10 mei 1996, 13.25 uur, 8848 meter
De gevaren verbonden aan lotgevallen en stormen doen zich voor in vele schakeringen, doek het is slechts nu en dan dat er een boosaardige opzet uit spreekt – dat ondefinieerbare iets, hetwelk zich aan denken en voelen opdringt, waardoor die loop van voorvallen, of die oerkracht der elementen, op hem afkomen met een doelgerichte kwaadaardigheid, met een ongebreidelde wreedheid, slechts bedoeld om hem te beroven van zijn hoop en vrees, zijn brandende vermoeidheid en zijn verlangen naar rust; slechts bedoeld om dat te vermorzelen, te vernietigen, weg te vagen wat hij ooit zag, kende, liefhad, genoot of haatte; al datgene wat onbetaalbaar en onmisbaar is – het zonlicht, herinneringen, een toekomstbeeld –, slechts bedoeld om die hele dierbare wereld uit zijn gezichtsveld te wissen middels die simpele en schrikaanjagende daad van doodslag.
Joseph Conrad – Lord Jim
Neal Beidleman bereikte de top om 13.25 uur, samen met cliënt Martin Adams. Op dat moment waren Andy Harris en Anatoli Boukreev ook al boven; ik was acht minuten eerder weer vertrokken. In de veronderstelling dat de rest van zijn team korte tijd later zou aankomen, maakte Beidleman een paar foto’s, gekscheerde wat met Boukreev en wachtte af. Om 13.45 uur had cliënt Kiev Schoening de laatste meters afgelegd, haalde een foto van zijn vrouw en kinderen te voorschijn en begon met tranen in de ogen aan een plechtige viering van zijn aankomst op het hoogste punt van de wereld. Vanaf de top wordt het zicht op de route ernaar toe versperd door een bult in de topgraat en rond 14.00 uur – het afgesproken tijdstip om terug te gaan – was er van Fischer noch de andere cliënten iets vernomen. Beidleman begon zich zorgen te maken.
De 36-jarige Beidleman, luchtvaartingenieur van beroep, was een stille, bedachtzame en uitermate gewetensvolle gids, die iedereen in zijn team en dat van Hall graag mocht. Beidleman was ook een van de sterkste klimmers op de berg. Twee jaar eerder had hij samen met Boukreev – die hij als een goede vriend beschouwde – in een bijna-recordtijd de 8480 meter hoge Makalu beklommen zonder extra zuurstof of hulp van sherpa’s. Fischer en Hall had hij voor het eerst ontmoet in 1992 op de hellingen van de K2, waar zijn kunde en gemoedelijkheid op beide mannen een gunstige indruk hadden achtergelaten. Maar aangezien Beidlemans ervaring op grote hoogten nog relatief beperkt was (de Makalu was zijn enige achtduizender in de Himalaya), stond hij in de rangorde van de Mountain Madness-expeditie onder Fischer en Boukreev. Zijn honorarium weerspiegelde deze ondergeschikte status: hij had de baan als gids op de Everest aangenomen voor tienduizend dollar, terwijl Fischer Boukreev 25.000 dollar betaalde.
Beidleman was gevoelig van nature en maakte zich geen enkele illusie over zijn plaats in de pikorde van zijn team. ‘Het stond gewoon vast dat ik de derde gids was,’ erkende hij na de expeditie, ‘dus ik probeerde mezelf niet te veel op de voorgrond te dringen. Met als gevolg dat ik me minder met dingen bemoeide dan ik misschien had moeten doen. Nu kan ik mezelf er wel om slaan.’
Beidleman zei dat Fischers losjes geformuleerde plan voor de topdag inhield dat Lopsang Jangbu voorop zou gaan met een radio en twee rollen touw, die hij voor de komst van de cliënten zou installeren. Boukreev en Beidleman – die geen van beiden een radio meekregen – zouden ‘in het midden’ blijven, of meer naar voren, afhankelijk van hoe snel de cliënten vooruitkwamen. Fischer, die de tweede radio bij zich had, zou als ‘laatste man’ optreden. Op voorstel van Rob hadden we de terugkeertijd vastgesteld op twee uur: iedereen die zich om 14.00 uur precies niet op spuugafstand van de top bevond, moest omkeren en afdalen.
‘Scott zou de taak op zich nemen om de cliënten terug naar beneden te sturen,’ verklaarde Beidleman. ‘We hadden dat zo besproken. Ik had hem gezegd dat ik het er als derde gids moeilijk mee zou hebben om tegen cliënten die 65.000 dollar hadden betaald te zeggen dat ze terug moesten. Scott vond ook dat dat zijn verantwoordelijkheid moest zijn. Maar om welke reden dan ook gebeurde het niet.’ De enige mensen die de top voor 14.00 uur bereikten waren uiteindelijk Boukreev, Harris, Beidleman, Adams, Schoening en ik; als Fischer en Hall zich hadden gehouden aan de regels die ze van tevoren hadden afgesproken, zou iedereen vanaf dat moment zijn teruggekeerd.
