13 mei 1996, 5360 meter
Mij zal onvermijdelijk worden gevraagd een bezonken oordeel uit te spreken over de expeditie, een expeditie die onmogelijk werd op het moment dat wij er werkelijk bijna in waren gedaagd. (…) Enerzijds is daar Amundsen die er recht op afging, er als eerste aankwam en terugkeerde zonder ook maar één man verloren te hebben, en zonder genoodzaakt te zijn geweest zichzelf of zijn mannen een grotere belasting op te leggen dan wat in een poolexpeditie dagelijks werk is. Anderzijds is daar onze expeditie, die ontzettende gevaren moest doorstaan, die wonderen van bovenmenselijk doorzettingsvermogen verrichtte, die onsterfelijke roem oogstte en werd herdacht met verheven bisschoppelijke preken en standbeelden, maar de Pool enkel bereikte om te ervaren dat de hele verschrikkelijke tocht overbodig was geweest en uiteindelijk haar beste mannen dood op het ijs moest achterlaten. Zulk een contrast negeren zou belachelijk zijn, een boek schrijven zonder er rekenschap van af te leggen ware tijdverspilling.
Apsley Cherry-Garrard – The Worst Journey in The World, Een verslag van Robert Falcon Scotts noodlottige expeditie naar de Zuidpool in 1912
Maandagochtend 13 mei bereikte ik de voet van de Khumbu-ijsval en liep ik verder de laatste helling af; op de rand van de gletsjer stonden Ang Tshering, Guy Cotter en Caroline Mackenzie me op te wachten. Guy gaf me een biertje, Caroline sloeg haar armen om me heen en voordat ik wist wat er gebeurde zat ik op het ijs met mijn gezicht in mijn handen onbedaarlijk te snikken. De tranen liepen me over de wangen en ik huilde zoals ik sinds ik een kleine jongen was niet meer had gehuild. Ik was nu veilig, vrij van de verpletterende druk die de afgelopen dagen op mijn schouders had genist, en ik huilde – om mijn omgekomen kameraden, omdat ik dankbaar was dat ik nog leefde, omdat ik me schaamde dat ik het had overleefd terwijl de anderen waren gestorven.
Dinsdagmiddag ging Neal Beidleman voor in een herdenkingsdienst in het kampement van Mountain Madness. Lopsang Jangbu’s vader Ngawang Sya Kya, een gewijde lama, zong boeddhistische gebeden en brandde jeneverbessen waarvan de rook opsteeg naar de metaalgrijze lucht boven ons. Neal sprak een paar woorden, Guy zei wat en Anatoli Boukreev uitte zijn verdriet om het verlies van Scott Fischer. Ik ging staan en stamelde wat herinneringen aan Doug Hansen. Pete Schoening probeerde de aanwezigen een hart onder de riem te steken door te zeggen dat we vooruit moesten kijken, niet achterom. Maar toen de bijeenkomst afgelopen was en we onze tenten opzochten, hing er nog altijd een begrafenisstemming in het basiskamp.
De volgende ochtend vroeg arriveerde er een helikopter om Charlotte Fox en Mike Groom te evacueren, die dringend medische verzorging nodig hadden voor de bevriezingen aan hun voeten. John Taske, zelf een arts, vloog met Charlotte en Mike mee om hen onderweg te verzorgen. Helen Wilton en Guy Cotter zouden achterblijven om toezicht te houden op de afbraak van het Adventure Consultants-kamp. Tegen het eind van de ochtend verliet ik dan ook samen met Lou Kasischke, Stuart Hutchison, Frank Fischbeck en Caroline Mackenzie het basiskamp, op weg naar huis.
Donderdag 16 mei bracht een helikopter ons van Pheriche naar het dorp Syangboche, net boven Namche Bazar. Toen we in afwachting van onze vervolgvlucht naar Kathmandu het onverharde landingsbaantje overstaken, kwamen ons drie Japanse mannen tegemoet, hun gezichten strak en asgrijs. De eerste stelde zich voor als Muneo Nukita – hij was een ervaren Himalaya-klimmer die de Everest tweemaal had beklommen – en legde vervolgens beleefd uit dat hij optrad als gids voor de andere twee, die hij aan ons voorstelde als Yasuko Namba’s echtgenoot, Kenichi Namba, en haar broer. Gedurende de drie kwartier die volgden stelden ze vele vragen, waarvan ik er slechts enkele kon beantwoorden.
Tegen die tijd was Yasuko’s dood in heel Japan voorpaginanieuws. Op 12 mei – nog geen 24 uur nadat ze op de Zuidcol het leven had gelaten – was er zelfs al midden in het basiskamp een helikopter geland, waaruit twee Japanse journalisten met zuurstofmaskers waren gesprongen. Ze hadden de eerste die zij zagen – een Amerikaanse klimmer genaamd Scott Darsney – het hemd van het lijf gevraagd over Yasuko. Nu, vier dagen later, waarschuwde Nukita ons dat er in Kathmandu een zwerm niet minder roofzuchtige kranten- en tv-reporters op ons stond te wachten.
