HOOFDSTUK 17

Daniela


De Silvestro-landgoedtuin was omgetoverd tot een carnaval Utopia vol kleur en wat wel duizend lichtjes leken. Een gigantische rode met witte tent stond opgesteld aan de uiterste zijde en de open zijkanten zorgden ervoor dat je de gasten kon zien dansen en lachen.

Zo ver het oog reikte, hadden glamour en rijkdom elke hoek van het landgoed gevuld, terwijl muziek de nachtelijke hemel vulde en het op Venetië geïnspireerde decor de romantiek tot leven bracht waar de stad om bekend stond.

Massa’s mensen waren aanwezig in hun extravagante kostuums. Mannen droegen hun capes en pruiken, terwijl vrouwen rondstruinden in hun elegante jurken. Sommige waren eenvoudig doch verfijnd met goudkleurige en witte ontwerpen, terwijl andere gedurfd waren met een regenboog aan diepe en rijke kleuren. Maar het waren de porseleinen maskers die het gemaskerde bal omtoverden in het Carnivale di Venezia.

Gian en ik baanden ons ontspannen een weg door de menigte gemaskerde mensen. De tafels waren elegant versierd met koningsblauwe overlays en vergulde randen. Er stonden grote kristallen vazen, allemaal gevuld met zwart met gouden gevederde maskers, waardoor de illusie ontstond van opgesloten mysterie en allure.

‘Ik zei toch dat mijn familie dit ene evenement gebruikte om met hun geld te pronken in ieders gezicht.’

Mijn blik dwaalde rond en ik nam alles in me op. ‘Nou, ze hebben fantastisch werk verricht om ermee te pronken. Maar ik moet zeggen,’ ik keek naar al de gemaskerde gezichten, ‘dat het nogal angstaanjagend is om al deze maskers te zien, zonder te weten welk gezicht erachter zit.’

Gian drukte mijn hand steviger tussen zijn elleboog en zij. ‘Onthoud,’ hij leunde dichter naar me toe, ‘blijf de hele tijd aan mijn zijde. Fuck.’

‘Wat?’

‘Zie je dat masker met drie gezichten daar, bij de champagnefontein?’

Ik zocht de menigte af. ‘Ja.’

‘Dat is mijn vader. Hij draagt elk jaar datzelfde verdomde masker.’

‘Oké, nou, dat is echt een freaky uitziend masker.’ Ongeacht welke kant hij zijn hoofd opdraaide, een van de drie gezichten keek altijd in je richting.

‘Dat masker spookte jarenlang door mijn nachtmerries toen ik een kind was.’

Ik fronste terwijl ik ernaar staarde. ‘Ik kan zien waarom.’

‘Kom.’ Hij leidde ons door de menigte, weg van zijn vader.

‘Laten we eens kijken of we hem de hele avond kunnen ontwijken.’

‘Ik denk dat die kans best aanwezig is, aangezien het onmogelijk is om hier iemand te herkennen.’

Gian schamperde. ‘Geloof me, mijn vader is als een fucking bloedhond. Hij zal onze geur opvangen. Trouwens,’ hij keek me zijdelings aan, ‘met jouw kenmerkende rode haar, hoe zou hij je kunnen missen?’

‘Als iemand mijn opgestoken kapsel niet had verpest, had ik het makkelijk kunnen verbergen onder de cape.’

‘Wat kan ik zeggen?’ Hij wierp me een ondeugende grijns toe. ‘Ik hou fucking veel van die rode lokken. Vooral verspreid over mijn kussen of strak om mijn vuist gewonden.’

Hitte kleurde mijn wangen en Gian grinnikte terwijl hij voor ons allebei een glas champagne pakte toen een ober voorbijliep, gekleed in een zwart-wit gestreepte broek, geen shirt, en een rode vlinderdas, die paste bij het rode porseleinen masker dat hij droeg.

‘Gian, ben jij dat?’

