14

 

 

 

 

 

De volgende dag brengt hij grotendeels schilderend door, in zichzelf gekeerd, terwijl hij de gebeurtenissen van de avond ervoor overpeinst. Op één avond heeft hij het bij Inigo Jones, de Antwerpse schilders én de koning verkeerd gedaan. Zijn ervaring met de koning stopt hij weg. Hij denkt terug aan de eerdere handreiking van de Antwerpenaars en het aanbod van Inigo gisteravond. Zijn afwijzingen.

Verkeren in groepsverband stoort hem in zekere zin en ja, benauwt hem een beetje. In een werkplaats heeft hij altijd het gevoel dat hij wordt afgeremd, en buiten het atelier is het alsof hij op zijn hoede moet zijn, alsof hij elk moment kan worden bevraagd of uitgelachen door mensen die zijn vuur niet begrijpen, omdat ze dit zelf ontberen. De twee assistenten in de Dom van Ceulen kende hij uit het atelier van Rubens, zij waren vertrouwd.

Maar alleen-zijn is óók verstikkend, op een zeker moment. Vandaag voelt het zo. Dus zoekt hij Kenelm weer op, die vlak bij de Cockpit achter het Banqueting House een woning heeft. Het is de andere kant van King Street, maar toch niet ver van de privévertrekken van King James. Een voorname plek. Met zijn achttien jaren windt hij iedereen al om zijn vinger, de koning voorop.

Antonie heeft zitten peinzen hoe Kenelm deze positie verkregen moet hebben. Het heeft te maken met zijn adellijke afkomst – zijn vader, Sir Everard Digby, was van aristocratische komaf – en de wetenschappelijke traktaten die hij al heeft geschreven, maar vooral pakt hij iedereen in met zijn humor en onbevangenheid. Daarbij komt zijn goede kop, zijn brede borstkas. Kledingkeuze. Dat laatste, daar kan Antonie als zoon van een textielkoopman iets mee.

Rond dit uur in de middag is zijn vriend meestal thuis aan het werk. De meid, die ongeveer de leeftijd van Aline heeft, doet de voordeur op een kier open, en nadat hij haar zijn naam heeft genoemd gaat de deur met een zwaai open.

‘Mijnheer Van Dyck, komt u binnen,’ zegt de meid opgewekt.

‘Dank u zeer,’ zegt Antonie en hij neemt zijn hoed af. Hij knikt haar toe op een manier waarvan hij hoopt dat het sympathiek overkomt. Hij wordt naar een kamer geleid waar Kenelm aan een bureau zit te schrijven. Zijn gezicht gaat over van ernst in blijdschap als hij ziet wie er is.

‘Antonie, de enige echte schilder! Wees welkom. Wat ben ik blij je te zien.’

‘Goedemiddag Kenelm, en insgelijks,’ zegt Antonie. De vreugde van Kenelm is welgemeend. Dat hij hem, Antonie, als een vriend begroet verbaast hem nog steeds een beetje; hoe kan iemand die zo flamboyant is interesse hebben in een man zo saai en serieus als hij? Maar hij weet het wel. Ze hebben allebei een manier gevonden om verdriet weg te poetsen en pogen, in hun daden, iets ongedaan te maken of te compenseren wat niet meer goedgemaakt of gecompenseerd kan worden. Herkenning leidt tot inzicht.

Demonstratief legt Kenelm zijn pen neer. ‘Nu heb ik tenminste een goed excuus om te stoppen met dit schrijfwerk. Het is toch een chaos in mijn hoofd. Ik raak in de war van mijn eigen gefilosofeer, ha ha.’

‘Ik wilde me excuseren voor het feit dat ik je werk onderbreek, maar dat hoeft nu niet meer, begrijp ik,’ zegt Antonie.

‘Ha ha, wat ben je toch weer ongekend droog. Ga zitten. Wil je iets drinken?’ vraagt Kenelm, en zonder antwoord af te wachten voegt hij er tegen de meid aan toe: ‘Haal je een blad met bier voor ons? Dank je, je bent een schat.’ Zijn blik blijft nog even bij haar hangen, terwijl ze zich omdraait, dan richt hij zich weer tot Antonie.

‘Je zult wel denken, wat komt hij hier doen?’ begint Antonie.

‘Kom je iets doen?’ vraagt Kenelm lachend. ‘Jammer. Ik had gehoopt op gezelschap, een goed gesprek, de hele ochtend ben ik al onafgebroken bezig met schrijven.’

