3. Boven Noord-India

29 maart 1996, 9000 meter

Een beetje kortaf vertelde ik een parabel om hun een voorbeeld te geven. Ik zei, ik heb het over de planeet Neptunus, gewoon Neptunus, niet over het paradijs, want ik weet helemaal niets van het paradijs. Ik heb het dus over jullie, snap je, puur en alleen over jullie. Nu ligt er toevallig een grote rotspartij op die planeet, zei ik, en jullie moeten weten dat de mensen daar behoorlijk kortzichtig zijn, vooral omdat ze alleen maar in hun eigen wereldje ronddraaien. En een paar van die mensen, die ik in het bijzonder had willen noemen, een paar van die mensen hadden hun zinnen helemaal op die berg gezet. Je zou het niet geloven, zei ik, maar deze mensen die amper wisten dat ze leefden, die volledig waren vastgeroest, staken nu al hun vrije tijd en energie in het najagen van hun eigen eer en glorie die ze dachten te vinden op de steilste hellingen in het gebied. En allemaal kwamen ze als herboren terug. En dat mocht ook wel, zei ik, want het was grappig om te zien dat zelfs op Neptunus de meeste mensen het nu minder hogerop zochten op gemakkelijkere bergen. Maar heilzaam was het in ieder geval en dat was te zien, zowel aan hun vastberaden gezichten als aan de voldoening in hun glimmende ogen. En zoals ik al zei, dit was op Neptunus en niet in het paradijs, waar men misschien wel niets anders te doen heeft.

John Menlove Edwards – Letter from à Man

Vlucht 311 van Thai Air was twee uur onderweg van Bangkok naar Kathmandu toen ik opstond uit mijn stoel en naar het achtergedeelte van het vliegtuig liep. Vlak bij de toiletten aan stuurboordzijde hurkte ik neer bij een klein raampje op heuphoogte, in de hoop een glimp op te vangen van een paar bergen. Ik werd niet teleurgesteld: daar, langs de horizon, stonden de gekartelde snijtanden van de Himalaya. Ik bleef verder de hele reis bij het raampje zitten, gefascineerd, gehurkt boven een vuilniszak vol limonadeblikjes en half opgegeten maaltijden, met mijn gezicht tegen het koude plexiglas gedrukt.

Ik herkende onmiddellijk de enorme, vormeloze massa van de Kanchenjunga, de op twee na hoogste berg op aarde met een hoogte van 8585 meter. Vijftien minuten later ontwaarde ik de Makalu, de op vier na hoogste bergtop ter wereld – en toen verscheen ook, eindelijk, het onmiskenbare profiel van de Everest zelf.

De inktzwarte wigvorm van de toppiramide torende hoog boven de andere bergkammen uit. De berg boorde zich in de jet-stream en gaf de storm met windsnelheden tot 220 kilometer per uur een sliert van ijskristallen mee die naar het oosten wegtrok als een lange zijden sjaal. Terwijl ik mij vergaapte aan deze streepwolk besefte ik ineens dat de top van de Everest zich precies even hoog bevond als de jet-met-airconditioning die mij door het luchtruim voerde. Dat ik mij voornam om tot de vlieghoogte van een Airbus 300 te klimmen kwam mij op dat moment voor als een belachelijk idee, en dat is nog zacht uitgedrukt. Mijn handpalmen voelden klam aan.

Veertig minuten later stond ik weer met beide benen op de grond in Kathmandu. Ik liep door de douane en toen ik de aankomsthal inliep, kwam een potige, frisgeschoren jongeman op mij af toen hij mijn twee enorme plunjezakken zag. ‘Dus jij bent Jon, denk ik?’ informeerde hij met een zangerig Nieuw-Zeelands accent, terwijl hij op een vel papier keek waarop de paspoortfoto’s van de klanten van Rob Hall waren gekopieerd. Hij schudde mij de hand en stelde zichzelf voor als Andy Harris. Hij was een van de gidsen van Hall en kwam mij ophalen om mij naar het hotel te brengen.