Later die middag kropen we bij elkaar aan boord van een gigantische Mi-17 helikopter, die door een gat in de wolken het luchtruim koos. Een uur later landden we op Tribhuvan International Airport, waar ons al direct na uitstappen de weg werd versperd door een woud van microfoons en televisiecamera’s. Voor mij als journalist was het wel louterend zo’n gebeurtenis eens van de andere kant te moeten meemaken. De menigte reporters, hoofdzakelijk Japanners, verlangde een grondig gedocumenteerd verslag van de ramp, compleet met portretten van de boeven en de helden. Maar de chaos en de ellende die ik had meegemaakt waren niet zo eenvoudig tot hapklare brokken te reduceren. Na twintig minuten kruisverhoor op de landingsbaan werd ik gered door David Schensted van de Amerikaanse ambassade en afgeleverd bij het Garuda Hotel.
Moeilijkere interviews volgden, eerst door andere reporters en vervolgens door een peloton chagrijnige ambtenaren van het Ministerie van Toerisme. Vrijdagavond liep ik te dwalen door de steegjes van de Thamel-wijk, op zoek naar een middeltje tegen de depressie waarin ik Was weggezonken. Ik overhandigde een schriel Nepalees jongetje een handvol roepies en ontving in ruil daarvoor een klein pakketje verpakt in papier bedrukt met een grauwende tijger. In mijn hotelkamer pakte ik het uit en verkruimelde de inhoud in vloeipapier. De bleekgroene knopjes voelden kleverig aan van de hars en roken naar rottend fruit. Ik rolde een joint, rookte die op tot ik mijn vingers brandde, rolde nog een dikke en rookte ook die half op, tot de kamer om me heen begon te draaien.
Ik lag naakt uitgestrekt op bed en luisterde naar de stadsgeluiden die door het open raam naar binnen dreven. Het getingel van de riksja-bellen vermengde zich met het geluid van toeterende auto’s, de aanprijzingen van straatventers, gelach van een vrouw, muziek uit een naburige bar. Plat op mijn rug liggend, te stoned om een vin te verroeren, sloot ik mijn ogen en liet de kleverige hitte van de naderende moesson over me heen komen als een balsem; het was alsof ik wegsmolt in het matras. Langs de binnenkant van mijn oogleden dreef in felle neonkleuren een optocht van fijn geëtste tandwielen en cartoonfiguren met dikke neuzen.
Toen ik mijn hoofd opzij draaide, raakte ik met mijn oor een natte plek; tranen, realiseerde ik me, die langs mijn gezicht op de lakens dropen. Van ergens diep in mij kwam een gorgelende, aanzwellende golf pijn en schaamte langs mijn ruggengraat omhoog rollen. Toen brak hij in een vloed van snot en tranen door mijn neus en mond naar buiten, gevolgd door een volgende golf, nog een en weer een.¬
Ik vloog terug naar de Verenigde Staten op 19 mei, met twee plunjezakken vol spullen van Doug Hansen die ik aan zijn nabestaanden moest afgeven. Bij het vliegveld van Seattle werd ik opgewacht door zijn kinderen Angie en Jaime, zijn vriendin Karen Marie en andere vrienden en familieleden. Oog in oog met hun betraande gezichten voelde ik me stom en volkomen machteloos.
In de volle zeelucht met die typische geur van laag tij onderging ik het vruchtbare voorjaar in Seattle als een geheel nieuwe ervaring en genoot ik zelfs van de vochtigheid die ik anders klam zou hebben gevonden. Aarzelend en voorzichtig probeerden Linda en ik weer vertrouwd met elkaar te raken. De elf kilo die ik in Nepal had achtergelaten vloog er weer aan. De alledaagse genietingen van het leven thuis – ontbijten met mijn vrouw, de zon zien ondergaan boven Puget Sound, midden in de nacht opstaan en op je blote voeten naar een warme wc gaan – gaven me ineens momenten van plezier dat grensde aan verrukking. Toch werden ook zulke momenten gedempt door de slagschaduw die van de Everest tot Seattle reikte en met het verstrijken van de tijd nauwelijks lichter werd.
Worstelend met mijn schuldgevoel durfde ik Andy Harris’ partner Fiona McPherson en Rob Halls vrouw Jan Arnold zo lang niet op te bellen dat zij mij uiteindelijk belden vanuit Nieuw-Zeeland. Toen het telefoontje kwam, wist ik niets te zeggen dat Fiona’s woede en vertwijfeling kon verlichten. En in het gesprek met Jan deed zij meer moeite om mij te troosten dan vice versa.
Ik had altijd geweten dat bergen beklimmen een riskante bezigheid was. Ik aanvaardde het gevaar als een wezenlijk onderdeel van het spel – zonder het gevaar zou bergbeklimmen immers nauwelijks verschillen van honderden andere nutteloze hobby’s. Het was opwindend om de adem van Magere Hein in je nek te voelen terwijl je een verboden glimp probeerde op te vangen van wat er achter je eigen sterfelijkheid lag. Klimmen was een schitterende bezigheid, daar was ik heilig van overtuigd, niet ondanks maar juist dankzij de inherente gevaren.
