8 april 1996, 4940 meter
Toen we door de hoog oprijzende ijspieken van Phaniom Attey trokken, kwamen we de met rotsblokken bezaaide vallei binnen op het laagste punt van wat wel een reusachtig amfitheater leek (…) Hier maakte de ljsval een scherpe bocht om verder in zuidelijke richting te stromen als de Khumbu-gietsjer. Op 5425 meter richtten we ons basiskamp in op de zij-morene die de buitenkant van de bocht vormde. Enorme rotsblokken gaven de plek een sfeer van bestendigheid, maar het rollende puin waar we op liepen zette deze misvatting recht. Alles wat we konden zien, voelen en horen – van ijsval, morene, lawine, kou – hoorde bij een wereld die niet bedoeld was voor bewoning door mensen. Er stroomde geen water, er groeide niets – er was slechts vernietiging en verval…Dit zou ons thuis worden in de komende maanden, totdat we de berg beklommen hadden.
Thomas F. Hombein – Everest: The West Ridge
Op 8 april, net toen het donker werd, kwam er een krakend geluid uit Andy’s draagbare radio, buiten de hut in Lobuje. Het was Rob die zich vanuit het basiskamp meldde, en hij had goed nieuws. Een team van 35 sherpa’s van verschillende expedities was er de hele dag mee bezig geweest, maar ze hadden Tenzing naar beneden gekregen. Ze hadden hem op een aluminium ladder vastgebonden en omlaag gesjouwd, getrokken en gesleept door de IJsval, en nu rustte hij in het basiskamp uit van zijn beproevingen. Als het weer goed bleef, zou er bij zonsopgang een helikopter komen om hem naar een ziekenhuis in Kathmandu te brengen. Rob was hoorbaar opgelucht, en gaf ons het startsein om de volgende ochtend Lobuje te verlaten en ook naar het basiskamp te komen.
Wij, de cliënten, waren ook enorm opgelucht dat Tenzing ongedeerd was. En we waren niet minder opgewekt dat we uit de smeerboel van Lobuje weg konden. John en Lou hadden de een of andere venijnige aandoening aan hun ingewanden opgelopen. Helen, die ons basiskamp runde, had een barstende hoofdpijn, die niet wegging. En mijn hoest was aanzienlijk erger geworden na de tweede nacht in de rokerige hut. Deze derde nacht in het dorp besloot ik de schadelijke dampen dan ook te ontvluchten en in de tent te gaan slapen die buiten was opgezet en was achtergelaten door Rob en Mike toen ze naar het basiskamp gingen. Andy besloot bij mij in te trekken. Om 2.00 uur werd ik wakker toen hij ineens naast mij rechtop ging zitten en begon te kreunen. ‘Yo, Harold,’ vroeg ik vanuit mijn slaapzak, ‘alles goed?’
‘Ik weet het eigenlijk niet. Ik heb kennelijk iets verkeerds gegeten en dat ligt me niet lekker op de maag.’ Even later klauwde Andy wanhopig de rits van de tent open en hij had nog maar net zijn hoofd en bovenlijf door de opening gestoken of hij begon over te geven. Toen het kokhalzen minder werd, zat hij enige minuten op handen en knieën, half uit de tent. Opeens sprong hij op, sprintte een paar meter weg, rukte zijn broek naar beneden en gaf zich over aan een luidruchtige aanval van diarree. Hij bracht de rest van de nacht in de kou door, krachtig de inhoud van zijn maag-darmkanaal ledigend.
‘s Ochtends was Andy zwak, hij had veel vocht verloren en bibberde vreselijk. Helen stelde voor dat hij in Lobuje zou blijven om op krachten te komen, maar Andy weigerde. ‘Geen haar op mijn hoofd die eraan denkt om nog een nacht in deze dump door te brengen,’ zei hij, grimassen makend met zijn hoofd tussen zijn knieën. ‘Ik ga vandaag met jullie naar het basiskamp. Al moet ik er verdomme naar toe kruipen.’
Om 9.00 uur hadden we gepakt en waren we onderweg. Terwijl de rest van de groep energiek het pad volgde, liepen Helen en ik achteraan met Andy, die zich enorm moest inspannen om de ene voet voor de andere te zetten. Telkens stopte hij, boog zich over zijn skistokken om enkele minuten op adem te komen en energie te verzamelen om de tocht te hervatten.
