11. Basiskamp

6 mei 1996, 5360 meter

Hoeveel van de aantrekkingskracht van het bergbeklimmen ligt niet in de vereenvoudiging van de intermenselijke verhoudingen, de reductie van vriendschap tot een soepele samenwerking (zoals in een oorlog), de Ander (de berg, de uitdaging) die de plaats inneemt van de verhouding zelf? Achter de mystiek van het avontuur, de stoerheid, het ongebonden zwerversbestaan – stuk voor stuk onmisbaar als antiserum tegen de ingebouwde gemakken en genoegens van onze cultuur – kan ook een soort onvolwassen weigering schuilgaan om zulke dingen serieus te nemen als het ouder worden, de kwetsbaarheid van anderen, verantwoordelijkheid voor elkaar, allerhande zwakheden, de trage en glansloze gang van het leven zelf. (…) Topklimmers (…) kunnen diep ontroerd, zelfs overdreven sentimenteel zijn, maar alleen als het gaat om strijdmakkers die in het harnas zijn gesneuveld. Er stijgt een soort koelte op uit de opmerkelijk eensluidende geschriften van Buhl, john Harlin, Bonatti, Bonington en Haston: de koelte van de competentie. Misschien is dit het wel waar het bij extreem klimmen om gaat: het punt te benaderen waarop Haston doelt als hij schrijft: ‘Als er ook maar iets misgaat wordt het een gevecht op leven en dood. Ais je goed genoeg getramd bent kun je het overleven; zo niet, dan eist de natuur haar tol.’

David Roberts ‘Patey Agonistes’ – Moments of Doubt

Op 6 mei verlieten we het basiskamp om 4.30 uur om te beginnen aan onze gooi naar de top. Die top, drie kilometer boven ons, leek me zo onvoorstelbaar ver weg dat ik probeerde mijn gedachten te beperken tot kamp 2, onze bestemming voor die dag. Tegen de tijd dat het eerste zonlicht op de gletsjer weerkaatste, was ik op 6100 meter hoogte, in de muil van de Westelijke Cwm, opgelucht dat ik de IJsval achter me had gelaten en er nog slechts eenmaal doorheen zou hoeven, op de laatste etappe van de terugtocht.

Bij elke tocht door de Cwm tot nu toe had ik last gehad van de hitte en deze tocht was geen uitzondering. Samen met Andy Harris in de voorhoede van de groep klimmend, pakte ik steeds handen vol sneeuw en propte die onder mijn pet, terwijl ik me ondertussen zo snel voortbewoog als mijn benen en longen me toestonden in de hoop de schaduw van de tenten te bereiken voordat ik aan de straling van de zon zou bezwijken. De tijd kroop die ochtend en in de brandende zon begon mijn hoofd te bonzen. Mijn tong zwol zodanig op dat ik nauwelijks nog door mijn mond kon ademhalen en ik merkte dat het steeds moeilijker werd helder na te denken.

Andy en ik sleepten onszelf om 10.30 uur kamp 2 binnen. Twee liter naar binnen geslurpte Gatorade bracht me weer een beetje in evenwicht. ‘Voelt goed dat we eindelijk op weg zijn naar de top, niet?’ vroeg Andy. Hij was tot nu toe het grootste deel van de expeditie geplaagd door allerlei ingewandsstoornissen en begon eindelijk weer op krachten te komen. Hij was een begenadigde coach met een waar engelengeduld, maar daarom werd hij meestal opgezadeld met de taak oppas te spelen over de langzamere cliënten in de achterhoede. Hij was verrukt dat Rob Hall hem deze ochtend in de punt van de aanval liet spelen. Als jongste gids in Halls team, en de enige die nog nooit op de Everest was geweest, wilde Andy zich maar al te graag bewijzen tegenover zijn ervaren collega’s. ‘Volgens mij gaan we deze grote klootzak nu werkelijk te grazen nemen,’ vertrouwde hij me met een grijnslach van oor tot oor toe, de ogen gericht op de top.