Harris, die 33 jaar oud was, zei dat er nog een klant met het vliegtuig uit Bangkok zou arriveren, een 53-jarige advocaat uit Bloomfield Hills in Michigan, genaamd Lou Kasischke. Het duurde alles bij elkaar een uur voordat Kasischke zijn koffers weer bij elkaar had, dus brachten Andy en ik de tijd door met het uitwisselen van ervaringen over zware beklimmingen die we allebei hadden overleefd in het westen van Canada en de voordelen van skiën boven snowboarden. Die hevige drang om te klimmen die ik bij Andy bespeurde, die tomeloze passie voor de bergen, deed mij terugverlangen naar die periode in mijn eigen leven waarin bergen beklimmen het enige was dat telde, waarin ik mijn hele bestaan ophing aan de bergen die ik had beklommen en die ik nog hoopte te beklimmen.

Vlak voordat Kasischke – een lange, atletische, grijsharige man met de terughoudendheid van een aristocraat – door de douanecontrole kwam, vroeg ik Andy hoe vaak hij op de Everest was geweest. ‘Om je de waarheid te zeggen,’ gaf hij opgewekt toe, ‘is dit voor mij de eerste keer, net als voor jou. Het zal mij benieuwen hoe het gaat daarboven’.

Hall had voor ons geboekt in het Garuda Hotel, een vriendelijk en hip hotelletje in een smalle laan tjokvol riksjafietsen en sjacheraars in het centrum van Thamel, de jachtige toeristenwijk van Kathmandu. Garuda was al jarenlang zeer in trek bij expedities naar de Himalaya en de muren van het hotel hingen vol met foto’s met handtekeningen van beroemde bergbeklimmers die er in het verleden de nacht hadden doorgebracht: Reinhold Messner, Peter Habeler, Kitty Calhoun, John Roskelley, Jeff Lowe. Toen ik de trap opliep naar mijn kamer, kwam ik langs een vierkleurenposter met als opschrift ‘Himalayan Trilogy’ – hetgeen verwees naar de Everest, de K2 en de Lhotse, respectievelijk de hoogste, de op één na hoogste en de op drie na hoogste berg op aarde. Met deze drie bergen op de achtergrond stond op de poster een breed grijnzende, bebaarde bergbeklimmer in vol ornaat. De naam van deze klimmer stond erbij: Rob Hall. De poster, bedoeld om klanten te werven voor Halls gidsenbedrijf Adventure Consultants, herinnerde aan zijn indrukwekkende prestatie in 1994, toen hij binnen twee maanden de genoemde bergtoppen alle drie wist te bereiken.

Een uur later ontmoette ik Hall in levenden lijve. Hij was ongeveer 1 meter 90 lang en mager als een lat. Hij had iets engelachtigs in zijn gezicht, maar misschien door de scherpe rimpels rond zijn ooghoeken, of door de autoriteit die hij uitstraalde, zag hij er ouder uit dan de 35 jaar die hij was. Hij droeg een Hawaiaans shirt en afgedragen Levis met een knie-lap waarop een yin-yangsymbool was geborduurd. Een weerbarstige, bruine haardos kronkelde over zijn voorhoofd. Zijn welige baard moest nodig worden bijgeknipt.

Hall was iemand die van gezelschap hield en toonde zich een vaardig causeur met een bijtende Nieuw-Zeelandse humor. Hij stak van wal met een lang verhaal over een Franse toerist, een boeddhistische monnik en een bijzonder ruwharige yak, werkte langzaam toe naar een climax, vertelde die met een schalkse blik in zijn ogen, hield even stil voor het effect, gooide zijn hoofd naar achteren en barstte uit in een daverende, aanstekelijke lach, niet in staat om de pret te verbergen die hij had bij zijn eigen geklets. Ik mocht hem meteen.

