HOOFDSTUK 5

Daniela


Er waren geen tranen meer in me over om te huilen. Het enige wat ik kon doen, was in mijn kooi liggen en voor me uit staren. Ademde ik zelfs nog wel? Het voelde niet zo. Ik kon niets voelen. Zelfs de kou van de vloer kon niet door de gevoelloosheid in mijn botten dringen.

Ik proefde Darions sperma niet langer op mijn tong. Het was vervangen door iets bitters, alsof de gal van de hel door mijn keel was geduwd.

Mijn hele leven was ik een vechter geweest.

Ik vocht tegen mijn vader tot de allerlaatste minuut, net voordat ik door het gangpad liep.

Ik vocht tegen Gian en zijn haat voor me totdat hij mijn hart stal.

Ik vocht tegen Darion toen ik dacht dat mijn zus dood was, terwijl hij me keer op keer verkrachtte en de gemeenste dingen tegen me fluisterde die een man tegen een vrouw kon zeggen.

Ik had gevochten.

Ik had verdomme gevochten.

Maar nu niet meer. Voor het eerst in mijn leven was ik verslagen. Zonder hoop. Compleet en volkomen alleen.

Al die jaren had ik iets gehad om voor te vechten – of het nu voor mijn vrijheid was of de noodzaak om mijn zusje te beschermen. Nu bleef er niets meer over. Darion scheurde mijn ziel uit mijn lijf met elke kras, elke zweep, elke ketting. Tandafdrukken ontsierden nog steeds mijn huid daar waar hij me gebeten had terwijl hij zijn kwaad in me vergoot. Kneuzingen bedekten mijn lichaam en mijn ziel was aan stukken gescheurd. Maar ontdekken dat Alessa nog leefde, alleen om te weten dat ik haar weer zou verliezen, was meer dan ik aankon. Mijn geest werd verbrijzeld. Het zoog het laatste beetje kracht dat ik nog had uit het merg van mijn botten en beroofde me van mijn bestaan.

Ik ben haar twee keer kwijtgeraakt. Het kleine zusje van wie ik had gezworen dat ik haar zou beschermen sinds de dag dat ik haar voor het eerst zag, het kleine wondertje dat mijn moeder in haar armen mee naar huis bracht. Alessa was het mooiste poppetje dat ik ooit had gezien en ik wist dat God mij op deze aarde had gezet om voor haar te zorgen. Maar ik faalde.

Ik faalde.

Er was niets meer van me over – niets anders dan deze kooi waarin ik opgesloten zat. Het kon me niet eens meer schelen. De kleine, besloten ruimte kwelde me zelfs niet langer, claustrofobie kon niet verder uit mijn gedachten zijn. Wat mij betreft konden de muren op me afkomen, mijn botten breken en me compleet opslokken. Ik wenste dat het zou gebeuren. Dan was ik tenminste verlost van deze hel.

De deur kraakte open. Het was een geluid dat de kracht had om de vrees van God in me te prenten. Maar niet vandaag. Vandaag voelde ik niets en dat vond ik geweldig.

‘Daar is ze.’

Gal kroop omhoog in mijn keel toen ik zijn stem hoorde, ik ging rechtop zitten en keek achter me.

Darion glimlachte naar me, zoals hij altijd deed als hij hier binnenkwam met intenties die niets goeds voor me in petto hadden. Het gezicht van de man naast hem werd in schaduwen gehuld toen ze beiden bij de deur bleven staan. Het enige wat ik kon zien, waren zijn glimmende donkere schoenen en de glinstering van een gouden horloge om zijn pols.

‘Hoe gaat het met mijn mooie speeltje?’

‘Heb je haar vermoord? Heb je Alessa vermoord?’

Zijn lippen krulden op en zijn ogen vernauwden zich. ‘Zal ik die vraag morgen beantwoorden? Of de dag daarna?’ Hij wreef over zijn kin. ‘Of misschien nooit? Zou dat niet leuk zijn? Niet weten of ik Alessa vermoord heb of niet?’

Uitputting klampte zich vast aan mijn botten. ‘Vertel het me gewoon.’

‘Niet vandaag.’ Hij kwam naar me toe gelopen en ik stelde me voor dat zijn zware voetstappen klonken als de hartslag van de duivel.

‘Ik heb iemand meegebracht om je wat broodnodige TLC te geven.’