Beidleman werd naarmate de tijd verstreek steeds ongeruster maar hij had geen radio, zodat hij geen mogelijkheid had om de situatie met Scott Fischer te bespreken. Lopsang, die wel een radio had, was nog ergens beneden, uit het zicht. Vroeg in de ochtend, toen Beidleman de sherpa bij het Balkon achteropkwam, waar hij op zijn knieën in de sneeuw zat te braken, had hij de twee rollen touw van hem overgenomen om ze op de steile rotstrappen hogerop vast te zetten. Tot zijn spijt, zegt hij nu, ‘kwam het niet eens bij me op om zijn radio ook mee te nemen’.
Het resultaat, herinnert Beidleman zich, ‘was dat ik uiteindelijk tijdenlang op de top bleef zitten wachten tot Scott zou komen opdagen. Steeds keek ik weer op m’n horloge en besloot terug te gaan, maar als ik dan opstond, kwam er steeds weer een van onze cliënten aanzetten over de graat en ging ik daar weer op zitten wachten.’
Sandy Pittman verscheen rond 14.10 uur op de topgraat, op korte afstand gevolgd door Charlotte Fox, Lopsang Jangbu. Tim Madsen en Lene Gammelgaard. Maar Pittman kwam maar zeer langzaam vooruit en zakte kort voor de top plotseling door haar knieën in de sneeuw. Toen Lopsang haar ging helpen ontdekte hij dat ze door haar derde zuurstoffles heen was. Toen hij Sandy vroeg in de ochtend aan de ‘short-rope’ had genomen had hij haar zuurstoftoevoer ook voluit open gezet – vier liter per minuut – zodat ze haar zuurstof betrekkelijk snel had opgebruikt. Gelukkig droeg Lopsang, die zelf geen zuurstof gebruikte, een reservefles zuurstof in zijn rugzak. Hij zette de nieuwe fles op Pittmans régulateur en vervolgens beklommen ze de laatste meters en voegden zich bij het overwinningsfeestje dat daar aan de gang was.
Rob Hall, Mike Groom en Yasuko Namba bereikten de top ook rond deze tijd en Hall zocht per radio contact met Helen Wilton in het basiskamp om haar het goede nieuws te vertellen. ‘Rob zei dat het daarboven koud en winderig was,’ herinnert Helen Wilton zich, ‘maar hij klonk goed. Hij zei: ‘Doug komt net over de horizon naar boven; als hij er ook is, vertrek ik direct naar beneden…Als je niets meer van me hoort, kun je aannemen dat alles goed gaat’.’ Wilton gaf de boodschap door aan het kantoor van Adventure Consultants in Nieuw-Zeeland en van hieruit vloog er direct een vlucht faxen de wereld over, waarin vrienden en familieleden op de hoogte werden gesteld van de victorie.
Maar Doug Hansen was op dat moment niet net onder de top, zoals Hall dacht, en Fischer evenmin. Het zou nog tot 15.40 uur duren voordat Fischer de top bereikte en Hansen zou er zelfs niet voor 16.00 uur aankomen.¬
Toen wij de middag daarvoor – donderdag 9 mei – allemaal van kamp 3 naar kamp 4 waren geklommen, had Fischer de tenten op de Zuidcol pas na vijf uur bereikt en was bij aankomst zichtbaar vermoeid geweest, hoewel hij zijn cliënten niet had willen laten merken hoe moe hij was. ‘Die avond,’ herinnert zijn tentgenoot Charlotte Fox zich, ‘was er niets dat erop wees dat Scott zich niet goed voelde. Hij ging tekeer als Mr. Gung Ho en zat iedereen op te jutten als een rugbycoach voor een belangrijke wedstrijd.’
In werkelijkheid had de fysieke en mentale belasting van de voorgaande weken Fischer uitgeput. Hoewel hij over buitengewone energiereserves beschikte, was hij met die reserves slordig omgesprongen en was er tegen de tijd dat hij in kamp 4 aankwam maar weinig meer van over. ‘Scott sterk persoon,’ erkende Boukreev na de expeditie, ‘maar is voor topdag moe, heeft veel problemen, geeft veel kracht uit. Zorgen, zorgen, zorgen, zorgen. Scott nerveus, maar houdt hij binnen.’
Ook hield Fischer voor iedereen verborgen dat hij tijdens de topbeklimming wellicht een ziekte onder de leden had. In 1984 had hij tijdens een expeditie naar het Nepalese Annapurna-massief een mysterieuze kwaal opgelopen die hem uiteindelijk een chronische leveraandoening had bezorgd. Jarenlang had hij allerlei artsen afgelopen en legio medische tests ondergaan, maar een afdoende diagnose had men nooit kunnen stellen. Fischer zelf duidde zijn aandoening simpelweg aan als een ‘levercyste’, vertelde er nauwelijks iemand iets over en deed alsof er in feite niets aan de hand was.
‘Wat het ook was,’ zegt Jane Bromet, een van het handjevol intimi dat van zijn aandoening op de hoogte was, ‘het bracht malaria-achtige symptomen met zich mee, hoewel het geen malaria was. Dan kreeg hij ineens een transpiratie-aanval en begon vreselijk te beven. Tijdens zo’n aanval kon hij niets doen, maar ze duurden maar tien, vijftien minuten en dan verdwenen ze weer. In Seattle kreeg hij misschien eens per week zo’n aanval, maar als hij gestresst was kwamen ze wel vaker. In het basiskamp had hij ze regelmatig – om de andere dag, soms elke dag.’