Hall stamde uit een katholiek arbeidersgezin in Christchurch, Nieuw-Zeeland, als de jongste van negen kinderen. Hoewel hij vlug van geest was en wetenschappelijke aanleg had, ging hij op zijn vijftiende van school af omdat hij botste met een wel erg autoritaire leraar, en in 1976 ging hij werken voor Alp Sports, een plaatselijke fabrikant van bergbeklimmers-uitrustingen. ‘Hij begon met losse karweitjes; hij werkte met de naaimachine, dat soort dingen,’ memoreert Bill Atkinson, inmiddels een volleerde klimmer en gids maar destijds ook werkend bij Alp Sports. ‘Maar vanwege zijn indrukwekkende organisatorische kwaliteiten, die al duidelijk werden toen hij nog maar zestien, zeventien jaar was, runde hij al snel de hele productie van het bedrijf.’

Hall was toen al enkele jaren een fervent bergwandelaar. Rond dezelfde tijd dat hij begon te werken voor Alp Sports begon hij ook met berg- en ijsklimmen. ‘Hij leerde snel,’ vertelt Atkinson, met wie Hall inmiddels het meest samen had geklommen, ‘hij had het vermogen andermans vaardigheden heel snel op te pikken.’

In 1980, toen Hall negentien jaar was, deed hij mee aan een expeditie op de lastige noordgraat van de Ama Dablam, een 6795 meter hoge piek van weergaloze schoonheid, 24 kilometer ten zuiden van de Everest. Tijdens die tocht, de eerste van Hall naar de Himalaya, week Hall even uit naar het basiskamp van de Everest en besloot dat hij op een dag de hoogste berg ter wereld zou beklimmen. Er gingen nog wel tien jaar en drie pogingen aan vooraf, maar in mei 1990 bereikte Hall daadwerkelijk de top van de Everest als leider van een expeditie waaraan ook Peter Hillary deelnam, de zoon van Sir Edmund. Vanaf de top deden Hall en Hillary een radio-uitzending die in heel Nieuw-Zeeland live te horen was en namen de felicitaties van minister-president Geoffrey Palmer in ontvangst.

Inmiddels was Hall een fulltime beroepsklimmer. Zoals de meeste van zijn collega’s zocht hij sponsors om zijri dure Himalaya-expedities te kunnen bekostigen. En hij was slim genoeg om te weten dat hoe meer aandacht hij kreeg vanuit de media, hoe gemakkelijker hij bedrijven zover zou krijgen de portemonnee voor hem open te doen. Van het een kwam het ander en Hall wist altijd wel een manier te vinden om zijn naam in de krant of zijn hoofd op televisie te krijgen. ‘Yeah,’ erkent Atkinson, ‘Rob had altijd een fijne neus voor publiciteit.’

In 1988 werd een gids uit Auckland genaamd Gary Ball de eerste klim-partner en beste vriend van Hall. Ball haalde in 1990 samen met Hall de top van de Everest en niet lang na hun terugkomst in Nieuw-Zeeland beraamden zij het plan om de hoogste bergen in alle zeven werelddelen te beklimmen, à la Dick Bass – alleen wilden zij de lat iets hoger leggen door ze alle zeven te beklimmen binnen een periode van zeven maanden. Met de Everest, de moeilijkste van de zeven, reeds op hun naam wisten Hall en Ball steun los te krijgen van een groot elektriciteitsbedrijf, Power Build, en waren op weg. Op 12 december 1990, luttele uren voordat hun deadline van zeven maanden zou aflopen, bereikten zij de top van de zevende berg – de Mount Vinson, met 5140 meter het hoogste punt in Antarctica – en werden alom bejubeld in hun vaderland.

Ondanks hun succes maakten Hall en Ball zich zorgen om hun toekomst in de professionele bergsportbranche. ‘Als je blijvend gesponsord wilt worden door bedrijven,’ legt Atkinson uit, ‘moet je als bergbeklimmer steeds hoger inzetten. Elke beklimming moet moeilijker en spectaculairder zijn dan de vorige. Je komt in een steeds nauwer wordende spiraal terecht; uiteindelijk kun je de druk niet meer aan. Rob en Gary begrepen dat er ooit een moment zou komen waarop ze niet beter meer zouden kunnen, of dat ze een dodelijk ongeluk zouden krijgen.

