardbeien. De levendige kleuren geel, paars, roze en rood maakten het tot een van de mooiste bloemen om in elke tuin te hebben zodra de eerste lentemorgen aanbrak.

Het gras voelde als fluweel onder mijn blote voeten, de subtiele bries weefde zich zachtjes door mijn krullen heen. Het zou een mooie dag worden. Een van die dagen waarop ik kon verdwalen in de serene ontsnapping die de schoonheid van de natuur te bieden had.

Ik liet mijn hoofd achterover hangen en sloot mijn ogen, genietend van hoe de vroege ochtendzon mijn wangen kuste. Ik vroeg me af of de hemel zo voelde. Kalm. Rustig. Er was niets anders dan dit intense gevoel van vrede in mij. Zelfs mijn gedachten waren stil, het enige geluid was dat van mijn eigen hartslag.

Een diepe ademteug nestelde zich in mijn longen en de warmte van de zon verdween. Deze werd vervangen door een schaduw die een windvlaag met zich meebracht, die zijn ijzige tentakels om mijn benen wikkelde. Het geluid van mijn hartslag was weg, razende gedachten en het gevoel van naderend onheil kwamen ervoor in de plaats. Ik kon de fresia’s niet meer ruiken; in plaats daarvan was er deze doordringende stank die mijn neusgaten vulde en mijn maag deed omdraaien. Hij was verachtelijk, walgelijk, als bloed, urine en brandende wanhoop.

Ik probeerde mijn ogen te openen, maar dat lukte niet. Er was iets om mijn hoofd gewikkeld en ik werd ondergedompeld in de duisternis. Paniek trof me als een moesson van vernietiging. Zijn enige doel was mij te ruïneren, te slopen en te breken onder zijn pure kracht. Elk bot in mijn lichaam begon pijn te doen, een verlammende pijn, die me dreigde te wurgen totdat een enkele ademhaling voelde alsof de klauwen van de dood mijn keel omsloten.

Alles was weg. Het zonlicht. De zoete geur van fresia’s. Het gevoel van weelderig gras onder mijn tenen. Er was niets. Alleen een leeg gat dat groter werd, donkerder, eenzamer.

God, de eenzaamheid was het ergste van alles. Geen pijn, geen spijt, geen dreigende schaduw was zo eng en slopend als het gevoel volledig en volkomen alleen te zijn. Er was niemand in de buurt om te zien hoe ik worstelde om te ademen. Niemand die me hielp vechten om te overleven, zodat ik de zon weer kon voelen en de bloemen weer kon ruiken. Ik was helemaal alleen en het enige waaraan ik kon denken, was hoe bang ik was dat ik nooit meer een moment van geluk zou voelen. Bang dat ik nooit meer de kracht van een enkele glimlach zou kennen. Nooit. Meer.

Ik hapte naar adem, mijn longen snakten naar lucht terwijl mijn hart tegen mijn ribbenkast bonsde. De worsteling om te ademen dwong me op mijn knieën. In plaats van zuurstof sneden glasscherven door mijn keel en ik kon mijn eigen bloed proeven – de metaalachtige smaak van mijn levenskracht.

‘Wakker worden, mijn mooie kleine speeltje.’ Het gefluister weergalmde door de open ruimte rondom mij. ‘Heb je mij gemist?’

Het was donker, de tuin waarin ik een paar seconden geleden nog had gewandeld was verdwenen. Gedachten, herinneringen, elk stukje van de puzzel die mijn realiteit vormde kwam samen en sloeg tegen me aan als een sloopkogel, mijn ziel wijd openbrekend.

‘Daar is ze.’

Die stem. Het leek een leven geleden dat diezelfde stem mij een gevoel van troost had gebracht. Vriendschap. Nu wekte hij alleen maar angst op en zorgde hij ervoor dat het bloed in mijn aderen bevroor.

Tranen prikten in mijn ogen, rouwend om het verlies van een droom en omdat ik mezelf weer hier bevond, terug in de kooi waar ik niets meer was dan een uitgehongerde rat. Hoe had ik dit niet kunnen zien? Hoe had ik niet door zijn warme glimlach en warme woorden heen kunnen kijken? Hoe kon een man zichzelf in zoveel licht plaatsen, terwijl elke molecuul van zijn wezen in zwart was gedompeld?

