HOOFDSTUK 10

Daniela


De wielen kraakten terwijl we door de ziekenhuisgang liepen. Ik haatte deze rolstoel zodra ik erin ging zitten, maar Gian stond erop en weigerde de ironie ervan in te zien. De hele weg zat mijn hart vast in mijn keel, mijn maag draaide om en ik balde mijn bezwete handen.

Verpleegkundigen in hun ziekenhuiskleding passeerden ons en keken eerst glimlachend naar mijn man, waarna ze op mij neerkeken met niets anders dan jaloezie in hun ogen. Verbazingwekkend hoe vrouwen over een ander konden oordelen, simpelweg omdat ze de vrouw van een man was die zij aantrekkelijk vonden. Hoe ze onmiddellijk besloten dat ik de slechterik was in hun fictieve romantische verhaal waarin mijn man meespeelde.

Dokters in hun witte jassen renden rond, klemborden onder hun arm en karretjes met medische apparatuur voortduwend. Langs alle afdelingen lopen, naar binnen gluren en al deze zieke mensen zien maakte alles zwaarder. Uiteindelijk keek ik maar naar mijn handen die in mijn schoot lagen, op de witte ziekenhuisschort. Alles was al grimmig genoeg en zien hoe anderen leden, intensiveerde dat alleen maar.

‘Gaat het?’ Gian leunde voorover terwijl hij de rolstoel voortduwde.

‘Ja,’ loog ik. ‘Het gaat prima.’ Ik haalde diep adem en veegde een krul uit mijn gezicht. Een uur geleden was ik er klaar voor om mijn zus te zien, maar nu was ik daar niet meer zo zeker van.

Een van de mannen die Gian had opgedragen om met ons mee te gaan, stapte naar voren en hield een draaideur open.

Ik keek half over mijn schouder. ‘Vertel me nog een keer waarom het nodig is om ons door twee mannen naar de kamer van mijn zus te laten begeleiden.’

‘Een voorzorgsmaatregel.’

‘Waarom?’

‘Dat stelt me gerust.’

‘Nogmaals, waarom? Darion is…’

‘Ga hierover niet met me in discussie. Je zou je tijd verdoen.’

Ik beet op mijn tong, wetend dat dit niet het moment of de plaats was om het onderwerp erdoor te duwen. Iedereen was gespannen, ook Gian, vooral Gian.

We bleven staan voor wat ik aannam dat Alessa’s kamer was. De witte deur was gesloten.

Zenuwen prikten als kleine naalden in mijn binnenste en hoe diep ik ook inademde, het voelde alsof de zuurstof mijn longen lang niet vulde.

Gian draaide de rolstoel om en ging voor me staan. Afgezien van zijn stoppels en warrige haar zag hij er nog steeds uit als een machthebber, gekleed in een marineblauwe broek en een schoon wit hemd met opgerolde mouwen.

‘Weet je zeker dat je dit nu wilt doen?’ Amberkleurige irissen die me deden denken aan poelen van goud smeekten me in stilte om van gedachten te veranderen, ook al wist hij dat ik dat niet zou doen.

‘Ik ben er zeker van.’

‘Dit kan nog een paar dagen wachten, Daniela. Alessa is in orde.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Jij en ik weten allebei dat het niet goed met haar gaat. En nee, het kan niet wachten aangezien ik wat als een eeuwigheid voelde, heb gedacht dat ze dood was, om haar rouwde en om haar huilde. Ik wil haar zien.’

Hij klemde zijn kaken op elkaar en ik zag de bezorgdheid in zijn ogen.

‘Het komt wel goed met me. Dat beloof ik.’

‘Oké.’ Hij pufte, trok zijn lippen in een rechte lijn en maakte zo zwijgend zijn afkeuring duidelijk.

‘Alleen,’ onze ogen ontmoetten elkaar toen ik mijn handen op de armleuningen van de rolstoel legde, ‘wil ik niet hierin naar binnen gaan.’

‘Daniela…’

‘Alsjeblieft, Gian. Ik kan daar niet naar binnen in deze rolstoel.’

Geruime tijd bleven onze blikken op elkaar gericht, een stille strijd tussen zijn instinct om mij te beschermen en mijn wanhoop om een reeds moeilijke situatie minder ongemakkelijk te maken.

Gian legde zijn handen op de mijne op de armleuningen, leunde naar beneden en hield me vast met een blik die door steen zou kunnen breken. ‘Prima, maar dan moet je mij beloven dat, als ik zeg dat het tijd is om te gaan, je hierover niet in discussie gaat.’

‘Dit is geen onderhandeling,’ kaatste ik terug.

‘Nu wel. En je kent me goed genoeg om te weten dat je je gevechten verstandig moet kiezen. Dus of je gaat akkoord met mijn voorwaarden of ik breng je nu terug naar je kamer in deze verdomde rolstoel.’

Ik kende hem ook goed genoeg om te weten dat deze bedreiging niet voortkwam uit een gevoel van controle of zijn behoefte om heerschappij te tonen. Ze lagen daar in zijn ogen, de golven van bezorgdheid die hij voelde voor mij en het was niet mogelijk om dat niet te waarderen.