Fuck me. Ik heb het je gezegd,’ mompelde hij voordat hij zich omdraaide om zijn vader te begroeten.

‘Ja, ik ben het.’

‘Nou, nou, nou. Ik moet toegeven, ik was enigszins verbaasd om je naam te zien staan op de bevestigde gastenlijst.’ Meneer Silvestro kwam dichter naar ons toe met een glas champagne in zijn hand.

‘Waren we niet uitgenodigd?’

‘O, jawel. Ik had gewoon niet gedacht dat jullie zouden komen.’

Het enige wat ik kon zien, waren zijn ogen toen hij mijn kant op keek. ‘Daniela?’

Ik liet mijn masker zakken en glimlachte zo beleefd als ik kon. ‘Hallo meneer Silvestro.’

‘Je ziet er absoluut prachtig uit in het rood. Hoe gaat het met je? Hoe gaat het met Alessa?’

Mijn maag draaide om toen hij de naam van mijn zus noemde. Zijn woorden vertoonden een compleet gebrek aan oprecht medeleven. ‘Alles gaat goed met ons. Bedankt dat u het vraagt.’

‘Gian,’ opnieuw kon ik alleen zijn ogen zien toen hij naar mijn echtgenoot keek, ‘kan ik even met je praten?’

‘Kan het niet wachten tot na de festiviteiten?’ Gian legde een arm om mijn middel. ‘Ik laat niet graag mijn vrouw onbeheerd achter in zo’n zee van mensen.’

‘Het duurt maar een minuutje.’

Het was nogal verontrustend om iemands gezicht niet te kunnen zien terwijl hij met je praatte. Nu ik niet in staat was om de gezichtsuitdrukking van meneer Silvestro te lezen, realiseerde ik me hoe sterk je in een gesprek afhankelijk was van het lezen van gezichten van anderen.

‘Het kan wachten tot morgenochtend,’ antwoordde Gian stijfjes, terwijl hij zijn greep om mij verstevigde. Ik kon de ergernis bijna van hem af voelen stralen.

Ik leunde naar hem toe. ‘Het komt wel goed met me. Ga met je vader praten.’

‘Geen kans.’

‘Ik meen het. Ik blijf hier staan en verroer me niet.’

Gian keek van zijn vader naar mij en toen weer terug naar zijn vader. ‘Je hebt twee minuten en wat je ook met me wilt bespreken, het kan maar beter iets zijn wat je op een paar meter van deze plek kunt bespreken. Ik wil graag mijn vrouw in het oog kunnen houden, aangezien je nooit weet wat voor psychopaten er zich onder ons bevinden.’

Het was een directe steek onder water betreffende de waarheid over zijn broer en de manier waarop zijn vader zo stil bleef staan dat hij wel bevroren leek, deed me beseffen dat er geen glimlach verborgen lag achter dat masker met drie gezichten.

Gian drukte een kuise kus op mijn slaap en liep niet meer dan een paar meter bij me vandaan. Maar met de drukte van de menigte en de muziek was het onmogelijk om hun gesprek te horen, hoewel ik een idee had wat het onderwerp zou zijn.

Ik keek toe hoe Gian en zijn vader dicht bij elkaar stonden, ondergedompeld in wat een verhitte discussie leek. De spanning die van Gian afrolde was niet te missen. Zowel hij als zijn vader hadden hun maskers afgedaan en het was makkelijk om de vijandigheid te zien die tussen hen pulseerde als een ziekte.

Zenuwen bouwden op in mijn maag terwijl ik naar mijn man keek en ik kon me alleen maar voorstellen welke woorden er werden gezegd.

Uitgedroogd en nerveus nam ik een slok van mijn champagne toen er iemand van achteren tegen me aan botste, waardoor ik de helft van het glas op de voorkant van mijn jurk morste.

‘Het spijt me heel erg.’ De lage, hese mannenstem veroorzaakte een rilling die langs mijn ruggengraat trok. Koude handen raakten mijn schouders aan. ‘Nogmaals, mijn excuses.’