Een ijzige hand greep mijn elleboog, trok me overeind en rukte de blinddoek van mijn ogen. Even aarzelde ik, wilde ik mijn ogen niet openen. Ik wilde hem niet aankijken. Ik wilde zijn vertrouwde gezicht niet zien en in de ogen van bedrog staren.

‘Kijk me aan.’

Ik kneep mijn ogen dicht en zoog op mijn onderlip terwijl ik weigerde, maar ik had geen andere keuze dan te gehoorzamen toen hij mijn kin pakte en mijn gezicht naar zich toe trok.

‘Ik zei dat je mij moest aankijken!’

Zodra ik mijn ogen opende en hem aankeek, sneed het verraad weer door me heen. ‘Darion,’ fluisterde ik en zijn naam liet een bittere nasmaak achter in mijn mond.

Zijn boosaardige glimlach deed zijn mondhoeken krullen toen hij voor mijn open kooi hurkte. ‘We zijn hier nu dagen en elke keer als ik deze kooi open, ben jij als een gemene kat die klaar staat om me naar mijn keel te vliegen. Maar vandaag ben je,’ hij draaide mijn gezicht van links naar rechts terwijl hij me bestudeerde, ‘haast verslagen.’

Zelfs als ik iets had willen zeggen, kon ik mijn woorden niet vinden. De droom die ik had was zo levendig, zo echt, en nu ik wakker was geworden om te ontdekken dat het niet echt was, was het alsof ik weer helemaal opnieuw in deze kooi werd gegooid.

‘Wat is er, schiava?’ Hij hield zijn hoofd schuin. ‘Heeft gisterenavond z’n tol van je geëist?’

Een huivering trok door me heen toen de herinnering terugkwam met een kwelling die erger was dan welke pijn dan ook. De hoer. De geur van seks. En het geluid van vlees dat tegen vlees slaat terwijl zijn gemene gekreun het plafond bereikte.

‘Je hebt haar vermoord.’ Mijn stem brak, mijn keel was schor van het schreeuwen.

‘Wie? De hoer? Nee, lieve Daniela. Ik heb Riana niet vermoord. Het is moeilijk om een gewillige deelnemer te vinden als men, hoe zal ik het zeggen, een bepaalde smaak heeft.’

‘Volgens mij is het woord dat je zoekt gestoord.’

Hij glimlachte. ‘En daar is ze. Mijn kleine vechter.’

‘Fuck you.’

‘Let op. Het laatste wat je wil doen, is me hard maken.’

Ik beet op mijn tong en perste mijn lippen op elkaar, nog steeds worstelend om te accepteren dat de Darion die ik kende niets anders was dan een scherpe leugen die door mijn rug scheurde.

Ik kneep mijn ogen tot spleetjes en bestudeerde hem. ‘Wat is er met je lip gebeurd?’

‘Het is maar een klein schrammetje.’ Darion liet mijn kin met een ruk los en ging rechtop staan. ‘Raad eens wie ik vandaag zag.’

Ik moest mijn nek rekken om hem aan te kijken. Zijn schone grijze pak was het toonbeeld van verfijning en absolute controle, wat allebei gewoon een flagrante misleiding was.

Hij deed zijn colbert uit en gooide dat op het bed. De lakens waren nog steeds bevlekt met het bloed van de hoer. ‘Ik zag Gian vandaag.’

Ik hapte naar adem bij het horen van zijn naam, mijn borst strak van verlangen. Gian. De man die me eerst haatte en toen mijn hart stal. De man wiens koude armen de warmte werden waarin ik elke nacht troost vond. Een warmte waarnaar ik verlangde sinds Darion me ontvoerde.

‘Ik neem aan dat hij degene is die ik moet bedanken voor je kapotte lip.’

‘Stop maar met dingen zomaar aan te nemen,’ waarschuwde hij met koude en harde ogen. Het leek alsof het moment zich voor eeuwig voortsleepte, terwijl zijn waarschuwing zich vastklampte aan de lucht en me langzaamaan verstikte. Ik kon pas ademen toen hij wegkeek.

‘Dus, interessant nieuws.’ Hij begon zijn mouwen op te stropen. ‘Het lijkt erop dat jij niet de enige vechter in de familie bent. Alessa leeft nog.’

Mijn hart stopte, elke centimeter van mijn huid prikte terwijl deze koud werd. ‘Alessa?’