‘Oké,’ gaf ik toe.

Gian nam mijn handen voorzichtig in de zijne en hielp me langzaam maar zeker overeind. Elke spier in mijn buik trok en deed pijn, waardoor ik me hyperbewust werd van de incisie die over mijn bekken liep.

Ik duwde mezelf door het ongemak heen en ging rechtop staan terwijl Gian een arm om mijn middel legde. Toen ik naar voren stapte, begaven mijn benen het, maar Gian zorgde ervoor dat ik niet viel. ‘Ik heb je.’

Ik ademde diep in en keek omhoog, in zijn ogen, kracht vindend in de gouden tinten. ‘Je was er altijd,’ fluisterde ik. ‘Zelfs op momenten dat ik wenste dat je er niet was, de keren dat ik wilde dat de herinneringen aan jou zouden verdwijnen, zodat ik kon opgeven zonder jou teleur te stellen. Maar je ging nooit weg, niet één keer.’ Ik tilde een arm op en raakte zijn wang aan. ‘Vanwege jou kon ik niet opgeven.’

Met zijn duim veegde hij een traan weg die over mijn wang liep en verraste me met een kus die zacht was, maar toch een felle herinnering aan de liefde die we vonden te midden van een haat waarvan we ooit dachten dat die groter was dan wij beiden. Het was het soort kus die iemand een ogenblik alle lelijkheid in de wereld kon laten vergeten, een kus die al het geluid zou kunnen laten verdwijnen, zodat je enkel die ene hartslag hoorde van degene die er het meest toe deed.

Ik huiverde toen hij een haarlok achter mijn oor stak, op me neerkijkend alsof ik dit fragiele ding was waarvan hij het niet aankon om het te verliezen.

‘Klaar?’

Ik knikte en likte aan mijn lippen, biddend dat ik de kracht had om de rol van Alessa’s grote zus te spelen.

Gian deed de deur open en het eerste wat ik zag, was de rolstoel die in de hoek tegenover het raam stond, de zwarte nylon zitting die me bespotte met zijn aanwezigheid, de rubberen banden een misselijkmakende herinnering aan de prijs die mijn zus moest betalen voor de beslissingen van anderen. Mijn zus zou nooit meer kunnen lopen en er was een knagend gevoel in mijn borst dat alle redenen waarom ik gedeeltelijk verantwoordelijk was, tegen me bleef fluisteren. Darion mocht dan wel de trekker hebben overgehaald, maar het kwam door mij. Omdat ik hem vertrouwde toen hij deed alsof hij mijn vriend was. Omdat ik lachte om zijn grappen en genoot van zijn gezelschap terwijl hij met succes het kwaad verborg dat in hem woekerde. En nu stond ik hier, starend naar de rolstoel die voor altijd het kruis zou zijn dat mijn zus moest dragen.

Ik ademde in, probeerde te ademen door de pijn die me verstikte heen. De geur van bleekmiddel en ontsmettingsmiddel was sterk. Ik hield meteen niet van de geur. Ik rook hem al sinds ik wakker werd in dit ziekenhuis, maar toen we Alessa’s kamer binnenliepen, besloot ik dat ik er een hekel aan had. Ik had nu al een hekel aan de herinneringen die eraan begonnen te kleven.

Met één kleine, langzame stap per keer leidde Gian me de kamer in. De muren waren hetzelfde spierwit als in mijn kamer en de vloer was zo onberispelijk schoongemaakt en gepolijst dat je je reflectie erin kon zien.

‘Faye?’

Ik verstijfde en sloot mijn ogen toen ik haar stem hoorde.

‘O, mijn god, Faye.’

Mijn hart scheurde in tweeën, bloedend in mijn borstkas, tranen in mijn ogen dwingend. ‘Alessa,’ fluisterde ik toen ik mijn ogen opende en nog een stap in de kamer zette, zodat ik naar haar mooie gezicht kon kijken.

Ik had geen idee hoelang het had geduurd, maar ik rouwde om haar, voelde mijn hart verdrinken in verdriet. Ongeacht hoe kort het was geweest, de gedachte dat ik haar nooit meer zou zien, maakte me kapot. Toch stonden we hier nu en het was een van de mooiste momenten van mijn leven om mijn zus te zien nadat ik ervan overtuigd was geweest dat dat nooit meer het geval zou zijn.

‘Alessa.’ Ik stikte in mijn eigen tranen toen ik haar op het bed zag zitten, haar haar over haar schouders gedrapeerd en met ogen die glinsterden van zoveel emotie dat ik mezelf er niet van kon weerhouden me naar haar toe te haasten, de tijdelijke beperkingen van mijn lichaam vergetend.

Een scherpe pijn schoot door mijn buik en straalde uit naar mijn dijen, ik kromp ineen, boog voorover en greep mijn onderlijf vast.

