20. De Geneefse Pijler

12 mei 1996, 9.45 uur, 7890 meter

Het grote voordeel dat zijn onervarenheid de beginnende bergbeklimmer biedt is dat hij niet is vastgeroest in tradities en oude gewoonten. Voor hem ziet alles er eenvoudig uit en voor elk probleem dat hij ontmoet zoekt hij een eenvoudige oplossing. Vaak staat deze benadering het succes dat hij zoekt natuurlijk in de weg, soms met een tragische afloop, maar de man zelf weet dat niet ais hij aan zijn avontuur begint. Neem Maurice Wilson, Earl Denman of Klavs Becker-Larsent geen van hen wist erg veel van bergbeklimmen, anders waren zij nooit aan hun hopeloze onderneming begonnen, toch brachten zij het zonder zich aan de voorgeschreven technieken te storen erg ver, louter op hun wilskracht.

Walt Unsworth – Everest

Een kwartier nadat ik zondagmorgen 12 mei ons kamp op de Zuidcol verliet haalde ik mijn teamgenoten in, die bezig waren over de rand van de Geneefse Pijler omlaag te klimmen. Het was een zielig gezicht: we waren allemaal zo gehandicapt dat het afdalen van de eerste tientallen meters tot de sneeuwhelling direct daaronder de groep al belachelijk veel tijd kostte. Nog veel pijnlijker was echter hoe klein ons groepje was geworden: toen we deze passage drie dagen eerder hadden beklommen waren we met zijn elven geweest, nu nog maar met zes.

Stuart Hutchison, die de rij sloot, was nog boven aan de Pijler toen ik me bij hen voegde en stond op het punt zichzelf aan de vaste lijn te haken. Ik zag dat hij zijn sneeuwbril niet ophad. Het was dan wel bewolkt, toch zou hij door de verraderlijke ultraviolette straling op deze hoogte binnen korte tijd sneeuwblind worden. ‘Stuart!’ schreeuwde ik om boven de wind uit te komen, en ik wees op zijn ogen. ‘Je bril!’

‘Och jee,’ antwoordde hij met een vermoeide stem. ‘Goed dat je eraan denkt Hé, nu je er toch bent, wil je dan misschien ook even naar mijn gordel kijken? Ik ben zo moe dat ik het allemaal niet zo helder zie. Ik zou het op prijs stellen als je een beetje op me zou letten.’ Toen ik zijn gordel nakeek zag ik onmiddellijk dat de gesp maar half vastzat. Als hij met zijn veiligheidslijn aan het vaste touw was gaan hangen, dan zou de gesp onder zijn lichaamsgewicht zijn opengesprongen en lag hij een ogenblik later onder aan de Lhotse-wand. Toen ik het hem liet zien, zei hij: ‘Zie je wel, dat dacht ik al, maar ik kreeg hem met m’n koude handen niet goed.’ In de bijtende wind trok ik snel m’n handschoenen uit, gespte de gordel strak om zijn middel en stuurde hem achter de anderen aan de Pijler af.

Terwijl hij zijn karabiner aan het vaste touw klikte gooide hij zijn pickel neer, maar toen hij zich liet zakken liet hij hem op de rotsen liggen. ‘Stuart!’ gilde ik. ‘Je pickel!’

‘Ik kan hem niet meer dragen, ik ben te moe,’ schreeuwde hij terug. ‘Laat maar gewoon liggen.’ Ik was zelf te afgebrand om hem tegen te spreken. Ik liet de ijsbijl liggen, klikte mezelf vast aan het touw en volgde Stuart de steile flank van de Geneefse Pijler af.

