31 maart 1996, 2800 meter
Als we niet treuzelden, eindigden onze dagelijkse trektochten vroeg in de middag, maar zelden voordat we, gedwongen door de hitte en onze pijnlijke voeten, aan iedere passerende sherpa hadden gevraagd hoe ver het kamp nog was. We ontdekten al snel dat het antwoord steevast luidde: ‘nog iets meer dan drie kilometer, sahib…’ De avonden waren vreedzaam. Rook die bleef hangen in de stille lucht verzachtte de avondschemering. Er glinsterde licht op de richel waar we morgen ons kamp zouden opslaan en wolken vervaagden het silhouet van de pas die we de dag erna zouden betreden. In mijn toenemende opwinding werden mijn gedachten keer op keer meegevoerd naar de Westgraat…
De avonden waren ook eenzaam, als de zon onderging, maar ik had nu bijna gun twijfels meer. Als ik twijfelde werd het me zwaar te moede, alsof mijn hele leven achter me lag. Eenmaal op de berg, wist ik (of vertrouwde ik), zouden die gevoelens plaatsmaken voor een totale overgave aan de taak die voor me lag. Maar soms vroeg ik me af of ik niet alleen maar zo ver was gekomen om te ontdekken dat ik eigenlijk op zoek was naar iets wat ik had achtergelaten.
Thomas F. Hornbein – Everest: The West Ridge
Vanaf Lukla liep de weg richting Mount Everest naar het noorden door de schemerige kloof van de Dudh Kosi, een ijskoude rivier vol met grote keien, schuimend van het gletsjerwater. De eerste nacht van onze trektocht hadden we doorgebracht in het gehucht Phakding, een handvol huisjes en herbergen opeengepakt op een vlakke rotsrichel boven de rivier. ‘s Nachts werd de lucht bijtend koud en toen ik ‘s ochtends langs het pad omhoogliep, zag ik een laagje rijp glinsteren op de bladeren van de rododendrons. Maar het gebied van de Mount Everest ligt op 28 graden noorderbreedte, net boven de tropen, en de temperatuur steeg dan ook aanzienlijk toen de zon hoog genoeg stond om tot in de diepten van het ravijn door te kunnen dringen. Rond de middag, nadat we voor de vierde keer die dag een wiebelige loopbrug hoog boven de rivier waren overgestoken, voelde ik het zweet in straaltjes langs mijn kin lopen en kleedde me uit tot op mijn korte broek en T-shirt.
Achter de brug verliet het modderpad de oevers van de Dudh Kosi en liep zigzaggend omhoog langs de steile wand van de kloof, langs geurende pijnboombosjes. Bijna drie kilometer boven me zag ik de geweldig geplooide ijstoppen van de Thamserku en Kusum Kangru de hemel in priemen. Het landschap was schitterend – het behoort tot de meest indrukwekkende gebieden op aarde, maar ongerept is het al eeuwenlang niet meer.
Op elk stukje vruchtbare landbouwgrond waren terrassen aangelegd en beplant met gerst, bittere boekweit of aardappelen. Langs de hellingen waren linten met gebedsvlaggetjes gespannen en zelfs op de hoogste bergpassen hielden eeuwenoude boeddhistische chortens1 en muurtjes met verfijnd uitgesneden mani-stenen2 de wacht.
1: Een chorten, ook wel ‘stupa’ genoemd, is een religieus monument, meestal van steen, dat vaak heilige relikwieën bevat.
2: Mani-stenen zijn kleine, platte stenen waarin zorgvuldig symbolen in het Sanskriet zijn uitgehakt die de Tibetaanse boeddhistische formule ‘Om mani padme hum’ aanduiden. Ze liggen opgestapeld in het midden van het pad en vormen lange, lage mani-muurtjes. De boeddhistische etiquette schrijft voor dat wandelaars het muurtje altijd aan de linkerkant moeten passeren.
Toen ik van de rivier omhoogliep leek het pad wel een drukke winkelstraat met wandelaars, kuddes yaks3, monniken in rode gewaden, en blootsvoetse sherpa’s die gebukt gingen onder loodzware ladingen brandhout, petroleum en flessen frisdrank.
3: Eigenlijk zijn het overgrote deel van de ‘vales’ inde Himilaya dzoptyo’s – een kruising tussen een vak en een rund – of dzoms, het vrouwelijke equivalent ervan. Daarnaast heten vrouwelijke ongekruiste yaks eigenlijk ‘naks’. Voor de meeste westerlingen lijken deze ruwharige beesten echter allemaal op elkaar, daarom worden ze allemaal ‘yaks’ genoemd.