Als Fischer in kamp 4 of daarboven al gekweld werd door zulke aanvallen, maakte hij er in elk geval geen melding van. Nadat hij donderdagavond hun tent binnenkroop, vertelt Fox, ‘ging Scott onder zeil en sliep hij zo’n twee uur lang als een blok’. Toen hij om 22.00 uur wakker werd, kwam hij maar langzaam op gang en hij verliet het kamp pas lang nadat de laatsten van zijn cliënten, gidsen en sherpa’s naar de top waren vertrokken.
Het is niet duidelijk hoe laat Fischer kamp 4 precies verliet; misschien was het pas om 1.00 uur in de ochtend van vrijdag 10 mei. Hij hing bijna de hele topdag helemaal in de staart van het peloton en bereikte de Zuid-top niet voor 13.00 uur. Ikzelf zag hem rond 14.45 uur pas voor het eerst toen ik op weg terug met Andy Harris bij de Hillary Step stond te wachten tot de stoet er gepasseerd was. Fischer was de laatste klimmer aan het touw en hij zag er totaal opgebrand uit.
Nadat we wat vriendelijkheden hadden uitgewisseld, sprak hij kort met Martin Adams en Anatoli Boukreev, die vlak boven Harris en mij klaarstonden om de Step af te dalen. ‘Hé, Martin,’ klonk het op geforceerd schertsende toon van achter Fischers gasmasker. ‘Denk je dat je de top van de Mount Everest gaat halen?’
‘Hé, Scott,’ antwoordde Adams, gepikeerd omdat Fischer hem niet had gefeliciteerd, ‘daar kom ik net vandaan.’
Vervolgens sprak Fischer kort met Boukreev. Zoals Adams zich de conversatie herinnert zei Boukreev tegen Fischer: ‘Ik ga omlaag met Martin.’ Toen ploeterde Fischer langzaam verder richting top, terwijl Harris, Boukreev, Adams en ik ons omkeerden om de Hillary Step af te dalen. Niemand zei iets van hoe uitgeput Fischer er had uitgezien. Het kwam bij geen van ons op dat hij misschien wel stuk zat.¬
Om 15.10 uur die vrijdagmiddag was Fischer nog altijd niet op de top aangekomen, vertelt Beidleman. ‘Ik besloot dat we daar als de donder weg moesten wezen, of Scott nu was aangekomen of niet.’ Hij verzamelde Pittman, Gammelgaard, Fox en Madsen en ging hen voor langs de topgraat. Twintig minuten later, net boven de Hillary Step, kwamen ze Fischer tegen. ‘Ik zei eigenlijk niet echt iets tegen hem,’ herinnert Beidleman zich. ‘Hij stak alleen even zijn hand op. Het zag er wel uit alsof hij het moeilijk had, maar hij was Scott, dus ik maakte me niet direct zorgen. Ik dacht dat hij toch nog even zijn visitekaartje op de top wilde achterlaten en ons dan wel snel weer in zou halen om de cliënten mee omlaag te helpen.’
Degene over wie Beidleman zich op dat moment wél zorgen maakte, was Sandy Pittman. ‘Iedereen zat er op dat punt behoorlijk doorheen, maar Sandy had het helemaal niet meer. Ik had het idee dat ze, als ik haar niet heel goed in de gaten hield, zó over de rand kon stappen. Dus controleerde ik steeds of ze wel aan het vaste touw vastzat en pakte ik haar op de plekken waar geen touw was van achter bij haar klimgordel vast tot ze zich weer aan het volgende touw vast kon klikken. Ze was zo ver heen dat ik niet eens zeker weet of ze wel wist dat ik bij haar was.’
Toen de klimmers kort onder de Zuidtop verder afdaalden in de dikke wolken en de sneeuw begon te vallen, stortte Pittman opnieuw in en vroeg ze Fox om haar een injectie met dexamethasone te geven, een krachtig corticosteroïde. ‘Dex’, zoals het bekend staat, kan je lichaam tijdelijk minder gevoelig maken voor de schadelijke effecten van het verblijf op grote hoogte; voor noodgevallen droeg elk lid van Fischers team een met het middel gevulde injectiespuit in een plastic tandenborstelhouder op zijn of haar lichaam onder het donsjack, zodat het niet zou bevriezen.’ Ik trok Sandy’s broek een beetje opzij,’ herinnert Fox zich, ‘en ramde de naald in haar heup, dwars door haar lange ondergoed en alles heen.’
Beidleman, die was achtergebleven op de Zuidtop om na te gaan hoeveel zuurstof er nog was, was net op tijd ter plaatse om Fox de naald in Pittmans been te zien steken terwijl deze plat voorover in de sneeuw lag. ‘Toen ik over de bult kwam en Sandy daar zag liggen, met Charlotte boven haar met een injectienaald in de aanslag, dacht ik: O, fuck, dit gaat niet goed. Dus ik vroeg Sandy wat er aan de hand was en toen ze me antwoord probeerde te geven kwam er niets uit haar mond dan een onbegrijpelijk gebrabbel.’ Dodelijk ongerust instrueerde hij Gammelgaard haar volle zuurstofcilinder af te geven in ruil voor de bijna lege van Pittman en zette haar régulateur op de hoogste stand. Toen greep hij de semi-comateuze Pittman vast bij haar klimgordel en begon haar door de sneeuw langs de steile Zuidoostgraat naar beneden te slepen. ‘Als ik haar eenmaal aan het glijden had,’ legt hij uit, ‘liet ik haar los en gleed voor haar uit. Na vijftig meter stopte ik dan, greep het vaste touw met beide handen vast en zette mezelf schrap om haar met een body block tegen te houden. De eerste keer dat ze zo op me af kwam scheuren, staken de punten van haar stijgijzers dwars door mijn donspak. De veren stoven alle kanten op.’ Tot ieders opluchting begonnen de injectie en de extra zuurstof na twintig minuten te werken en kon Pittman op eigen kracht verder afdalen.