Later die dag passeerde Göran Kropp, de 29-jarige Zweedse solist, kamp 2 op weg omlaag naar het basiskamp; hij zag er totaal afgedraaid uit. Op 16 oktober 1995 was hij uit Stockholm vertrokken op een speciaal voor hem gebouwde flets beladen met ruim honderd kilo aan materiaal, met als doel geheel op eigen kracht vanaf zeeniveau in Zweden naar de top van de Mount Everest en terug te reizen. Ook de beklimming zou hij zonder enige hulp van sherpa’s of zuurstof ondernemen. Het was een uitermate ambitieus plan, maar Kropp leek de persoon te zijn die zoiets kon waarmaken: hij had reeds aan zes Himalaya-expedities deelgenomen en in zijn eentje de toppen van de Broad Peak, de Cho Oyu en de K2 beklommen.

Gedurende zijn 13.000 kilometer lange fietstocht naar Kathmandu was hij beroofd door Roemeense schoolkinderen en bijna gelyncht door een menigte in Pakistan. In Iran had een boze motorrijder een honkbalknuppel op zijn (gelukkig gehelmde) hoofd kapotgeslagen. Niettemin was hij begin april intact aan de voet van de Mount Everest aangekomen met een filmploeg in zijn gevolg, waar hij onmiddellijk was begonnen met acclimatisatietochten op de lagere hellingen van de berg. Op woensdag 1 mei had hij vervolgens het basiskamp verlaten voor de finale.

Kropp bereikte donderdagmiddag zijn hoogste kamp op 7925 meter op de Zuidcol en vertrok de volgende ochtend net na middernacht op weg naar de top. De hele dag zat iedereen in het basiskamp in angstige spanning aan de radio’s gekluisterd om niets van zijn vorderingen te missen. Helen Wilton had in onze etenstent een bord opgehangen met de tekst: ‘Go, Göran, Go!’

Voor het eerst in maanden werd de top vrijwel niet door de wind geteisterd, maar de sneeuw lag heupdiep op de hogere hellingen, zodat het traag en uitputtend vooruitkomen was. Kropp had zich echter keihard door de sneeuwhopen heen gevochten en had tegen twee uur die donderdagmiddag een hoogte van 8740 meter bereikt, net onder de Zuidtop. Hoewel het nu nog maar een uur was naar de top besloot hij hier om te keren omdat hij vreesde dat hij te moe zou zijn om veilig af te kunnen dalen als hij nu nog verder klom.

‘Zo dicht bij de top en dan nog teruggaan…’ dacht Rob Hall hardop en hij schudde zijn hoofd van verbazing, terwijl Kropp op 6 mei ons kamp 2 passeerde onderweg naar beneden. ‘Dat noem ik nou een ongelooflijk goed inzicht bij zo’n jonge jongen. Daar sta ik van te kijken – veel meer, trouwens, dan als hij was doorgegaan en de top had bereikt.’ Gedurende de maand die achter ons lag had Rob ons herhaaldelijk onderhouden over de noodzaak van tevoren een tijdstip vast te stellen waarop we op de dag van de eindbeklimming onze poging zouden staken – in ons geval zou dat 13.00 of uiterlijk 14.00 uur zijn – en ons daaraan te houden, hoe dicht we het einddoel ook genaderd zouden zijn. ‘Als hij maar genoeg wilskracht heeft, kan elke willekeurige idioot deze berg wel opkomen,’ stelde Hall. ‘De truc is er weer levend van af te komen.’

Halls gemoedelijke en laconieke stijl maskeerde een brandend verlangen naar succes, en succes definieerde hij in vrij simpele termen als: zo veel cliënten als mogelijk naar de top brengen. Om dit succes te bereiken besteedde hij aandacht aan de kleinste details: van de gezondheid van de sherpa’s en de doelmatigheid van het met zonne-energie gevoede elektrische systeem tot aan de vraag of de stijgijzers van zijn cliënten wel scherp genoeg waren. Hall was een gids in hart en ziel en het kwetste hem dat sommige beroemde klimmers – Sir Edmund Hillary was er één van, maar zeker niet de enige – niet begrepen hoe moeilijk het werk van een gids was en de professionele gidsen niet zo waardeerden als ze naar zijn idee verdienden.¬

 

Rob had donderdag 7 mei tot rustdag verklaard, dus stonden we laat op en zaten de hele dag in kamp 2 in gespannen verwachting te kletsen over onze aanstaande klim naar de top. Ik prutste wat aan mijn stijgijzers en probeerde nog een paperback van Carl Hiaasen te lezen maar was zo in de ban van de beklimming dat ik dezelfde zinnen keer op keer herlas zonder dat de woorden tot me doordrongen.