Op anderhalf-uur afstand van de rivier stak ik een brede brug over, passeerde een groepje met stenen ommuurde yakkralen en bevond me plotseling in het centrum van Namche Bazaar, het sociale en economische hart van de sherpa-gemeenschap. Namche bevindt zich op 3444 meter boven de zeespiegel en ligt halverwege een steile berghelling in een enorme, overhellende kom in de vorm van een gigantische schotelantenne. De meer dan honderd gebouwen die vervaarlijk over de rotshelling leunen, worden verbonden door een doolhof van smalle paadjes en richels. Aan de lage rand van de stad vond ik de Khumbu Lodge. Ik duwde de deken weg die als voordeur dienstdeed en vond mijn teamgenoten in de hoek aan tafel achter een kop citroenthee zitten.
Toen ik naderbij kwam, stelde Rob Hall me voor aan Mike Groom, de derde gids van de expeditie. Mike was een 33-jarige Australiër met rood haar en de slanke bouw van een marathonloper. Hij was loodgieter in Brisbane en werkte alleen nu en dan als gids. In 1987 was hij tijdens de afdaling van de 8585 meter hoge top van de Kanchenjunga gedwongen een nacht in de open lucht door te brengen, waarbij zijn voeten waren bevroren zodat al zijn tenen moesten worden geamputeerd. Deze tegenslag weerhield hem er echter niet van zijn klimloopbaan in de Himalaya voort te zetten: daarna had hij nog de K2, de Lhotse, de Cho Oyu en de Ama Dablam beklommen, en in 1993 de Mount Everest zonder extra zuurstof. Groom was aardig, maar heel rustig en terughoudend; hij zei zelden iets tenzij hij werd aangesproken en gaf dan kort antwoord met nauwelijks hoorbare stem.
Bij het gesprek tijdens het avondeten hadden drie klanten, de dokters, het hoogste woord. Stuart, John en vooral Beck zouden zo de rest van de expeditie wel doorgaan. Gelukkig was zowel John als Beck ontzettend geestig en lagen we voortdurend in een deuk. Beck had echter de gewoonte zijn monologen te laten uitlopen in bijtende rechts-republikeinse tirades tegen schijterige liberals en die avond beging ik op een gegeven moment de fout tegen hem in te gaan. Als antwoord op een van zijn opmerkingen opperde ik dat een verhoging van het minimumloon verstandig, zelfs noodzakelijk zou zijn. Beck was goed geïnformeerd en zeer bedreven in het debat en hij liet dan ook niets heel van mijn onhandige uitlating. Ik wist niet hoe ik zijn argumenten moest weerleggen en zat me woedend en zwijgend op te vreten. Terwijl hij in zijn broeierige en lijzige Oost-Texaanse accent verder bralde over de vele dwaasheden van de verzorgingsstaat stond ik op van tafel om mezelf verdere vernederingen te besparen. Toen ik terugkeerde naar de eetkamer liep ik naar de eigenares om een biertje te vragen. Zij, een kleine, sierlijke sherpani, was juist bezig een bestelling op te nemen van een groep Amerikaanse wandelaars. ‘Wij honger,’ verkondigde een man met blozende wangen overdreven luid in gebrekkig Engels, terwijl hij net deed of hij aan het eten was. ‘Willen aardappelen eten. Yakburger. Coca-Cola. Jij hebben?’
‘Wilt u misschien het menu zien?’ vroeg de sherpani opgewekt, in glashelder Engels met een zweem van een Canadees accent. ‘We hebben een vrij grote keuze. En ik geloof dat er nog wat vers gebakken appeltaart is, misschien iets voor u, als dessert?’
De Amerikaan, die niet kon begrijpen dat deze donkergekleurde bergvrouw tegen hem sprak in perfect uitgesproken algemeen beschaafd Engels, bleef de vrouw aanspreken in zijn lachwekkende pidgin-taaltje: ‘Menu. Goed, goed. Ja, ja, we willen zien menu.’
Sherpa’s blijven een raadsel voor de meeste buitenlanders, die geneigd zijn hen door een romantische sluier te zien. Mensen die niet op de hoogte zijn van de demografische situatie in de Himalaya, gaan er vaak van uit dat alle Nepalezen sherpa’s zijn, terwijl er in feite in heel Nepal niet meer dan twintigduizend sherpa’s wonen. Het land is tweemaal zo groot als de Benelux, heeft twintig miljoen inwoners en er wonen meer dan vijftig verschillende volkeren. De sherpa’s zijn een vroom boeddhistisch bergvolk, wier voorvaderen vier- of vijfhonderd jaar geleden vanuit Tibet naar het zuiden migreerden. De sherpa-dorpen liggen verspreid over de Himalaya in het oosten van Nepal en er zijn vrij grote sherpa-gemeenschappen in Sikkim en Darjeeling (India) maar het middelpunt van het sherpa-gebied is de Khumbu, een stuk of vijf valleien waarop de zuidelijke hellingen van de Mount Everest afwateren. Het is een klein, zeer onherbergzaam gebied zonder ook maar enige weg, auto of ander voertuig op wielen.