Terwijl Beidleman zijn cliënten langs de graat omlaag begeleidde, kwamen rond 17.00 uur Mike Groom en Yasuko Namba aan bij het Balkon, zo’n honderdvijftig meter onder hen. Vanaf dit uitsteeksel op 8410 meter buigt de route bijna haaks af van de graat, naar kamp 4 in het zuiden. Toen Groom de andere kant op keek – omlaag langs de noordkant van de kam – zag hij in het schemerlicht en door de sneeuwbuien heen een eenzame klimmer die volkomen de route was kwijtgeraakt. Het was Martin Adams, die in de storm gedesoriënteerd was geraakt en nu langs de Kangshung-wand afdaalde richting Tibet.
Zodra Adams boven zich Groom en Namba in de gaten kreeg, zag hij zijn vergissing in en klom moeizaam weer omhoog naar het Balkon. ‘Tegen de tijd dat hij bij Yasuko en mij was teruggekeerd was Martin kapot,’ vertelt Groom. ‘Hij had zijn zuurstofmasker afgedaan en zijn gezicht zat onder de korsten sneeuw. Hij vroeg: ‘Welke kant op is het naar de tenten?’’ Groom wees hem de weg en Adams begon onmiddellijk aan de juiste kant van de bergkam af te dalen, in het spoor dat ik misschien maar tien minuten daarvoor had gemaakt.
Terwijl Groom wachtte tot Adams de kam had teruggevonden, stuurde hij Namba vooruit naar beneden en doodde de tijd door op zoek te gaan naar een camerahoes die hij daar onderweg naar boven had achtergelaten. Terwijl hij in het rond zocht, merkte hij ineens dat er naast hem nog iemand op het Balkon was. ‘Omdat hij door de sneeuw niet herkenbaar meer was, nam ik aan dat het iemand uit Fischers groep was en negeerde hem. Staat die kerel ineens voor m’n neus en zegt: ‘Hi, Mike.’ Toen realiseerde ik me dat het Beck was.’
Groom, die net zo versteld stond Beck daar aan te treffen als ik voor hem, haalde zijn touw te voorschijn en begon de Texaan achter zich aan omlaag te slepen naar de Zuidcol. ‘Beck was zo hopeloos blind,’ vertelt Groom, ‘dat hij om de tien meter gewoon recht de ijle lucht in stapte en ik hem dan met het touw tegen moest houden. Ik was meer dan eens bang dat hij mij ervan af zou trekken. Het was verdomde zenuwslopend. Ik moest mezelf steeds grondig aan mijn pickel zekeren en voortdurend in de gaten houden of mijn stijgijzers op alle punten schoon waren en ik niet weg kon glijden.’
Eén voor één worstelden Beidleman en de overgebleven cliënten van Fischers ploeg zich omlaag door wat nu een sneeuwstorm geworden was. Adams zat kort achter mij, voor de anderen; daarachter kwamen Namba, Groom en Weathers, Schoeningen Gammelgaard, Beidleman, en uiteindelijk Pittman, Fox en Madsen.
Honderdvijftig meter boven de Zuidcol, waar de steile leisteen overging in een eenvoudiger sneeuwhelling, raakte Namba’s zuurstof op. De nietige Japanse ging zitten en weigerde nog een vin te verroeren. Toen ik probeerde haar zuurstofmasker af te zetten zodat ze wat gemakkelijker zou kunnen ademhalen,’ zegt Groom, ‘zette ze het halsstarrig steeds weer op. We konden haar er met geen mogelijkheid van overtuigen dat ze geen zuurstof meer had en het masker haar eigenlijk alleen nog maar verstikte. Beck was inmiddels zodanig verzwakt dat hij niet meer zonder hulp kon lopen en ik hem op mijn schouder moest laten steunen. Gelukkig haalde Neal ons net op dat moment in.’ Beidleman, die zag dat Groom zijn handen vol had aan Weathers, begon Namba omlaag te slepen richting kamp 4, ook al was ze geen lid van Fischers team.
Het was nu rond 18.45 uur en bijna geheel donker. Beidleman, Groom, hun cliënten en twee sherpa’s uit Fischers team die te elfder ure uit de mist waren opgedoken – Tashi Tshering en Ngawang Dorje – waren tot één groep samengesmolten. Hoewel zij slechts langzaam vooruitkwamen, waren ze nog slechts minder dan zestig hoogtemeters van kamp 4 verwijderd. Op dat moment kwam ik bij de tenten aan, en mijn voorsprong op de groep van Beidleman bedroeg waarschijnlijk niet meer dan vijftien minuten. Maar in die korte tijdspanne groeide de storm abrupt uit tot een volwassen orkaan en daalde het zicht tot minder dan zes meter.
