20

 

 

 

 

 

Dag na dag verstrijkt. Inmiddels is het ver in december en is hij alweer twee maanden in Londen, tijd die hij voornamelijk heeft verdeeld tussen het werken voor Inigo Jones, het schilderen thuis en zijn afspraken met Kenelm in zijn vrije tijd.

Op zichzelf bevalt het werk bij Jones. Het biedt hem een vast inkomen en de sfeer in de groep is goed. De combinatie van enerzijds hard werken en anderzijds momenten van kort overleg, een grap of een woord van steun heeft een positievere uitwerking op hem dan hij verwacht had. Bovendien voelt hij zijn meerwaarde: zijn dynamische manier van schilderen brengt een extra dimensie in het hele ontwerp, en hij merkt dat er bij hem vaker dan bij anderen over zijn schouder wordt meegekeken.

Toch blijft het knagen. Dit is niet waarvoor hij naar Engeland is gekomen. Hij is portretschilder, met een jaarlijkse toelage in dienst van de koning. Dus waarom hoort hij niets meer van hem? Van Howard heeft hij inmiddels een brief ontvangen, waarvan de kern Antonie niet vrolijk stemde. Het door Antonie geschilderde De grootmoedigheid van Scipio is inmiddels cadeau gegeven aan de markies van Buckingham en deze heeft het werk in dankbaarheid aanvaard. Echter, bij de markies is het een komen en gaan van prominenten, en de reacties op het schilderij hebben Howard bereikt. De theatrale compositie van het geheel werd geprezen, maar er was commentaar op de stijl: men kon de verfijnde details van het werk waarderen, maar zijn overwegend snelle, schetsmatige penseelvoering werd als roekeloos gezien, zijn gevoel voor kleur overdreven, en de Venetiaanse dynamiek die eruit sprak als hectisch, bijna bezeten. Howard verontschuldigde zich, maar vond dat hij het aan zichzelf verplicht was dit eerlijk aan Antonie mee te delen. Waarmee het uitblijven van opdrachten via Howard grotendeels verklaard was.

Het is zondagochtend. Het is allang licht, maar opstaan wil hij niet. Hij wil niks, al gaan zijn gedachten onvermoeibaar door: daar lig je dan, schildertje. Je had er heel wat anders van verwacht, hè? Je dacht dat ze je met trompetgeschal binnen zouden halen, maar ze snappen je niet, ze geloven dat je bezeten bent, en de koning doet waar hij zin in heeft. Hij geeft de hofcultuur op geheel eigen wijze een impuls terwijl hij, onderken het nu maar, niet écht van schilderijen houdt. Hij heeft schilders om zich heen omdat het bij de status van het koningschap hoort en omdat een koning portretten van zichzelf hoort te hebben. Maar niet te veel. Hij heeft nog gelijk ook, de pias.

Antonie schopt zijn beddengoed van zich af. Ballast. Hij heeft de koning niet nodig. Er zijn hier genoeg mogelijke opdrachtgevers; het paleis is ervan vergeven, van de rijke hovelingen die niets liever willen dan zichzelf op de mooiste manier vereeuwigd zien. Hij moet het hun alleen makkelijker maken om hem te vinden. Dáár zou hij eens moeite voor moeten doen.

Niet voor de eerste keer vraagt hij zich af hoe het de andere kunstenaars uit Antwerpen vergaat. Hij realiseert zich dat hij hen sinds de eerste ontmoeting bij Mytens enigszins ontlopen heeft, omdat dat het makkelijkst was; omdat hij geen zin had in vragen over opdrachten en over zijn huidige, minderwaardige werk; omdat de meesten anders denken en anders schilderen dan hij; omdat ze een groep vormen. Maar zij zouden informatie kunnen hebben waar hij iets aan heeft. In ieder geval zitten de meesten van hen dichter bij het vuur dan hij. Hij denkt aan Kenelm en zijn advies om meer open te staan voor anderen. Hij moet hen opzoeken. Vandaag nog. Maar zijn benen voelen zwaar wanneer hij ze over de bedrand slaat.

 

Het is maar een kort stukje lopen naar de andere kant van de straat, waar de meesten wonen, maar hij doet er eindeloos over. Af en toe blijft hij staan, om zijn hoed met veer af te nemen, af te kloppen en weer op te zetten, om zijn overjas verder dicht te knopen of een van zijn laarzen uit te trekken, omdat die ergens knelt. Hij wilde hier, in Londen, vrij zijn en niet in een soort klein Antwerpen terechtkomen. Tegelijkertijd hebben de anderen hem misschien als een indringer gezien, arrogant omdat hij afkomstig is uit de school van Rubens, iets wat hij in zijn gedrag tegenover hen waarschijnlijk heeft bevestigd. Talent en gedrevenheid, in combinatie met zijn kennelijke afstandelijkheid, worden al gauw verkeerd opgevat. Peinzend legt hij de laatste passen naar de voordeur van het huis van de Antwerpse schilders af en dwingt zichzelf om aan te kloppen.

Na een tijdje wordt er boven ergens een raam opengeschoven. Een hem onbekend gezicht wordt naar buiten gestoken.