Landbouw is zwaar in de hooggelegen, koude dalen met steile hellingen en de sherpa-economie draait dan ook van oudsher om de handel met Tibet en India en het hoeden van yaks. Bij hun eerste expeditie naar de Mount Everest in 1921 besloten de Britten sherpa’s in te zetten als helpers, een ommekeer in de cultuur van de sherpa’s.
Omdat de grenzen van het koninkrijk Nepal tot 1949 gesloten waren voor buitenlanders, was men bij de eerste verkenning van de Mount Everest en de daaropvolgende acht expedities gedwongen de Mount Everest vanuit het noorden via Tibet te benaderen, en kwam men dus nooit in de buurt van de Khumbu. Maar die eerste negen expedities vertrokken naar Tibet vanuit Darjeeling, waar veel sherpa’s heen waren getrokken en waar ze bij de plaatselijke kolonialen te boek stonden als hardwerkend, vriendelijk en intelligent. Omdat de meeste sherpa’s al generaties lang in dorpen woonden die tussen de drieduizend en vijfduizend meter lagen, hadden ze zich bovendien lichamelijk goed aangepast aan de barre omstandigheden op grote hoogte. Op aanbeveling van A.M. Kellas, een Schotse arts die veelvuldig had geklommen en rondgereisd met de sherpa’s, werd bij de Mount Everest-expeditie van 1921 een groot aantal van hen ingezet als dragers en kwartiermakers. In de 75 jaar die volgden is dit voorbeeld door bijna alle expedities nagevolgd.
De laatste twintig jaar is de economie en cultuur van de Khumbu in toenemende mate bepaald door de seizoensgebonden instroom van wandelaars en bergbeklimmers, met alle voor- en nadelen van dien. Er komen er jaarlijks ongeveer 15.000 naar dit gebied. Sherpa’s die technische klimvaardigheden beheersen en hoog op de toppen werken, vooral diegenen die op de top van de Mount Everest zijn geweest, genieten hoog aanzien in hun gemeenschappen. Deze klimhelden lopen helaas ook veel risico door fatale ongelukken om te komen: sinds 1922, toen zeven sherpa’s werden gedood door een lawine tijdens de tweede Britse expeditie, heeft een overmatig groot aantal van in totaal 53 sherpa’s het leven gelaten op de Mount Everest. Meer dan een derde van alle dodelijke ongevallen op de Mount Everest komt dan ook voor hun rekening.
Ondanks alle gevaren is er stevige concurrentie onder de sherpa’s voor de twaalf tot achttien baantjes bij een gangbare Mount Everest-expeditie. De meest geliefde posities zijn de ongeveer zes openstaande plaatsen voor vaardige sherpa-bergbeklimmers, die ongeveer tussen de 1400 en 2500 dollar kunnen verdienen voor twee maanden gevaarlijk werk. Dit is een aantrekkelijk salaris in een land dat is verzonken in schrijnende armoede, met een jaarlijks gemiddeld inkomen van 160 dollar per hoofd van de bevolking.
Om plaats te bieden aan de groeiende stroom westerse bergbeklimmers en wandelaars verrijzen overal in de Khumbu nieuwe herbergen en theehuizen, maar de bouwdrift is vooral te merken in Namche Bazaar. Op het pad naar Namche passeerde ik talloze dragers die uit de lager gelegen bossen kwamen, met zojuist gehakte houten balken die meer dan 45 kilo wogen. Onmenselijke lichamelijke arbeid waarvoor ze zo’n drie dollar per dag ontvingen.
Mensen die al vaker in de Khumbu zijn geweest, worden droef gestemd door de opkomst van het toerisme en de invloed die het heeft doen gelden op wat vroege westerse bergbeklimmers beschouwden als het paradijs op aarde, een waar bestaand Shangrila. Er zijn hele valleien ontbost om tegemoet te komen aan de toenemende vraag naar brandhout. Jongeren die rondhangen in de carrom-cafés in Namche dragen liever spijkerbroeken en Chicago Bulls T-shirts dan de ouderwetse traditionele gewaden. Gezinnen zitten ‘s avonds om de videorecorder geschaard naar het nieuwste meesterwerk van Schwarzenegger te kijken.