De route steeg en daalde enkele kilometers langs de losse rotsblokken van de zij-morene van de Khumbu-gletsjer, om tenslotte af te dalen naar de gletsjer zelf. Puin, grove kiezelstenen en rotsblokken van graniet bedekten grote gedeelten van het ijs, maar zo nu en dan liep de route over een stuk kale gletsjer – een doorschijnend, bevroren materiaal dat glinsterde als gepolijst onyx. Smeltwater stroomde bruisend door talrijke boven- en ondergrondse kanaaltjes en creëerde een spookachtig rommelende melodie die door de gehele gletsjer weerklonk.
Halverwege de middag bereikten we een bizarre rij alleenstaande ijspieken, waarvan de grootste, die bijna 30 meter hoog was, Phantom Alley heette. De turkooiskleurige torens, gevormd door de hitte van de zonnestralen, verrezen als reusachtige haaientanden uit het omliggende puin, zo ver als je kon kijken. Helen – die deze tocht al meerdere malen gemaakt had – kondigde aan dat we onze bestemming bijna hadden bereikt.
Nog een paar kilometer verder maakte de gletsjer een scherpe bocht naar het oosten, we zwoegden naar de top van een lange helling en voor ons zagen we een bonte verzameling nylon koepeltentjes. Meer dan driehonderd tenten, waarin evenzoveel klimmers en sherpa’s van veertien expedities, stonden verspreid op het met rotsblokken bezaaide ijs. Het duurde twintig minuten voordat we ons kamp hadden gevonden tussen de her en der verspreide groepjes tenten. Toen we de laatste helling beklommen, kwam Rob ons begroeten. ‘Welkom in basiskamp Everest,’ grijnsde hij. De hoogtemeter op mijn horloge wees 5360 meter aan.¬
Het geïmproviseerde dorpje dat de komende zes weken ons thuis zou zijn, lag aan het hoofdeind van een natuurlijk amfitheater omlijnd door afschrikwekkende bergwanden. De steile wanden boven het kamp waren bekleed met hangende gletsjers, waarvan immense ijslawines afkalfden die op alle uren van de dag of nacht naar beneden donderden. Een halve kilometer naar het oosten, precies tussen de Nuptse-wand en de Westschouder van de Everest, stroomde de Khumbu-ijsval in een chaos van bevroren brokken door een nauwe kloof. Het amfitheater had zijn opening op het zuidwesten, dus er was veel zon; op heldere middagen zonder wind was het warm genoeg om buiten in een T-shirt te zitten. Maar als de zon achter de top van de Pumori – een top van 7165 meter direct ten westen van het basiskamp – verdween, daalde de temperatuur tot onder het vriespunt. Als ik ‘s avonds terug naar mijn tent liep, werd ik begeleid door kraak- en knarsgeluiden die me eraan herinnerden dat ik op een bewegende rivier van ijs lag.
In schril contrast met de ruigheid van onze omgeving stonden de ontelbare geneugten des levens die het Adventure Consultants-kamp ons bood, het tehuis voor veertien westerlingen – de sherpa’s noemden ons allemaal ‘members’ of ‘sahibs’ – en veertien sherpa’s. Onze etenstent, een soort grot van canvas, was uitgerust met een enorme stenen tafel, een stereotoren, een bibliotheek en elektrische lampen op zonne-energie; in een aangrenzende communicatietent was een satelliettelefoon en een fax ondergebracht. Er was een geïmproviseerde douche met een rubber slang en een emmer gevuld met water, dat verwarmd werd door het keukenpersoneel. Vers brood en groenten werden om de paar dagen aangevoerd op de ruggen van yaks. Elke morgen kwamen Chhongba en zijn keukenhulp alle cliënten kokendhete mokken sherpathee brengen in onze slaapzakken; hiermee zetten zij een traditie voort uit het tijdperk van de Raj, ingesteld door de expedities van vroeger.
Ik had veel verhalen gehoord over hoe de Everest in een vuilnishoop was veranderd door de steeds toenemende hordes bergbeklimmers, en de commerciële expedities werden als de hoofdschuldigen beschouwd. Hoewel het basiskamp in de jaren zeventig en tachtig inderdaad een grote vuilnishoop was geweest, was het in de afgelopen jaren een tamelijk schone plek geworden – zeker de schoonste menselijke nederzetting die ik had gezien sinds we Namche Bazaar hadden verlaten. En de schoonmaak was in feite grotendeels te danken aan de commerciële expedities.