Uiteindelijk legde ik het boek weg, maakte een paar kiekjes van Doug die poseerde met een vlag die hij voor de schoolkinderen uit Kent naar de top zou dragen, en hoorde hem ondertussen tot vervelens toe uit over elk probleem dat we op de toppiramide zouden tegenkomen. Die wist hij zich nog goed te herinneren van het jaar ervoor. ‘Tegen de tijd dat wij bij de top aankomen,’ fronste hij, ‘garandeer ik jou dat jij pijn gaat lijden, hombre.’ Doug was vastbesloten de finale mee te maken, ook al had hij nog altijd last van zijn keel en leek zijn kracht nog allesbehalve teruggekeerd. Zoals hij het zei: ‘Ik heb te veel van mezelf in deze berg gestopt om er nu mee op te houden zonder alles te geven wat ik in me heb.’

Later die middag liep Fischer door ons kamp, op weg naar zijn eigen tenten; zijn gezicht stond strak en hij bewoog zich ongewoon traag. Normaal gesproken liet hij zijn bijna opgefokte enthousiasme geen moment varen; een van zijn favoriete uitspraken was: ‘Als je die kop laat hangen, ga je die top niet halen, als we nu toch hier zijn kunnen we maar beter een beetje grooven.’ Op dat moment leek Scott echter allesbehalve te grooven; hij zag er bezorgd en uiterst vermoeid uit.

Fischer had zijn cliënten aangemoedigd gedurende de acclimatisatieperiode zelfstandig de berg op en neer te gaan, maar dat had tot gevolg dat hijzelf gedwongen was geweest een aantal haastige en ongeplande tochten te ondernemen tussen het basiskamp en de hoger gelegen kampen om cliënten uit de nesten te helpen. Zo had hij al reddingstochten moeten maken voor Tim Madsen, Pete Schoening en Dale Kruse. En terwijl dit een broodnodige anderhalve dag rust had moeten worden had Fischer er alweer een spoedtrip heen en terug van kamp 2 naar het basiskamp op zitten om zijn zieke vriend Kruse omlaag te helpen nu deze waarschijnlijk ten prooi was gevallen aan een tweede aanval van hersenoedeem.

Fischer was de vorige dag rond de middag, net na Andy en mij, in kamp 2 aangekomen na de hele weg vanaf het basiskamp voor zijn cliënten uit te hebben geklommen; hij had zijn assistent-gids Anatoli Boukreev opdracht gegeven dicht op de groep de rij te sluiten en iedereen in de gaten te houden. Boukreev had Fischers opdracht echter genegeerd: in plaats van met het team mee te klimmen had hij uitgebreid uitgeslapen en gedoucht en was pas vijf uur na de laatste cliënt uit het basiskamp vertrokken. Toen Kruse op 6700 meter instortte en een barstende hoofdpijn bleek te hebben, was Boukreev dan ook nergens te bekennen, zodat er voor Fischer en Beidleman niets anders opzat dan weer overhaast af te dalen uit kamp 2 zodra de klimmers die langs de Westelijke Cwm omhoogkwamen hen over Kruses toestand hadden bericht.

Niet lang nadat Fischer Kruse had bereikt en hem met veel pijn en moeite omlaag naar het basiskamp aan het helpen was, kwamen ze boven aan de IJsval Boukreev tegen, in zijn eentje, en Fischer had de gids scherp onderhouden over diens onverantwoordelijke gedrag. ‘Ja,’ herinnert Kruse zich, ‘Scott gaf Toli flink op z’n lazer. Hij wilde weten waar hij mee bezig was, waarom hij niet met het team mee was geklommen.’