De veranderingen in de cultuur van de Khumbu zijn zeker niet allemaal even positief, maar ik heb maar weinig sherpa’s horen klagen. Met de harde valuta van wandelaars en bergbeklimmers en subsidies van internationale hulporganisaties zijn er scholen en klinieken gesticht, is de sterfte onder zuigelingen verminderd, zijn er loopbruggen gebouwd en is er hydro-elektrische elektriciteit in Namche en andere dorpen. Het is nogal betuttelend je als westerling te beklagen over de teloorgang van de goede oude tijd, toen het leven in de Khumbu nog zoveel eenvoudiger en schilderachtiger was. De meeste mensen die dit onherbergzame gebied bewonen, schijnen er geen behoefte aan te hebben afgesneden te zijn van de moderne wereld en de menselijke vooruitgang, hoe ordeloos deze misschien ook verloopt. Het laatste wat een sherpa zou willen is bewaard te blijven als een specimen van een uitgestorven soort in een volkenkundig museum.¬
Een geoefende wandelaar die gewend is aan de hoogte, zou de afstand van de landingsplaats in Lukla naar het basiskamp op de Mount Everest in twee of drie lange dagen kunnen overbruggen. Maar omdat de meesten van ons zojuist het zeeniveau achter zich hadden gelaten, wilde Hall een lager tempo aanhouden zodat onze lichamen zich rustig konden aanpassen aan de steeds ijler wordende lucht. De meeste dagen liepen we hooguit drie tot vier uur. Op sommige dagen, als we van Hall langer moesten acclimatiseren, liepen we helemaal niet.
Op 3 april, na een dagje acclimatiseren in Namche, trokken we verder richting basiskamp. Toen ik op twintig minuten afstand boven het dorp een bocht omging, had ik uitzicht op een adembenemend schouwspel. Ongeveer zeshonderd meter lager zag ik de Dudh Kosi liggen, die als een krom lint, zilverkleurig glinsterend in de schaduw het omringend gesteente diep inkerfde. Meer dan drieduizend meter hoger zag ik de enorme, vanachter beschenen piek van de Ama Dablam als een verschijning over de vallei zweven. Nog eens meer dan tweeduizend meter hoger zag ik de ijzige piramide van de Mount Everest net uitsteken achter de Nuptse, waarbij de Ama Dablam weer in het niet viel. Zoals altijd het geval leek, stroomde er een horizontale pluim condens van de top, als bevroren rook, die de hevigheid van de straalstroom verried. Ik bleef misschien wel een half uur naar de top staren en probeerde te bevatten hoe het zou zijn om boven op die door stormen geteisterde piramide te staan. Hoewel ik al honderden bergen had beklommen, week de Mount Everest zo af van alle andere bergen dat het mijn voorstellingsvermogen te boven ging. De top leek zo koud, zo hoog en zo onbereikbaar ver. Voor mijn gevoel was het alsof ik een expeditie naar de maan ging maken. Toen ik weer terugliep naar het pad werd ik heen en weer geslingerd tussen koortsachtige verwachting en een bijna overweldigend gevoel van angst.
Laat in de middag arriveerde ik in Tengboche*, het grootste en voornaamste boeddhistische klooster in de Khumbu.
≡ Sherpa is geen geschreven taal, in tegenstelling tot Tibetaans, waar het nauw mee verwant is. Westerlingen zijn dus genoodzaakt fonetische vertalingen te gebruiken, waardoor er weinig eenvormigheid is in de spelling van Sherpa-woorden of namen. Tengboche, bijvoorbeeld, wordt zowel als Tengpoche als Thyangboche geschreven en gelijksoortige ongerijmdheden komen voor bij het spellen van de meeste andere woorden in het Sherpa.
Chhongba Sherpa, een laconieke, bedachtzame man die als kok in het basiskamp aan onze expeditie deelnam, bood aan een ontmoeting te regelen met de rimpoche. ‘Hij is de hoofdlama van heel Nepal,’ verduidelijkte Chhongba, ‘een zeer heilig man. Gisteren heeft hij juist een lange periode van zwijgende meditatie afgesloten, de laatste drie maanden heeft hij niets gezegd. Wij zijn zijn eerste bezoekers. Dat is zeer gunstig.’ Doug, Lou en ik gaven Chhongba elk honderd roepies (ongeveer twee dollar) om ceremoniële kata’s te kopen. Dit zijn witte, zijden sjaals die we aan de rimpoche moesten aanbieden. Daarna deden we onze schoenen uit en leidde Chhongba ons naar een klein, tochtig vertrek achter de hoofdtempel.
Daar zat een kleine, gezette man met een glimmend kaal hoofd en gehuld in bordeauxrode gewaden met gekruiste benen op een kussen van brokaat Hij zag er zeer oud en zeer vermoeid uit. Chhongba boog eerbiedig, zei kort iets in het Sherpa tegen hem en wenkte ons om naar voren te komen. Daarop zegende de rimpoche ieder van ons en legde tegelijkertijd de door ons gekochte kata’s om onze nek. Daarna glimlachte hij stralend en bood ons thee aan. ‘Deze kata moet je naar de top van de Mount Everest* dragen,’ gaf Chhongba me op plechtige toon te verstaan. ‘Het zal God behagen en je beschermen onderweg.’