Omdat de gidsen jaar in jaar uit cliënten naar de Everest brachten, hadden ze hier een belang bij dat bezoekers die slechts voor één keer kwamen niet hadden. Als onderdeel van hun expeditie in 1990 leidden Rob Hall en Gary Ball een actie waarbij vijf ton vuilnis van het basiskamp werd verwijderd. Hall en een aantal van zijn collega-gidsen begonnen ook met de regering in Kathmandu te overleggen over beleidsmaatregelen die de bergbeklimmers moesten stimuleren de berg schoon te houden. Vanaf 1996 moesten expedities, naast het bedrag voor de vergunning, een borg van 4000 dollar storten die pas werd terugbetaald als een van tevoren bepaalde hoeveelheid vuilnis weer mee teruggenomen werd naar Namche en Kathmandu. Zelfs de vaten waarin de ontlasting uit onze toiletten werd opgeslagen, moesten worden verwijderd en weggedragen.
Het basiskamp was zo druk als een mierenhoop. De groep tenten van Halls Adventure Consultante fungeerde in zekere zin als de zetel van de regering voor het gehele basiskamp, omdat niemand op de berg meer respect afdwong dan Hall. Als er een probleem was – een arbeidsconflict met de sherpa’s, een medisch noodgeval, een moeilijke strategische beslissing wat betreft het klimmen – kwamen mensen naar onze etenstent om Hall advies te vragen. En hij liet iedereen delen in de wijsheid die hij vergaard had, ook de rivalen die met hem concurreerden om cliënten, met name Scott Fischer.
In 1995 had Fischer al met succes gegidst op een ‘achtduizender’*, de 8047 meter hoge Broad Peak in de Karakoram in Pakistan.
≡ Er zijn veertien van zulke ‘achtduizenders’: bergen die zich meer dan achtduizend meter boven de zeespiegel verheffen. Hoewel het een enigszins willekeurige grens is, hebben beklimmingen van bergtoppen van achtduizend meter onder bergbeklimmers altijd een speciaal prestige. De eerste persoon die al deze veertien toppen beklom, was Reinhold Messner, in 1986. Tot nu toe hebben slechts vier andere klimmers deze prestatie geëvenaard.
Hij had ook vier keer een poging gedaan om de Everest te beklimmen en bereikte eenmaal de top, in 1994, maar niet als gids. In het voorjaar van 1996 bracht hij zijn eerste bezoek aan de berg als leider van een commerciële expeditie; evenals Hall had Fischer acht cliënten in zijn groep. Zijn kamp, getooid met een reusachtig reclamespandoek van Starbucks Coffee dat was opgehangen aan een blok graniet zo groot als een huis, lag op vijf minuten wandelen van ons kamp.
De mannen en vrouwen die het tot hun carrière maken de hoogste bergtoppen in de wereld te beklimmen, vormen een kleine, vaste club. Fischer en Hall waren elkaars concurrenten in zaken, maar als vooraanstaande leden van de broederschap op grote hoogte kwamen zij elkaar vaak tegen, en in zekere zin beschouwden zij elkaar als vrienden. Fischer en Hall hadden elkaar in de jaren tachtig ontmoet in de Russische Pamir, en zij hadden vervolgens in 1989 en 1994 geruime tijd in elkaars aanwezigheid doorgebracht op de Everest. Ze hadden vaste plannen om samen te proberen de Manaslu te bedwingen – een moeilijke bergtop van 8163 meter in centraal Nepal – onmiddellijk nadat zij hun cliënten in 1996 naar de top van de Everest begeleid zouden hebben.
De band tussen Fischer en Hall was in 1992 verstevigd toen zij elkaar waren tegengekomen op de K2, de op één na hoogste berg van de wereld. Hall probeerde de top te bedwingen met zijn companero en zakenpartner, Gary Ball; Fischer klom met de Amerikaanse topklimmer Ed Viesturs. Op weg naar beneden van de top kwamen Fischer, Viesturs en een derde Amerikaan, Charlie Mace, Hall tegen in een hevige storm terwijl hij een bijna bewusteloze Ball voortzeulde, die geveld was door een levensbedreigende aanval van hoogteziekte en zich op eigen kracht niet meer kon bewegen.
Fischer, Viesturs en Mace hielpen Ball in de sneeuwstorm naar beneden te slepen over de lager gelegen hellingen van de berg, waar vaak lawines voorkwamen, en zij redden zijn leven. (Een jaar later zou Ball op de hellingen van Dhaulagiri overlijden aan een soortgelijke ziekte.)
