10. Lhotse-wand

29 april 1996, 7130 meter

Het Amerikaanse publiek had geen diepgeworteld nationaal gevoel van sympathie voor het bergbeklimmen, in tegenstelling tot de Europeanen in het Alpengebied of de Britten, die de sport hadden uitgevonden. In die landen bestond zoiets als begrip, en hoewel de bergsport ook daar over het algemeen wel als een roekeloos spel met de dood werd gezien, vond de man in de straat het wel iets dat gedaan moest worden. Een dergelijke acceptatie had je niet in Amerika.

Walt Unsworth – Everest

Een dag nadat onze eerste poging kamp 3 te bereiken door de wind en de barbaarse koude was gestrand, waagde het hele team van Hall nog een poging (alleen Doug ging niet mee – hij bleef in kamp 2 om de kwetsuur aan zijn strottenhoofd te laten genezen). Ik was driehonderd hoogtemeters gevorderd op de immense Lhotse-wand en klom omhoog langs een versleten nylon touw waar maar geen einde aan leek te komen. En hoe hoger ik kwam, hoe trager ik bewoog. Ik schoof mijn jumar met een handschoen omhoog langs het vaste touw, steunde even op het apparaat en haalde twee keer heel diep in; vervolgens bewoog ik mijn linkervoet omhoog en sloeg de punten van het stijgijzer in het ijs, wanhopig snakkend naar nog twee schepjes lucht; ik plantte mijn rechtervoet naast mijn linker, ademde een paar keer zo diep mogelijk in en uit en schoofde jumar opnieuw omhoog. Ik was mezelf nu al drie uur lang aan het afmatten en verwachtte dat ik nog minstens een uur niet zou kunnen pauzeren. In deze martelgang klom ik naar een groep tenten die zich ergens daarboven op de helling moest bevinden. Centimeter voor centimeter kwam ik vooruit.

Mensen die geen bergen beklimmen – het overgrote deel van de mensheid dus – zijn geneigd te denken dat deze sport wordt ingegeven door een roekeloze, hedonistische zucht naar alsmaar meer opwinding. Maar het idee dat bergbeklimmers niet meer zijn dan een soort adrenalineverslaafden op zoek naar een welverdiende shot is een misvatting, zeker in het geval van de Everest. Wat ik daarboven deed, had maar heel weinig uit te staan met bungee-jumping of skydiving of motorrijden met een snelheid van tweehonderd kilometer per uur.

Boven het comfortabele basiskamp werd de expeditie in feite een bijna calvinistische onderneming. De ellende was in verhouding tot het plezier veel groter dan op welke andere berg dan ook waar ik was geweest; ik had al snel door dat het beklimmen van de Everest in de eerste plaats neerkomt op pijn lijden. En in het week in week uit ondergaan van al dat geploeter, die verveling en dat afzien viel mij op dat de meesten van ons waarschijnlijk bovenal op zoek waren naar iets als een toestand van genade.

Natuurlijk speelden voor sommige Everest-gangers ook talloze andere, minder nobele motieven een rol: dat beetje roem dat je ermee kon vergaren, of drijfveren als carrièrisme, egotripperij, ordinaire opschepperij en laag gewin. Maar dat soort onedele motieven waren minder in het spel dan sommige critici misschien denken. Sterker nog, wat ik in de loop van de weken waarnam, noodzaakte mij om mijn vooroordelen ten aanzien van sommige van mijn teamgenoten bijna volledig opzij te zetten.

Neem bijvoorbeeld Beck Weathers, op dat moment voor mij een klein rood stipje 150 meter lager op het ijs, aan het eind van een lange sliert klimmers. Mijn eerste indruk van Beck was niet gunstig geweest: een luidruchtige patholoog uit Dallas met minder dan matige klimkwaliteiten, die op het eerste gezicht overkwam als een rijke republikeinse lefgozer die de top van de Everest eventjes dacht te kunnen kopen voor zijn prijzenkast. Maar hoe beter ik hem leerde kennen, hoe meer respect ik voor hem kreeg. Ook al hadden zijn onbuigzame nieuwe laarzen gehakt gemaakt van zijn voeten, Beck strompelde verder omhoog, dag in dag uit, zonder een onvertogen woord over de vreselijke pijn die hij moet hebben gehad. Hij was onverzettelijk, gedreven, stoïcijns. En wat ik aanvankelijk zag als arrogantie begon steeds meer te lijken op geestdrift. Het leek wel of de man aan niemand in de wereld een hekel had (behalve dan aan Hillary Clinton). Zijn goede humeur en grenzeloze optimisme waren zo hartveroverend dat ik hem, of ik nu wilde of niet, heel aardig begon te vinden.