‘Wat kan ik voor u doen?’ roept de man naar beneden.

‘Ik ben Anthony van Dyck,’ roept Antonie terug. En na de hieropvolgende stilte: ‘Portretschilder. Ik kom voor de anderen.’

‘Ze zijn al op weg!’

‘Op weg?’ Zijn hart begint te bonzen. Maar hij blijft rustig staan en wacht af.

‘Naar het paleis, voor de schildersbijeenkomst,’ klinkt het luid en duidelijk.

Het is alsof iemand hem in zijn gezicht heeft geslagen. Even weet hij niets uit te brengen.

‘De bijeenkomst, ja.’ Hij probeert het zo natuurlijk mogelijk te laten klinken. ‘Daar kwam ik voor. Dus ze zijn al weg.’

‘Ja, u moet opschieten.’

‘Zeker! Dank u. Goedemiddag.’ Antonie neemt zijn hoed even af.

‘Ook goedemiddag!’

Het raam sluit met een klap.

 

Elke stap dreunt door zijn lijf. Verder lopen. Naar het paleis. Een bijeenkomst met schilders en hij is niet uitgenodigd. Dat de andere schilders hem niet vragen kan hij nog wel begrijpen misschien, maar de koning? Woede en een zweem van schaamte mengen zich en ballen samen in zijn buik. Zijn passen worden steeds groter, zijn hakken klakken woest over de kasseien. In zijn ooghoeken komen en verdwijnen schimmen van passanten, flarden van straatgeluiden dringen vaag tot hem door. Een botsing met iemand, een vloek. Doorlopen. Er staat een gure wind die dwars door zijn jas waait, maar het doet hem niets.

De bakstenen poort bij Whitehall Palace oogt grauw, nu de zon niet schijnt en de wereld koud en grijs is. Hij beent eronderdoor en daarachter, op een plein, staat hij even stil. Waarnaartoe? Dan weet hij het. De privévertrekken van de koning, waar hij zijn eerste ontmoeting met hem had. En daarna? Hij ziet het wel. Eerst erheen, hij hoort erbij te zijn; daar waar de opdrachten verdeeld worden. Zij weten dat ook. Ze hebben hem op de een of andere manier de pas afgesneden bij de koning, dat moet haast wel. Maar hij is erachter gekomen. Net op tijd, misschien.

Bij de ingang van het koninklijke gebouw staan wachters. Nu komt het erop aan.

‘Goedemiddag, heren. Kunt u mij de weg wijzen naar de schildersbijeenkomst?’ vraagt hij zogenaamd argeloos. De mannen bekijken hem van top tot teen, voordat een van hen antwoordt.

‘Die is al even aan de gang. We kunnen u niet zomaar binnenlaten tijdens de bespreking.’

Dus het is hier. Zie je wel.

‘Wat is uw naam, alstublieft?’ vraagt de ander en hij rolt een papier uit. Een lijst met aanwezigen, hij had het kunnen verwachten.

Nu moet hij snel zijn. De uitgerolde lijst schijnt door en bijna alle namen zijn aangemerkt als aanwezig, op één na. Hij kan niet alle letters ontwaren maar genoeg om de naam te kunnen vormen van de schilder die hij kent.

‘Mijn naam is Abraham van Blijenberch,’ zegt hij met zo veel mogelijk flair.

‘Hij las het,’ zegt de wachter zonder lijst prompt. En hij voegt er met een grimmige blik aan toe tegen Antonie: ‘Ik zag u kijken.’

‘Dit meent u niet, hè,’ antwoordt Antonie en hij gooit theatraal zijn armen in de lucht. ‘Hoe zou ik dat kunnen lezen? Wilt u zo vriendelijk zijn om mijn plaats in te nemen en te kijken? Dan kunt u zelf zien dat het nonsens is.’

De man komt niet van zijn plek.

‘Luister. Mijn naam is Abraham van Blijenberch,’ zegt hij op geërgerde toon en het is niet eens gespeeld. Dit kost allemaal tijd. ‘Door u mis ik zo meteen mijn vergadering en ik kan u zeggen dat als de koning hoort dat van Blijenberch er door uw toedoen niet bij kon zijn, het er voor u beiden niet fijn uit zal zien.’

De mannen kijken elkaar aan. Een van hen doet bijna onmerkbaar een stap opzij, waarna de ander met een uitgestreken gezicht ‘volgt u mij’ zegt.

De rijk gedecoreerde gangen zijn Antonie inmiddels bekend. Alles oogt hetzelfde als een paar maanden geleden, en toch loopt hij hier als een ander mens. Waar hij toen nog naïef en onwetend was, ervan uitgaand dat hij met complimenten en opdrachten overspoeld zou worden, weet hij nu dat je hier op je hoede moet zijn en moet vechten om elke schilderopdracht. Vanachter de deur waarvoor ze nu halt houden klinkt gedempt het geroezemoes. De wachter knikt hem toe en opent de deur. Nog voor hij de gefingeerde naam kan roepen, loopt Antonie aan hem voorbij en groet het gezelschap van een man of acht dat in een kring rond King James zit.