Fischer was een rijzige veertiger met een blond staartje, een gezelligheidsmens met een overvloed aan manische energie. Als schooljongen van veertien in Basking Ridge, New Jersey, keek hij eens toevallig naar een televisieprogramma over bergbeklimmen en was verkocht. De volgende zomer reisde hij naar Wyoming en gaf zich op voor een Outward Bound-achtig overlevingskamp dat werd georganiseerd door de National Outdoor Leadership School (NOLS). Nadat hij was geslaagd voor zijn highschoolexamen verhuisde hij voorgoed naar het westen en vond een seizoensbaan als NOLS-instructeur. Bergbeklimmen was waar zijn leven om draaide, en hij dacht nooit meer aan iets anders.
Toen Fischer achttien was en bij NOLS werkte, werd hij verliefd op Jean Price, een studente in zijn cursus. Zij trouwden zeven jaar later, vestigden zich in Seattle en kregen twee kinderen. Andy en Katie Rosé waren respectievelijk negen en vijf toen Scott in 1996 naar de Everest ging. Jean Price behaalde haar brevet voor de burgerluchtvaart en werd gezagvoerder bij Alaska Airlines – een prestigieuze en goedbetaalde baan, waardoor Fischer fulltime kon klimmen. Haar inkomen gaf Fischer in 1984 ook de kans Mountain Madness te beginnen.
Als de naam van Halls bedrijf, Adventure Consultants, zijn systematische, kritische benadering van het klimmen weerspiegelde, was Mountain Madness een nog rakere typering van de persoonlijke stijl van Scott. Als jonge man van begin twintig had hij al een reputatie opgebouwd als een klimmer die risico’s nam en geen angst kende. Tijdens zijn carrière als bergbeklimmer, maar vooral gedurende die eerste jaren, overleefde hij een aantal angstwekkende ongelukken, waardoor hij eigenlijk al dood had moeten zijn.
Bij ten minste twee beklimmingen – één keer in Wyoming, een andere keer in Yosemite – viel hij van een hoogte van ruim 25 meter naar beneden. Toen hij als beginnend instructeur op een NOLS-cursus in de Wild River Range werkte, viel hij, zonder touw, twintig meter naar de bodem van een crevasse in de Dinwoody Glacier. Zijn misschien wel meest notoire val vond echter plaats toen hij een beginneling in het ijsklimmen was: ondanks zijn gebrek aan ervaring had Fischer besloten zijn begeerde eerste beklimming van een moeilijke bevroren waterval, de Bridal Veil Falls in de Provo Canyon in Utah, door te zetten. Toen Fischer probeerde twee geroutineerde klimmers te snel af te zijn op de ijshelling, verloor hij op 31 meter hoogte zijn houvast en stortte naar beneden.
Tot verbazing van hen die getuige waren van het incident stond hij zelf op en liep weg met betrekkelijk lichte verwondingen. Tijdens zijn lange val naar de grond doorboorde de pijpvormige doorn van zijn ijshouweel echter zijn kuit en kwam er aan de andere kant weer uit. Toen hij de holle piek eruit trok nam hij wat van het binnenste spierweefsel mee en bleef er een gat in zijn been achter, groot genoeg om een potlood in te steken. Fischer zag geen reden zijn beperkte hoeveelheid geld aan een medische behandeling van zo’n kleine verwonding te besteden, dus klom hij de volgende zes maanden met een open, etterende wond. Vijftien jaar later liet hij me trots de blijvende littekens zien die veroorzaakt waren door die val: een tweetal glimmende littekens ter grootte van een dubbeltje aan weerszijden van zijn achillespees.
‘Scott probeerde steeds weer zijn lichamelijke beperkingen te overstijgen,’ herinnert Don Peterson zich, een beroemde Amerikaanse bergbeklimmer die hem kort na zijn val van Bridal Veil Falls ontmoette. Peterson werd een soort mentor voor Fischer en klom de volgende twintig jaar regelmatig met hem. ‘Zijn wilskracht was verbazingwekkend. Het maakte niet uit hoeveel pijn hij moest doorstaan – hij negeerde het en ging door. Hij was niet het soort man dat terug zou gaan omdat hij pijn in zijn voet had.
Scott had de vurige ambitie een beroemd bergbeklimmer te worden, een van de besten van de wereld te zijn. Ik herinner me dat ze op het hoofdkantoor van NOLS een soort fitnessruimte hadden. Scott ging naar die ruimte en oefende dan zo hard dat hij moest overgeven. Dat deed hij regelmatig. Je komt niet veel mensen tegen die zo bezeten zijn van het klimmen.’
