10 mei 1996, 8420 meter
Laat me alleen maar zeggen dat [de Mount Everest] de steilste hellingen en de gruwelijkste afgronden bezit die ik ooit heb gezien, en dat alle praatjes over een makkelijke sneeuwhelling een mythe zijn. (…)
Lieveling, dit is al hij al een opwindende zaak. Ik vind nu de woorden niet om te beschrijven hoe dit mij overweldigt en welk vooruitzicht het biedt. En hoe mooi is het allemaal!
George Leigh Mallory, in een brief aan zijn vrouw, 28 juni 1921
In de Zone des Doods boven de Zuidcol is overleven vooral een gevecht tegen de tijd. Toen we op 10 mei vanuit kamp 4 vertrokken, droeg elke cliënt twee zuurstofflessen van bijna drie kilo per stuk en zou er een derde gereed liggen bij een door de sherpa’s te bevoorraden depot op de Zuidtop. Een bescheiden stroomsnelheid van twee liter zuurstof per minuut zou voor vijf tot zes uur zuurstof leveren, zodat rond 16.00 of 17.00 uur alle flessen leeg zouden zijn. Afhankelijk van ons persoonlijke acclimatisatieproces en onze lichamelijke conditie konden we dan nog wel functioneren boven de Zuidcol maar niet goed en ook niet voor langere tijd. We zouden meteen vatbaarder zijn voor long- en hersenoedeem, onderkoeling, afname van het beoordelingsvermogen en bevriezing. De dood lag dan voortdurend op de loer.
Hall, die de Mount Everest al vier keer had beklommen, begreep als geen ander dat we snel omhoog en ook weer omlaag moesten. Hij realiseerde zich dat de basisklimtechnieken van sommige cliënten veel te wensen overlieten en wilde gebruikmaken van vaste touwen om onze groep en die van Fischer veilig en snel langs de moeilijkste stukken te dirigeren. Vandaar baarde het hem zorgen dat nog geen enkele expeditie dit jaar de top had bereikt, omdat dit inhield dat er nog niet veel touwen waren aangebracht op dit stuk.
Op 3 mei was Göran Kropp, de Zweedse solo-klimmer, de top tot op zo’n honderd meter genaderd maar hij had niet de moeite genomen touwen te fixeren. De Montenegrijnen, die nog hoger waren geklommen, hadden wel wat vaste touwen bevestigd maar onervaren als ze waren hadden ze alle touw verspild aan de eerste vierhonderd meter boven de Zuidcol, waar de hellingen nog relatief glooiend waren. Die ochtend van onze toppoging hingen er langs de steile, scherpe stukken hoger op de Zuidoostgraat dan ook alleen enkele oude gerafelde resten touw van vroegere expedities, die hier en daar onder het ijs te voorschijn kwamen.
Hall en Fischer hadden hiermee rekening gehouden en belegden voordat we vertrokken uit het basiskamp een vergadering van gidsen van beide teams. Daar werd besloten dat twee sherpa’s per expeditie, waaronder de klim-sirdars Ang Dorje en Lopsang, anderhalf-uur voor de grote groep uit kamp 4 zouden vertrekken. De sherpa’s hadden dan de gelegenheid om vaste touwen aan te brengen op de gevaarlijkste stukken boven aan de berg voordat de cliënten aankwamen. ‘Rob liet duidelijk merken hoe belangrijk hij dit vond,’ herinnert Beidleman zich. ‘Hij wilde koste wat kost een tijdverslindende opstopping vermijden.’
Om de een of andere duistere reden vertrokken er de avond van 9 mei echter geen sherpa’s voor ons vanaf de Zuidcol. Misschien werden ze opgehouden door de hevige storm, die pas om 19.30 uur ging liggen. Na de expeditie bleef Lopsang volhouden dat Hall en Fischer het plan om vaste touwen aan te brengen alvorens de cliënten arriveerden op het laatste moment hadden laten varen, omdat ze onjuiste informatie hadden doorgekregen dat de Montenegrijnen dit al hadden gedaan tot aan de Zuidtop.
Maar als Lopsang gelijk heeft dan zijn de drie overlevende gidsen Beidleman, Groom en Boukreev nooit op de hoogte gebracht van die veranderde plannen. En als opzettelijk was afgeweken van het plan om vaste touwen aan te brengen dan hadden Lopsang en Ang Dorje niet beiden op pad hoeven gaan met de honderd meter touw die ze droegen toen ze elk aan de kop van hun eigen team vanuit kamp 4 vertrokken.