Dus besloten zij hun terrein te verleggen en gingen zich richten op het gidswerk op grote hoogte. Als gids kom je vaak niet toe aan het klimwerk dat jezelf het liefst zou willen doen; de uitdaging zit ‘m erin dat je je klanten naar boven en weer naar beneden weet te krijgen. Dat geeft een heel ander soort bevrediging. Maar het is beter vol te houden dan wanneer je altijd maar achter je sponsors aan moet. De klanten staan voor je in de rij als je ze een goed product biedt.’

In de periode van hun spectaculaire ‘zeven toppen in zeven maanden’ formuleerden Hall en Ball een plan om samen in zaken te gaan en klanten te begeleiden naar de Zeven Toppen. Overtuigd dat er een gat in de markt was voor deze dienstverlening – er waren genoeg mensen die ervan droomden de grote bergen van de wereld te beklimmen en die daarvoor wel het geld maar niet de ervaring hadden – richtten Hall en Ball een bedrijf op dat zij Adventure Consultants doopten.

Vrijwel onmiddellijk vestigden zij een indrukwekkend record. In mei 1992 begeleidden Hall en Ball zes klanten naar de top van de Everest. Een jaar later brachten zij in één middag nog eens een zevental mensen naar boven, op een dag dat in totaal zelfs veertig mensen de top haalden. Bij terugkomst van deze expeditie werden zij echter onverwacht onthaald op de openlijke kritiek van Sir Edmund Hillary, die afgaf op Halls rol in de toenemende commercialisering van de Everest. De grote groepen beginnelingen die naar de top werden gebracht, zo zei de verontwaardigde Sir Edmund, ‘betekenen een aantasting van het respect voor de berg’.

In Nieuw-Zeeland is Hillary een van de meest gevierde figuren van het land; zijn verweerde gezicht staat zelfs op de voorkant van het vijf-dollar-biljet. Hall was behoorlijk van zijn stuk gebracht door de afkeurende woorden van deze halfgod, deze oerklimmer die een van zijn grote jeugdhelden was geweest. ‘Hillary is hier in Nieuw-Zeeland een levende legende,’ aldus Atkinson. ‘Zijn woorden leggen veel gewicht in de schaal en als hij kritiek levert, komt dat hard aan. Rob wilde zich in het openbaar verdedigen tegen de aantijgingen, maar hij besefte dat het geen zin had om in de media tegen zo’n aanbeden figuur in te gaan.’

Vijf maanden na de ophef die Hillary had ontketend kreeg Hall een nog grotere klap te verwerken: in oktober 1993 overleed Gary Ball aan hersenoedeem – een zwelling in de hersenen die kan ontstaan op grote hoogte – bij een beklimming van de 8167 meter hoge Dhaulagiri, de op vijf na hoogste berg ter wereld. Ball blies zijn laatste adem uit in de armen van Hall, in diepe bewusteloosheid in een kleine tent hoog op de berg. De volgende dag begroef Hall zijn vriend in een gletsjerspleet.

Na de expeditie beschreef een sombere Hall in een interview op de televisie in Nieuw-Zeeland hoe hij hun favoriete klimtouw pakte en het lichaam van Ball in de diepe gletsjer liet zakken. ‘Een klimtouw is bedoeld om je bij elkaar te houden, je laat het nooit gaan,’ zei hij. ‘En ik moest het als het ware zo uit mijn handen laten glippen.’

‘Rob was er helemaal kapot van toen Gary stierf,’ zegt Helen Wilton, die als leider van het basiskamp op de Everest voor Hall werkte in 1993,1995 en 1996. ‘Maar hij heeft het verlies in alle stilte gedragen. Dat was zijn manier om het te verwerken: doorgaan.’ Hall besloot alleen door te gaan met Adventure Consultants. Met de systematische manier van werken die hem eigen was bleef hij verbeteringen aanbrengen in de infrastructuur en dienstverlening van het bedrijf- en bleef hij met veel succes amateurklimmers begeleiden naar de toppen van hoge, afgelegen bergen.