Mijn hart bonsde en ik weigerde naar Darion te kijken toen hij de kooi naderde. ‘Hans hier zorgt al jaren voor vrouwen in jouw positie, dus hij is behoorlijk efficiënt in, hoe zal ik het zeggen, nazorg.’

Hij haalde de sleutel van zijn nek en maakte de stalen kooi open. Ik bewoog niet. Zelfs als ik de energie had gehad, zou ik die nog steeds niet verspild hebben aan een poging tot ontsnappen.

Hans ging achter Darion staan en zijn gezicht was nu vol in beeld. Middelbare leeftijd. Misschien vijfenveertig. Buitenlands, maar niet Italiaans. Misschien Nederlands, gezien zijn naam.

‘En doe geen moeite om met Hans te praten of om hulp te smeken. De man is stom en verstaat geen woord Engels, wat hem perfect maakt voor deze baan, vind je ook niet?’ Darion grijnsde als een man die elk schaakstuk op zijn bord hield.

Alles was wazig en mijn geest bevatte niet meer dan fragmenten van vervormde beelden en gedachten.

Maar ik kon nog steeds de donkere randen van zijn gezicht en zijn gemene trekken zien. De man die ik ooit had beschouwd als een vriend was al die tijd mijn vijand geweest. Darion was in een enkel moment van vriend naar vijand gegaan. Van engel naar demon in één ademteug.

‘Dus, wees aardig,’ zei hij en hurkte neer, zodat onze ogen elkaar konden ontmoeten. ‘Laat Hans voor je zorgen.’ Hij stak zijn hand uit en raakte mijn wang aan, een handeling waardoor ik me normaal terugtrok en gromde als een wild dier. Maar niet vandaag. Misschien morgen.

Hij hield zijn hoofd schuin, zijn ogen straalden van valse bewondering. ‘Je hebt mijn hart gestolen met je schoonheid, Daniela. Zelfs met die ontsierde iris van je ben je nog steeds de mooiste vrouw die ik ooit heb gezien. Ik zou een dwaas zijn als ik toestond dat jij je uitstraling verloor. Dus, Hans zal regelmatig langskomen om ervoor te zorgen dat je er altijd op je best zult uitzien voor mij.’

Of het nu mijn gebroken geest was of het feit dat zijn woorden zo belachelijk klonken, er was iets zo krankzinnig aan dit alles dat ik moest lachen. Het begon diep in mijn borst, een zacht gegiechel dat luider werd toen het zich naar mijn keel verspreidde. Ik kon het niet tegenhouden en hoe meer ik lachte, hoe meer ik voelde hoe de hysterie de overhand kreeg.

Darion trok een wenkbrauw op. ‘Wat is er zo grappig?’

‘O, mijn god. Dit is krankzinnig.’ Ik legde een hand voor mijn mond terwijl ik doorging met lachen, elke spier in mijn buik trok samen. ‘Wie weet hoe lang je me al pijn doet, me misbruikt, me verkracht en dan kom je hier aan met deze man, Hans,’ zei ik spottend, ‘om voor mij te zorgen? Zie je daar de ironie van in? Vertel me dat je daar de ironie van inziet.’

Zelfs als ik het zou willen, kon ik nog niet verbergen hoe compleet gestoord dit allemaal was. En ik was gewoon voorbij het punt dat het me fucking iets kon schelen, om te proberen mijn gezond verstand te behouden terwijl hij me beroofde van verder alles.

Hij bleef me aanstaren met die holle ogen en ik lachte nog steeds. ‘Het spijt me,’ begon ik, ‘natuurlijk zie je dat niet, want jij bent een motherfucking psychopaat. Darion Silvestro, de psychopatenbroer van mijn man, wiens enige vreugde in de wereld komt uit het verkrachten van vrouwen en ze behandelen als slaven. Dat is toch wat ik voor je ben, niet? Schiava?’

Ik vermoedde dat dit het moment was waarop ik brak. Het moment waarop ik mezelf verloor in deze bodemloze, oneindige put van duisternis. Dit is waar ik uit de fucking realiteit glipte en me terugtrok in de verbrijzelde stukken van mijn geest.

Compartimenteerde.

Darion greep mijn arm en zijn vingers knepen in mijn vlees. Hij rukte me met kracht uit de kooi, mijn gezicht stootte tegen het scharnier van de open stalen deur en dat sneed in mijn wang. Ik voelde hoe de huid werd opengereten, hoe het warme bloed eruit sijpelde, maar ik voelde geen pijn. Er was niets.