Boven de 8350 meter waren in elk geval van tevoren geen touwen gespannen. Toen Ang Dorje en ik als eersten aankwamen bij het Balkon om 5.30 uur lagen we meer dan een uur voor op de rest van Halls groep en hadden we gemakkelijk vooruit kunnen gaan om touwen te spannen. Rob had me echter uitdrukkelijk verboden om vooruit te gaan en Lopsang was beneden nog ergens, met Pittman aan een kort touw achter zich, zodat er niemand was die met Ang Dorje kon meegaan.
Ang Dorje was van nature al zwijgzaam en humeurig, maar nu we samen zaten te kijken naar de zonsopgang leek hij nog somberder. Ik slaagde er niet in een gesprek met hem aan te knopen. Zijn slechte zin was, vermoedde ik, te wijten aan een ontstoken tand waar hij al twee weken last van had. Het kon ook zijn dat hij zich zorgen maakte over een verontrustend visioen dat hij vier dagen geleden had gehad. Hij en enkele andere sherpa’s hadden de laatste avond in het basiskamp de komende klim naar de top gevierd met het drinken van grote hoeveelheden Chhang, een dik, zoet bier, gebrouwen uit rijst en gierst. De volgende morgen had hij een flinke kater en was danig van streek; voor de beklimming van de Ijsval had hij een vriend toevertrouwd dat hij ‘s nachts geesten had gezien. Ang Dorje was een zeer gelovige man en nam dergelijke voortekenen niet licht op.
Het was echter ook mogelijk dat hij gewoon kwaad was op Lopsang, die hij een uitslover vond. Bij zijn Everest-expeditie van 1995 had Hall zowel Lopsang als Ang Dorje aangesteld, maar de samenwerking tussen de twee sherpa’s was toen niet goed verlopen.
In dat jaar had het team van Hall op de dag van de topbeklimming de Zuidtop pas laat bereikt, rond 13.30 uur, en was het laatste stuk van de topgraat bedekt met diepe, instabiele sneeuw. In plaats van Ang Dorje stuurde Hall Lopsang vooruit met de kiwi-gids Guy Cotter om te bepalen of het mogelijk was nog hoger te klimmen. Als sirdar van de expeditie zag Ang Dorje dit als een belediging. Toen Lopsang even later tot aan de voet van de Hillary Step was geklommen, besloot Hall de poging te staken en gaf Cotter en Lopsang een seintje om terug te keren. Lopsang negeerde het bevel, maakte zich los van Cotter en klom alleen door naar de top. Hall was kwaad geweest over Lopsangs ongehoorzaamheid en Ang Dorje dacht er net zo over als zijn baas.
Hoewel ze dit jaar in verschillende teams zaten moest Ang Dorje op de dag van de topbeklimming weer samenwerken met Lopsang en weer leek Lopsang gewoon zijn eigen gang te gaan. Ang Dorje had de laatste zes weken keihard gewerkt. Nu was hij het blijkbaar zat om meer dan zijn plicht te doen. Hij zat nors naast me in de sneeuw te wachten op Lopsang en liet de touwen voor wat ze waren.
Het gevolg was dat ik later op 8500 meter hoogte, anderhalf-uur boven het Balkon, midden in de eerste opstopping terechtkwam, die werd veroorzaakt door een aantal indrukwekkende rotstreden waar de cliënten van de inmiddels gemengde teams touwen nodig hadden om veilig boven te komen. Aan de voet van de rots zaten ze al bijna een uur op een kluitje onrustig te wachten terwijl Beidleman, die de honneurs waarnam voor de afwezige Lopsang, naarstig het touw aanlegde.
Yasuko Namba, de technisch onervaren cliënt van Hall, veroorzaakte hier in haar ongeduld bijna een ramp. Yasuko was een geslaagd zakenvrouw, werkzaam bij Federal Express in Tokio, en paste niet in het beeld van de volgzame, onderdanige Japanse vrouw van middelbare leeftijd. Zij vertelde me lachend dat haar man thuis kookte en het huishouden deed. Haar poging de Mount Everest te beklimmen had nogal wat stof doen opwaaien in Japan. In de voorgaande weken had ze langzaam en onzeker geklommen maar vandaag, met de top in zicht, was ze energieker dan ooit. ‘Vanaf het moment dat we op de Zuidcol arriveerden,’ zei John Taske, die in kamp 4 een tent met haar had gedeeld, ‘was Yasuko volledig gefixeerd op de top en leek het wel alsof ze in trance was.’ Sinds we de Zuidcol achter ons hadden gelaten, was ze met alle kracht die ze bezat doorgestoten naar de voorste linies.