Tussen 1990 en 1995 wist Hall 39 klimmers op de top van de Everest te zetten – drie méér dan er in de eerste twintig jaar na de allereerste beklimming door Sir Edmund Hillary boven waren gekomen. In advertenties omschreef Hall Adventure Consultants dan ook met recht als ‘de meest vooraanstaande Everest-gidsenorganisatie ter wereld, met de meeste beklimmingen van allemaal’. In de reclamefolder die hij toezond aan potentiële klanten stond:

Dus u bent iemand die het avontuur zoekt! U heeft wellicht die droom dat u de zeven werelddelen wilt zien of op een hoge bergtop wilt staan. De meesten van ons durven nooit te handelen naar onze dromen of ze zelfs maar te delen met anderen en toe te geven dat wij zulke diepere verlangens koesteren. Adventure Consultants is gespecialiseerd in het organiseren en begeleiden van bergbeklimmingen. Wij hebben de deskundigheid in huis om uw dromen realiteit te laten worden en werken met u samen om uw doel te bereiken. Wij slepen u niet de berg op – u zult er hard voor moeten werken – maar wij zorgen ervoor dat uw avontuur zo veilig en succesvol mogelijk kan verlopen. Mensen die iets durven te doen met hun dromen zullen iets heel bijzonders meemaken, iets dat niet met woorden valt te beschrijven. Ga met ons mee en beklim de berg van uw dromen.

In 1996 vroeg Hall voor een begeleide klim naar het hoogste punt op aarde 65.000 dollar per persoon. Dat is naar iedere maatstaf veel geld – evenveel als de hypotheek op mijn huis in Seattle – en het vliegticket naar Nepal of de persoonlijke uitrusting zijn niet eens bij de prijs inbegrepen. Het was het hoogste tarief dat werd gevraagd – sommige organisaties rekenden zelfs maar een derde van dat bedrag. Maar dankzij zijn overweldigende succes kreeg Hall ook zijn eerstvolgende, achtste, expeditie naar de Everest gemakkelijk volgeboekt. Als je deze berg met alle geweld wilde beklimmen en je kon het geld op een of andere manier op tafel leggen, dan was Adventure Consultante de organisatie die je moest hebben.¬

 

In de ochtend van 31 maart, twee dagen na de aankomst in Kathmandu, liepen de deelnemers aan de Everest-expeditie 1996 van Adventure Consultants over de landingsbaan van het Tribhuvan International Airport en klommen aan boord van een Russische Mi-17 helikopter van Asian Airlines. Deze gedeukte relikwie uit de Afghaanse oorlog, zo groot als een Amerikaanse schoolbus en plaats biedend aan 26 passagiers, zag eruit alsof ze ergens in een achtertuin in elkaar was geflanst. De boordwerktuigkundige deed de deur op de klink en deelde watjes uit die we in onze oren moesten stoppen. Het monsterlijke gevaarte steeg op met een oorverdovend geronk.

De vloer was bezaaid met plunjezakken, rugzakken en kartonnen dozen. De menselijke lading kon er maar net bij: gepropt in krappe klapstoeltjes langs de wand, met de rug naar het raam en met de knieën zowat tegen de borst. De gierende turbines maakten iedere conversatie onmogelijk. Het was geen comfortabele vlucht, maar niemand klaagde.

In 1963 begon de groep van Tom Hornbein aan haar lange trektocht naar de Everest vanuit Banepa, een kilometer of twintig buiten Kathmandu. Na 31 dagen lopen arriveerden ze in het basiskamp. Net als de meeste Everest-gangers van tegenwoordig sloegen wij deze zware, stoffige reis liever over. De helikopter zou ons afzetten in het dorp Lukla, op 2800 meter hoogte in de Himalaya. Tenzij we onderweg een ongeluk zouden krijgen, zou onze reis zo’n drie weken korter duren dan die van Hornbein destijds.