Geen brandend gevoel, geen steken, geen pijn. Gewoon niets.

‘Nu moet je naar me luisteren.’ Hij trok me overeind en sloeg zijn beide handen om mijn bovenarmen, terwijl hij me tegen zich aan trok. ‘Het is niet omdat ik mijn gevoelens voor jou heb bekend, dat ik je geen pijn zal doen.’

‘Je hebt me al pijn gedaan.’

‘Nee. Dat deed ik niet. Geloof me, ik ben nog niet eens begonnen met je pijn te doen.’

‘Doe dan je uiterste best, Darion,’ daagde ik hem uit. ‘Wat kun je nog met me doen wat je nog niet hebt gedaan?’

‘Ik zal je op zoveel manieren breken, dat er niets van je overblijft.’

‘Je kunt iets wat al kapot is niet breken.’

‘Je bent niet kapot.’ Hij grijnsde. ‘Ik ken je beter dan jij jezelf kent, Daniela. En jij,’ hij stopte zachtjes een rode krul achter mijn oor, ‘mijn mooie kleine speeltje, bent verre van gebroken. Maar ik hoop dat je snel de waarheid zult zien.’

‘Welke waarheid?’

‘Dat ik de ware voor je ben en niet mijn broer. Dat ik de man ben die geboren is om jou lief te hebben.’

Zijn woorden waren niet doorspekt met het gebruikelijke venijn en de wreedheid. Misschien was het vanwege het feit dat ik over de metaforische rand viel en mijn geest liet verdrinken, maar het was haast alsof zijn stem genegenheid droeg. Alsof het… hem iets kon schelen. Maar zelfs een delirium kon mij er niet van overtuigen dat deze man voor me meer was dan een monster. Door een waas staarde ik hem in zijn ogen en leunde glimlachend tegen zijn aanraking. ‘Als dat waar is en jij werkelijk de ware voor me bent,’ ik duwde mezelf op op mijn tenen, mijn gezicht een paar centimeter van het zijne, ‘dan zou ik mijn eigen hart eruit klauwen en aan de ratten op straat voeren.’ Ik spuugde in zijn gezicht en hij kromp ineen toen mijn haat zich aan de zijkant van zijn neus en wang vastklampte.

Was het een domme zet? Wellicht.

Zou ik er met bloed voor betalen. Vast en zeker.

Gaf ik er ook maar ene reet om? Niet in het minst.

Als een bliksemschicht scheurde woede over zijn gezicht en ik kon het bloed in zijn aderen haast horen koken terwijl zijn ogen groot werden, verteerd door een duisternis die alleen kon komen uit de diepste krochten van de hel.

‘Hans,’ snauwde Darion, ‘laat ons alleen.’

Het was duidelijk dat Hans gewend was aan hoe de dingen in deze wereld werkten, want hij aarzelde geen moment voordat hij de kamer uitrende. De klap van de deur was de echo van mijn bezegelde lot. Maar ik voelde nog steeds niets. Zelfs geen angst.

Met een wrede hand sloeg Darion zijn vingers stevig om mijn pols en bracht mijn hand naar zijn gezicht, terwijl hij zijn dreigende blik op de mijne gericht hield. Langzaam streek hij met mijn hand over zijn wang en veegde met mijn eigen vingers mijn spuug op.

Zijn greep verstrakte toen hij mijn hand naar mijn gezicht bracht. ‘Doe je mond open.’

Ik weigerde door op mijn onderlip te bijten.

‘Ik zei dat je je motherfucking mond moest opendoen.’

Opnieuw staarde ik hem alleen maar aan, zonder een poging te doen hem te gehoorzamen, nog een teken dat mijn greep op de werkelijkheid wankelde. Ik was niet meer hier of ergens anders. Ik zat gevangen in mijn eigen geest en niets zou me eruit kunnen lokken.

Een dreigend gegrom ontsnapte uit zijn keel, hij greep mijn nek en dwong me naar voren, het bed op, nog steeds mijn pols vasthoudend. Ik verzette me niet, want ik gaf er niet langer om. Toen hij schrijlings boven op me ging zitten en de stof van zijn dure pak langs mijn naakte middel streek, ademde ik alleen maar uit, weigerend om een ander geluid te maken.