≡ Hoewel de Tibetaanse naam voor de Mount Everest ‘Jomolungma’ en de Nepalese naam ‘Sagarmatha’ is, schijnen de meeste sherpa’s in hun dagelijkse conversatie, ook onder elkaar, de berg met ‘Mount Everest’ aan te duiden.
Niet wetend hoe ik me moest gedragen in het gezelschap van een goddelijke persoonlijkheid, de levende reïncarnatie van een fameuze lama uit een grijs verleden, was ik doodsbang hem per ongeluk te beledigen of een onvergeeflijke blunder te begaan. Terwijl ik zorgelijk mijn zoete thee zat te drinken, rommelde zijne heiligheid wat in een aangrenzend vertrek en haalde een groot, mooi versierd boek te voorschijn dat hij me overhandigde. Ik veegde mijn vuile handen aan mijn broek af en sloeg het zenuwachtig open. Het was een fotoalbum. Het bleek dat de rimpoche pas geleden voor de eerste keer naar de Verenigde Staten was geweest en in het album stonden kiekjes van zijn reis: zijne heiligheid voor het Lincoln-monument en het Lucht- en Ruimtevaartmuseum; zijne heiligheid in Californië op de pier in Santa Monica. Met een brede grijns wees hij opgewonden naar zijn twee favoriete foto’s in het album: zijne heiligheid poserend naast Richard Gere, en een andere foto waar hij samen met Steven Seagal op stond.¬
De eerste zes dagen van de trektocht verliepen in een zalige roes. De route liep langs open plekken vol jeneverbesstruiken en dwergberken, blauwsparren en rododendrons, omlaag kletterende watervallen, betoverende rotstuinen en kabbelende beekjes. Aan de wagneriaanse horizon waren ontelbare bergtoppen zichtbaar waarover ik als kind al las. Omdat vrijwel al onze bagage werd gedragen door yaks en dragers zat er in mijn rugzak niet veel meer dan een jack, wat chocoladerepen en een fototoestel. Omdat ik zonder bagage en op mijn gemak kon lopen, werd ik geheel in beslag genomen door het ongecompliceerde wandelen in een exotisch land en raakte ik in een soort trance. Mijn euforische stemming duurde echter nooit lang want vroeg of laat herinnerde ik me mijn bestemming weer en werd mijn gemoedstoestand overschaduwd door de Mount Everest, zodat ik meteen weer bij mijn positieven was.
We wandelden allemaal in ons eigen tempo en tankten regelmatig bij in theehuizen langs de weg of praatten met voorbijgangers. Tijdens de wandeling bevond ik me vaak in het gezelschap van Doug Hansen, de postbode, en Andy Harris, de relaxte assistent-gids van Rob Hall. Andy, die Harold werd genoemd door Rob en al zijn kiwi-vrienden, was een grote, stevige knul. Hij had de bouw van een football-quarterback en leek zo te zijn weggelopen uit een Camel-reclamespot. In Nieuw-Zeeland was hij ‘s winters een veelgevraagd gids voor helikopter-skitochten. In de zomer werkte hij voor wetenschappers die geologisch onderzoek verrichten op de Zuidpool of begeleidde hij bergbeklimmers in de Nieuw-Zeelandse Alpen.
Terwijl we langs het pad omhoogliepen, sprak Andy verlangend over de vrouw waarmee hij samenwoonde, de arts Fiona McPherson. Toen we op een rots even uitrustten haalde hij uit zijn rugzak een foto van haar te voorschijn. Ze was lang, blond en zag er sportief uit. Andy vertelde dat hij en Fiona samen bezig waren een huis te bouwen in de heuvels buiten Queenstown. Hij vertelde steeds enthousiaster over de simpele genoegens van balken zagen en spijkers slaan en bekende dat hij in dubio had gestaan toen Rob hem deze baan had aangeboden: ‘Het was eigenlijk best moeilijk om Fi en het huis achter te laten. We waren met het dak bezig, net de kap erop, weet je? Maar zo’n kans om de Mount Everest te beklimmen laat je toch niet aan je voorbijgaan? Laat staan als je samen kunt werken met iemand als Rob Hall.’
Hoewel Andy nog nooit naar de Mount Everest was geweest, was hij niet onbekend met de Himalaya. In 1985 had hij de Chobutse beklommen, een 6683 meter hoge en moeilijk te beklimmen berg, ongeveer 50 kilometer ten westen van de Mount Everest. En in het najaar van 1994 had hij vier maanden doorgebracht in het sombere en winderige gehucht Pheriche, dat meer dan 4200 meter boven de zeespiegel ligt en waar we op 4 en 5 april hadden overnacht. Hier had hij Fiona geholpen met het runnen van de plaatselijke kliniek.