‘Jou afleiden is inderdaad wat ik kom doen. Help me nieuwe kleding aanmeten,’ zegt Antonie plompverloren.

Kenelm begint te glimmen. ‘Heel goed. En natuurlijk, met plezier. Ik neem je mee naar mijn favoriete kleermaker. Hij heeft reeds gemaakte kleding op voorraad en je kunt, als je wilt, je een extra kostuum laten aanmeten.’

Een halfuur later gaan de mannen over straat naar de kleermaker. Nog eens een uur later keren ze terug: Kenelm in een zwartfluwelen kostuum en Antonie in zijn nieuwe, zijden kostuum en een hoed met een enorme struisvogelveer. Hij loopt meteen wat rechter. Het duurt even voordat hij in de gaten heeft dat Kenelm zijn houding imiteert, op een overdreven manier. Snel zet Antonie zijn voet voor die van hem, waardoor Kenelm struikelt en nog net niet valt. Hun gelach weerkaatst tegen de straatklinkers.

 

Weken gaan voorbij waarin er niet veel gebeurt. Er zijn genoeg uitnodigingen voor feesten in het paleis om nooit meer aan schilderen toe te komen, maar Antonie legt de meeste naast zich neer. Op een middag is hij bezig met het op doek overbrengen van tekeningen uit zijn schetsboek, studies die hij heeft gemaakt van werken van oude meesters uit de collectie van Rubens. Hij begint met het schilderen van handen, mannen- en vrouwenhanden, vanuit verschillende invalshoeken.

Zijn wereld bestaat een tijdlang alleen uit doek, palet, penseel, verf en vingers, knokkels, rimpels en aders. Wanneer hij sommige handen voltooid heeft en met andere half op weg is, doet hij een paar passen achteruit. Hij aanschouwt, vorst met zijn scherpe, oordelende blik en beziet zijn werk voor wat het is. Opeens zet hij een grote pas naar voren, grijpt het doek van de ezel en werpt het met kracht naar de andere kant van de kamer, waar het tegen de deur klettert en blijft liggen. Hij raapt het niet op. Zweetdruppels rollen over zijn voorhoofd. Met zijn mouw veegt hij ze nijdig weg.

Hij spant nieuw linnen op het spieraam en mengt weer een flinke hoeveelheid verse verf; voorraad heeft hij genoeg. Wanneer hij daarmee klaar is, zet hij zich aan het schilderen van torso’s. Met de grootst mogelijke concentratie is hij de zoveelste torso aan het schilderen, wanneer er op de deur van zijn appartement wordt geklopt. Hij zucht, legt zijn palet met een klap op tafel, de penselen ernaast, en veegt zijn handen af aan een vochtige doek. Dan beent hij naar de voordeur en opent hem. Voor hem staat Thomas Howard.

‘Goedemiddag Anthony, hopelijk kom ik niet ongelegen. De deur beneden stond op een kier,’ zegt Howard verontschuldigend, maar hij staat fier rechtop en kijkt hem rustig aan, in de wetenschap dat een belangrijke opdrachtgever als hij nooit ongelegen komt.

‘Maar wat een geweldige verrassing, wees welkom.’ Antonie opent de deur verder, nadat hij het werk dat nog op de grond ligt in een hoek heeft geschopt. Schilderen kan hij voorlopig vergeten, maar dit bezoek is minstens zo belangrijk. De mannen schudden elkaar hartelijk de hand. Antonie kijkt naar zijn eigen wat smerige hand en excuseert zich.

‘Geen probleem, geen probleem, jij bent aan het werk en ik kom onaangekondigd binnenvallen.’ Howard kijkt de bescheiden ruimte rond. ‘Dus dit is je atelier.’

‘Atelier, slaapkamer, eetkamer, ontvangstkamer,’ zegt Antonie en hij wijst hem op een stoel. Het verheugt hem om door Lord Arundel te worden opgezocht. Hij is benieuwd wat hem hier brengt.

‘Is er nog nieuws van Lady Arundel uit Italië? Gaat het goed met haar?’ vraagt hij.

Het gezicht van Howard klaart op.

‘Ja, het gaat goed met haar, dank je. Ze leeft op bij haar zoons en bovendien heeft Italië veel te bieden op het gebied van kunst, zoals je weet. Het doet mij goed haar opgewekte brieven te lezen. En hoe gaat het hier? Al gewend?’