Volgens Kruse en andere cliënten van Fischers team waren er de hele expeditie al spanningen geweest tussen Fischer en Boukreev. Fischer betaalde Boukreev 25.000 dollar – een ongebruikelijk hoog salaris voor een gids op de Mount Everest (de meeste andere gidsen kregen tussen de tienduizend en de vijftienduizend dollar en geoefende sherpa-klimmers niet meer dan 1400 tot 2500 dollar) – en Boukreevs prestaties hadden niet aan zijn verwachtingen voldaan. ‘Toli was erg sterk en een heel goede technische klimmer,’ legt Kruse uit, ‘maar zijn sociale vaardigheden waren onder de maat. Hij keek niet naar andere mensen om, hij was gewoon geen teamspeler. Ik had Scott al eerder gezegd dat ik niet wilde dat hij me hoog op de berg met Toli samen zou laten klimmen, omdat ik betwijfelde of ik op hem zou kunnen rekenen als het er echt op aan kwam.’

De oorzaak van deze spanningen was een fundamenteel meningsverschil tussen Fischer en Boukreev over de verantwoordelijkheden van een gids. De Kazach Boukreev kwam voort uit een cultuur van keiharde en trotse, maar ook arme klimmers waarin er van het verwennen van de zwakkeren geen sprake kon zijn. In Oost-Europa werden gidsen grofweg getraind voor dezelfde taken als die de sherpa’s uitvoerden – lasten naar boven dragen, touwen verankeren, sporen uitzetten – maar de verzorging van cliënten hoorde daar niet bij. Boukreev was lang, blond en had een knap Slavisch gezicht. Hij was een van de meest succesvolle hoogteklimmers ter wereld met twintig jaar ervaring in de Himalaya, waaronder twee beklimmingen van de Everest zonder extra zuurstof. In de loop van deze illustere carrière had hij voor zichzelf een aantal onorthodoxe en onwankelbare opvattingen geformuleerd over hoe de berg beklommen moest worden. Hij maakte geen geheim van zijn opvatting dat gidsen een vergissing maakten als ze hun cliënten in de watten legden. ‘Als cliënt Everest niet kan klimmen zonder grote hulp van gids,’ zei Boukreev tegen me, ‘moet deze cliënt niet op Everest zijn. Anders komen daarboven grote problemen.’

Boukreevs weigering of onkunde om de rol te spelen van een conventionele gids in de westerse traditie ergerde Fischer enorm. Als gevolg daarvan zagen Fischer en Beidleman zich bovendien gedwongen een onevenredig groot deel van de hulpverlenerstaken van hun team op hun eigen schouders te nemen en in die eerste week van mei bleek dat onmiskenbaar een zware tol van zijn gezondheid te hebben geëist. Nadat hij de avond van 6 mei met de zieke Kruse in het basiskamp was aangekomen, voerde Fischer per satelliet twee telefoongesprekken met Seattle waarin hij bij Karen Dickinson, zijn compagnon, en Jane Bromet’, zijn publiciteitsmedewerkster, in bittere termen zijn beklag deed over de onhandelbaarheid van Boukreev. Geen van beide vrouwen was zich ook maar enigermate bewust van het feit dat dit het laatste gesprek was dat ze ooit met Fischer zouden hebben.¬

 

Op 8 mei vertrokken de teams van zowel Hall als Fischer uit kamp 2 en begonnen aan de loodzware beklimming langs de vaste touwen in de Lhotse-wand. Zeshonderd meter boven de bodem van de Westelijke Cwm, net onder kamp 3, kwam er van de rotspieken boven ons een rotsblok ter grootte van een klein tv-toestel naar beneden suizen en raakte Andy Harris op zijn borst. Het sloeg hem uit zijn evenwicht en benam hem de adem; minutenlang bungelde hij in een shocktoestand onmachtig aan de gefixeerde lijn. Als hij niet had vastgezeten aan zijn stijgklem zou hij zeker te pletter zijn gevallen. Toen hij de tenten bereikte zag Andy er weliswaar erg ontdaan uit, maar hij hield vol dat hij niet geblesseerd was. ‘Misschien ben ik morgen een beetje stijf,’ zei hij, ‘maar ik geloof niet dat dat klereding veel meer schade heeft gedaan dan een blauwe plek.’ Vlak voordat de kei hem raakte had hij in elkaar gedoken gezeten, met zijn hoofd omlaag; hij keek toevallig net omhoog en daardoor had de rots alleen zijn kin maar geschampt voor hij zijn borstbeen had getroffen, maar het had akelig weinig gescheeld of hij had zijn schedel verbrijzeld. ‘Als die kei me op mijn hoofd had geraakt…’ speculeerde Andy nog met een grimas terwijl hij zijn rugzak afdeed, maar hij maakte de zin niet af.