Als zoon van een luchtmachtofficier was Beck in zijn jeugd van de ene militaire basis naar de andere verkast totdat hij ging studeren in Wichita Falls. Hij haalde zijn titel in de medicijnen, trouwde en kreeg twee kinderen, en vestigde zich in een lucratieve praktijk in Dallas. In 1986, toen hij tegen de veertig liep, ging hij op vakantie in Colorado, hoorde de sirenenzang van de bergen en schreef zich in voor een basiscursus bergbeklimmen in het Rocky Mountain National Park.

Je ziet bij dokters wel vaker dat ze last hebben van chronische prestatiedrang; Beck was niet de eerste medicus die wild enthousiast werd van een nieuwe hobby. Maar bergbeklimmen was anders dan golf of tennis of al die andere vormen van vermaak waarmee zijn collega’s hun tijd verdreven. De fysieke en emotionele inspanningen die het van je vergt en de zeer reële gevaren die eraan zijn verbonden, maakten het tot meer dan alleen een spelletje. Bergbeklimmen was als het leven zelf, maar dan in een veel sterker contrast geplaatst, en nog nooit was Beck zo erg door iets in de ban geraakt. Zijn vrouw Peach zag met lede ogen toe hoe hij helemaal opging in zijn nieuwe hobby en steeds minder thuis was bij zijn gezin. Ze was dan ook helemaal niet blij toen Beck korte tijd na zijn kennismaking met de bergsport besloot de Zeven Toppen te gaan beklimmen.

Hoe egoïstisch en hoogdravend Becks obsessie ook mag zijn geweest, het was niet een of andere bevlieging van hem. Hij was er heel serieus mee bezig en die instelling begon ik ook steeds meer terug te zien bij Lou Kasischke, de advocaat uit Bloomfield Hills; bij Yasuko Namba, de stille Japanse die altijd noedels at als ontbijt; en bij John Taske, de 56-jarige anesthesioloog uit Brisbane, die met klimmen was begonnen nadat hij uit het leger was gestapt.

‘Toen ik uit het leger kwam liep ik eigenlijk maar een beetje verloren rond,’ weeklaagde Taske met een vet Australisch accent. Hij was een hoge pief geweest in het leger – een door de wol geverfde kolonel in de Special Air Service, de Australische tegenhanger van de Groene Baretten. Hij was twee keer in Vietnam gestationeerd geweest op het hoogtepunt van de oorlog en was helemaal niet voorbereid op het gezapige leven buiten het uniform. ‘Ik merkte dat ik niet echt goed met burgers kon praten,’ vervolgde hij. ‘Mijn huwelijk ging kapot. Alles wat ik voor me zag was één lange, donkere tunnel eindigend met lichamelijke gebreken, ouderdom en de dood. Toen ben ik begonnen met bergbeklimmen en daarin vond ik alles wat ik miste in de burgermaatschappij – de uitdaging, de kameraadschap, het gevoel een roeping te hebben.’

Naarmate mijn sympathie voor Taske, Weathers en enkele andere teamgenoten groeide, voelde ik mij steeds ongemakkelijker in mijn rol van journalist. Ik had geen moeite openhartig te schrijven over Hall, Fischer of Sandy Pittman, die jarenlang op agressieve wijze de aandacht van de media hadden gezocht. Maar mijn andere metgezellen, dat was een ander verhaal. Toen zij zich inschreven voor de expeditie van Hall, wisten zij geen van allen dat er een verslaggever in hun midden zou zijn – iemand die op de achtergrond alles zat neer te krabbelen wat hij hen hoorde zeggen en zag doen, met de intentie hun zwakke punten te onthullen aan een mogelijk onwelwillend publiek.

