Veertig

Letty’s auto stopte voor de deur. Reinier was met haar meegekomen. Hij was zo licht dat Letty hem makkelijk alleen van de achterbank kon tillen en in de schelp van de rolstoel zetten. Iris raakte er maar niet aan gewend dat zijn lichaam het zo liet afweten, iedere keer als ze hem na een lange tijd terugzag werd ze erdoor overvallen en vond ze het nog onrechtvaardiger dan de keer ervoor.

Reinier werd meteen omgeven door een groepje kinderen dat op het terrein gebleven was. Ze duwden de verpleegster weg en gingen met Reiniers rolstoel aan de haal.

Iris liep naar buiten.

“Die Iris,” riep de verpleegster. “Al gewend aan het regime van de lange dagen en de zware nachten aan zee? Je ziet er goed uit, snoepje.”

“Dat valt best mee. Aardappels schillen, boodschappen halen en intussen op Catthoor letten.”

“Lukt het een beetje?”

“Hij is al overgestapt op flessenvoeding, binnenkort moet hij aan de borst, hij is aan het, hoe heet het ook weer, het heeft een naam.”

“Moet je zien!” Letty wees naar Alain die zich van de rolstoel van Reinier meester maakte en Reiniers zonnebril van Hendriks neus plukte.

Reinier zwaaide naar hen.

“Nu ik hier eenmaal ben, weet ik weer wat ik mis,” zei Letty. “Maar vakantie met de kinderen is iets wat nog jaren kan. Ik kon kiezen, hem thuislaten of meenemen. Cara zou met alle plezier gekomen zijn om voor hem te zorgen. Maar ik ben weer egoïstisch geweest, ik heb hem voor mij, of laten we zeggen voor ons gehouden,” zei de verpleegster. Ze knipoogde.

“Arme Cara,” antwoordde Iris en ze schoot in de lach.

“Reinier denkt zo diep over alles na dat ik gerust wat lichtzinniger kan zijn.”

“Lichtzinnigheid is het mooiste,” meende Iris.

Een half-uur later kwamen Letty en de kokkin, stevig gearmd als twee vriendinnen, de keuken in.

Letty haalde een aardappelmesje uit de lade en begon met Iris mee aardappels te schillen.

“Ik help je even.” Ze keek ineens ernstig. “De kokkin heeft me alles verteld. Het is dus geen grapje van die flessenvoeding?”

“Nee,” zei Iris aarzelend.

“En zijn vrouw laat hem ook nog eens in de steek,” zei de verpleegster.

“Ze heeft een paar dagen geleden gebeld dat ze terug wilde komen naar huis.”

“Ik heb nooit gesnapt waarom hij met haar getrouwd is. Een affaire is tot daaraantoe. Maar trouwen doe je op onze leeftijd enkel nog nadat je er goed over nagedacht hebt. Met iemand van wie je op aan kunt, iemand die je door dik en dun steunt, anders begin je er toch niet meer aan?”

Iris dacht even na: “Misschien voelde hij zich gewoon eenzaam, mijn moeder is ook hertrouwd omdat ze niet langer alleen wilde zijn.”

“Eenzaamheid is het probleem niet. Dat is iets van hem, iets waarmee hij leeft, zoals jij met je rug. Zolang ik Ferdinand ken, getrouwd of niet, verliefd of daarvan aan het bekomen, altijd, altijd is hij eenzaam geweest.” Letty schudde haar hoofd. “Maar jij trekt heel leuk met hem op, zei de kokkin. En dat jullie zo’n goed span zijn, samen, net vader en dochter, zoals je voor hem zorgt.”

Iris knipperde met haar ogen: “Ach,” zei ze verlegen.

“Het is heel goed dat er af en toe iemand een beetje aardig voor hem is. Dat verdient hij.”

Ze was samen met Alain de tafels van de eetzaal aan het schoonmaken, toen Timor de eetzaal inkwam. Hij had zijn motorvest opengeknoopt en wiste het zweet van zijn voorhoofd. “De kinderen zeiden dat ik je hier kon vinden.”

Ze zei niets, ze staarde hem aan.

“Ben je niet blij dat ik er ben?”

“Hoe kom je hier?”

“Ik had gedacht dat je een gat in de lucht zou springen. Ben je niet een beetje blij?”

“Natuurlijk wel,” ze gaf hem snel een zoen op zijn wang. Ze gooide haar schort op een stoel en voor Alain of iemand anders er iets van kon zeggen was ze er met haar bezoeker vandoor.

“Kan dat, krijg je geen problemen?” Hij keek even in de richting van Alain.

“Zeur niet, man.”