Het ziekenhuisje was gesticht door de Himalayan Rescue Association en was voornamelijk gericht op het behandelen van hoogteziekten (hoewel de plaatselijke sherpa’s er ook terecht konden voor gratis medische behandeling) en het voorlichten van wandelaars over de verborgen risico’s van te snel omhoogklimmen. Het werd opgericht in 1973 nadat vier leden van één Japanse trekkersgroep waren bezweken aan hoogteziekte in die omgeving. Voordat de kliniek bestond, overleden ongeveer één of twee op de vijfhonderd wandelaars die Pheriche aandeden aan acute hoogteziekte. De vrolijke Amerikaanse advocate Laura Ziemer en haar man, de arts Jim Litch, die tijdens ons bezoek aan het werk waren in het vierkamergebouwtje samen met Larry Silver, een andere jonge arts, benadrukten dat ongelukken met bergbeklimmers niet waren inbegrepen in dit alarmerende dodental. Nee, de slachtoffers waren ‘gewone wandelaars die niet van de uitgezette paden afweken’.
Dankzij de voorlichtingsbijeenkomsten en eerste hulp door de vrijwilligers van de kliniek is dit dodental gedaald tot minder dan één sterfgeval per dertigduizend wandelaars. Idealistische westerlingen als Ziemer worden niet betaald voor hun werk in Pheriche en dienen zelfs hun eigen reiskosten naar Nepal en terug te bekostigen. Toch is deze prestigieuze baan zeer in trek bij deskundige gegadigden uit de hele wereld. Caroline Mackenzie, de expeditie-arts van Hall, had in het najaar van 1994 samen met Fiona MacPherson en Andy in het ziekenhuis van de HRA gewerkt.
In 1990, toen Hall voor de eerste keer de Mount Everest beklom, werd het ziekenhuis gerund door een vakkundige, zelfverzekerde Nieuw-Zeelandse arts, Jan Arnold genaamd. Hall ontmoette haar toen hij door Pheriche kwam op doortocht naar de Mount Everest en hij was meteen verkocht. ‘Ik vroeg Jan of ze met me uit wilde zodra ik terug was van de Mount Everest,’ herinnerde Hall zich tijdens onze eerste nacht in het dorp. ‘Voor ons eerste afspraakje stelde ik voor samen de Mount McKinley in Alaska te beklimmen. En ze stemde toe.’ Twee jaar later trouwden ze. In 1993 beklom Arnold de Mount Everest met Hall en in 1994 en 1995 werkte ze als expeditie-arts in het basiskamp. Arnold zou ook dit jaar zijn meegekomen naar de Mount Everest als ze niet zeven maanden zwanger was geweest van hun eerste kind. Dus ging de baan naar dr. Mackenzie.
Op onze eerste avond in Pheriche werden Hall, Harris en Helen Wilton, onze basiskampmanager, door Laura Ziemer en Jim Litch uitgenodigd donderdags na het avondeten in het ziekenhuis een glaasje te komen drinken en de laatste nieuwtjes uit te wisselen. In de loop van de avond ging het gesprek in de richting van de risico’s die vastzaten aan het klimmen en het leiden van een expeditie naar de Mount Everest. Litch kan zich dit gesprek nog levendig voor de geest halen: Hall, Harris en hij waren het er helemaal over eens dat een enorme ramp waarbij een groot aantal klanten betrokken waren vroeger of later ‘niet te vermijden’ was. ‘Maar,’ zei Litch, die het voorjaar daarvoor de Mount Everest vanuit Tibet had beklommen, ‘Rob dacht dat hem niets zou gebeuren; hij was alleen maar bang dat hij ‘andermans team uit de nesten zou moeten halen’. En als het onvermijdelijke noodlot toesloeg, was hij ervan overtuigd dat het op de gevaarlijkere noordelijke kant van de berg zou zijn, aan de Tibetaanse zijde.’¬
Op zaterdag 6 april kwamen we aan bij de voet van de Khumbu-gletsjer, die op een paar uur afstand van Pheriche lag. Dit is een negentien kilometer lange ijstong die van de zuidflank van de Mount Everest naar beneden glijdt en die ons, hoopte ik vurig, als snelweg naar de top zou dienen. We zaten nu op 4877 meter hoogte en het laatste groen was verdwenen. Langs de eindmorene van de gletsjer stonden twintig stenen monumenten in een sombere rij over de mistige vallei te kijken: het waren gedenktekens voor bergbeklimmers die het leven hadden gelaten op de Mount Everest, voornamelijk sherpa’s. Van nu af aan zou onze wereld alleen nog bestaan uit een kale, monochrome vlakte met rotsen en door de wind opgejaagd ijs. Ondanks ons gelijkmatige tempo begon ik ook last te krijgen van de hoogte, waardoor ik duizelig werd en constant naar adem liep te snakken.