Een uur later ontstond er bij de Gele Band weer een file, omdat elke klimmer op deze loodrechte klip van kalksteen zeer behoedzaam moest manoeuvreren. Terwijl ik achteraan in de rij op mijn beurt wachtte, werden we ingehaald door een aantal sherpa’s van Scott Fischers team. Ook Lopsang Jangbu was erbij, half buiten zinnen van vermoeidheid en verdriet. Ik legde een hand op zijn schouder en zei dat het me speet van Scott. Lopsang sloeg zichzelf op de borst en snotterde: ‘Ik ben ongeluk, ik ben groot ongeluk. Scott is dood; is mijn schuld. Ik ben groot ongeluk. Het is mijn schuld. Ik ben groot ongeluk.’¬

 

Ik sleepte mezelf rond 13.30 uur kamp 2 binnen als een verwilderde zwerver. Hoewel je hier in principe nog op grote hoogte zit – bijna 6500 meter – was het een levensgroot verschil met de Zuidcol. De moordende wind was geheel gaan liggen. Ik rilde niet meer en hoefde mezelf geen zorgen meer te maken over bevriezingen, ik liep zelfs overvloedig te zweten onder de brandende zon. Het gevoel dat ik nog slechts met een akelig dun draadje aan het leven hing was geweken.

Onze etenstent, zag ik, was omgebouwd tot een geïmproviseerd veldhospitaal dat werd bemand door Henrik Jessen Hansen, een Deense arts uit het team van Mal Duff, en Ken Kamler, een Amerikaanse arts die als cliënt deelnam aan de expeditie van Todd Burleson. Om 15.00 uur zat ik er een kop thee te drinken toen zes sherpa’s Makalu Gau met een nogal verdwaasde blik in zijn ogen de tent binnendroegen en de dokters in de houding sprongen.

Ze legden hem onmiddellijk op een stretcher, kleedden hem uit en staken een infuus in zijn arm. Zijn bevroren handen en voeten hadden een vuilwitte glans als van een verwaarloosde wasbak. Kamler onderzocht ze en merkte grimmig op: ‘Zulke bevriezingen heb ik nog nooit gezien.’ Toen hij Gau vroeg of hij zijn ledematen mocht fotograferen als illustratiemateriaal voor zijn studenten, stemde de Taiwanees breed glimlachend en bijna trots toe, als een soldaat die zijn oorlogsverwondingen toont.

Anderhalf uur later waren de artsen nog altijd met Makalu bezig toen David Breashears’ wat blaffende stem over de radio weerklonk: ‘We zijn onderweg met Beck. Voor het donker heb je hem in kamp 2.’

Terwijl het tot me doordrong wat er werd gezegd was het alsof mijn hart een paar slagen pauzeerde: Breashears had het niet over een dode die hij en zijn mannen de berg af lieten zakken, maar over een levende Beck Weathers. Ik kon het niet geloven. Zeven uur eerder had ik op de Zuidcol afscheid van hem genomen in de angstige veronderstelling dat hij de ochtend niet zou overleven.

Voor de zoveelste keer opgegeven had Beck echter simpelweg geweigerd dood te gaan. Later hoorde ik van Pete Athans dat de Texaan kort nadat hij hem de spuit dexamethasone had gegeven verbluffend snel was opgeknapt. ‘Zo rond half-elf konden we hem aankleden en zijn gordel omdoen, en bleek dat hij zelfs kon opstaan en lopen. We stonden er allemaal van te kijken.’

Ze hadden besloten de afdaling van de col te wagen, met Athans vlak voor Beck om hem te zeggen waar hij zijn voeten neer moest zetten. Beck legde zijn arm op Athans’ schouder, Burleson hield van achteren zijn klimgordel vast en zo waren ze voorzichtig omlaag geschuifeld. ‘Zo nu en dan moesten we hem echt overeind houden,’ zegt Athans, ‘maar in feite kwam hij verrassend goed vooruit.’

Op 7600 meter, net boven de Gele Band, hadden Ed Viesturs en Robert Schauer zich bij hen gevoegd om Beck zonder al te veel problemen langs de steile rotsen omlaag te laten zakken. Bij kamp 3 kregen ze ook nog hulp van Breashears, Jim Williams, Veikka Gustafssonen Araceli Segarra.