Beidleman hing dertig meter boven ons gevaarlijk aan de rots toen de overenthousiaste Yasuko haar jumar aan het bungelende touw vasthaakte voordat de gids zijn uiteinde ervan in de rots had verankerd. Toen ze met haar volle gewicht aan het touw wilde gaan hangen, waardoor ze Beidleman losgetrokken zou hebben, greep Mike Groom net op het nippertje in en gaf haar een lichte uitbrander.
De file bij de touwen werd steeds groter door elke nieuwe klimmer, zodat degenen onder aan de kluwen mensen steeds verder achterbleven. Tegen de middag begon het langzame tempo drie van Halls cliënten, Stuart Hutchison, John Taske en Lou Kasischke die onderaan met Hall klom, steeds meer zorgen te baren. Zij zaten net achter het team uit Taiwan, dat met een slakkengangetje klom. ‘Ze klommen op een aparte manier, heel dicht op elkaar,’ vertelt Hutchison, ‘net als eenden, zodat we ze onmogelijk konden inhalen. We moesten steeds heel lang wachten voordat ze boven aan de touwen waren.’
Hall had in het basiskamp twee mogelijke terugkeertijden overwogen voor onze topbeklimming, hetzij 13.00 uur hetzij 14.00 uur. Hij had echter niet duidelijk gemaakt aan welke van deze tijden we ons moesten houden en dat was vreemd, omdat hij heel vaak had gesproken over het belang van een onverbiddelijke deadline. Hall had alleen maar vaag duidelijk gemaakt dat hij zijn uiteindelijke beslissing pas op de dag zelf bekend zou maken, nadat hij het weer en andere factoren had beoordeeld, en dat hij persoonlijk de verantwoordelijkheid zou nemen om iedereen op het juiste tijdstip terug te sturen.
Halverwege de ochtend van 10 mei had Hall nog steeds niet gezegd wanneer we uiterlijk zouden moeten omkeren. De van nature behoudende Hutchison hield het op 13.00 uur. Rond 11.00 uur liet Hall aan Hutchison en Taske weten dat het nog drie uur klimmen naar de top was, en daarna sprintte hij weg om te proberen langs de Taiwanezen te komen. ‘De kans dat we voor het terugkeertijdstip van 13.00 uur de top zouden bereiken leek steeds kleiner te worden,’ zegt Hutchison. Er volgde een korte discussie. Kasischke had in het begin moeite zijn nederlaag te erkennen maar Taske en Hutchison praatten hem om. Om 12.30 uur keerden de drie de top de rug toe en daalden af. Hall stuurde de sherpa’s Kami en Lhakpa Chhiri met hen mee naar beneden.
Het moet heel moeilijk voor deze drie cliënten zijn geweest te beslissen naar beneden te gaan. Ditzelfde gold voor Frank Fischbeck, die zich uren daarvoor al had omgekeerd. Alpinisme trekt bij uitstek mannen en vrouwen die niet gemakkelijk uit het veld zijn te slaan. In dit late stadium van de expeditie hadden we allemaal al zo’n portie ellende en gevaar doorstaan dat ieder ander weldenkend mens allang zijn biezen had gepakt. Om zo ver te komen moet men behept zijn met een uitzonderlijk koppig karakter.
Dit type man of vrouw dat zich niets aantrekt van persoonlijke tegenslagen en doorgaat tot het bittere einde, is helaas ook het type dat een blinde vlek heeft voor tekenen van ernstig of dreigend gevaar. Dit is het dilemma waarmee elke beklimmer van de Mount Everest uiteindelijk te maken krijgt: om de top te bereiken moet je uitzonderlijk gemotiveerd zijn maar een te grote motivatie kan je dood betekenen. Boven de achtduizend meter vervaagt bovendien al heel snel de grens tussen de noodzakelijke motivatie en een roekeloze obsessie om de top te bereiken. Daarom liggen de hellingen van de Mount Everest bezaaid met lijken.