Die stem stuurde ijs door mijn aderen en ik stopte met ademen toen ik opkeek naar het gemaskerde gezicht en de ogen die me aanstaarden meteen herkende.

Dat kon niet.

‘Darion,’ fluisterde ik, maar hij was al verdwenen in de menigte.

Het voelde alsof elke druppel bloed uit mijn lichaam wegvloeide. Onmiddellijk was alles koud en paniek verdreef alle lucht uit mijn longen. Ik kon niet ademen. Ik kon me niet concentreren. Mijn gedachten raasden terwijl de wereld om me heen verstilde.

Er was geen muziek. Geen stemmen. Geen geluid, behalve het luide bonzen van mijn eigen hart dat echode in mijn oren.

‘Daniela?’

Ik draaide me om en zocht verwoed de menigte af.

‘Daniela?’ Een hand raakte mijn elleboog aan en ik gilde, hapte wanhopig naar adem. ‘Ben je in orde?’

Mijn hartslag racete toen ik opkeek naar Gian, die me aanstaarde met zorglijnen in zijn gezicht. ‘Jezus, je bent lijkbleek. Gaat het?’

‘Ik…’ Mijn brein kon geen enkele samenhangende gedachte vormen. ‘Ik heb gewoon…’ Mijn blik dwaalde naar elke hoek en langs de menigte. ‘Eh…’ Ik raakte mijn voorhoofd aan, mijn huid was ijskoud, maar het zweet parelde bij mijn haarlijn.

‘Daniela, het is in orde. Adem. Wat is er gebeurd?’ Gian bestudeerde me, zijn wenkbrauwen waren naar elkaar toe getrokken en ik slaagde er eindelijk in om diep adem te halen toen ik mijn aandacht op hem vestigde.

‘Ik… eh,’ ik haalde nog een keer adem terwijl de realiteit door de paniek sijpelde, waardoor deze langzaam verdween. ‘Het gaat goed met me. Ik dacht gewoon…’

‘Wat dacht je?’ Hij leunde naar voren en pakte mijn wang vast. ‘Weet je zeker dat je in orde bent? Je bent ijskoud.’

‘Ja. Ja, ik ben in orde. Eh… iemand botste tegen me aan en ik schrok ervan. Dat is alles.’

‘Wie botste er tegen je aan?’

‘Niemand.’ Ik veegde over mijn voorhoofd. ‘Ik bedoel, iemand. Het is gewoon… ik weet niet wie het was met al deze gemaskerde gezichten.’

Hij liet zijn handen langs mijn schouders zakken. ‘Heb je ergens pijn?’

‘Nee. Nee, ik ben oké.’ Ik haalde diep adem en liet de lucht mijn longen vullen. ‘Ik kan echter wel een nieuw glas champagne gebruiken, want ik heb dit glas helemaal op mijn jurk gemorst.’

Gian wierp een blik op de natte vlek op mijn kostuum. ‘Wil je dat gaan schoonmaken?’

‘Ja, graag.’

‘Kom,’ hij nam mijn hand in de zijne, ‘ik breng je naar het damestoilet in het huis.’

Het aantal gasten was zo ongeveer verdubbeld sinds we arriveerden en het leek een doolhof van mensen waar we onze weg doorheen moesten zoeken. En hoe meer we door de menigte manoeuvreerden, hoe sterker mijn angst werd, waardoor het steeds moeilijker werd om normaal te ademen.

Gians greep op mijn hand versterkte toen we door de menigte braken en mijn hakken klikten op het stenen pad naar het huis.

Ik was eerder een keer in het Silvestro-landhuis geweest met mijn ouders, een paar jaar terug. Ik herinnerde me dat ik dacht hoeveel ik hield van het Italiaanse renaissance-interieur en de klassieke architectuurelementen.