Mensen voelden zich al snel tot Fischer aangetrokken vanwege zijn energie, zijn onbekrompenheid, zijn eerlijkheid en zijn bijna kinderlijke enthousiasme. Ruig en emotioneel, afkerig van zelfbespiegeling, had hij de soort sociale, onweerstaanbare persoonlijkheid waardoor hij op slag vrienden voor het leven maakte; honderden – waaronder mensen die hij slechts één of twee keer had ontmoet – beschouwden hem als hun boezemvriend. Hij was ook uitzonderlijk knap, met het lichaam van een bodybuilder en de scherpe gelaatstrekken van een filmster. Onder hen die zich tot hem aangetrokken voelden waren veel leden van het andere geslacht, en hij was niet ongevoelig voor hun aandacht.
Fischer was een man van buitensporige lusten, hij rookte veel marihuana (echter niet tijdens het werken) en dronk meer dan gezond was. Een achterkamer in het kantoor van Mountain Madness functioneerde als een soort geheim clubhuis voor Scott: nadat hij zijn kinderen naar bed gebracht had vond hij het fijn om daar met zijn vrienden rond te hangen, de hasjpijp rond te laten gaan en naar dia’s te kijken van hun prestaties in de bergen. In de jaren tachtig maakte Fischer een aantal indrukwekkende beklimmingen waardoor hij een soort plaatselijke beroemdheid werd, maar beroemd in de wereldwijde gemeenschap van de klimmers werd hij niet. Ondanks verwoede pogingen slaagde hij er niet in de winstgevende commerciële sponsoring te bemachtigen van het soort dat sommigen van zijn beroemdere collega’s genoten. Hij maakte zich zorgen dat sommigen van deze topklimmers hem niet respecteerden.
‘Erkenning was belangrijk voor Scott,’ zegt Jane Bromet, zijn publiciteitsagente, vertrouwelinge en vaak klimpartner, die de Mountain Madness-expeditie naar het basiskamp begeleidde om Internet-rapporten door te seinen voor Outside Online. ‘Hij hunkerde ernaar. Hij had een kwetsbare kant die de meeste mensen niet zagen; het irriteerde hem werkelijk dat hij slechts gerespecteerd werd als een allesdurver. Hij voelde zich gekleineerd, en dat deed pijn.’
Tegen de tijd dat Fischer in de lente van 1996 naar Nepal vertrok had hij eindelijk de erkenning gekregen waarop hij recht dacht te hebben. Veel van deze erkenning kwam als nasleep van zijn beklimming van de Everest in 1994, volbracht zonder extra zuurstof. Tijdens de zogenaamde Sagarmatha Environmental Expedition verwijderde het team van Fischer meer dan tweeduizend kilo vuilnis van de berg, wat erg goed was voor het milieu en zelfs nog beter bleek te zijn voor zijn public relations. In januari 1996 leidde Fischer een beklimming van de Kilimanjaro, de hoogste berg van Afrika, waaraan veel publiciteit werd gegeven omdat er een inzamelingsactie aan verbonden was die een half miljoen dollar bijeenbracht voor de liefdadigheidsinstelling CARE. Hij verscheen nu vaak in de nieuwsmedia van Seattle en zijn carrière als bergbeklimmer nam een hoge vlucht.
Journalisten vroegen Fischer onvermijdelijk naar de risico’s verbonden aan zijn stijl van bergbeklimmen en hoe hij die kon verenigen met zijn leven als echtgenoot en vader. Fischer antwoordde dat hij nu veel minder risico nam dan in zijn roekeloze jeugd – dat hij veel voorzichtiger en serieuzer was geworden als bergbeklimmer. Kort voordat hij in 1996 naar de Everest vertrok zei hij tegen Bruce Barcott, een schrijver uit Seattle: ‘Ik ben er honderd procent zeker van dat ik terugkom (…) Mijn vrouw is er honderd procent zeker van dat ik terugkom. Ze maakt zich helemaal geen zorgen wanneer ik als gids werk, omdat ik altijd de juiste beslissingen neem. Als er ongelukken gebeuren, zijn het altijd menselijke fouten, denk ik. Dat is dus wat ik wil uitsluiten. In mijn jeugd heb ik veel ongelukken meegemaakt. Je bedenkt allerlei redenen, maar uiteindelijk zijn het menselijke fouten.’