Terwijl ik het ruime interieur van de helikopter rondkeek, probeerde ik de namen van mijn teamgenoten te onthouden. Naast de gidsen Rob Hall en Andy Harris had je Helen Wilton, 39 jaar en moeder van vier kinderen. Zij ging voor haar derde seizoen mee om het basiskamp te leiden. Caroline Mackenzie – een volleerde bergbeklimster en geneeskundige van achter in de twintig – ging mee als teamarts en zou, net als Helen, niet verder gaan dan het basiskamp. Lou Kasischke, de aristocratische advocaat die ik op het vliegveld had ontmoet, had zes van de Zeven Toppen beklommen – en dat gold ook voor de 47-jarige Yasuko Namba, een zwijgzame personeelsdirecteur bij Federal Express in Tokyo. Beck Weathers, 49, was een praatgrage patholoog uit Dallas. Stuart Hutchison, 34, gehuld in een Ren and Stimpy T-shirt, was een cerebrale, ietwat onzekere Canadese cardioloog-onderzoeker met verlof. John Taske, met zijn 56 jaar de oudste van de groep, was een anesthesioloog uit Brisbane, die met bergbeklimmen was begonnen nadat hij uit het Australische leger was gestapt. Frank Fischbeck, 53, een keurige uitgever uit Hongkong, had de Everest al drie keer geprobeerd met een concurrent van Hall; in 1994 was hij helemaal tot de Zuidtop gekomen, slechts honderd hoogtemeters onder de top. Doug Hansen, 46, was een Amerikaanse postbeambte, die in 1995 al met Hall was meegeweest naar de Everest en net als Fischbeck tot de Zuidtop was gekomen.

Ik wist niet goed wat ik van mijn medereizigers moest denken. In hun opvattingen en ervaringen leken zij helemaal niet op de hardcore klimmers waarmee ik meestal de bergen inging. Maar het leken mij aardige, nette mensen en er zat geen enkele echte hufter in de groep – of het moest er een zijn die in dit prille stadium zijn ware gedaante nog niet had getoond. Desalniettemin had ik niet veel gemeen met mijn teamgenoten, behalve met Doug. Hij was een levensgenieter met een pezig lijf en een gezicht dat nu al zo verweerd was dat het aan een oude rugbybal deed denken. Hij werkte al meer dan 27 jaar bij de post. Hij vertelde mij dat hij de reis had kunnen betalen door nachtdiensten te draaien en overdag in de bouw te werken. Omdat ik voordat ik schrijver werd acht jaar als timmerman de kost had verdiend – en omdat de belastinggroep waarin wij beiden zaten duidelijk afweek van die van de andere teamleden – voelde ik me al meteen op mijn gemak bij Doug, iets wat ik bij de anderen niet had.

Nee, ik voelde me er steeds onprettiger onder, maar ik had als klimmer ook nog nooit in zo’n grote groep gezeten – laat staan een groep van volslagen vreemden. Alleen 21 jaar geleden in Alaska was ik met een groep geweest, maar verder had ik al mijn expedities met één of twee goede vrienden ondernomen, of helemaal in m’n eentje.

Bij het bergbeklimmen is vertrouwen in je partners een factor van niet te onderschatten belang. Eén actie van een klimmer kan gevolgen hebben voor de hele groep. Een slecht gelegde knoop, een misstap, een losgetrapt rotsblok of welke andere onachtzaamheid dan ook heeft niet alleen consequenties voor degene die de fout maakt maar juist ook voor de anderen in de groep. Het is dus begrijpelijk dat bergbeklimmers altijd graag willen weten wat voor vlees ze in de kuip hebben als ze met anderen de bergen ingaan.

Maar vertrouwen in je partners is een luxe die je niet wordt gegund als je je inschrijft voor een begeleide beklimming; je moet dan maar alle vertrouwen hebben in de gids. Terwijl de helikopter naar Lukla ronkte, had ik de indruk dat ik niet de enige was die in de vurige hoop verkeerde dat Hall klanten met dubieuze kwaliteiten had geweigerd en wist hoe hij ons kon beschermen tegen elkaars tekortkomingen.