Om een gevaarlijk ijsveld te ontlopen maakte Beidleman met zijn groep een omweg die ver naar het oosten afzwenkte, waar de helling minder steil was, en rond 19.30 uur kwamen ze veilig en wel aan op de uitgestrekte en golvende vlakte van de Zuidcol. Tegen die tijd hadden echter nog maar drie leden van zijn groep hoofdlampen waarvan de batterijen nog niet leeg waren en stonden ze allen op de rand van de fysieke ineenstorting. Fox moest steeds vaker op Madsen steunen en Weathers en Namba konden zonder hulp van respectievelijk Groom en Beidleman helemaal niet meer lopen.
Beidleman wist dat ze aan het oostelijke, Tibetaanse uiteinde van de Zuidcol waren en de tenten ergens in het westen stonden. Maar om daar te komen moesten ze pal tegen de sneeuwstorm in lopen. De wind zwiepte de klimmers met geweldige kracht korrels ijs en sneeuw in het gezicht, die hun ogen striemden en het hen onmogelijk maakten te zien waar ze heen liepen. ‘Het was zo zwaar en pijnlijk,’ legt Schoening uit, ‘dat we onvermijdelijk de neiging kregen ons voor de wind af te schermen door naar links van de route af te wijken, en daardoor kwamen we verkeerd uit.
Soms kon je zelfs je eigen voeten niet meer zien, zo hard waaide het,’ gaat hij verder. ‘Ik was bang dat iemand zou gaan zitten of van de groep zou afdwalen en we die nooit meer terug zouden zien. Maar toen we eenmaal op het vlakke terrein van de col waren aangekomen, liepen we gewoon achter de sherpa’s aan en nam ik aan dat zij wisten waar het kamp was. Toen stopten ze opeens en keerden om, en werd het al snel zonneklaar dat zij geen idee hadden waar we waren. Op dat moment kreeg ik diep van binnen een heel misselijk gevoel. Toen begreep ik voor het eerst dat we in de problemen zaten.’
Gedurende de twee uur die volgden wankelden Beidleman, Groom, de twee sherpa’s en hun zeven cliënten blind en op goed geluk rond in de storm in de hoop toch nog bij het kamp uit te komen. Ondertussen raakten ze met elke stap, verder uitgeput en onderkoeld. Op een bepaald moment struikelden ze bijna over een paar weggegooide zuurstofflessen, hetgeen op de nabijheid van het kamp leek te wijzen, maar ze kregen de tenten toch niet in het oog. ‘Het was de totale chaos,’ zegt Beidleman. ‘Mensen lopen alle kanten op; ik schreeuw naar iedereen om ze bij elkaar te houden. Uiteindelijk, het moet een uur of tien geweest zijn, loop ik tegen een kleine verhoging op en krijg ik ineens zo’n gevoel alsof ik op de rand van de aarde sta. Ik voelde gewoon dat er iets verderop alleen maar een ontzaglijke leegte was.’
De groep was zonder het te weten afgedwaald naar de meest oostelijke rand van de bergpas, de rand van een tweeduizend meter diepe afgrond langs de Kangshung-wand. Ze stonden op dezelfde hoogte als kamp 4, nog maar driehonderd meter van hun redding verwijderd,* maar, zegt Beidleman: ‘Ik wist dat we, als we zo in de storm bleven ronddolen, binnen de kortste keren iemand kwijt zouden raken. Ik was doodmoe van het rondzeulen met Yasuko. Charlotte en Sandy konden nauwelijks meer op hun benen staan. Dus ik schreeuwde tegen iedereen dat we daar bij elkaar moesten kruipen en wachten tot de storm wat zou gaan liggen.’
≡ Hoewel een sterke klimmer misschien drie uur nodig zou hebben om een ‘hoogte-afstand’ van driehonderd meter te overbruggen, ging de afstand hier over min of meer vlak terrein en had de groep hiervoor niet meer dan misschien vijftien minuten nodig gehad, als ze hadden geweten waar de tenten stonden.
Beidleman en Schoening zochten een plek die enige beschutting zou bieden tegen de wind, maar vonden niets. Al langere tijd had geen van hen meer zuurstof, hetgeen hen bij een gevoelstemperatuur van zeventig graden onder nul extra verzwakte. Ze vonden een rotsblok dat nog niet zo groot was als een wasmachine en streken in de betrekkelijke luwte daarvan neer, een zielig hoopje mensen op een door de storm glimmend opgepoetste plak ijs. ‘Tegen die tijd was ik zo goed als bezweken aan de kou,’ zegt Charlotte Fox. ‘Mijn ogen waren bevroren. Ik zag niet hoe we daar ooit nog levend uit zouden moeten komen. De kou deed zo’n pijn dat ik dacht dat ik het bewustzijn zou verliezen. Ik rolde mezelf gewoon op in een bal en hoopte dat ik gauw dood zou zijn.’
‘We probeerden de kou te verdrijven door elkaar warm te slaan,’ herinnert Weathers zich. ‘Iemand schreeuwde naar ons dat we onze armen en benen moesten blijven bewegen. Sandy was hysterisch; ze bleef alsmaar gillen: ‘Ik wil niet dood! Ik wil niet dood!’ Maar verder zei niemand erg veel.’¬
Driehonderd meter naar het westen lag ik onbedaarlijk te beven in mijn tent, terwijl ik mijzelf toch met mijn donspak en elke draad kleding die ik had in mijn slaapzak had geritst. De tent leek te zullen bezwijken onder de storm. Elke keer dat de deur openging, spoot de stuifsneeuw de shelter binnen, zodat alles daar was bedekt met een centimeters dikke laag sneeuw. Totaal onwetend van de tragedie die zich buiten in de storm afspeelde, zweefde ik op de rand van bewustzijn en bewusteloosheid, in een delirium teweeggebracht door uitputting en vochtverlies vermenigvuldigd met zuurstoftekort.