‘Daniela, gaat alles goed met je?’ Alessa’s stem trilde van bezorgdheid en ik veegde elk klein beetje kracht dat ik had bij elkaar.

‘Alles gaat prima. Niets wat ibuprofen niet kan genezen.’ Ik glimlachte hartelijk en ging op het bed zitten. Een zachte roze deken lag over haar benen.

Meer tranen stroomden vrijuit toen ik naar haar keek. Ze was nog steeds de Alessa die ik me herinnerde. Nog steeds in leven. Nog steeds ademend. Zonder na te denken sloeg ik mijn armen om haar heen en omhelsde haar zo stevig, dat ik ervan overtuigd was dat ik haar nooit meer zou laten gaan. Alles verdween. Er was geen verleden, geen Darion, geen levensveranderende gebeurtenis die ons naar dit moment had geleid.

‘Ik ben zo blij dat je in orde bent.’ Haar lichaam trilde terwijl ze huilde en me steviger vastpakte. ‘Ik was zo bang toen ik wakker werd en me herinnerde wat er was gebeurd.’

‘Sst,’ suste ik en ik streek met mijn hand over haar rug.

‘Ik flipte, wetend dat Darion je had meegenomen.’ Ze leunde achterover en hield me op armlengte, terwijl ze haar tranen afveegde. ‘Ik herinnerde me hoe ik wegrende. Ik wilde zo wanhopig graag hulp gaan halen, Gian vinden… ik wilde…’

‘Alessa, het is in orde.’ Voorzichtig stopte ik een lok van haar haar achter haar oor. ‘Ik ben oké. We zijn allebei veilig.’

‘Ben je in orde?’ Ze kneep haar ogen tot spleetjes terwijl ze me bestudeerde. ‘Ben je echt in orde? Wat is er gebeurd? Wat heeft Darion met je gedaan?’

Haar ogen waren gevuld met paniek, haar lieve gezicht bedekt met bezorgdheid. Ik haatte het dat, na alles wat ze had meegemaakt, ze zich ook zorgen om mij maakte. Dit was niet hoe onze dynamiek werkte. Dit was niet hoe ik het wilde. Ik was degene die haar hoorde te beschermen, die zich zorgen om haar hoorde te maken. Niet andersom.

‘Heeft hij je pijn gedaan?’

‘Nee.’ Mijn antwoord was meer instinct dan iets anders. Ik was niet hierheen gekomen met de intentie te liegen om haar de gruwelijke details van mijn tijd met Darion te besparen. In alle eerlijkheid had ik niet eens zover nagedacht, had ik er niet bij stilgestaan dat we onze verhalen zouden uitwisselen over de beproevingen die we hadden doorstaan. Maar nu ik de bezorgdheid in haar ogen zag, de angst en het verdriet van elke traan, wist ik dat ik de details van mijn trauma voor haar verborgen moest houden. Ik moest leven met de herinneringen, de nachtmerries en de littekens, het was nergens voor nodig dat Alessa dit wist.

‘Met mij gaat het prima,’ loog ik met een glimlach.

‘Je ziet er niet goed uit. En als alles prima gaat, waarom ben je dan in het ziekenhuis?’

Ik nam haar beide handen in de mijne, mijn instinct om haar te beschermen werd sterker. ‘Het zijn maar een paar blauwe plekken. Niets om je zorgen over te maken.’

‘Nee.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Je liegt. Dat doe je altijd, tegen me liegen, zodat ik me geen zorgen hoef te maken.’

‘Luister naar me, ik ben…’

‘Ze is hier omdat ik erop sta dat ze blijft,’ onderbrak Gian me en hij legde een troostende hand op mijn schouder. ‘Het is puur uit voorzorg. Maar je zus is in orde. Ik ben een overbeschermende echtgenoot, dat is alles.’

Even keek Alessa van mij naar hem en weer naar mij, waarna ze zichtbaar diep ademhaalde. ‘Godzijdank. Ik was zo bezorgd.’

Ik wierp Gian een veelbetekenende blik toe en bedankte hem in stilte voor de hulp de waarheid voor haar verborgen te houden.

‘Na alles wat Darion zei,’ vervolgde ze, ‘na de manier waarop hij handelde… ik was doodsbang voor hem en voor wat hij met jou zou doen.’

‘Je hoeft je geen zorgen meer te maken. Het is voorbij nu.’

‘Waar is hij? Zit hij in de gevangenis?’

Gian richtte zich op. ‘Hij is afgehandeld. Het enige waar jullie twee dames zich op moeten concentreren, is beter worden, zodat ik jullie allebei uit dit grimmige ziekenhuis kan halen.’

Alessa grinnikte en ik glimlachte alleen maar. Ik wist dat het leven voor ons beiden nooit meer hetzelfde zou zijn. Ik zou altijd de herinneringen hebben en Alessa’s benen zouden haar altijd herinneren aan wat er was gebeurd. Ik kon het niet helpen, maar ik was bang voor de buitenwereld, want zodra we dit ziekenhuis verlieten, zouden we beiden moeten verdergaan en leren leven met de nasleep.