Taske, Hutchison, Kasischke en Fischbeck hadden elk ongeveer zeventigduizend dollar uitgegeven en weken van ellende doorstaan om deze kans op de top te grijpen. Ze waren alle vier ambitieus en niet gewend om te verliezen, laat staan om de handdoek in de ring te gooien. En hoewel ze voor een moeilijke beslissing stonden, hoorden ze die dag bij de weinigen die de juiste keuze maakten.
Boven de rotstreden waar John, Stuart en Lou waren omgekeerd, eindigde het vaste touw. Vanaf hier slingerde de route steil omhoog langs een sierlijke graat met door de wind geharde sneeuw, die eindigde bij de Zuidtop. Hier kwam ik om 11.00 uur aan en ik trof er een tweede, nog ergere opstopping aan. Iets hoger, ogenschijnlijk op een steenworp afstand, lag de loodrecht uitgesneden Hillary Step, en iets verder naar boven de top zelf. Sprakeloos van vermoeidheid en ontzag nam ik enkele foto’s en toen ging ik samen met de gidsen Andy Harris, Neal Beidleman en Anatoli Boukreev zitten wachten totdat de sherpa’s touwen zouden hebben bevestigd langs de topgraat met zijn spectaculaire overhangende sneeuwrollen die ‘corniches’ worden genoemd.
Ik zag dat Boukreev, net als Lopsang, geen extra zuurstof gebruikte. Hoewel de Kazach de Mount Everest al twee keer zonder zuurstof had beklommen en Lopsang drie keer, verbaasde het me dat ze van Fischer toestemming hadden gekregen de topbeklimming zonder zuurstof te begeleiden, hetgeen me niet in het belang van de cliënten leek. Ik zag ook met verbazing dat Boukreev geen rugzak droeg. In de regel draagt een gids een rugzak met touw, EHBO-spullen, een reddingsuitrusting voor crevasses, extra kleding en andere dingen die hij nodig kan hebben om cliënten bij te staan als er een ongeluk gebeurt. Boukreev was de eerste gids die ik ooit gezien had, waar dan ook, die deze conventies aan zijn laars lapte.
Het bleek dat hij kamp 4 had verlaten met zowel rugzak als zuurstoffles. Later vertelde hij me dat hij niet van plan was zuurstof te gebruiken maar toch een fles bij de hand wilde hebben voor het geval dat zijn ‘batterijen bijna leeg waren’ en hij er hogerop gebruik van moest maken. Toen hij het Balkon bereikte, ontdeed hij zich van zijn rugzak en vroeg of Beidleman zijn zuurstofcilinder, masker en régulateur voor hem kon dragen. Nu Boukreev geen extra zuurstof gebruikte wilde hij blijkbaar elke belasting vermijden die hem in de ontzettend ijle lucht parten kon gaan spelen.
Langs de graat stond een vrij krachtige wind, windkracht zes à zeven, waardoor een pluim stuifsneeuw ver over de Kangshung-flank werd gejaagd. Hogerop was de lucht echter oogverblindend felblauw. Op 8750 meter lag ik daar in mijn dikke donspak in de zon en keek halfbedwelmd door zuurstofgebrek uit over het dak van de wereld, daarbij de tijd volledig uit het oog verliezend. Niemand leek acht te slaan op het feit dan Ang Dorje en Ngawang Norbu, een andere sherpa van Halls team, naast ons thee zaten te drinken uit een thermoskan en weinig aanstalten maakten om omhoog te gaan. Om 11.40 uur vroeg Beidleman uiteindelijk: ‘Hé, Ang Dorje, ga je die touwen nog vastmaken of hoe zit dat?’ Het antwoord van Ang Dorje was een onmiskenbaar ‘nee’, misschien omdat geen van Fischers sherpa’s aanwezig waren om mee te helpen.