Na afloop van de expeditie werd Weathers geïnterviewd voor het televisieprogramma Turning Point. In een bepaald gedeelte van het interview dat later niet zou worden uitgezonden vroeg ABC News-crack Forrest Sawyer aan Beck: ‘Hoe vond je het dat er een verslaggever bij was?’ Beck antwoordde:

Het gaf een hoop extra stress. Ik zat er de hele tijd een beetje mee in mijn maag – weet je, die knaap gaat straks naar huis en schrijft een verhaal dat door een paar miljoen mensen wordt gelezen. Ik bedoel, het is al erg genoeg om naar boven te gaan en voor schut te staan als het alleen om jou en de klimmersgroep gaat. Dat iemand jou in een of ander tijdschrift zomaar kan neerzetten als een potsierlijke plas, werkt op de een of andere manier toch door in je geest; hoe doe je het, hoe hard trek je aan het touw? En ik was bang dat sommige mensen daardoor verder zouden gaan dan ze wilden. En dat gold ook voor de gidsen. Ik bedoel, zij zullen de mensen juist helemaal naar de top van de berg willen brengen, want er wordt over ze geschreven en ze worden op dat moment beoordeeld.

Even later vroeg Sawyer: ‘Kon je merken dat de aanwezigheid van een verslaggever extra druk legde op Rob Hall?’ Beck antwoordde daarop:

Ik kan me niet voorstellen dat het niet meespeelde. [Rob] moet hier zijn geld mee verdienen en als een van zijn klanten gewond raakt, is dat het ergste wat je als gids kan overkomen. (…) Hij had twee jaar daarvoor zonder meer een geweldig seizoen gehad waarin ze iedereen op de top hadden gekregen, een buitengewone prestatie. En volgens mij dacht hij dat onze groep sterk genoeg was om die prestatie te kunnen herhalen. (…) Dus ik denk dat er dan toch een bepaalde druk op je rust; als je dan in het nieuws, in dat tijdschrift komt te staan, dan wil je wel dat er positief over je geschreven wordt.

Het was al laat in de ochtend toen ik eindelijk kamp 3 binnenstrompelde: het drietal kleine, gele tenten halverwege de duizelingwekkende hoogte van de Lhotse-wand paste net op een platform dat in de met ijs bedekte helling was uitgehouwen door onze sherpa’s. Toen ik aankwam waren Lhakpa Chhiri en Arita nog hard bezig aan een platform voor een vierde tent, dus ik deed mijn rugzak af en hielp hen met hakken. We waren op 7300 meter en al na zeven, acht klappen met de ijsbijl kon ik niet meer en stond ik ruim een minuut lang naar adem te happen. Mijn bijdrage aan het werk was te verwaarlozen, dat zal duidelijk zijn, en we waren pas na ruim een uur klaar.

Ons minuscule kampje bevond zich op een spectaculair gelegen plek, een meter of dertig boven de tenten van de andere expedities. Wekenlang hadden we ons voortgesleept in wat nu een kloof bleek te zijn; voor het eerst tijdens de expeditie zagen we meer lucht dan aarde. Dikke wolkenpartijen schoten langs de zon en lieten een wisselend schouwspel van schaduw en oogverblindend licht over het landschap vallen. In afwachting van mijn teamgenoten liet ik mijn voeten over de afgrond bungelen, starend over de wolken en neerkijkend op de pieken van 6700 meter hoog, die een maand eerder nog boven ons uittorenden. Ten langen leste leek het alsof ik nu echt het dak van de wereld naderde.

Maar de top lag nog altijd zeker 1500 meter hoger, gehuld in een dichte nevel van door de harde wind meegevoerde condens. Maar zelfs al werd de berg aan de top geteisterd door windstoten met snelheden van 160 kilometer per uur, in kamp 3 bewoog de lucht amper en naarmate de middag vorderde begon ik me steeds lichter in het hoofd te voelen door de felle zonnestraling – ik hoopte tenminste dat het door de zon kwam en niet door een begin van hersenoedeem.