Gian nam me mee achterom, een trap op en we liepen de grote eetkamer binnen. Of betere gezegd, een van de eetkamers waarin rijkelijk bewerkte houten meubels stonden. De hoge plafonds wekten de illusie van een grote open ruimte en ik kon de krachtige geur van grenen meubelwas ruiken. De kamer was brandschoon met alles netjes op z’n plek. Als ik niet beter wist, zou ik denken dat deze ruimte al een eeuw onaangeroerd was.

‘Daar is een badkamer.’ Gian wees naar een gewelfde deur aan de andere kant van de hal, tegenover de eetkamer. ‘Ik wacht hier.’

‘Oké.’ Ik glimlachte en liep snel door de deur met een ingewikkeld bloemenmotief.

Toen mijn hakken de tegelvloer raakten en de deur achter me dichtviel, bleef ik stilstaan om het damestoilet te bewonderen, dat net zo onberispelijk was qua ontwerp als de rest van het huis. Twee ovalen spiegels met vergulde lijsten versierden de muren boven de verfijnde wastafels met wit gemarmerde randen. De verlichting ving alle afwerking en gouden details perfect, hij belichtte de elegantie, terwijl de subtiele geur van vanille de netheid van de omgeving versterkte.

Ik pakte een van de opgerolde stoffen handdoeken, maakte hem vochtig onder de kraan en depte er zachtjes mee tegen de door champagne besmeurde jurk. Zodra ik hem zo goed mogelijk had schoongemaakt, legde ik de natte doek in mijn nek in een poging af te koelen, ook al was mijn huid nog geen tien minuten geleden ijskoud.

Er was geen enkele reden te bedenken voor wat er was gebeurd, waarom ik Darions ogen achter het masker van die vreemdeling had gezien. Het was alsof krankzinnigheid zich een ogenblik meester van me had gemaakt en mijn nachtmerries waren naar de voorgrond gestormd als een razende stier die werd geprovoceerd met een rode lap.

Het was zo lang geleden sinds ik iets had gehad wat op een PTSS-episode leek, dat ik was vergeten hoe het verleden maar een fractie van een seconde tegen je aan hoefde te knallen om ervoor te zorgen dat je meteen achterover werd geslagen.

Ik veegde met de doek langs de zijkant van mijn nek en verwelkomde de kou tegen mijn verhitte vlees. Ik liet mijn hoofd hangen, mijn ogen gesloten, en focuste me op een paar keer diep ademhalen, me voorstellend hoe het mijn longen volledig vulde.

Als de angst piekte, was de snelste remedie een ritmische ademhaling en kalmerende gedachten.

Eindelijk kwam mijn hartslag tot rust en ik gooide de doek in een rieten mand.

‘Ik heb op je gewacht, mijn mooie kleine speeltje.’

Verschrikking sloeg tegen mijn ruggengraat en mijn blik schoot naar de spiegel. Een gemaskerde man keek mij aan. Een schreeuw trok door mijn keel en ik greep de rand van de wastafel. De man was weg, verdwenen, maar ik kon niet stoppen met schreeuwen.

Hij was het. Ik wist dat het zo was.

Gian stormde naar binnen. ‘Daniela!’

Mijn geschreeuw bleef tegen het plafond slaan, hysterische snikken kwamen uit mijn borstkas. Ik kon niet langer overeind blijven toen de angst elke spier in mijn lichaam in zijn greep kreeg en ik zakte op de grond.

‘Jezus, Daniela!’ Gian rende over de tegelvloer en gooide zijn masker op de grond. Het misselijkmakende gekraak van brekend porselein resoneerde, bijna als het geluid van mijn ribben die kraakten onder de druk van angst. Hij sloeg zijn armen om mijn schouders, maar het enige waaraan ik kon denken, het enige wat ik kon zien, was hem. Darion. Zijn ogen. Zijn stem.

Mijn mooie kleine speeltje.

‘Hij is het,’ huilde ik. ‘Hij is het. Hij was hier.’

‘Wie?’ Gian hurkte en probeerde me te dwingen hem aan te kijken. ‘Daniela, over wie heb je het?’