Op een bepaald moment vroeg in de avond kwam Stuart Hutchison, mijn tentgenoot, de tent binnen en rammelde me stevig door elkaar; hij vroeg me of ik met hem naar buiten wilde gaan om met potten en pannen te rammelen en met lampen de lucht in te schijnen als baken voor de klimmers die nog niet binnen waren, maar ik was te zwak en incoherent om hem zelfs maar antwoord te geven. Hutchison – die om 14.00 uur in het kamp was teruggekeerd en daardoor nu aanmerkelijk minder verdwaasd was dan ik – ging vervolgens de andere tenten langs. Iedereen was te moe of onderkoeld. Daarop ging Hutchison in zijn eentje de storm in.
Hij verliet onze tent die nacht zes keer op zoek naar de vermiste klimmers, maar de sneeuwstorm was zo fel dat hij zich nooit meer dan een paar meter buiten het kamp durfde te wagen. ‘De wind ging tekeer als een bezetene,’ onderstreept hij. ‘En de spindrift voelde aan alsof je gezandstraald werd. Ik kon steeds maar een kwartiertje buiten blijven, totdat ik het te koud kreeg en terug de tent in moest gaan.’¬
Te midden van de opeengepakte klimmers aan de oostzijde van de col dwong Beidleman zichzelf wakker te blijven en op te letten op tekenen dat de storm aan het overwaaien was. Vlak voor middernacht werd zijn waakzaamheid beloond toen hij boven zich plotseling een paar sterren zag, en hij schreeuwde naar de anderen dat zij ook moesten kijken. Aan de grond joeg de wind nog altijd een furieuze sneeuwstorm op, maar in de hogere luchtlagen begonnen de wolken weg te trekken en kwamen de tegen elkaar aan leunende silhouetten van de Everest en de Lhotse te voorschijn. Aan de hand van deze referentiepunten dacht Kiev Schoening nu te weten waar de groep zich bevond ten opzichte van kamp 4. Boven de storm uit schreeuwend wist hij de gids ervan te overtuigen dat hij nu de weg naar de tenten wist.
Beidleman probeerde iedereen overeind te krijgen en in beweging te zetten in de richting die Schoening aanwees, maar Pittman, Fox, Weathers en Namba waren te zwak om te kunnen lopen. Het was de gids nu duidelijk dat als er niet snel iemand uit de groep naar de tenten wist te komen om een reddingsploeg te halen, zij allemaal zouden sterven. Daarom verzamelde Beidleman degenen die nog mobiel waren en strompelde met Schoening, Gammelgaard, Groom en de twee sherpa’s de storm in om hulp te halen. De vier uitgeschakelde cliënten lieten ze bij Tim Madsen achter. Madsen, die zijn vriendin Charlotte Fox niet graag in de steek liet, bood onbaatzuchtig aan achter te blijven en op de anderen te letten tot er hulp zou komen.
Twintig minuten later stommelde Beidlemans contingent het kamp binnen, een emotioneel weerzien met de dodelijk bezorgde Anatoli Boukreev. Schoening en Beidleman, die nauwelijks meer konden praten, wisten de Kazach nog duidelijk te maken waar hij de vijf cliënten die ze aan de elementen hadden moeten overlaten zou kunnen vinden voordat ze elk in hun eigen tent in elkaar zakten van uitputting.
Boukreev was al uren voor wie dan ook in het team van Fischer op de Zuidcol teruggekeerd. Sterker: om 17.00 uur, toen zijn teamgenoten zich nog boven de 8500 meter een weg zochten door de dikke wolken, zat Boukreev al in zijn tent uit te rusten en thee te drinken. Ervaren gidsen zouden later vraagtekens zetten bij zijn beslissing om zo ver voor zijn cliënten uit af te dalen – uiterst ongebruikelijk gedrag voor een gids. Een van de cliënten uit die groep heeft nog louter minachting voor Boukreev en houdt vol dat de gids, toen het er het meest op aankwam, ‘het hazenpad koos’.
Anatoli had de top rond 14.00 uur verlaten en was al snel vast komen te zitten in de opstopping voor de Hillary Step. Zodra deze was geweken, had hij zich de Zuidoostgraat af gehaast zonder op welke cliënt dan ook te wachten – en dat terwijl hij Fischer boven aan de Step had gezegd dat hij samen met Martin Adams zou afdalen. Boukreev was dan ook al ruim voordat de storm losbarstte in het kamp gearriveerd.