Aangezien kamp 3 het enige kamp op de hele berg was dat we niet met sherpa’s deelden (de richel was te smal om er voor iedereen tenten te plaatsen), moesten we zelf koken, wat grotendeels neerkwam op het smelten van gigantische hoeveelheden ijs tot drinkwater. Het zware ademhalen in de droge lucht op grote hoogte brengt onvermijdelijk zware uitdrogingsverschijnselen met zich mee, met als gevolg dat ieder van ons elke dag meer dan vier liter vloeistof moest drinken. Om in de behoeften van acht cliënten en drie gidsen te kunnen voorzien moesten we dus per dag minimaal vijftig liter drinkwater produceren.

Als eerste aangekomen bij de tenten lag voor mij het baantje van ijshakker klaar. Terwijl mijn teamgenoten het kamp binnendruppelden en zich in hun slaapzakken installeerden, zat ik nog drie uur met mijn pickel in de helling te hakken. De brokken ijs deed ik in plastic vuilniszakken en die bracht ik dan de tenten rond. Op 7300 meter hoogte was dit zwaar werk. Elke keer dat een van mijn metgezellen naar buiten riep: ‘Hé, Jon! Ben je daar nog? Wij kunnen hier nog wel wat ijs gebruiken!’ kreeg ik beter in de gaten wat de sherpa’s normaal gesproken allemaal voor ons deden en hoe gering onze waardering daarvoor eigenlijk was.

Laat in de middag, toen de zon naar de golvende horizon neigde en de temperatuur met sprongen daalde, was iedereen veilig in het kamp behalve Lou Kasischke, Frank Fischbeck en Rob, die de taak van ‘achternacht’ op zich had genomen en als laatste zou arriveren. Rond 16.30 uur werd gids Mike Groom door Rob opgeroepen via zijn walkie-talkie: Lou en Frank bevonden zich nog een kleine honderd meter onder het kamp en kwamen maar uiterst langzaam vooruit; kon Mike alsjeblieft afdalen om hen te helpen? Mike trok vliegensvlug zijn stijgijzers weer aan en verdween zonder ook maar één klacht langs de gefixeerde touwen naar beneden.

Het duurde nog bijna een uur voordat hij weer boven kwam met de anderen in zijn gevolg. Lou, die zo vermoeid was dat hij Rob zijn rugzak had laten dragen, wankelde bleek en onthutst het kamp binnen. ‘Ik ben kapot Ik ben op. Mijn tank is helemaal leeg.’ Frank verscheen een paar minuten later en leek nog vermoeider, hoewel hij had geweigerd zijn rugzak aan Mike af te staan. Het was schokkend om te zien hoe deze twee mannen, die allebei tot voor kort nog zo goed klommen, nu aan het eind van hun Latijn waren. Vooral schrok ik ervan hoe Frank leek te zijn ingestort: ik had van het begin af aangenomen dat als er al iemand van ons team de top zou bereiken, Frank erbij zou zijn. Hij was immers voordien al driemaal dicht bij de top geweest en leek me zo wakker en zo sterk.¬

 

Nu de duisternis over ons kamp neerviel, deelden onze gidsen aan iedereen zuurstofflessen, régulateurs en maskers uit: de rest van de beklimming zouden we samengeperst gas inademen.