‘Darion.’ Zijn naam hardop zeggen was als het overgeven van glasscherven. ‘Hij was hier.’

Gian greep mijn schouders vast. ‘Dat kan niet, Daniela. Darion is dood.’

Ik schudde mijn hoofd, de tranen stroomden nog steeds over mijn wangen. ‘Hij is hier. Ik zag hem buiten…’

‘Wat bedoel je met dat je hem buiten zag?’

‘De man…’ Ik had moeite met ademhalen. ‘De man die tegen me aanliep, ik ben er zeker van dat hij het was. Ik zag zijn ogen. Hoorde zijn stem.’ Mijn gedachten raasden en ik sloot mijn ogen, proberend om na te denken en verdomd hard hopend dat ik het mis had. ‘Hij was hier… hierbinnen. Ik ben er zeker van.’

‘Daniela, luister naar me. Oké? Kijk me aan!’ Gian pakte mijn wangen beet en dwong me hem aan te kijken. ‘Darion is dood. Hij is niet hier.’

‘Nee.’ Ik ademde diep in, hoofdschuddend, en mijn hele lichaam trilde. ‘Hij was hier. Ik zag hem.’

‘Dat is onmogelijk. Darion kan hier echt niet zijn.’ Hij probeerde me omhoog te trekken, maar ik deinsde achteruit. Ik wilde nergens heen, de angst verteerde me volledig.

‘Ik zag hem,’ mompelde ik en ik krabbelde achteruit. Ik drukte mijn lichaam hard tegen de muur. ‘Hij is hier.’

‘Nee,’ zei Gian zacht.

‘Ik ken zijn stem, Gian. Ik ken zijn ogen.’ Eindelijk ontmoette ik Gians blik. ‘Ik ken hem.’

‘Luister naar me,’ hij haalde zijn hand over zijn gezicht, ‘hij is dood. Ik heb hem vermoord, weet je nog?’ Hij schoof dichterbij op zijn knieën. ‘Ik heb hem opgesloten in die kooi en in brand gestoken. Ik heb het hele verdomde gebouw platgebrand met hem er nog in.’

Nee. Nee. Nee. Dit kan niet gebeuren. Iets was er mis. Ik wist dat het Darion was; ik hoorde zijn stem en zag zijn ogen.

Voorzichtig stak Gian zijn hand naar me uit. ‘Darion is niets anders meer dan as, dat beloof ik je.’

‘Ben je gebleven om hem te zien opbranden? Zag je hem sterven?’ Wanhoop weefde zijn giftige tentakels om mijn woorden, mijn stem beefde van angst.

Gian zoog op zijn onderlip en de blik in zijn ogen vertelde me dat ik niet blij zou zijn met het antwoord. ‘Nee,’ pufte hij. ‘Ik had de plek doorweekt met aanstekervloeistof en de vlammen grepen snel om zich heen. Daniela,’ hij hield zijn blik op de mijne gericht, ‘mijn broer kan dat nooit overleefd hebben.’

Mijn gedachten waren vervormd, mijn brein probeerde te begrijpen wat er was gebeurd. Alles voelde zo surreëel, alsof ik op de een of andere manier was overgegaan naar een andere realiteit, eentje waarbij alles een waas van vage herinneringen en vervaagde beelden was.

Woorden.

Stemmen.

Pijn.

Vlammen. De kooi. De glinstering van een sleutel.

En als een vloedgolf knalde de realiteit tegen me aan en brak door de chaos. ‘De sleutel,’ mompelde ik binnensmonds. ‘Hij had de sleutel.’

‘Welke sleutel?

Abrupt schoot ik overeind op mijn knieën en greep de kraag van Gians jasje. ‘Hij had een… een…,’ ik worstelde om de woorden uit mijn mond te krijgen terwijl ik me verslikte in de chaos van razende gedachten en kloppende angst. ‘Eh… een sleutel. Darion had een sleutel.’

‘Wat voor sleutel, Daniela?’