Op grote hoogte komt hersenoedeem (HACE, High Altitude Cerebral Edema) minder vaak voor dan longoedeem (HAPE, High Altitude Pulmonary Edema), maar het is zo mogelijk nog levensbedreigender, HACE is een aandoening die je ineens kan treffen als er door zuurstofgebrek vloeistof wegtrekt uit de hersenbloedvaten, waardoor een ernstige zwelling van de hersenen optreedt die je niet of nauwelijks voelt aankomen. Naarmate de druk in de hersenpan toeneemt, gaan je motorische en geestelijke vermogens in ijltempo achteruit – meestal binnen enkele uren of nog sneller. Vaak merkt het slachtoffer er zelf niets van. De getroffene raakt dan in een coma en als hij of zij vervolgens niet snel naar lagere hoogte wordt overgebracht, volgt de dood.

Dit alles speelde die dag juist ook door mijn hoofd omdat twee dagen eerder een klant van Fischer genaamd Dale Kruse, een 44-jarige tandarts uit Colorado, naar kamp 3 was afgedaald met een ernstig geval van hersenoedeem. Kruse was een oude vriend van Fischer en een sterke, zeer ervaren klimmer. Op 26 april klom hij van kamp 2 naar kamp 3, zette een pot thee voor zichzelf en zijn teamgenoten en ging even een dutje doen in zijn tent. ‘Ik viel meteen in een diepe slaap,’ herinnert Kruse zich, ‘en sliep bijna 24 uur aan één stuk door. Pas de volgende dag om een uur of twee ‘s middags maakte iemand mij eindelijk wakker en de anderen hadden meteen door dat ik geestelijk niet helemaal in orde was, hoewel ik daar zelf niets van merkte. Scott zei tegen me: ‘Je moet subiet naar beneden’.’

Kruse had ongelooflijk veel tijd nodig om zich alleen al aan te kleden. Hij deed zijn klimgordel binnenstebuiten om, reeg hem door de sluiting van zijn winddichte pak en kreeg de gesp niet dicht; gelukkig zagen Fischer en Neal Beidleman de blunder voordat Kruse aan de afdaling begon. ‘Als hij zo was gaan abseilen,’ zegt Beidleman, ‘was hij meteen uit zijn gordel geschoten en helemaal naar de bodem van de Lhotse-wand gestort.’

‘Het was net of ik stomdronken was,’ vertelt Kruse. ‘Ik kwam alleen strompelend vooruit en kon helemaal niet meer denken of praten. Het was echt een heel raar gevoel. Als ik al een woord in gedachte had, dan wist ik nog niet hoe ik het naar mijn lippen moest overbrengen. Dus Scott en Neal moesten mij aankleden en controleren of mijn gordel goed zat, waarna Scott me langs de vaste touwen liet zakken.’ Toen Kruse bij het basiskamp was aangekomen, zegt hij, ‘duurde het nog eens drie à vier uur voordat ik van mijn tent naar de etenstent kon lopen zonder overal over te struikelen’.¬

 

Toen de zon achter de Pumori verdween, zakte de temperatuur in kamp 3 pijlsnel met bijna dertig graden en terwijl het afkoelde voelde ik het in mijn hoofd opklaren: mijn angst voor hersenoedeem bleek ongegrond, althans voorlopig. De volgende ochtend, na een ellendige slapeloze nacht op 7300 meter, daalden we af naar kamp 2 en nog een dag later, op 1 mei, gingen we verder naar beneden tot het basiskamp om op krachten te komen voor de aanval op de top.

Onze acclimatisatie was nu officieel voltooid en – voor mij een aangename verrassing – de strategie van Hall scheen te werken: na drie weken op de berg ervoer ik de lucht in het basiskamp als vol, overvloedig en rijkelijk gevuld met zuurstof vergeleken bij de genadeloos ijle atmosfeer van de hoger gelegen kampen.