Het gebruiken van flessen zuurstof bij de beklimming is een praktijk die al sinds de Britten in 1921 experimentele zuurstofinstallaties meebrachten naar de Mount Everest tot verhitte debatten had geleid. (Sceptische sherpa’s doopten de lompe zuurstofcontainers van de Britten ‘Engelse lucht’.) De eerste vooraanstaande criticus was George Leigh Mallory, die stelde dat het gebruik van extra zuurstof ‘onsportief, dus on-Brits’ was. Al spoedig bleek echter dat het menselijk lichaam in de zogenaamde Zone des Doods boven de 7500 meter enorm veel vatbaarder is voor longen hersenoedeem, onderkoeling, bevriezing en talloze andere dodelijke gevaren. Toen Mallory tegen 1924 terugkeerde voor zijn derde Everest-expeditie, was hij ervan overtuigd geraakt dat de top zonder gas niet te halen was en gaf ook hij zich gewonnen.

Via experimenten in decompressiekamers was inmiddels aangetoond dat een menselijk wezen dat op zeeniveau werd opgepikt en vervolgens gedropt op de top van de Mount Everest, waar de lucht nog maar driemaal zo weinig zuurstof bevat, binnen enkele minuten het bewustzijn zou verliezen en kort daarna zou sterven. Een aantal idealistische alpinisten bleef echter van mening dat een goed getraind atleet begiftigd met zeldzame fysiologische kwaliteiten na een ruime acclimatisatietijd de top moest kunnen beklimmen zonder zuurstof uit de fles. In haar uiterste consequentie kwam deze puristische redenering erop neer dat klimmen met gas gelijkstond aan boerenbedrog.

In de jaren zeventig kwam de befaamde Tiroolse alpinist Reinhold Messner naar voren als de voornaamste voorstander van zuurstofloos klimmen; hij verklaarde dat hij de Everest zou beklimmen ‘met eerlijke middelen’ of helemaal niet Kort daarna deden hij en de Oostenrijker Peter Habeler, zijn jarenlange klimpartner, die grote woorden gestand en zetten daarmee de klimwereld op stelten: op 8 mei 1978 om 13.00 uur bereikten zij de top via de route over de Zuidcol en de Zuidoostgraat, zonder aanvullende zuurstof te gebruiken. In sommige klimmerskringen werd hun succes begroet als de eerste echte beklimming van de Mount Everest.

De historische prestatie die Messner en Habeler leverden, werd echter niet overal met gejuich ontvangen, en zeker niet onder de sherpa’s. De meesten van hen weigerden eenvoudigweg te geloven dat westerlingen in staat waren tot zo’n krachttoer, die zelfs de sterkste sherpa’s nog te zwaar was. Er was een wijdverbreid gerucht dat Messner en Habeler toch zuurstof hadden kunnen opzuigen uit miniatuurcilinders die ze in hun kleding hadden verborgen. Tenzing Norgay en andere vooraanstaande sherpa’s tekenden een petitie waarin de regering van Nepal gevraagd werd een officieel onderzoek in te stellen naar de al dan niet geslaagde beklimming.

Het bewijsmateriaal dat de claim van Messneren Habeler ondersteunde was echter onweerlegbaar. Twee jaar later legde Messner bovendien alle twijfelaars het zwijgen op door naar de Tibetaanse kant van de Everest te reizen en ook hier, helemaal in z’n eentje, zonder hulp van sherpa’s of wie dan ook, ‘sans gaz’ de top te halen. Toen hij deze op 20 augustus 1980 ‘s middags om drie uur door dikke wolken en sneeuwbuien had bereikt, zei Messner, ‘leed ik voortdurend vreselijke pijn; ik ben in mijn hele leven nog niet zo moe geweest’. In The Crystal Horizon, het boek dat hij over zijn beklimming schreef, beschrijft hij zijn worsteling op de laatste meters van de finale:

Als ik rust voel ik me volkomen levenloos, behalve dat mijn keel brandt als ik ademhaal. (…) Ik kan nauwelijks verder. Geen wanhoop, geen blijdschap, geen angst. Ik heb de beheersing over mijn gevoelens niet verloren, er zijn in feite geen gevoelens meer. Ik besta alleen nog maar uit wil. Na elke paar meter gaat ook deze onder in een oneindige vermoeidheid. Dan denk ik niets meer. Ik laat mezelf vallen, blijf daar gewoon liggen. Gedurende een onbepaalde tijd blijf ik volkomen besluiteloos. Dan zet ik weer een paar stappen.