Toen ik Anatoli na de expeditie vroeg waarom hij zich zo ver voor zijn groep omlaag had gehaast, gaf hij me het transcript van een interview dat hij een paar dagen daarvoor via een Russische tolk aan Mcn’s Journal had gegeven. Boukreev zei dat hij het transcript had gelezen en de juistheid ervan had bevestigd. Ik las het ter plekke door en kwam al spoedig aan een serie vragen over de gebeurtenissen, waarop hij als volgt had geantwoord:
Ik bleef ongeveer een uur [op de top]. (…) Het is er erg koud, natuurlijk, en dat kost veel kracht. (…) Ik stond op het standpunt dat niemand iets aan me had als ik daar bleef staan kleumen, wachten. Ik zou nuttiger werk kunnen doen als ik naar kamp 4 terugkeerde, zodat ik de klimmers op de terugtocht zuurstofzou kunnen brengen of naar ze toe zou kunnen klimmen om ze te helpen als ze te zwak waren om zelf af te dalen. (…) Als je op die hoogte stilzit, verlies je je kracht in de kou en dan ben je nergens meer toe in staat.
Boukreevs vatbaarheid voor de kou was ongetwijfeld danig verergerd door het feit dat hij geen aanvullende zuurstof gebruikte; zonder gas kon hij op de topgraat eenvoudigweg niet lang wachten op trage cliënten zonder bevriezingen en onderkoeling te riskeren. Wat zijn redenen daarvoor echter ook waren, hij spoedde zich ver voor de groep uit naar beneden, een patroon dat zich trouwens gedurende de hele expeditie had herhaald, getuige Fischers laatste brieven en telefoontjes vanuit het basiskamp naar Seattle.
Toen ik hem vroeg of het wel verstandig was geweest zijn cliënten op de topgraat achter te laten, hield Anatoli vol dat hij dat ten bate van het team had gedaan: ‘Het is veel beter dat ik mezelf op de Zuidcol warm maak en klaar ben om zuurstof naar boven te dragen als cliënten zonder zitten.’ Toen Beidlemans groep kort na zonsondergang nog niet binnen was en de storm tot orkaankracht was aangewakkerd, had Boukreev inderdaad begrepen dat zij in problemen moesten zijn geraakt en een moedige poging ondernomen om hun zuurstof te brengen. Toch school er in zijn strategie een ernstige tekortkoming: aangezien hijzelf noch Beidleman een radio had, kon Anatoli niet weten hoe de vermiste klimmers er voor stonden of zelfs maar vermoeden waar zij zich in de immense ruimte hoog op de berg bevonden.
‘Rond 19.30 uur verliet Boukreev desalniettemin kamp 4 op zoek naar de groep. Tegen die tijd, herinnert hij zich:
…was het Zicht nog misschien een meter, even later niets meer. Ik had een lamp en was zuurstof gaan gebruiken om sneller omhoog te komen. Ik had drie flessen bij me. Ik probeerde sneller te gaan, maar het zicht was weg. (…) Het is alsof je geen ogen hebt, of je blind bent, je ziet niets meer. Dat is erg gevaarlijk, want je kunt in een crevasse zakken, of je kunt naar de zuidkant van de Lhotse vallen, drieduizend meter recht omlaag. Ik probeerde omhoog te klimmen, het was donker, ik kon het vaste touw niet vinden.
Zo’n tweehonderd meter boven de col zag Boukreev in dat het onbegonnen werk was en keerde naar de tenten terug waarbij hij, erkent hij nu, zelf ook bijna verdwaalde. Hoe dan ook zou zijn reddingspoging niets hebben opgeleverd want zijn teamgenoten bevonden zich op dat moment niet meer boven hem op de berg, in de richting waarin hij omhoog was geklommen. Op het moment dat Boukreev zijn hulppoging staakte, zwierf Beidlemans groep rond op de Zuidcol – tweehonderd meter ónder de Kazach.
Toen hij rond 21.00 uur in kamp 4 terugkeerde, maakte Boukreev zich ernstig zorgen over de negentien klimmers die nog altijd vermist waren, maar aangezien hij geen idee had waar zij zich bevonden, kon hij niets anders doen dan afwachten. Uiteindelijk stommelden om 0.45 uur Beidleman, Groom, Schoening en Gammelgaard het kamp binnen. ‘Kiev en Neal waren helemaal op en konden nauwelijks meer praten,’ herinnert Boukreev zich. ‘Ze zeiden me dat Charlotte, Sandy en Tim hadden hulp nodig, Sandy is bijna dood. Toen wezen ze me ongeveer waar ik ze moest zoeken.’
Toen hij de klimmers hoorde aankomen, ging Stuart Hutchison naar buiten om Groom te helpen, ik hielp Mike zijn tent in,’ vertelt Hutchison, ‘en zag dat hij echt totaal uitgeput was. Hij kon nog wel duidelijk spreken, maar het kostte hem verschrikkelijk veel moeite, het was als een stervende die zijn laatste woorden uitspreekt. ‘Je moet wat sherpa’s halen,’ zei hij tegen me. ‘Ze moeten Beck en Yasuko gaan halen.’ Daarbij wees hij naar de Kangshung-kant van de col.’
Het lukte Hutchison echter niet een hulpploeg bijeen te krijgen. Chuldum en Arita – de sherpa’s uit het team van Hall die niet waren meegegaan naar de top en speciaal voor dit soort noodgevallen in het kamp waren achtergebleven – waren uitgeschakeld door koolmonoxidevergiftiging die ze door het koken in de slecht geventileerde tent hadden opgelopen; Chuldum gaf zelfs bloed op. De andere vier sherpa’s van het team, die wel naar de top hadden geklommen, waren uitgeschakeld door de kou en de uitputting.
