18. Noordoostgraat

10 mei 1996, 8700 meter

De Everest was de belichaming van de natuurkrachten die de wereld bezat. Daartegenover moest hij de kracht van de menselijke geest stellen. Hij zag de blijdschap op de gezichten van zijn kameraden als hij zou slagen. Hij kon zich voorstellen welk een opwinding zijn succes onder al zijn mede-bergbeklimmers teweeg zou brengen; de roem die het Engeland zou brengen; de belangstelling waarmee heel de wereld er kennis van zou nemen; de naam die hij ermee zou verwerven; de blijvende satisfactie dat hij iets van zijn leven had gemaakt. (…) Misschien heeft hij het nooit precies onder woorden gebracht, toch moet het idee van ‘alles of niets’ hem voor de geest hebben gestaan. Als hij de keuze had tussen twee alternatieven – voor de derde keer terugkeren afsterven – was de keuze voor het laatste waarschijnlijk het gemakkelijkst voor Mallory. De eerste keuze zou hem meer zijn blijven kwellen dan hij als man, als alpinist en als kunstenaar had kunnen verdragen.

Sir Francis Younghusband – The Epic of Mount Everest, 1926

Op 10 mei om 16.00 uur, rond hetzelfde tijdstip dat een uitgeputte Doug Hansen steunend op de schouder van Rob Hall de top bereikte, berichtten drie klimmers uit de Noord-Indiase provincie Ladakh via de radio de leider van hun expeditie dat ook zij zich op de top van de Mount Everest bevonden. Tsewang Smanla, Tsewang Paljor en Dorje Morup maakten deel uit van een uit negenendertig personen bestaande expeditie georganiseerd door de Indiaas-Tibetaanse grenspolitie, die de piek vanaf de Tibetaanse kant had benaderd via de Noordoostgraat, dezelfde route waar George Leigh Mallory en Andrew Irvine bij hun roemruchte poging van 1924 waren verdwenen.

Vanuit hun hoogste kamp op 8300 meter hoogte vertrokken de drie Ladakhi’s plus nog drie collega’s pas om 5.45 uur op weg naar de top.*

≡ Om verwarring te voorkomen zijn alle tijdstippen in dit hoofdstuk omgezet naar Nepalese tijd, ook al vonden de beschreven gebeurtenissen plaats in Tibet In Tibet volgt men de tijd van de zone waarin Beijing ligt en die twee uur en vijftien minuten voorligt op die van Nepal. 6.00 uur in Nepal is dus 8.15 uur in Tibet.

Terwijl zij zich in de loop van de middag nog meer dan driehonderd hoogtemeters onder de top bevonden, werden zij overspoeld door dezelfde stormwolken die wij aan de andere kant van de berg tegenkwamen. Drie leden van het team gooiden de handdoek in de ring en maakten rond 14.00 uur rechtsomkeert, maar Smanla, Paljor en Morup zetten ondanks het verslechterende weer door. ‘Zij waren aangestoken door de topkoorts,’ verklaarde Harbhajan Singh, een van de drie die omkeerden.

Tegen 16.00 uur, toen de nevel zo dik was dat het zicht tot minder dan dertig meter was teruggelopen, bereikten de andere drie wat zij dachten dat de top was. Ze riepen hun basiskamp bij de Rongbuk-gletsjer op om te laten weten dat ze de top hadden bereikt, waarop de leider van de expeditie, Mohindor Singh, per satelliet naar New Delhi telefoneerde en minister-president Narashima Rao trots verslag deed van de triomf. Ter viering van hun succes liet het topteam een offerande van gebedsvlaggetjes, kata’s en klimhaken achter op wat zij voor de top hielden en begonnen in de snel opstekende sneeuwstorm aan hun afdaling.

In werkelijkheid waren de Ladakhi’s op 8700 meter hoogte toen zij terugkeerden, nog zo’n twee uur klimmen verwijderd van de eigenlijke top, die op dat moment nog boven de hoogste wolken uitstak. Het feit dat zij zonder dit te beseffen terugkeerden terwijl ze nog ongeveer honderdvijftig meter onder hun doel zaten, verklaart waarom zij Hansen, Hall of Lopsang niet hebben gezien op de top en vice versa.

Later, kort na het invallen van de duisternis, zagen klimmers die zich lager op de Noordoostgraat bevonden naar verluidt nog twee hoofdlampen ter hoogte van 8626 meter, net boven een als zeer problematisch bekendstaande klip die de Second Step wordt genoemd, maar die avond keerde geen van de drie Ladakhi’s in hun tenten terug en bleef ook het radiocontact verder uit.