Ondanks Fischers beweringen was zijn carrière als bergbeklimmer moeilijk voor zijn gezin. Hij was gek op zijn kinderen en als hij in Seattle was, was hij een buitengewoon zorgzame vader, maar door het bergbeklimmen was hij vaak maanden achtereen van huis. Bij zeven van de negen verjaardagen van zijn zoon was hij afwezig. Zijn vrienden zeiden dat er in feite spanningen in het huwelijk van Fischer waren toen hij in 1996 naar de Everest vertrok, een situatie die verergerd werd doordat hij financieel afhankelijk was van zijn vrouw.
Zoals veel van zijn concurrenten was Mountain Madness fiscaal een onbeduidende onderneming en dat was al zo vanaf het begin: in 1995 verdiende Fischer slechts 12.000 dollar. Maar uiteindelijk zag het er allemaal veelbelovend uit, dankzij Fischers toegenomen bekendheid en door de inspanningen van Karen Diclónson, zijn zakenpartner en kantoormanager. Haar organisatorische vaardigheden en evenwichtigheid compenseerden Fischers intuïtieve ‘wat zal ik me zorgen maken’ modus operandi. Toen Fischer kennisnam van Rob Halls succes in het gidsen op de Everest – en de hoge bedragen die hij als gevolg daarvan kon vragen – besloot hij dat het ook voor hem rijd werd zich op de Everest-markt te begeven. Als hij in Halls voetspoor kon treden zou Mountain Madness snel winstgevend worden.
Het geld zelf scheen niet erg belangrijk te zijn voor Fischer. Hij gaf weinig om materiële zaken, maar hij hunkerde naar respect – van zijn gezin, zijn collega’s, de maatschappij in het algemeen – en hij wist dat in onze cultuur geld het belangrijkste criterium van succes is.
Een paar weken nadat Fischer in 1994 zegevierend van de Everest terugkeerde, ontmoette ik hem in Seattle. Ik kende hem niet goed, maar we hadden een aantal gemeenschappelijke vrienden en kwamen elkaar vaak tegen op de steile rotsen of op feestjes van bergbeklimmers.
Bij deze gelegenheid schoot hij me aan om te praten over de begeleide Everest-expeditie die hij aan het voorbereiden was. Ik moest ook meegaan, zei hij, ik zou een artikel voor Outside kunnen schrijven over de beklimming. Toen ik antwoordde dat het voor iemand met mijn beperkte ervaring op grote hoogten idioot zou zijn om te proberen de Everest te beklimmen, zei hij: ‘Kom op, ervaring wordt overschat. Het is niet de hoogte die belangrijk is, het is je houding, man. Jij kan het best. Je hebt een aantal misselijkmakende beklimmingen gedaan – bergen die veel moeilijker waren dan de Everest. De grote E heeft helemaal geen geheimen meer voor ons, we hebben het helemaal voor elkaar. Ik zeg je, vandaag of morgen lopen we zo naar de top.’
Scott had mijn belangstelling gewekt – meer zelfs dan hij zich waarschijnlijk realiseerde – en hij bleef aanhouden. Elke keer als hij me zag praatte hij over de Everest en hij hield herhaaldelijk zware discussies over het idee met Brad Wetzler, een redacteur van Outside. Tegen januari 1996 nam het tijdschrift de definitieve beslissing me naar de Everest te sturen, grotendeels dankzij Fischers verwoede lobbyen. Waarschijnlijk, gaf Wetzler aan, zou ik gaan als lid van Fischers expeditie. Volgens Scott was alles in kannen en kruiken.
Een maand voor mijn geplande vertrek kreeg ik echter een telefoontje van Wetzler, die zei dat de plannen veranderd waren: Rob Hall had het tijdschrift een aanmerkelijk beter aanbod gedaan. Wetzler stelde dus voor dat ik met de Adventure Consultants zou meegaan in plaats van met Fischers expeditie. Ik kende Fischer en vond hem aardig en ik wist toen niet veel over Hall, daarom reageerde ik in eerste instantie terughoudend. Maar nadat een goede klimpartner Halls betrouwbare reputatie had bevestigd, stemde ik enthousiast toe om met Adventure Consultants naar de Everest te gaan.
Op een middag in het basiskamp vroeg ik Hall waarom hij mij zo graag mee wilde hebben. Hij verklaarde openhartig dat hij eigenlijk niet speciaal in mij geïnteresseerd was, of zelfs in de publiciteit die mijn artikel naar hij hoopte zou geven. De premie lag voor hem in de kostbare reclame die zijn deal met Outside hem zou opleveren.