‘Ja. Ik was zelf ook verrast.’ Hij ging op het bed zitten en zette zijn ellebogen op zijn knieën, zijn handen voor zich in elkaar geklemd. ‘Ik had beter moeten mikken.’

Alles om me heen verdween terwijl ik de scène waarin zij op de grond viel keer op keer herhaalde in mijn hoofd. Een deel van mij stierf op dat moment en mijn ziel veranderde in niets anders dan sporen van een rottend bestaan. Het was het meest gruwelijke moment van mijn leven. Daarna kon ik het feit dat Darion, een man die zogenaamd mijn vriend was, me had ontvoerd niet bevatten, want mijn brein had het te druk met proberen te begrijpen wat er in godsnaam was gebeurd en dat hij net mijn zus had neergeschoten. Ik probeerde me niet eens te verzetten. Pas toen we hier kwamen, waar hier dan ook mocht zijn, veranderde mijn verdriet in haat. En mijn haat versterkte mijn vechtlust.

Nu vertelde Darion me dat Alessa nog leefde en hoe graag ik hem ook wilde geloven, de man was niet te vertrouwen. Hij was een sadistisch wezen, een psychopaat die gedijde op de pijn van anderen. En wat deed meer pijn dan een moment van hoop te midden van verdriet, alleen om dat dan een seconde later weer weg te nemen?

‘Je liegt,’ snauwde ik.

‘Geloof me, ik ben er helemaal voor om met jou te spelen. Maar dit is te rampzalig om er grapjes over te maken.’

Ik kneep mijn ogen tot spleetjes, ik vertrouwde de bezorgde uitdrukking op zijn boosaardige gezicht niet. ‘Wat probeer je te doen?’ fluisterde ik. ‘Heb je me nog niet genoeg pijn gedaan? Ben ik nog niet gebroken genoeg voor je, dat je moet liegen over zoiets als dit?’

‘En daar is je antwoord.’ Hij leunde achterover, zwarte haarlokken vielen over zijn voorhoofd. ‘Op dit moment heb ik niets te winnen door over Alessa te liegen. Maar ik ben er vrij zeker van dat als… nee, wanneer ik haar dit keer echt vermoord, het je onherstelbaar zal breken. Dat zou leuk zijn, denk je niet? Om te zien of er nog steeds vechtlust in je zit nadat je dacht dat je zus stierf, terwijl het in werkelijkheid niet zo was? En dan sterft ze nog een keer.’ Zijn lach was maniakaal, een misselijkmakende echo van vreugde, gevonden in kwade bedoelingen. Het geluid kraste tegen mijn ruggengraat en ik moest de gal wegslikken die zich een weg baande naar mijn keel.

Hij veegde met zijn handpalm over zijn gezicht, zijn boosaardige lach eindigde abrupt toen hij zijn blik op mij focuste. ‘Geloof me, schiava, wat ik je zeg is de waarheid. Je zus leeft.’

En daar was het. De waarheid. Sinds hij me hier had gebracht, had ik genoeg van zijn duisternis gezien om te weten wanneer er waarheid achter zijn donkerbruine ogen school.

Het was daar, toen hij me zei dat hij me nooit zou laten gaan.

Het was daar, toen hij me zei dat mijn lot met het zijne was bezegeld.

En het was daar, toen hij me zei dat hij me zou breken, pijn zou doen en me zou vormen tot zijn perfecte kleine schiava.

Het was waar. Alessa leefde nog.

Mijn zusje leefde nog.

‘Dank je, God,’ fluisterde ik en ik legde mijn handpalmen tegen mijn gezicht. Ik probeerde niet langer de tranen te verbijten, want dit waren tranen die ik wilde huilen. Tranen van opluchting. Tranen die vloeiden vanuit mijn hart. Tranen die bloedden vanuit mijn ziel. Gedurende een korte tijd zat ik niet in die kooi. Ik was in de tuin waarover ik had gedroomd, met haar, haar gezicht ziend en genietend van haar lach.

‘Faye, zoals in fee?’

De verwondering in haar ogen toen ze naar me staarde, de manier waarop haar hele gezicht oplichtte toen ze me bij mijn tweede naam noemde; het was een van de meest kostbare momenten van mijn leven. Een herinnering die ik voor altijd zou koesteren.

‘Ze leeft.’ Ik veegde over mijn wangen, het vocht plakte aan mijn vingers. ‘Alessa leeft.’