Om 1.45 uur in de ochtend van 11 mei – rond dezelfde tijd dat Anatoli Boukreev wanhopig de Zuidcol afzocht naar Sandy Pittman, Charlotte Fox en Tim Madsen – vertrokken twee Japanse klimmers vergezeld van drie sherpa’s vanuit hetzelfde kamp als de Ladakhi’s gebruikten op weg naar de top, ondanks de storm die nog altijd op de hoogste hellingen inbeukte. Toen zij om 6.00 uur langs de steile rotspunt die de First Step wordt genoemd omhoogklommen, stuitten de twee Japanners, de 21-jarige Eisuke Shigekawa en de 36-jarige Hiroshi Hanada, tot hun schrik op een van de klimmers uit Ladakh, waarschijnlijk Paljor, die daar uitgestrekt in de sneeuw lag. Afschuwelijk bevroren maar nog altijd in leven na een nacht zonder enige beschutting of zuurstof, kon hij alleen nog onverstaanbaar kreunen. De Japanners wilden hun poging de top te halen niet in gevaar brengen door hem te helpen en zetten hun beklimming dan ook voort.

Om 7.15 uur arriveerden zij bij de voet van de Second Step, een loodrechte toren van gladde, brokkelige schist, die meestal wordt beklommen met behulp van een aluminium ladder die in 1975 door een Chinees team aan de klip was vastgebonden. Tot ontsteltenis van de Japanse klimmers was er van de ladder, die gedeeltelijk van de rots was losgeraakt, weinig meer over en kostte de beklimming van de zes meter hoge rotstrap hun een uitputtende anderhalf uur klimmen.

Net boven de Second Step stuitten ze op de andere twee Ladakhi’s, Smanla en Morup. Volgens een artikel in de Financial Times geschreven door de Britse journalist Richard Cowper, die Hanada en Shigekawa kort na hun beklimming op 6400 meter hoogte interviewde, was een van de Ladakhi’s ‘kennelijk de dood nabij, terwijl de ander ineengedoken in de sneeuw zat. Er werd geen woord gewisseld. Er werd geen water, voedsel of zuurstof gegeven. De Japanners trokken verder en zochten vijftig meter verderop een rustplaats, waar ze hun zuurstofcilinders verwisselden.’

Hanada verklaarde tegen Cowper: ‘We kenden hen niet. Nee, we hebben ze geen water gegeven. Ze hadden zware hoogteziekte. Ze zagen eruit alsof ze gevaarlijk waren.’

Shigekawa voegde eraan toe: ‘Wij waren te moe om te helpen. Boven de achtduizend meter kunnen mensen zich geen moraal meer veroorloven.’

Het Japanse team keerde Smanla en Morup de rug toe en hervatte zijn beklimming, ondertussen op 8700 meter de offerande van gebedsvlaggetjes en klimhaken passerend die de Ladakhi’s daar hadden achtergelaten, en bereikte – een verbluffend staaltje doorzettingsvermogen – in een gierende orkaan om 11.45 uur de top. Rob Hall zat op dat moment ineengedoken op de Zuidtop voor zijn leven te vechten, langs de Zuidoostgraat een half uur klimmen onder hen.

Gedurende de terugtocht naar hun hoogste kamp langs de Noordoostgraat passeerden de Japanners Smanla en Morup opnieuw boven de Second Step. Morup scheen inmiddels te zijn overleden en Smanla leefde weliswaar nog maar zat hulpeloos in de knoop met een vast touw. Pasang Kami, een sherpa van het Japanse team, maakte Smanla los van het touw en vervolgde zijn weg omlaag langs de graat. Toen ze langs de First Step afdaalden, waar ze op de heenweg Paljor uitgestrekt en kreunend in de sneeuw hadden aangetroffen, zag het Japanse team nu geen spoor meer van de derde Ladakhi.

Zeven dagen later ondernam de expeditie van de Indo-Tibetaanse grenspolitie nogmaals een toppoging. Nadat zij hun hoogste kamp in de ochtend van 17 mei om 1.15 uur hadden verlaten, vonden twee Ladakhi’s en drie sherpa’s al spoedig de bevroren lichamen van hun teamgenoten. Zij meldden dat een van de mannen in zijn doodsstuipen bijna al zijn kleding van zich af had gescheurd voordat hij uiteindelijk aan de elementen was bezweken. Smanla, Morup en Paljor werden op de berg achtergelaten waar zij waren gevallen en de vijf klimmers zetten hun tocht voort naar de top van de Everest, die zij om 740 uur bereikten.