Uiteindelijk wisten deze acht gezonde klimmers de gehandicapte Beck in aanmerkelijk minder tijd langs de Lhotse-wand omlaag te krijgen dan ik en mijn teamgenoten er die ochtend voor nodig hadden gehad.

Toen ik hoorde dat Beck onderweg was naar beneden, begaf ik me naar mijn tent, trok moeizaam mijn laarzen weer aan en hobbelde de reddingsploeg tegemoet. Ik verwachtte hen wel ergens tegen de Lhotse-wand te zullen aantreffen. Tot mijn verbazing was ik echter nog maar twintig minuten boven kamp 2 toen ik de hele ploeg tegenkwam. Hoewel hij met een kort touw werd ondersteund, kwam Beck op eigen kracht vooruit. Breashears en zijn club sjouwden in zo’n tempo met hem de gletsjer af dat ik hen zelf nauwelijks kon bijhouden.

Beck werd naast Gau in de hospitaaltent neergelegd en de artsen begonnen zijn kleding te verwijderen. ‘Mijn god!’ riep dr. Kamler uit toen hij Becks rechterhand zag. ‘Hij is nog erger bevroren dan Makalu.’ Toen ik drie uur later mijn slaapzak inkroop, waren de dokters bij het schijnsel van hun hoofdlampen nog altijd bezig Becks bevroren ledematen heel voorzichtig te ontdooien in lauw water.

De volgende ochtend, maandag 13 mei, verliet ik bij zonsopgang de tenten en liep de vier kilometer door de diepe kloof van de Westelijke Cwm naar de rand van de IJsval. De instructies volgend die Guy Cotter me met de radio vanaf het basiskamp had doorgegeven, ging ik daar op zoek naar een vlak stuk waar een helikopter zou kunnen landen.

De dagen ervoor was Cotter continu met de satelliettelefoon in de weer geweest om een evacuatie per helikopter vanaf het laagste deel van de Westelijke Cwm te regelen, zodat Beck niet langs de verraderlijke touwen en ladders van de IJsval gevoerd zou hoeven worden. Met zijn bevroren handen zou dat moeilijk en uitermate gevaarlijk zijn geweest. Er waren al eens eerder helikopters geland in de Cwm; in 1973 had een Italiaanse expeditie er zelfs twee gebruikt om voorraden vanuit het basiskamp aan te voeren. Het was echter zeer gevaarlijk; de Cwm lag bijna op de maximale hoogte die een helikopter kon halen en een van de Italiaanse machines was dan ook op de gletsjer neergestort. In de 23 jaar die inmiddels waren verstreken had niemand het meer gewaagd boven de IJsval te landen.

Cotter liet zich echter niet ontmoedigen en dankzij zijn inspanningen wist de Amerikaanse ambassade van het Nepalese leger gedaan te krijgen dat er een helikopter naar de Cwm werd gestuurd. Terwijl ik maandagochtend rond 8.00 uur vergeefs een landingsplatform voor een helikopter zocht tussen de ijsbulten boven aan de IJsval kraakte ineens Cotters stem door mijn radio: ‘De helikopter is onderweg, Jon. Hij kan elk moment bij je aankomen. Als je nog geen landingsplek hebt, zou ik maar voortmaken.’ Ik klom weer wat hoger op de gletsjer in de hoop dat ik daar een betere plek zou kunnen vinden en stuitte prompt op Beck Weathers, die zojuist door Athans, Burleson, Gustafsson, Breashears, Viesturs en de anderen van het IMAX-team aan een kort touw langs de Cwm omlaag was geleid.