Hall vertelde me dat hij volgens de voorwaarden van de overeenkomst akkoord was gegaan met slechts tienduizend dollar van zijn normale salaris in cash; het restant zou uitbetaald worden in de vorm van dure advertentieruimte in het tijdschrift, dat zich richtte op een avontuurlijk, lichamelijk actief publiek uit de betere kringen – de kern van zijn eigen cliëntenbestand. En bovendien, zei Hall: ‘Het is een Amerikaans publiek. Tachtig of negentig procent van de potentiële markt voor begeleide expedities naar de Everest en de andere Zeven Toppen zit in de Verenigde Staten. Na dit seizoen, als mijn maat Scott zich als gids op de Everest heeft bewezen, zal hij een groot voordeel hebben ten opzichte van Adventure Consultants, eenvoudigweg omdat hij vanuit Amerika opereert. Als we met hem willen concurreren zullen we onze reclame daar belangrijk moeten opvoeren.’
Toen Fischer er in januari achter kwam dat Hall mij uit zijn team had gelokt, was hij behoorlijk kwaad. Hij belde mij uit Colorado, ik had hem nog nooit zo verstoord meegemaakt, en hield vol dat hij niet van plan was Hall de overwinning te gunnen. (Net als Hall deed Fischer geen moeite te verbergen dat hij niet in mij geïnteresseerd was, maar in de bijkomende publiciteit en reclame.) Uiteindelijk was hij echter niet genegen Halls aanbod aan het tijdschrift te evenaren.
Toen ik in het basiskamp aankwam als lid van de Adventure Consultants-groep, en niet van Fischers Mountain Madness-expeditie, bleek Scott geen wrok te koesteren. Toen ik naar zijn kamp ging om hem op te zoeken schonk hij mij een mok koffie in, sloeg zijn arm om me heen en leek echt blij me te zien.¬
Ondanks de vele verworvenheden van de moderne beschaving waarmee we in het basiskamp omringd waren, konden we niet vergeten dat we ons bijna vijf kilometer boven de zeespiegel bevonden. Als ik voor de maaltijd naar de etenstent liep moest ik enige minuten op adem komen. Als ik te snel opstond duizelde het in mijn hoofd. De zware, schorre hoest die ik had opgelopen in Lobuje werd met de dag erger. Ik kon moeilijk slapen, een veelvoorkomend symptoom van een lichte vorm van hoogteziekte. ‘s Nachts werd ik meestal drie of vier keer snakkend naar adem wakker, alsof ik stikte. Sneetjes en schaafwonden genazen niet meer. Mijn eetlust verdween en mijn spijsverteringsstelsel, dat voldoende zuurstof nodig had om voedsel te verteren, haalde nog maar weinig uit hetgene dat ik mezelf dwong te eten; in plaats daarvan begon mijn lichaam weg te kwijnen. Mijn armen en benen begonnen langzamerhand weg te teren tot ze broodmager waren.
Sommigen van mijn teamgenoten waren er in de ijle lucht en de onhygiënische omgeving nog slechter aan toe dan ik. Andy, Mike, Caroline, Lou, Stuart en John hadden last van krampen in hun ingewanden waardoor ze steeds naar de latrine moesten rennen. Helen en Doug hadden last van zware hoofdpijnen. Doug gaf mij de volgende beschrijving: ‘Het is een gevoel alsof iemand een spijker tussen mijn ogen heeft geslagen.’
Dit was de tweede poging van Doug om met Hall de Everest te beklimmen. Het jaar ervoor had Rob hem en drie andere cliënten honderd meter onder de top gedwongen terug te keren, omdat het te laat was en de top-graat onder een dikke laag onstabiele sneeuw was bedolven. ‘De top leek zóóó dichtbij,’ herinnerde Doug zich met een zuur lachje. ‘Geloof me, sindsdien is er geen dag voorbij gegaan of ik heb eraan gedacht.’ Hij was door Hall overgehaald dit jaar terug te keren. Deze vond het jammer dat Hansen de top niet had bereikt en hij had hem een belangrijke korting op de deelnamesom gegeven om hem over te halen het nog eens te proberen.
Van mijn collega-cliënten was Doug de enige die veel geklommen had zonder zich te verlaten op een professionele gids; hoewel geen elite-bergbeklimmer, was hij met zijn vijftien jaar ervaring volledig in staat voor zichzelf te zorgen in de bergen. Als iemand van onze expeditie de top zou bereiken, nam ik aan dat het Doug zou zijn: hij was sterk, hij was gedreven en hij was al eens hoog op de Everest geweest.