‘Jij denkt dat je zo stoer bent,’ begon hij, mijn hand waar het spuug aanhing vasthoudend. ‘Maar ik zal het je laten zien, al kost het mij een leven, ik zal je laten zien dat jij niets bent.’

Met een gewelddadige ruk bracht hij mijn hand tussen mijn benen en sleepte mijn vingers door mijn spleet, hij dwong mijn eigen vingers in me, mijn speeksel verspreidend. Het was smerig. Verachtelijk. Wreed. En als hij dit gisteren had gedaan, dan had ik gebeden dat eerder elk bot in mijn lichaam zou breken dan dat ik zo werd geschonden. Ik zou gesmeekt hebben om elke tand en nagel te breken en te trekken in plaats van deze marteling te ondergaan.

Maar het was niet gisteren. Het was nu. Vandaag. En ik was niet langer op een plek waar dit ertoe deed, omdat ik kon compartimenteren. Ik kon het uitschakelen.

‘Dit is wat er gebeurt als je je misdraagt.’ Hij dwong mijn vinger dieper in me. ‘Je betaalt driemaal voor elke overtreding.’ Met zijn andere hand begon hij zijn riem los te maken, het gerinkel van de gesp vormde het geluid van naderend onheil.

Als een wanhopige man die op het punt staat zijn laatste neukbeurt te hebben, duwde hij zijn broek naar beneden, zijn pik hard en klaar om weer een keer door me heen te scheuren.

Alle andere keren weigerde ik naar hem te kijken. Ik weigerde om naar hem te kijken door de tranen die mijn zicht vertroebelden. Maar vandaag niet. Vandaag was op zoveel vlakken anders. Vandaag keek ik naar hem. Ik zag hoe hij zijn geduld verloor met zijn broek en hemd dat over zijn naakte dijen hing.

Ik zag hoe hij op zijn onderlip beet, hoe zijn haar over zijn met lust gevulde ogen viel waarin geen kleur lag – alleen zwart. Hij greep mijn knie en dwong mijn benen open, zijn wangen rood, en elke lijn op zijn gezicht schetste een beeld van een man die niets dan slechtheid in zich had. Een man die op het punt stond zichzelf te verliezen aan het bezit van alles wat fucking lelijk was.

‘Hierna zullen we een stuk dichter zijn bij het wissen van Gian uit dit mooie lichaam van jou.’

Ik hapte naar adem, het geluid van Gians naam zorgde ervoor dat er een klein stukje emotie naar binnen sijpelde door de kieren in mijn gedachten.

Nee. Nee. Nee. Ik wil niet voelen. Ik zal niet voelen.

Ik keek naar het plafond toen hij zich tussen mijn benen nestelde. Nogmaals, als dit gisteren was geweest, had ik naar zijn huid geklauwd, mijn vuisten tegen hem aan geramd, geschopt en geschreeuwd.

Maar niet vandaag.

Morgen waarschijnlijk ook niet.

‘Het kan me geen reet schelen hoelang het duurt, Daniela Faye Moretti, maar ik beloof je dat er een dag zal komen dat je inziet hoe verdomd verloren je zonder mij bent. Dat er geen andere man voor jou is dan ik.’

Ik sloot mijn ogen en hield mijn adem in. Ik vroeg me af of het mogelijk voor me zou zijn om niet te ademen terwijl hij in me zat, terwijl hij me van binnenuit infecteerde.

Laag gegrom vulde de lucht om ons heen. Ik moest dit al lang genoeg doorstaan om te weten dat het nu snel voorbij zou zijn. Hij was te bezeten, te onbeheerst om dit langer te laten duren, om de marteling zo lang mogelijk te verlengen.

De zijde voelde als zand tegen mijn rug bij elke stoot. Mijn armen lagen gespreid naast me, een levenloos lichaam dat wordt gekruisigd. Maar toch, er was niets, niets anders dan een groot gat van leegte dat in me bleef hangen.

Tegen de tijd dat hij klaar was, had ik mijn ogen geopend, maar ik bewoog me niet. Ik lag daar maar te staren naar het gewelfde plafond. ‘Silvestro,’ fluisterde ik.

‘Excuseer?’

‘Mijn naam.’ Ik ademde uit. ‘Daniela Faye… Silvestro.’

Elk weldenkend mens zou hebben beweerd dat ik zo de grootst mogelijke fout maakte, dat ik net een rondje Russische roulette was gestart met de duivel, iets waarbij ik geen kans had op overleven.

En ze zouden gelijk hebben.