Het pad was hier op veel plaatsen bedekt met een metersdikke laag wintersneeuw. Als de sneeuwlaag smolt in de middagzon zakten de yaks met hun hoeven door de bevroren bovenlaag heen en ploeterden de dieren tot aan hun buik door de sneeuw. De mopperende yakhoeders sloegen hun dieren om ze vooruit te krijgen en dreigden rechtsomkeert te maken. Laat in de middag kwamen we aan in het dorpje Lobuje, waar we een schuilplaats voor de wind vonden in een kleine, uitzonderlijk smerige herberg.
Lobuje was een naargeestig oord op de rand van de Khumbu-gletsjer, een verzameling lage, bouwvallige huisjes die bij elkaar steun leken te zoeken tegen de elementen. In het dorpje leefden de sherpa’s opeengepakt met bergbeklimmers van meer dan tien verschillende expedities, Duitse wandelaars en kuddes uitgemergelde yaks die allemaal op weg waren naar het basiskamp, nog een dagreis omhoog door de vallei. Rob legde uit dat de drukte werd veroorzaakt door de ongebruikelijk late en zware sneeuwval, waardoor tot gisteren geen enkele vak het basiskamp had kunnen bereiken. De paar herbergen in het gehucht waren allemaal bezet. Er werden zij aan zij tenten opgezet op de weinige modderige plekjes waar geen sneeuw meer lag. Een aantal in lompen gehulde en op teenslippers lopende dragers van de Rai- en Tamang-stammen uit de uitlopers van de Himalaya, die werkten als dragers voor verschillende expedities, hadden een onderkomen gezocht in grotten en onder rotsen op de omliggende hellingen.
De drie of vier stenen toiletten in het dorp liepen letterlijk over van de uitwerpselen. De latrines waren zo smerig dat de meeste mensen, zowel Nepalezen als westerlingen, hun behoefte buiten deden in het open veld. Overal lagen grote, stinkende hopen menselijke uitwerpselen, het was onmogelijk er niet in te trappen. De smeltwaterrivier die door het centrum van de nederzetting kronkelde was een open riool.
In de grootste kamer van de herberg waar we overnachtten stonden houten stapelbedden voor ongeveer dertig man. Ik vond een niet-bezet bed bovenin, veegde zoveel mogelijk vlooien en luizen van de smerige matras en legde mijn slaapzak neer. Dichtbij tegen de muur stond een kleine ijzeren kachel die brandde op gedroogde yakmest. Na zonsondergang daalde de temperatuur tot onder het vriespunt en stroomden dragers naar binnen om zich te wannen bij de kachel. Omdat mest zelfs onder de gunstigste omstandigheden slecht brandt, en zeker in de zuurstofarme lucht op 4900 meter hoogte, vulde de herberg zich met een dikke, bijtende rook alsof de uitlaatgassen van een dieselbus door een buis rechtstreeks naar binnen werden geleid. Vanwege een niet te onderdrukken hoestbui moest ik ‘s nachts twee keer naar buiten vluchten om lucht te krijgen. ‘s Ochtends had ik branderige, bloeddoorlopen ogen, zaten mijn neusgaten verstopt met zwart roet en had ik een droge, hardnekkige hoest opgelopen waar ik tot het einde van de expeditie niet meer van af zou komen.
Rob was van plan slechts een dag in Lobuje door te brengen om te acclimatiseren alvorens de laatste negen of tien kilometer naar het basiskamp af te leggen. Onze sherpa’s waren ons al enkele dagen geleden vooruitgegaan om het kamp alvast klaar te maken voor onze aankomst en de route aan te leggen langs de lager gelegen hellingen van de Mount Everest zelf. Op de avond van 7 april arriveerde er echter een hijgende renner in Lobuje met een verontrustend bericht uit het basiskamp. Tenzing, een jonge sherpa die door Rob was aangesteld, was 46 meter diep gevallen in een crevasse, een gapende gletsjerspleet. Vier andere sherpa’s hadden hem er levend uit kunnen trekken maar hij was ernstig gewond en had mogelijk een gebroken dijbeen. Rob kondigde lijkbleek aan dat hij en Mike Groom bij zonsopgang onmiddellijk naar het basiskamp zouden gaan om de redding van Tenzing te coördineren. ‘Ik vind het heel vervelend,’ ging hij verder, ‘maar jullie moeten maar zolang met Harold in Lobuje blijven totdat de situatie onder controle is.’
Later hoorden we dat Tenzing de route boven kamp 1 was gaan verkennen en net met vier andere sherpa’s een betrekkelijk ongevaarlijk deel van de Khumbu-gletsjer aan het beklimmen was. De vijf mannen waren zo verstandig om achter elkaar te lopen maar ze gebruikten geen touw, hetgeen een ernstige overtreding van de bergbeklimmersregels is. Tenzing liep vlak achter de andere vier en volgde in hun voetstappen, toen hij plotseling door een dun laagje sneeuw trapte, waaronder een diepe crevasse verborgen lag. Voordat hij ook maar iets kon roepen viel hij als een steen in de duistere diepten van de gletsjer.