Hij lachte. Bij de motor gaf hij haar een helm. “Ik had gedacht dat je wel een ritje zou willen maken.”

Iris had uren en uren willen doorrijden, maar Timor sloeg aan het einde van een lange baan, een achterafstraatje in. Daar zaten andere motorrijders op een smal terrasje, hun motoren stonden op een rij tegen de gevel en glansden in de zon. Een bluesy muziekje waaide naar buiten uit het café. Hij vertelde dat hij eerst naar Rosa’s Huis gegaan was omdat hij dacht dat ze daar altijd woonde. Hij had er alleen een verpleegster en een magere man in een rolstoel aangetroffen. Die magere man in de rolstoel had hem het adres gegeven.

Ti mor zei nog een keer dat het jammer was dat ze volgend jaar niet meer in dezelfde klas zouden zitten, hij was samen met Zwitsers Zakmes overgegaan naar het zesde jaar. Dat had hij op het einde van het schooljaar ook gezegd. En dat Wostijne werk gevonden had, dat hij wel niet meer naar school terug zou keren in september. Dat deed haar iets. Wostie was iemand die ze pas zou missen als hij er niet meer was.

Timor kletste nog wat met de cafébaas en gaf hem de twee helmen in bewaring. Hij wilde nog even de duinen in met haar.

Ze ploegden door het zand en zeiden helemaal niets. Hij had haar hand in de zijne genomen. Algauw zagen ze niemand meer, het was heel stil en nog warm. In een duinpan gingen ze zitten.

Ze leunde naar achteren. “Is dat niet vervelend, als dat zand onder het gips kruipt?” vroeg Timor ineens.

“Ik ben het gewend intussen. Het is vooral ‘s-nachts lastig, dan pas begin je het te voelen.”

“En heeft de motor niet te veel geschokt?”

“Nee hoor,” loog ze.

“Ik werd ineens ongerust.”

“Dat hoeft niet, echt niet.” Ze probeerde het weg te lachen. En ze wilde niet over haar rug praten. Toen ze dit beschutte plekje uitkozen en ze daar gingen zitten, moesten ze ineens alletwee zoeken naar dingen om tegen elkaar te zeggen.

Timor leunde op zijn ene elleboog. Hij keek naar haar. Hij streek over haar sleutelbeenderen, zijn vingers zwierven naar een borst, brutaal en plagerig cirkelden ze rond de tepel.

“O,” fluisterde ze.

Hij aarzelde, hij schrok terug vanwaar hij op aangestuurd had. Hij wist niet of hij dit wel wilde met haar.

Moeiteloos las ze zijn gedachten.

“Ik heb wel eens eerder gevrijd hoor,” zei ze zo luchtig als ze maar kon. Het hart klopte haar in de keel.

Hij boog zich naar haar toe, hun monden raakten elkaar even. Hij streek met zijn lippen over haar borsten, hij knoopte haar bloesje los, opende de bh, ze zuchtte.

Ze bracht zijn hand naar haar venusheuvel.

“Ik kan toch niet,” hij schudde zijn hoofd. “Ik ben bang dat ik je breek.”

“Dat je me breekt,” herhaalde ze ongelovig. “Dat heeft nog nooit iemand tegen me gezegd.”

“Ik zal wel de wind van voren krijgen,” zei ze toen ze laat op de avond voor het vakantietehuis van de motor stapten. “Maar dat is het me best waard.” Zand schuurde tussen haar huid en haar kleren.

Hij nam haar bij de hand en bracht haar naar binnen. Hij trok haar tegen zich aan en fluisterde iets in haar oor. Ze lachte nog naar hem, maar liep daarna zonder nog naar hem om te kijken de gang in.

“Die jongen zwaait naar je,” zei Alain. Het leek wel of hij daar de hele tijd sinds ze weg was op haar gewacht had.

Ze keerde zich om naar Timor en zwaaide terug.

Alain nam haar bezorgd op.

“Je bent zeker boos op me dat ik je met het werk heb laten zitten.”

“Dat is het minste,” zei hij. “Ik heb me behoorlijk ongerust over je gemaakt.”

Ze zei niets, ze bleef naar hem kijken.

“Je rug, Iris. Dat kon je toch niet riskeren.”

Ze sloeg haar ogen naar hem op. “Hij heeft het heel voorzichtig gedaan.”

Alain was met stomheid geslagen. Ze probeerde te lachen maar ineens vertrok haar gezicht. “Ik dacht dat het eindelijk zou stoppen als ik het met een ander deed. Maar dan zie ik jou weer.” Ze schudde haar hoofd, als iemand die het eigenlijk allemaal had kunnen weten en ze liep huilend van hem weg.