Uit ongerustheid over de file bij de Zuidtop zei Beidleman tegen Harris en Boukreev dat ze tempo moesten maken en hij stelde voor samen de touwen zelf aan te brengen. Toen ik dit hoorde bood ik meteen mijn diensten aan. Beidleman haalde een 45 meter lang opgerold touw uit zijn rugzak, ik pakte een andere rol touw van Ang Dorje en samen met Boukreev en Harris gingen we om 12.00 uur op pad om de touwen vast te maken langs de topgraat. Maar toen was er alweer een uur verstreken.¬
Hoger op de Mount Everest voel je je niet als op zeeniveau, ook al gebruik je zuurstof uit de fles. Terwijl ik boven de Zuidtop klom met maar net twee liter zuurstof per minuut werd ik gedwongen na iedere moeizame stap stil te staan en drie of vier keer diep adem te halen. Daarna liep ik weer een stap verder en moest weer stoppen om uit te hijgen, en dit was het snelste tempo waartoe ik in staat was. Omdat de zuurstofsystemen die we gebruikten een schraal mengsel leverden van samengeperste zuurstof en buitenlucht, voelde 8800 meter hoogte mét zuurstof ongeveer aan als 7900 meter hoogte zonder zuurstof. De gebottelde zuurstof zorgde echter ook voor andere voordelen die niet zo gemakkelijk waren te kwantificeren.
Terwijl ik langs de messcherpe topgraat omhoogklom en zuurstof in mijn gepijnigde longen zoog, voelde ik me zonder reden ineens vreemd kalm. Van achter mijn rubbermasker was de wereld verbazingwekkend levendig maar toch onwerkelijk, alsof er voor mijn sneeuwbril een film in slowmotion werd afgedraaid. Ik voelde me verdoofd, niet betrokken, afgesloten van de prikkels van buitenaf. Ik moest me er zelf voortdurend aan herinneren dat aan beide kanten een afgrond gaapte van tweeduizend meter diep, dat alles op het spel stond en dat ik elke misstap met de dood zou moeten bekopen.
Een half uur boven de Zuidtop kwam ik aan bij de voet van de Hillary Step. Dit is een van de beroemdste klimpassages ter wereld en de twaalf meter hoge, bijna verticale rots zag er afschrikwekkend uit. Net als elke andere serieuze klimmer wilde ik toch heel graag het ‘voortouw’ nemen. Het was echter duidelijk dat Boukreev, Beidleman en Harris daar precies zo over dachten, en als ik dacht dat ze een cliënt een zo gewilde voorklim zouden laten inpikken, dan had ik het mis.
Uiteindelijk eiste Boukreev, als hoofdgids en als enige van ons die de Mount Everest eerder had beklommen, de eer voor zich op. Boukreev leidde ons meesterlijk langs de rots omhoog en Beidleman liet als tweede klimmer het touw vieren. Maar hij kwam maar langzaam vooruit en terwijl hij zorgvuldig naar de top van de Step klom, keek ik zenuwachtig op mijn horloge en vroeg me af of ik genoeg zuurstof zou hebben. Mijn eerste zuurstofcilinder was om zeven uur ‘s ochtends op het Balkon leeg; ik had er zeven uur mee gedaan. Op de Zuidtop berekende ik aan de hand van dit gegeven dat mijn tweede cilinder om 14.00 uur leeg zou zijn. Stom genoeg dacht ik dat ik dan nog wel genoeg tijd zou hebben om de top te bereiken en terug te keren naar de Zuidtop om mijn derde zuurstoffles op te halen. Maar het was nu al na enen en ik begon ernstig te twijfelen.
Boven aan de Step vertelde ik Beidleman wat er aan de hand was en vroeg of hij het erg vond als ik nu al vooruit ging naar de top in plaats van hem te helpen het laatste stuk touw langs de graat vast te zetten. ‘Ga er maar voor,’ zei hij goedmoedig. ‘Ik zorg wel voor het touw.’
Langzaam slofte ik de laatste paar stappen omhoog naar de top met het gevoel alsof ik onder water liep, alsof alles in een lager tempo gebeurde. Ineens kon ik niet hoger klimmen en stond ik boven op een smalle wig van ijs, versierd met een weggegooide zuurstoffles en een geteisterde aluminium markeringspaal. Een lint van boeddhistische gebedsvlaggetjes flapperde heftig in de wind. Aan een zijde van de berg die ik nog nooit had aanschouwd strekte zich ver beneden me de droge Tibetaanse hoogvlakte uit als een oneindige vlakte van vaalgrijze aarde die tot aan de horizon reikte.
Bij het bereiken van de top van de Mount Everest had zich een ongekend gevoel van vervoering meester van me moeten maken. Tegen alle verwachtingen in had ik immers zojuist een doel bereikt dat ik als kind al koesterde. Maar de top lag eigenlijk pas op de helft van de route. Iedere neiging tot zelfgenoegzaamheid werd tenietgedaan door een overweldigende vrees voor de lange, gevaarlijke afdaling die nog voor me lag.♦