Antonie slikt een keer. Gewend. ‘Zeker. Mooie stad, vriendelijke mensen,’ zegt hij.

‘Maar ik ben niet naar je toe gekomen om je te vervelen met uiteenzettingen over mezelf en mijn gezin,’ zegt Howard. ‘Ter zake.’

Antonie probeert zo neutraal mogelijk te kijken. Howard is zo ernstig en formeel, nog meer dan normaal; hij voelt dat er iets groots aankomt. God, laat het zo zijn.

‘Een schilder als jij kent natuurlijk het mythische verhaal De grootmoedigheid van Scipio?’

‘Zeker.’ Hij kent het half en zal het moeten nalezen.

‘Goed zo. Het verhaal van de mooie jonge vrouw die door de Romeinse troepen buitgemaakt wordt en wordt aangeboden aan hun generaal Scipio, waarna hij haar met afkoopsom en al teruggeeft aan haar verloofde, Allucius, is een van mijn favorieten.’ Kennelijk voelt Howard aan dat Antonie toch niet zo bekend is met het onderwerp en voorkomt hij op deze manier gezichtsverlies.

‘Het is en blijft een prachtig verhaal,’ zegt Antonie met een uitgestreken gezicht. Hij moet denken aan Rubens, die altijd geprobeerd heeft hem te interesseren voor de klassieken, en hij hóórt hem bijna bulderen van het lachen.

‘Ik wil dat jij je eigen interpretatie van de voorstelling schildert. Mijn voornemen is om het cadeau te doen aan een goede kennis van mij, de markies van Buckingham, die kortgeleden getrouwd is. Wellicht ken je hem?’

‘Het zou lastig zijn hem niet te kennen, hij is altijd hoogstens drie passen van de koning verwijderd,’ zegt Antonie direct.

Howard grijnst. ‘Je hebt een scherpe blik, Antonie. Hoe kan het ook anders. Maar Buckingham is geen verkeerde kerel. Ik mag hem graag.’ Hij peinst even. ‘En ik ben niet de enige. Opmerkelijk genoeg is iedereen dol op hem.’

‘Inderdaad opmerkelijk.’

‘Ja. Een normaal mens wordt door minstens een handvol anderen als een zonderling beschouwd.’

Opnieuw moeten ze grinniken, de grap gaat voor hen beiden op.

‘Ik zou je willen vragen om Buckingham in het schilderij af te beelden als Allucius en zijn bruid als de jonge vrouw, natuurlijk. Ik heb haar portret bij me, om als voorbeeld te dienen. Buckingham ken je dus; hem kun je vast wel uit het hoofd schilderen? Mooi. Over de details hebben we het later nog; in ieder geval wil ik beiden gracieus op de voorgrond afgebeeld zien en Scipio op de achtergrond in de schaduw. Je hebt ook schilderijen van Veronese gezien in mijn collectie. Die stijl zoek ik. Ter bekrachtiging van het antieke thema vraag ik je om een fragment van een stuk klassieke architectuur uit mijn collectie erbij te schilderen, liefst op de voorgrond.’

Antonie heeft gedurende de instructies alleen maar geknikt. Met klassieke schilderingen heeft hij de minste ervaring, maar hij twijfelt er niet aan dat hij het kan. Hij moet alleen nog nadenken over de compositie en ook daar komt hij wel uit. Een grote opdracht dit, voor een vooraanstaande persoon aan het hof. Hiermee kan hij opnieuw een proeve van bekwaamheid afgeven – deze keer niet voor het gilde maar voor het Engelse hof – en dan zouden de opdrachten weleens kunnen aantrekken.

‘Wat is het voor fragment?’ Hij begrijpt dat de collectioneur Howard graag zijn stempel op de dure gift wil drukken.

‘Het is een deel van een Grieks fries en staat in mijn tuin. Je bent welkom om er een studie van te komen maken.’

‘Ik kom graag bij je langs binnenkort,’ antwoordt Antonie. Het kost hem geen moeite dit te beloven. Dan begint hem iets te dagen. Zou dit element, dat het klassieke thema benadrukt, er ook bij gehaald kunnen zijn om zo een bezoek van hem in de hand te werken? Howard met zijn aristocratische achtergrond en politieke loopbaan zou het nooit toegeven maar in dat grote, stille huis vol kunst heeft hij waarschijnlijk behoefte aan gezelschap; vooral aan selectief gezelschap dat zijn passie voor met name Italiaanse kunst deelt.