Bij Messners terugkeer in de beschaafde wereld werd zijn beklimming wijd en zijd bejubeld als de grootste klimprestatie aller tijden.

Nu Messner en Habeler hadden bewezen dat de Everest beklommen kon worden zonder gas, kwamen de stoottroepen van ambitieuze bergbeklimmers wederom tot de overtuiging dat hij dan ook zonder gas beklommen moest worden. Wie tot de elite van de Himalaya toegelaten wenste te worden, was vanaf dat moment verplicht de zuurstoffles vaarwel te zeggen. Tegen 1996 hadden zo’n zestig mannen en vrouwen de top zonder gas bereikt – vijf van hen kwamen niet meer levend beneden.

Hoe hoog ieders persoonlijke ambities ook gestemd waren, niemand in Halls team dacht er serieus over te proberen de top zonder zuurstof te bereiken. Zelfs Mike Groom, die daar drie jaar eerder al eens in was geslaagd, legde me uit dat hij dit jaar wél zuurstof zou gebruiken omdat hij nu mee was gekomen als gids. Hij wist uit ervaring dat hij zonder extra zuurstof dermate gehandicapt zou zijn – zowel geestelijk als lichamelijk – dat hij zijn plichten als professional niet zou kunnen nakomen. Zoals de meeste Everest-veteranen vond Groom het aanvaardbaar, en in esthetisch opzicht zelfs te verkiezen, naturel naar boven te gaan als het ging om een solo-beklimming, maar totaal onverantwoord voor iemand die als gids werkte.

De geavanceerde zuurstofapparatuurdie Hall gebruikte was in Rusland ontwikkeld en bestond uit een hardplastic zuurstofmasker van het type dat MiG-piloten tijdens de oorlog in Vietnam droegen, dat via een rubber slang en een simpele régulateur in verbinding stond met een oranje gascilinder gemaakt van staal en Kevlar. Deze was veel lichter en kleiner dan een onderwatertank en woog vol nog geen drie kilo. Hoewel we bij ons vorige verblijf in kamp 3 niet met zuurstof hadden geslapen, drukte Rob ons op het hart dat wel te doen nu we de aanval op de top hadden ingezet. ‘Elke minuut die je op deze hoogte en hogerop doorbrengt,’ waarschuwde hij ons, ‘ga je geestelijk en lichamelijk achteruit.’ Hersencellen sterven af. Het bloed wordt gevaarlijk dik en modderig. In de haarvaten van het netvlies ontstaan spontane bloedingen. Zelfs in rust klopt het hart razendsnel. Rob beloofde ons dat ‘zuurstof uit de fles de aftakeling remt en je gemakkelijker laat slapen’.

Ik probeerde Robs advies op te volgen, maar mijn latente claustrofobie nam de overhand. Als ik het masker over mijn neus en mond klemde verbeeldde ik me steeds dat ik zou stikken. Na een uur vergeefs proberen deed ik het masker maar af en bracht de rest van de nacht zonder zuurstof door. Hijgend en zenuwachtig lag ik te woelen, om de twintig minuten op mijn horloge kijkend of het al tijd was om op te staan.

Op een al even benauwde richel dertig meter onder ons kamp hadden de andere teams – waaronder de groep van Scott Fischer, de Zuid-Afrikanen en de Taiwanezen – een plek voor hun tenten uitgegraven. Terwijl ik de volgende ochtend vroeg – donderdag 9 mei – mijn laarzen aan zat te trekken, kroop Chen Yu-Nan, een 36-jarige metaalarbeider uit Taipei, uit zijn tent om zijn behoefte te doen. Aan zijn voeten droeg hij alleen de gladde binnenschoenen van zijn expeditielaarzen, een kostbare onoplettendheid.