Doug, die binnen twee maanden 47 zou worden en al zeventien jaar was gescheiden, vertrouwde me toe dat hij relaties had gehad met een reeks vrouwen, die hem uiteindelijk allemaal verlieten omdat ze er genoeg van kregen dat de bergen zo ontzettend belangrijk voor hem waren. Een paar weken voordat hij in 1996 naar de Everest vertrok, had Doug weer een vrouw ontmoet toen hij op bezoek was bij een vriend in Tucson, en ze waren verliefd op elkaar geworden. Een tijdje stuurden ze elkaar bij vlagen faxen en toen gingen er een aantal dagen voorbij waarin Doug niets van haar hoorde. ‘Ik denk dat ze eieren voor haar geld heeft gekozen,’ zuchtte hij vertwijfeld.’ En ze was nog echt leuk ook. Ik dacht nog zo dat zij een blijvertje was.’
Later in de middag kwam hij wapperend met een nieuwe fax naar mijn tent. ‘Karen Marie zegt dat ze in de buurt van Seattle komt wonen!’ flapte hij er opgetogen uit. ‘Wauw! Dit kan serieus worden. Ik moet nu echt de top halen en afrekenen met de Everest voordat ze van gedachten verandert.’
Behalve corresponderen met de nieuwe vrouw in zijn leven, vulde Doug zijn uren in het basiskamp met het schrijven van talrijke kaarten naar de leerlingen van de Sunrise Elementary School in Kent, Washington, die T-shirts hadden verkocht om geld bij elkaar te brengen voor zijn beklimming. Hij liet me een aantal van de kaarten zien: ‘Sommige mensen hebben grote dromen, sommige mensen hebben kleine dromen,’ schreef hij naar een meisje dat Vanessa heette. ‘Wat je ook voor dromen hebt, het gaat erom dat je nooit stopt met dromen.’
Doug bracht nog meer tijd door met het schrijven van faxen naar zijn twee volwassen kinderen – Angie, negentien, en Jamie, 27 – die hij als alleenstaande vader had grootgebracht. Hij sliep in de tent naast de mijne, en elke keer als er een fax kwam van Angie las hij mij die stralend voor. ‘Jezus,’ kondigde hij aan, ‘hoe is het mogelijk dat een mafketel zoals ik zo’n kind heeft grootgebracht?’
Ik schreef zelf weinig kaarten of faxen. In plaats daarvan bracht ik het grootste deel van mijn tijd in het basiskamp door met piekeren over hoe ik hoger op de berg zou presteren, vooral in de zogenaamde Zone des Doods boven de 7500 meter. Ik had aanzienlijk meer tijd afgelegd op technisch moeilijke rotsen en ijs dan de meeste andere cliënten en velen van de gidsen. Maar technische kennis telde nauwelijks op de Everest, en ik had minder tijd op grote hoogte doorgebracht dan vrijwel alle andere klimmers die hier aanwezig waren. Hier in het basiskamp – nog maar aan de voet van de Everest – bevond ik me zelfs al hoger dan ik ooit in mijn leven geweest was.
Hall scheen zich hierover niet ongerust te maken. Na zeven Everest-expedities, verklaarde hij, had hij een opmerkelijk effectief acclimatisatie-plan ontwikkeld dat ons de gelegenheid zou geven zo snel mogelijk gewend te raken aan de schaarsheid van zuurstof in de atmosfeer. (In het basiskamp was er ongeveer half zoveel zuurstof als op zeeniveau; op de top nog slechts een derde.) Als het menselijk lichaam geconfronteerd wordt met een stijging in hoogte past het zich op allerlei manieren aan: van een snellere ademhaling en het veranderen van de pH van het bloed, tot het verhogen van het aantal zuurstof transporterende rode bloedcellen – een omschakeling die weken kost voordat zij is voltooid.
Hall hield echter vol dat na slechts drie tochten boven het basiskamp, waarbij we elke keer zeshonderd meter hoger op de berg klommen, ons lichaam zich voldoende aan zou passen om een veilige doorgang naar de top op 8848 meter te maken. Tot nu toe is het 39 keer goed gegaan, vriend,’ verzekerde Hall me met een scheve grijns toen ik hem mijn twijfels opbiechtte. ‘En een paar van de jongens die met mij op de top hebben gestaan waren er bijna net zo ellendig aan toe als jij.’♦