‘Goedemiddag, majesteit, heren, excuses dat ik wat later ben.’

Terwijl achter hem de deur weer wordt gesloten, staart een groep mannen Antonie verbijsterd aan. In een tel ontwaart hij een paar bekende gezichten. Het is ineens akelig stil in de kamer met de tapijten en de vele lampen. De koning kijkt wat verstoord zijn kant uit, schraapt zijn keel.

‘Zo, zo. En u was…?’

Hier en daar gaan vuisten van collega’s naar hun mond, een onderdrukte lach is hoorbaar. Anderen zitten als bevroren. Rustig blijven.

‘Anthony van Dyck,’ zegt Antonie en hij maakt een, naar hij hoopt, zelfverzekerde buiging.

‘Ach, natuurlijk, ik ken u.’ De ogen van de koning lichten op en er verschijnt een ondeugende grijns op zijn gezicht. ‘De verlegen jongeling,’ mompelt hij erachteraan.

‘Ik hoorde van deze bijeenkomst van schilders en ben zo snel als ik kon hiernaartoe gekomen. Nogmaals excuses voor mijn late binnenkomst.’ Van alle kanten voelt hij de misprijzende blikken op zich rusten, maar niemand durft iets te zeggen.

‘Ja, ja, het is al goed, gaat u zitten,’ zegt de koning, ongeduldig met zijn hand wapperend naar een stoel die tegen de wand staat. ‘Ik was de heren schilders juist aan het vertellen dat de inhoud van de staatskas erbarmelijk is en dat er besloten is te bezuinigen op de koninklijke schilderkunst. Door mij.’ Hij grinnikt om dat laatste. ‘Er blijft nog steeds werk over, maar minder. Voor sommigen weinig tot niets meer, zeg ik erbij. Degenen die al een toelage hebben ontvangen mogen die houden. Het is aan u om alternatieve orders te vergaren.’ De stem van de koning klinkt lijzig, hij spreekt de woorden duidelijk en met een zekere argeloosheid uit.

Er wordt gezwegen.

‘Zijn er nog vragen?’ De koning kijkt voor zich uit, naar niemand in het bijzonder.

Daar zit hij dan. Nog meer dan voorheen zal het vechten worden om werk. Bovendien, zijn toegekende bedrag heeft hij nog niet ontvangen. Hoe zit het daarmee? Hij schuift naar voren op zijn stoel en verzamelt moed. Paul van Somer is hem voor.

‘Uwe majesteit, hoe wordt er omgegaan met lopende contracten en afspraken?’

‘Daar kunnen geen rechten aan worden ontleend.’

‘Dus die komen allemaal te vervallen?’

De koning kijkt geamuseerd. ‘Zo kunt u het ook zeggen, ja.’

In de stilte die na dit antwoord is gevallen kraakt hier en daar een stoel.

‘En de masques?’ vraagt iemand ineens. ‘Wordt daar ook op bezuinigd? Daar komt toch ook veel schilderwerk bij kijken.’

Antonies blik flitst naar de koning. Daar had hij nog niet aan gedacht.

‘Bent u idioot geworden?’ roept de koning uit. ‘Natuurlijk niet! Net nu het Banqueting House bijna klaar is, ha ha. Nee, de masque blijft het belangrijkste fundament onder de koninklijke cultuuruiting.’ Hij schudt even met het hoofd.

Antonie haalt opgelucht adem.

‘Was dat het? Goed, u hoort van mij.’ Hij wrijft even over zijn kin. ‘Of niet.’ Dan klapt hij twee keer in zijn handen en zwaait de deur weer open. Twee lakeien verschijnen in de deuropening en gebaren iedereen de kamer te verlaten.

De mannen staan op, groeten de koning een voor een en vertrekken in de richting van de uitgang. Antonie staat als laatste op. Peinzend. Zoals de zaken er nu voor staan mag hij blij zijn met zijn werk voor Inigo Jones, maar dit is zijn plek. Ineens realiseert hij zich dat de koning hem bekijkt. Het is ongehoord zo lang te dralen.

‘Majesteit,’ hoort Antonie zichzelf zeggen. ‘Staat u mij toe om nog een vraag te stellen?’

De koning neemt hem uitgebreid op. ‘Ga je gang, jongen.’

‘Wanneer wilt u dat ik uw portret afmaak?’

Een moment lang kijkt de koning hem verbaasd aan. ‘Ha ha ha,’ galmt het daarna door de ruimte. ‘De brutaliteit! En ik maar denken dat je verlegen was. Wat mij betreft morgen, jongeman. Ja hoor, kom maar morgenvroeg. Mijn andere afspraak moet maar wachten.’ Hij geeuwt een keer langgerekt, met open mond. ‘En nu ga ik een dutje doen.’

Antonie verlaat de kamer en vertrekt, achter een lakei aan, via de gang naar buiten. Daar staat een groep schilders met ernstige gezichten te praten. Er wordt niet naar hem gekeken en er wordt niets tegen hem gezegd wanneer hij langsloopt.