‘Niet te opgewonden raken, schiava. Ze zal niet lang meer leven.’

‘Wat?’ Mijn hart sprong in mijn keel. ‘Wat bedoel je?’

‘Jezus Christus. Je hebt niets meer gehoord nadat ik je vertelde dat Alessa leeft, wel?’ Hij stond op en knoopte zijn hemd los.

‘Darion…’

‘Alessa leeft, Daniela. Dat betekent dat ze kan praten. Zodra ze haar wakker maken…’

‘Wakker maken?’

‘Ze houden haar in een kunstmatige coma.’ Hij gooide zijn hemd op de grond en zwaaide met zijn hand in de lucht. ‘Iets met haar hersenen of zo. Maar mijn punt is, als en wanneer ze wakker wordt, gaat ze mijn broer vertellen wat er is gebeurd en dat kan ik niet hebben.’

Ik klauterde op mijn knieën en greep naar de open deur van de kooi. ‘Darion, alsjeblieft. Doe haar geen pijn. Niet weer.’

De glimlach op zijn gezicht toen hij zijn armen kruiste, was eentje van puur amusement. ‘God, je bent mooi als je smeekt.’

‘Darion, alsjeblieft.’ Ik ging op mijn knieën zitten, het kon me niets schelen dat de kapotte huid op mijn benen pijn deed door deze beweging.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Het spijt me, schiava, maar ik kan je zus niet laten leven.’

‘Alsjeblieft!’ Ik kroop de kooi uit, nieuwe wanhoop voedde me. Het kon me niets schelen dat mijn handpalmen en knieën brandden door de harde druk. Het kon me niets schelen dat elke spier klopte en mijn hele lichaam pijn deed. Het enige wat me kon schelen, was dat mijn kleine zusje nog leefde. Voor het eerst sinds deze nachtmerrie begon, voelde ik hoop, niet om gered te worden, maar hoop dat niet alles verloren was.

‘Alsjeblieft,’ ging ik verder met smeken. ‘Doe haar alsjeblieft niet weer pijn.’

Mijn hoofd tolde door de onthulling dat ik niet langer hoefde te rouwen. Mijn zus leefde nog, wat betekende dat er in mijn verdorde hart toch nog een beetje kleur zat.

Ik bleef stilzitten voor hem, de tranen rolden over mijn gezicht. ‘Alsjeblieft, Darion. Alsjeblieft. Ik zal alles doen.’ Op mijn knieën en op mijn kwetsbaarst smeekte ik hem met mijn woorden en pleitte ik met mijn hart. Ik kon de gedachte niet verdragen dat hij haar weer pijn zou doen. Ik zou liever door de hel lopen en de vlammen me voor eeuwig laten overspoelen, dan dat deze klootzak Alessa weer kwaad zou doen. Niet weer.

Hij hurkte voor me neer, een huivering trok door mijn lichaam toen hij zijn koude handpalm tegen mijn wang plaatste. ‘Het is al geregeld, schiava. Alessa zal dood zijn tegen morgenochtend.’

‘Nee. Alsjeblieft, god, nee. Darion,’ jammerde ik en ik legde mijn hoofd tegen zijn dij, voor hem buigend terwijl ik hem smeekte. ‘Doe haar geen pijn, alsjeblieft. Ik zweer bij God dat ik alles zal doen wat je me vraagt. Ik zal me nooit meer tegen je verzetten. Alles, alsjeblieft.’

Ik hapte naar adem toen ik zijn handpalm in mijn nek voelde, vingers vlochten zich door mijn haar. ‘Alles?’

‘Alles.’ Ik begroef mijn gezicht dieper tegen hem aan. ‘Ik zweer het, alles.’

‘Weet je, er is één ding dat ik al wil sinds ik je de eerste keer zag.’

‘Alles.’ Tranen rolden over mijn lippen, de bekende zoute smaak verspreidde zich over mijn tong. ‘Ik zweer het. Ik zal alles doen.’

Ik had nooit gedacht dat het mogelijk was dat de ogen van de duivel nog donkerder zouden worden, maar dat deden ze wel. Gesmolten obsidiaan straalde terwijl de zwarte bedoelingen door zijn irissen golfden. Mijn bereidwillige overgave was nu het speelveld van mijn ontvoerder geworden.