#
Limhamn (Zweden), 10 juni 2014
Beste Karl Ove!
Ik begin met een herinnering uit 1983. 19 november. Ik was student in Parijs en woonde in de Cité Universitaire, schreef voor de inmiddels opgeheven uitgeverij Arbetet en werkte aan mijn eindscriptie over een Franse proletarische auteur die ik het jaar daarvoor had leren kennen, Georges Navel. Het was een gelukkige tijd. In augustus van datzelfde jaar had uitgeverij Bonniers mijn eerste roman, Stuv Malmö, kom (De dokwerkers van Malmö), geaccepteerd, waardoor ik in de roes leefde van de overtuiging dat ik op een dag zou worden waar ik van droomde: schrijver. Overdag bezocht ik het Collège de France, waar ik naar Michel Foucault en Emmanuel Le Roy Ladurie luisterde, of ik sloop de École Normale binnen om naar Jacques Derrida te luisteren. Daar, aan de voeten van Foucault en Derrida, werd de intellectuele roes waar ik toen in leefde nog intenser.
19 november was de dag voor ik tweeëndertig werd. Ik zat in de mensa aan de boulevard Saint-Michel en vlak tegenover mij kwam een man zitten met een bezorgd en nogal streng indianengezicht. We raakten aan de praat. Hij was Mexicaan en werkte als chemicus in de rue d’Assas, daar niet ver vandaan. Ik was van plan om de volgende dag een verjaardagsetentje in mijn studentenkamer te organiseren en in een opwelling had ik Juan, want zo heette hij, ook uitgenodigd. We werden vrienden, trokken vaak met elkaar op, en de volgende dag kwam ik erachter dat hij naar Parijs was verhuisd met een Amerikaanse met wie hij een kind had gekregen. Goed en wel in Parijs had hij zijn homoseksualiteit ontdekt, waarna hij scheidde en ging samenwonen met een Fransman. Op een dag hadden we het over Octavio Paz. Ik drukte mijn bewondering uit voor de Mexicaanse dichter en gaf mijn nieuwe vriend te kennen dat ik Spaans wilde leren om Paz in het origineel te kunnen lezen, en ik vroeg hem of hij niet samen met mij Paz wilde lezen. En zo geschiedde. Op een bankje in de Jardin du Luxembourg. Hij las voor, ik zei hem na, en proefde van zinnen als El laberinto de soledad en A cinco años de Tlatelolco en het woord ‘soledad’ vond ik zo mooi dat het alleen al daarvoor de moeite loonde om een heel nieuwe taal te leren.
Zo kwam de Latijns-Amerikaanse deur voor mij op een kier te staan.
Via het bankje in de Jardin du Luxembourg ben ik dus – als je elke taal als een huis kunt beschouwen – het Spaanse huis binnengeklauterd. Vreemd genoeg voelde ik me er meteen helemaal thuis, alsof het Spaans op mij – of in mij – had zitten wachten. Er schuilt een luchtigheid in het Spaans, het is een melodieuze en mooie klinkertaal, die mij bij het Portugees heeft gebracht – de Braziliaanse variant, nota bene – ook mooi, maar moeilijker uit te spreken, moeilijker te verstaan en meer een medeklinkertaal, niet met diezelfde luchtigheid.
Vandaag is het weer zover. Latijns-Amerika voor misschien al de twintigste keer. In 1985, toen ik naar Chili vertrok, maakten we een tussenlanding in Recife en toen ik daar van de trap van het vliegtuig stapte, ging ik liggen en kuste ik de grond. Een intuïtief gebaar, als hulde aan de voetbalhelden uit mijn kindertijd: Pelé en Garrincha. Nu doe ik dat niet meer, de grond kussen, maar ik voel wel een sterk verlangen en ben in gedachten allang ter plekke.
Warme groeten, Frederik