‘Natuurlijk zal ik je ruimschoots belonen,’ zegt Howard.

Hij noemt een bedrag waar Antonie meer dan tevreden mee is en waar hij niet met goed fatsoen over kan onderhandelen.

‘De helft krijg je nu als voorschot, de andere helft als het af is.’

De mannen staan op. Howard kijkt de kamer nog eens rond en zijn oog valt op het doek dat in de hoek op de grond ligt. Aan Antonie ontsnapt een nauwelijks hoorbare zucht. Howard stapt op het doek af, raapt het op en bestudeert het. Dan kijkt hij Antonie met een onderzoekende blik aan.

‘Je zou minder hard moeten zijn voor jezelf,’ zegt hij onverwachts. Voorzichtig, alsof het glaswerk betreft, zet hij het doek tegen de muur.

‘De enige manier om beter te worden. Van tevreden zijn is nog nooit een mens vooruitgekomen.’ Antonie probeert een glimlach te forceren.

‘Je bent een wonderlijk mens, Antonie. Ik begrijp je worstelingen, maar je moet ook afstand kunnen nemen. Het zal je werk ten goede komen, geloof me. Kom morgenavond langs, dan organiseer ik een diner bij mij thuis.’

Antonie wil liever niet weg bij de ezel maar begrijpt dat hij geen ‘nee’ kan zeggen. ‘Dank voor de uitnodiging. Je kunt op me rekenen.’

‘Fijn. Ik kom er wel uit. Tot morgen.’

 

Het diner, de volgende avond, blijkt een gebeurtenis waarvoor vele prominenten zijn uitgenodigd. Sommigen kent Antonie van gezicht, anderen slechts van naam. Wat hem opvalt is dat velen hém blijken te kennen of althans weten wie hij is. Van alle kanten wordt hij aangesproken, begroet of slechts bekeken. Kennelijk wordt hij beter in de gaten gehouden dan hij had gedacht; wie zich in de nabijheid van de koning begeeft wordt gezien, en hoogstwaarschijnlijk besproken. Ook Francis Bacon, die hij de eerste avond ontmoet heeft, is aanwezig. De herkenning is er van beide kanten, want voorafgaand aan het diner, terwijl de aanwezigen door elkaar staan, spreekt Francis hem aan.

Anthony van Dyck, the painter! Wat goed je te zien, hoe gaat het met je?’ De kleine bruine ogen glimmen.

‘Goed, al kan het altijd beter,’ antwoordt Antonie, en daarmee zegt hij meer dan hij normaal gesproken zou doen tegenover een onbekende.

‘Ik begrijp het. Het zal je hier niet makkelijk gemaakt worden. Je moet ons Engelsen overtuigen en tja, dan heb je de koning zelf.’

‘Dat is een juiste formulering,’ zegt Antonie.

Dan buigt Francis zich ineens naar hem toe en fluistert in zijn oor: ‘Wees op je hoede. Een buitenlander, ook nog eens een katholiek, die de beste opdrachten wil verwerven, daar houdt men hier niet zo van.’

‘Voorlopig verwerf ik hier niet veel,’ bromt Antonie.

‘Je bent iedereen jaren vooruit, in stijl en dynamiek.’

Antonie is een paar tellen verbouwereerd. ‘Hoe weet u dat?’

I know it, and they know it.’

Voor hij hem nog iets kan vragen heeft Francis al een klopje op zijn schouder gegeven en spreekt hij iemand anders aan. De rest van de avond voert Antonie aan tafel beleefde, oppervlakkige gesprekken, maar het grootste deel van de tijd hoort hij aan wat anderen elkaar in rap Engels te vertellen hebben, waarbij de armzalige financiële situatie van de staatskas en het erbarmelijke beleid van de koning weer een dankbaar onderwerp blijken te zijn. Hij draait de wijn lange tijd rond in zijn glas, neemt er een slok van. Howard zelf zit aan de andere kant, te midden van een groep intellectuelen. Hij voert het hoogste woord, met veel handgebaren. Antonie kent hem goed genoeg om te zien dat hij het enorm naar zijn zin heeft. Als Howard een moment zijn kant op kijkt, heft Antonie het glas naar hem en glimlacht.