Toch was het niet helemaal goed met mijn lichaam. Ik was bijna negen kilo aan spiermassa kwijt, met name bij mijn schouders, rug en benen. Ook had ik praktisch al mijn onderhuidse vet verbrand, waardoor ik veel vatbaarder was voor de kou. Het grootste probleem was echter mijn borstkas: de droge hoest die ik weken geleden had gekregen in Lobuje, was zo erg geworden dat ik wat thoracaal kraakbeen had kapotgehoest bij een enorme hoestbui in kamp 3. Het hoesten was onverminderd doorgegaan en iedere keer voelde het alsof ik een flinke trap tussen de ribben kreeg.

De meeste klimmers in het basiskamp waren er net zo aan toe als ik – op de Everest hoorde dat er gewoon bij. Over vijf dagen zouden de leden van de teams van Hall en Fischer het basiskamp verlaten en op weg gaan naar de top. In de hoop mijn aftakeling een halt toe te roepen besloot ik rust te houden, flink van de Ibuprofen te snoepen en zoveel mogelijk calorieën naar binnen te werken.

Vanaf het begin had Hall gepland dat 10 mei onze topdag zou worden. ‘Van de vier keer dat ik de top heb gehaald,’ legde hij uit, ‘was het twee keer op de tiende mei. Zoals de sherpa’s zeggen, de tiende is een ‘veelbelovende’ datum voor mij.’ Maar er was ook een praktischer reden om deze datum uit te kiezen: de jaarlijkse eb- en vloedbeweging van de moesson maakte dat het weer waarschijnlijk op of rond 10 mei op z’n gunstigst zou zijn.

De hele maand april had de straalstroom op de top van de Everest-piramide gebeukt met de kracht van een orkaan, alsof er een brandslang op werd gericht. Zelfs op dagen dat het basiskamp er perfect kalm en zonovergoten bij lag, blies de wind een immense banier van sneeuw van de top. Maar vroeg in mei, zo hoopten wij, zou de vanuit de Golf van Bengalen naderende moesson de jetstream naar het noorden richting Tibet verdrijven. Als het dit jaar net zo ging als de voorgaande jaren, in de stilte voor de storm van de moessonregens en na het vertrek van de voorjaarswind, zouden wij worden verblijd met een korte periode van rustig, helder weer waarin een aanval op de top mogelijk was.

Helaas was het jaarlijkse weerpatroon geen geheim en alle expedities hadden hun zinnen gezet op die overgangsperiode van mooi weer. Om te voorkomen dat het één chaos zou worden op het laatste stuk naar de top staken de leiders van de verschillende expedities in het basiskamp de hoofden bij elkaar. Besloten werd dat Göran Kropp, een jonge Zweed die helemaal op de fiets van Stockholm naar Nepal was gereden, op 3 mei als eerste, alleen, naar boven zou gaan. Daarna zou een team uit Montenegro gaan. Vervolgens, op 8 of 9 mei, was het de beurt aan de IMAX-expeditie.

Het team van Hall, zo werd besloten, zou tegelijk met de expeditie van Fischer omhoog gaan op 10 mei. Na bijna te zijn verpletterd door een vallende rots onder aan de Zuidwestwand, had de Noorse soloklimmer Petter Neby zijn biezen al gepakt: hij was op een ochtend met de noorderzon vertrokken uit het basiskamp en teruggekeerd naar Scandinavië. Een groep onder leiding van de Amerikanen Todd Burleson en Pete Athans, het commerciële team van Mal Duffen nog een ander Brits commercieel team beloofden dat zij de tiende mei uit de buurt zouden blijven en ook het Taiwanese team ging hierin mee. Ian Woodall verklaarde echter dat de Zuid-Afrikanen zouden gaan wanneer het hun het beste uitkwam en dat kon heel goed op 10 mei zijn; mensen die dat niet leuk vonden konden ophoepelen.

Hall, die normaal bijna niet op stang te jagen was, ontstak in woede toen hij hoorde dat Woodall weigerde mee te werken. ‘Ik heb totaal geen zin om de berg op te gaan als die gasten er ook zitten,’ brieste hij.