Op 6200 meter is het onmogelijk een reddingsvlucht met een helikopter uit te voeren want de lucht is te ijl om de rotoren van de helikopter draagkracht te geven, zodat landen, opstijgen of zelfs rondcirkelen buitengewoon gevaarlijk wordt. Tenzing moest dus via de Khumbu-ijsval, een van de steilste en meest verraderlijke stukken van de Mount Everest, meer dan negenhonderd meter naar beneden worden gedragen naar het basiskamp. Het zou nog een hele heksentoer worden om Tenzing levend beneden te krijgen.
Rob was altijd zeer bezorgd over het welzijn van de sherpa’s die voor hem werkten. Voordat onze groep Kathmandu verliet, had hij ons allen rond de tafel verzameld en daarna had hij ons een ongebruikelijk strenge preek gegeven met als thema dat we het sherpa-personeel met respect en dankbaarheid moesten bejegenen. ‘De sherpa’s die we aangesteld hebben zijn de beste die er zijn,’ sprak hij. ‘Ze werken ongelooflijk hard voor wat naar westerse maatstaven heel weinig geld is. Ik wil jullie er allemaal aan herinneren dat we on-mo-ge-lijk de top van de Mount Everest zullen bereiken zonder hun hulp. Ik herhaal: zonder de hulp van onze, sherpa’s zou niemand de Mount Everest kunnen beklimmen.’
In een daaropvolgend gesprek vertelde Rob dat hij in de afgelopen jaren kritiek had gehad op sommige expeditieleiders die onzorgvuldig omgingen met hun sherpa-personeel. In 1995 was een jonge sherpa omgekomen op de Mount Everest. Hall speculeerde dat het ongeluk mogelijk was gebeurd omdat de sherpa ‘hoog in de bergen had mogen klimmen zonder goede training. Ik vind dat degenen die deze expedities leiden de verantwoordelijkheid dragen om dit soort dingen te voorkomen.’
Vorig jaar had een Amerikaanse expeditie de sherpa Kami Rita aangesteld als koksjongen. Hij was 21 of 22 jaar, sterk en ambitieus en lobbyde flink om mee de bergen in te mogen gaan als klimmer. Kami’s enthousiasme en toewijding werden beloond en enkele weken later ging zijn wens in vervulling, ondanks het feit dat hij geen klimervaring had en geen enkele training had gehad in de juiste technieken.
Van 6706 meter tot 7620 meter loopt de standaardroute via een loodrechte, verraderlijke ijswand die bekend staat als de Lhotse-wand. Als veiligheidsmaatregel wordt de wand bij een expeditie altijd van beneden naar boven beveiligd met een aantal touwen en worden klimmers geacht zichzelf te beschermen door een kort veiligheidstouw hieraan te bevestigen als ze omhoogklimmen. De jonge, onervaren Kami vond het in zijn overmoed niet nodig zichzelf aan het touw vast te haken. Op een middag toen hij met een vracht in de ijswand van de Lhotse omhoogklom, verloor hij zijn houvast op de keiharde ijslaag en viel meer dan zeshonderd meter omlaag naar de voet van de wand.
Mijn teamgenoot Frank Fischbeck was van het begin tot het eind getuige geweest van het voorval. In 1995 probeerde hij voor de derde keer de top van de Mount Everest te bereiken als cliënt van het Amerikaanse bedrijf dat Kami had ingehuurd. Frank klom langs de touwen omhoog boven aan de ijswand van de Lhotse, vertelde hij met droevige stem, ‘toen ik omhoogkeek en iemand van bovenaf zag vallen, wentelend in de lucht. Hij gilde terwijl hij langs me viel en liet een spoor van bloed achter zich.’
Sommige klimmers haastten zich naar de plek waar Kami was neergekomen, maar hij was al bezweken aan de ernstige verwondingen die hij tijdens zijn val had opgelopen. Zijn lichaam werd naar het basiskamp gebracht, waar zijn vrienden hem maaltijden kwamen brengen om zijn lichaam nog drie dagen te voeden, volgens de boeddhistische traditie. Daarna werd hij naar een dorpje vlak bij Tengboche gebracht en gecremeerd. Toen het lichaam door de vlammen werd verteerd, huilde zijn moeder hartverscheurend en stootte tegen haar hoofd met een scherp stuk steen.
Robs gedachten waren vooral bij Kami, die vroege ochtend van de achtste april, toen hij en Mike zich naar het basiskamp haastten om te proberen Tenzing levend van de Mount Everest af te krijgen.♦