Breashears, die in zijn lange en succesvolle carrière als filmer veel met helikopters te maken had gehad, vond al snel een geschikte landingsplaats, ergens tussen twee gapende gletsjerspleten op 6050 meter hoogte. Ik bond een zijden kata aan een bamboestaak om als windvaan te dienen, terwijl Breashears – met een fles rode Kool-Aid als verf – het midden van de plek markeerde met een enorme X in de sneeuw. Enkele minuten later verscheen Makalu Gau, die door een zestal sherpa’s in een stuk plastic langs de gletsjer omlaag was gedragen. En weer even later hoorden we het FWOK-FWOK-FWOK-geluid van een helikopter die in de ijle lucht alles moet geven om langzaam boven te komen.

De in een olijfgroene schutkleur gespoten B2 Squirrel, gevlogen door luitenant-kolonel Madan Khatri Chhetri, was ontdaan van alle overbodige uitrusting en afgetankt met een minimum aan brandstof. Hij passeerde de gemarkeerde plek tweemaal, maar steeg beide keren op het allerlaatste moment weer op. Bij zijn derde poging slaagde Madan er echter in de Squirrel wat wankel op de gletsjer neer te laten met de staart uitstekend boven een bodemloze crevasse. Zonder de rotorbladen te laten vertragen of zijn besturingspaneel ook maar een ogenblik uit het oog te verliezen stak Madan één vinger op, ten teken dat hij slechts één passagier kon meenemen. Met twee zou hij op deze hoogte niet veilig kunnen opstijgen.

Aangezien Gau’s bevroren voeten in kamp 2 waren ontdooid kon hij er niet langer op lopen of zelfs staan, zodat Breashears, Athans en ik genoodzaakt waren de Taiwanees als eerste te laten gaan. ‘Sorry,’ gilde ik boven de gierende turbines van de helikopter uit naar Beck. ‘Misschien kan hij nog terugkomen.’ Beck knikte gelaten.

We hesen Gau achter in de helikopter en de machine verhief zich aarzelend in de lucht. Zodra de glijders loskwamen van de gletsjer stuurde Madan recht vooruit en viel de helikopter als een steen omlaag over de rand van de IJsval. In de Cwm daalde een zware stilte neer.

Een half uur later stonden we nog altijd rond de landingsplek en bespraken juist hoe we Beck omlaag zouden vervoeren toen ons van de vallei onder ons weer een zwak FWOK-FWOK-FWOK tegemoetkwam. Heel langzaam zwol het geluid aan en uiteindelijk kwam de kleine groene helikopter weer te voorschijn. Madan vloog een eindje de Cwm in alvorens het vliegtuig te keren zodat de neus naar het dal wees. Vervolgens zette hij de Squirrel zonder te aarzelen opnieuw neer op het Kool-Aid-kruis en schoten Breashears en Athans toe om Beck aan boord te helpen. Slechts enkele seconden later hing de helikopter alweer in de lucht en fladderde er tegen de achtergrond van de Westflank van de Mount Everest als een bizarre metalen libel vandoor. Een uur later werden Beck en Makalu Gau opgenomen in een ziekenhuis in Kathmandu.

Nadat de reddingsploeg was vertrokken bleef ik nog een hele tijd alleen in de sneeuw zitten. Ik staarde omlaag naar mijn laarzen en probeerde te bevatten wat er de afgelopen 72 uur was gebeurd. Hoe kon alles zo uit de hand zijn gelopen? Hoe kon het dat Andy en Rob en Scott en Doug en Yasuko dood waren? Antwoorden kon ik niet vinden, hoe hard ik ook peinsde. De omvang van deze ramp ging alles wat ik me ooit van de expeditie had voorgesteld zo ver te boven dat mijn gedachten in een groot zwart gat verdwenen. Toen ik inzag dat ik er voorlopig niet uit zou komen, hees ik mijn rugzak om mijn schouders. Ik moest nog één keer, zo bang als een kat, de bevroren zinsbegoocheling van de IJsval in, nog één tocht door het lugubere labyrint van de wankele seracs.