Na de expeditie vroeg ik Hutchison waarom hij, toen hij eenmaal wist waar de vermiste klimmers zaten, niet had geprobeerd Frank Fischbeck, Lou Kasischke of John Taske wakker te maken – of nog eens had geprobeerd mij te wekken – om onze hulp in te roepen bij zijn reddingspoging. ‘Het was zo overduidelijk dat jullie allemaal compleet uitgeput waren, dat het niet eens bij me opkwam. Jij was zo ver heen dat ik dacht dat je het er alleen maar erger op zou maken als je naar buiten ging om te helpen – dat je zou verdwalen en zelf gered zou moeten worden.’ Uiteindelijk ging Stuart alleen de storm in, maar hij deinsde aan de rand van het kamp opnieuw terug, bang als hij was dat hij de weg terug niet zou kunnen vinden als hij verder ging.
Op datzelfde moment was ook Boukreev aan het proberen een reddingsploeg bijeen te krijgen, maar hij nam geen contact op met Hutchison en kwam niet naar mijn tent, zodat hun beider pogingen ongecoördineerd bleven en ik van geen van beide pogingen iets te weten kwam. Evenals Hutchison kwam Boukreev erachter dat iedereen die hij wakker wist te krijgen te ziek, te uitgeput of te bang was om te helpen. Dus besloot de Kazach er dan maar in zijn eentje op uit te gaan. Hij wierp zichzelf moedig weer in de muil van de sneeuwstorm, maar ook hij moest na een uur zoeken onverrichter zake terugkeren.
Toch gaf Boukreev niet op. In het kamp wist hij van Beidleman en Schoening preciezere aanwijzingen los te krijgen en hij ondernam nog een poging. Deze keer kreeg hij het flauwe licht van Madsens bijna uitgedoofde hoofdlamp in het oog en wist zo de vermiste klimmers te vinden. ‘Ze lagen op het ijs, zonder beweging,’ zegt Boukreev. ‘Ze konden niet praten.’ Madsen was nog bij bewustzijn en kon zichzelf nog grotendeels redden, maar Pittman, Fox en Weathers waren volstrekt hulpeloos en Namba leek dood.
Nadat Beidleman en de anderen de groep hadden verlaten om hulp te zoeken, had Madsen de achtergeblevenen bij elkaar gehouden en iedereen opgejut in beweging te blijven tegen het bevriezingsgevaar.’ Ik zette Yasuko bij Beck op schoot,’ herinnert Madsen zich, ‘maar hij vertoonde op dat moment nauwelijks nog enige reactie en Yasuko bewoog helemaal niet meer. Een tijdje later zag ik haar plat op haar rug liggen, terwijl de sneeuw haar capuchon in blies. Op de een of andere manier had ze een handschoen verloren; haar rechterhand was onbedekt en ze had haar vingers zo strak samengeklemd dat je ze niet meer recht kon krijgen. Het zag ernaar uit dat ze tot op het bot bevroren waren.’
‘Ik ging ervan uit dat ze dood was,’ gaat Madsen verder. ‘Maar even later bewoog ze plotseling en ik schrok me kapot: ze strekte haar nek een eindje, alsof ze probeerde rechtop te gaan zitten, en haar rechterarm kwam omhoog, en dat was het. Yasuko ging weer liggen en bewoog daarna niet meer.’
Toen Boukreev de groep bereikte, zag hij al direct dat hij niet meer dan één klimmer tegelijkertijd kon meenemen. Hij had een zuurstoffles bij zich en Madsen en hij koppelden die aan Pittmans masker. Toen gaf Boukreev Madsen te kennen dat hij zo snel mogelijk terug zou komen en ging met Fox op weg naar de tenten. ‘Toen zij waren vertrokken,’ zegt Madsen, ‘lag Beck opgekruld in een foetushouding, nauwelijks bewegend, en zat Sandy in elkaar gedoken bij mij op schoot, ook bijna bewegingloos. Ik schreeuw tegen haar: ‘Hé, hou je handen in beweging! Laat me je handen zien!’ Dan gaat ze rechtop zitten en steekt haar handen uit en ik zie dat ze geen handschoenen aanheeft – haar handen hingen slap van haar polsen naar beneden.
Ik dus proberen haar handen weer terug in haar handschoenen te wurmen, hoor ik ineens Beck mompelen: ‘Hé, ik ben er helemaal achter hoe het zit.’ Dan rolt hij een eindje weg, trekt zich op aan een rotsblok en gaat rechtop in de wind staan, met allebei zijn armen gestrekt opzij. Een seconde later treft een windvlaag hem vol en blaast hem gewoon plat achterover de nacht in, voorbij de kegel van mijn hoofdlamp. En dat was het laatste dat ik van hem heb gezien.
Een tijdje later kwam Toli weer terug en tilde Sandy op, dus ik raapte mijn spullen bij elkaar en waggelde maar achter het schijnsel van zijn hoofdlamp aan. Op dat moment dacht ik dat Yasuko dood was en Beck niet meer te redden.’ Toen ze het kamp uiteindelijk bereikten was het 4.30 uur en begon de hemel boven de oostelijke horizon op te klaren. Toen hij van Madsen hoorde dat Yasuko het niet had gehaald, stortte Beidleman in zijn tent in en kon drie kwartier lang niet ophouden met huilen.♦