‘De sleutel van de kooi. Had hij de sleutel?’

‘Ik weet niet…’

‘Om zijn nek,’ flapte ik eruit. ‘Hij droeg de sleutel altijd om zijn nek.’ Ik verstijfde, mijn paniekerige blik bleef op die van mijn man gericht terwijl ik verdomme stopte met ademen. ‘Vertel me dat je de sleutel hebt afgepakt.’

Gian bewoog niet. Hij probeerde niet eens iets te zeggen.

‘Vertel me dat je de sleutel hebt afgepakt, Gian. Vertel me dat je die verdomde sleutel hebt afgepakt!’

Hij staarde me enkele seconden aan, haalde een hand door zijn haar en ging toen staan. ‘Jezus Christus.’

‘Gian, vertel me dat je de sleutel hebt afgepakt?’ Ik slaagde erin om rechtop te gaan staan en kon voelen hoe mijn hart beetje bij beetje richting mijn keel kroop, wat ervoor zorgde dat het moeilijk werd om te ademen in combinatie met mijn pols die tegen de duizend slagen per seconde klopte.

‘Ik heb niet…’ Hij keek mijn kant op. ‘Er was geen sleutel, Daniela.’

‘Nee,’ hijgde ik. ‘Hij had die sleutel altijd bij zich. Om zijn nek. Altijd.’

Het gewicht dat tegen mijn schouders sloeg, was onbeschrijfelijk terwijl ik toekeek hoe Gian ijsbeerde met zijn razende gedachten.

‘Je ging weg,’ begon ik. ‘Je liep naar buiten nadat je de boel in brand had gestoken, dus hoe weet je dan dat hij echt dood is?’

‘Het is onmogelijk dat hij daar op tijd weg is gekomen.’

‘Dat weet je niet.’ God, mijn ergste nachtmerrie vond plaats en ik zat er momenteel middenin. Ongeacht welke kant ik op ging, er was geen ontkomen aan.

‘Heb je zijn lichaam gevonden?’

‘Jezus, Daniela. Ik heb die klootzak levend verbrand. Wat was er te vinden?’

‘Ik weet het niet. Botten? Tanden? Iets om te bewijzen dat hij dood is.’

‘Nee.’ Gian schudde zijn hoofd. ‘We hebben het laten lijken op een elektrische storing. We konden niet te veel gaan graven en het risico lopen dat de waarheid over wat er werkelijk was gebeurd aan het licht zou komen. En voor zover we weten, is er niets gevonden.’

Mijn knieën dreigden het te begeven en ik was twee ademhalingen verwijderd van stikken in mijn eigen gal. ‘Als er geen lichaam was, kunnen we nooit weten of hij er op tijd uit heeft kunnen komen of niet.’ Ik verstijfde, koude rillingen liepen over mijn lichaam en de vonk van angst in mijn buik was nu een laaiend vuur. ‘Darion zou kunnen leven.’ Het kwartje viel en als een fucking anker trok het me naar beneden, terug naar de hel waarvan ik dacht dat ik eraan was ontsnapt.

Gian rukte de vlinderdas van zijn hals en maakte de bovenste knoop los. ‘Weet je zeker dat hij het was? Heb je zijn gezicht gezien?’

‘Ik… nee, ik heb zijn gezicht niet gezien. Hij droeg een masker. Maar ik weet dat hij het was. Ik zag zijn ogen en hoorde zijn stem.’

‘Wat zei hij tegen je?’

Ik slikte hard, alsof ik net door hout had geknaagd en de splinters naar beneden moest zien te krijgen. ‘Hij zei…’ Jezus, ik kreeg het er niet uit.

‘Wat zei hij, Daniela?’ Gian liep naar me toe en ik viel tegen de muur, mijn benen waren niet langer sterk genoeg om mijn gewicht te dragen.

‘Hij zei…’ Ik keek naar Gian. ‘Ik heb op je gewacht… mijn mooie kleine speeltje.’