Terwijl hij neerhurkte, verloor hij zijn evenwicht op het ijs en stortte langs de Lhotse-wand naar beneden. Met een ongelooflijk geluk viel hij slechts twintig meter totdat hij ondersteboven in een crevasse bleef steken. Sherpa’s die het hadden zien gebeuren lieten een touw zakken, trokken hem snel uit de spleet en hielpen hem weer naar zijn tent. Hoewel hij een paar flinke builen en schrammen had en verschrikkelijk was geschrokken, leek hij niet ernstig gewond. Op het moment zelf had niemand in ons team, mijzelf incluis, zelfs maar in de gaten dat er iets was gebeurd.

Kort daarna lieten Makalu Gau en de andere leden van het Taiwanese team Chen alleen in zijn tent om bij te komen en vertrokken naar de Zuidcol. Gau had Rob en Scott weliswaar verzekerd dat zijn team niet op 10 mei aan de beklimming van de top zou beginnen, maar was kennelijk van gedachten veranderd.

Die middag ging een sherpa genaamd Jangbu, die een last naar de Zuidcol had gebracht, op de weg terug naar kamp 2 nog even bij kamp 3 langs om te kijken hoe het met Chen ging en hij zag dat zijn toestand erg was verslechterd; hij was gedesoriënteerd en had veel pijn. Jangbu besloot dat hij geëvacueerd moest worden, riep er twee andere sherpa’s bij en begon Chen langs de Lhotse-wand naar beneden te brengen. Nog bijna honderd meter boven de bodem van de ijswand stortte Chen plotseling in en verloor het bewustzijn. Seconden later kraakte David Breashears’ radio in kamp 2 tot leven: het was Jangbu, die met een angstige stem meldde dat Chen geen adem meer haalde.

Breashears en zijn IMAX-teamgenoot Ed Viesturs haastten zich naar boven om te zien of ze hem bij konden brengen, maar toen ze Chen zo’n veertig minuten later bereikten waren alle levenstekens geweken. Die avond kreeg Breashears de Taiwanese teamleider Gau aan de radio toen deze de Zuidcol had bereikt. ‘Makalu,’ had Breashears tegen hem gezegd, ‘Chen is overleden.’

‘Oké,’ antwoordde Gau. ‘Bedankt voor de informatie.’ Daarna had hij zijn team verzekerd dat de dood van Chen geen invloed zou hebben op hun plan rond middernacht op weg te gaan naar de top. Breashears was in alle staten. ‘Ik had net zijn vriend de ogen gesloten,’ zei hij me, met nauwelijks ingehouden woede in zijn stem. ‘Ik had net Chens lichaam naar beneden gesleept. En het enige dat ik van Makalu te horen kreeg was ‘Oké’. Ik weet het niet, misschien ligt het aan het cultuurverschil of zo. Misschien vond hij dat hij de nagedachtenis van Chen het beste kon eren door de top te bereiken.’

De voorafgaande zes weken waren er verschillende ongelukken geweest: Tenzings val in de crevasse voordat we zelfs maar het basiskamp hadden bereikt; Ngawang Topche, die door longoedeem was getroffen en sindsdien alleen maar achteruit was gegaan; een jonge en schijnbaar kerngezonde Engelse klimmer genaamd Ginge Fullen uit het team van Mal Duff, die vlak bij de top van de IJsval een zware hartaanval kreeg; een ander lid van Duffs team, een Deen genaamd Kim Sejberg, die in de IJsval was getroffen door een vallende serac en een aantal ribben had gebroken. Tot op dat moment was er echter niemand gestorven.

Chens dood wierp een schaduw over de bergen nu het gerucht over het ongeluk zich van tent tot tent verspreidde, maar over een paar korte uurtjes zouden 33 klimmers naar de top vertrekken en de rouwstemming maakte al snel plaats voor de nerveuze spanning over wat komen ging. De meesten van ons waren simpelweg te zeer in de greep van de topkoorts om lang stil te staan bij de dood van iemand uit ons midden. Later zou er meer dan genoeg tijd zijn om alles te overdenken, veronderstelden we, als we weer veilig van de top waren teruggekeerd.