Tot mijn tocht naar de Himalaya had ik de dood echter nog nooit van zo dichtbij gezien. Wat? Voordat ik de Everest beklom was ik zelfs nog nooit naar een begrafenis geweest. Sterfelijkheid was altijd een comfortabel hypothetisch concept gebleven, een idee waaraan je abstracte bespiegelingen wijdt. Dat ik deze bevoorrechte onschuld vroeger of later zou moeten verliezen was onvermijdelijk, maar toen dat uiteindelijk gebeurde werd de klap nog vermenigvuldigd door de onvoorstelbare omvang van de catastrofe: in totaal doodde de Everest in het voorjaar van 1996 twaalf mannen en vrouwen, het grootste dodental in één seizoen sinds de berg 65 jaar geleden voor het eerst door klimmers werd betreden.
Van de zes klimmers in Halls expeditie die de top bereikten, kwamen slechts Mike Groom en ik weer terug; vier teamgenoten met wie ik gelachen en gekotst en lange intieme gesprekken gevoerd had, verloren hun leven. Mijn handelen – of onvermogen te handelen – speelde een directe rol in de dood van Andy Harris. En terwijl Yasuko Namba op de Zuidcol dood lag te gaan, zat ik maar net driehonderd meter verderop in mijn tent, onwetend van haar lot en totaal in beslag genomen door mijn eigen veiligheid. Het litteken dat dit in mijn ziel heeft achtergelaten is niet het soort vlekje dat met een paar maanden verdriet en zelfverwijt vanzelf verdwijnt.
Uiteindelijk vertelde ik Kiev Schoening, die niet ver bij mij vandaan woont, over de onrust waaronder ik nog altijd leed. Kiev zei dat het verlies van zo veel levens ook hem weliswaar diep geraakt had, maar dat hij in tegenstelling tot mij niet werd gekweld door het ‘schuldgevoel van de overlevende’. Hij verklaarde dit aldus: ‘Die nacht op de col heb ik alles gegeven wat ik in me had om mezelf en de mensen om me heen te redden. Tegen de tijd dat we de tenten bereikten had ik absoluut niets meer over. Mijn ene hoornvlies was bevroren en ik zag bijna niets meer. Ik was onderkoeld, ik hallucineerde en ik kon niet meer ophouden met beven. Ik vond het verschrikkelijk om Yasuko te verliezen, maar ik heb er vrede mee omdat ik in mijn hart weet dat er niets meer is dat ik had kunnen doen om haar te redden. Je moet niet zo streng zijn voor jezelf. Het was een vreselijke storm. Denk je nou werkelijk dat jij, zoals je er op dat moment voor stond, iets voor haar had kunnen doen?’
Misschien niet, gaf ik toe. Ik zal het in tegenstelling tot Schoening echter nooit zeker weten. En die benijdenswaardige vrede waarvan hij sprak heb ik nog altijd niet kunnen vinden.¬
Veel mensen zeggen dat er zich tegenwoordig zo veel maar marginaal gekwalificeerde klimmers om de top van de Everest verdringen dat een tragedie van deze orde er gewoon aan zat te komen. Niemand verwachtte echter dat een expeditie geleid door Rob Hall er de hoofdrol in zou spelen. Hall runde de best georganiseerde en veiligste onderneming op de berg, dat betwijfelt niemand. Hij was dwangmatig precies en had tot in detail uitgewerkte voorbereidingen getroffen om een ramp als deze te voorkomen. Wat was er dan misgegaan? Hoe kan dit worden verklaard, niet alleen aan de geliefden die achterbleven maar ook aan het maar al te kritische grotere publiek?
Hybris, hoogmoed, had er waarschijnlijk wel iets mee te maken. Hall was er zo’n meester in geworden klimmers met sterk wisselende capaciteiten de Everest op en af te leiden dat hij misschien iets te veel naast zijn schoenen liep. Hij had er meer dan eens over opgeschept dat hij zo ongeveer iedereen die redelijk fit was wel naar de top kon krijgen, en zijn conduitestaat leek dit te bevestigen. Bovendien had hij aangetoond te beschikken over een opmerkelijke veerkracht, waarmee hij tot dan toe elke tegenslag had weten te overwinnen.
Zo hadden Hall en zijn gidsen in 1995 vlak bij de top niet alleen te maken gekregen met de problemen van Doug Hansen, maar ook met de totale ineenstorting van Chantal Mauduit, een andere cliënt. Mauduit was in Frankrijk een befaamd alpiniste en ze ondernam haar zevende aanval op de top van de Mount Everest zonder zuurstof. Op 8750 meter viel ze flauw en ze kwam niet meer bij, zodat ze de hele weg omlaag van de Zuid-top tot de Zuidcol gesleept en gedragen moest worden ‘als een zak aardappelen’, zoals Guy Cotter het uitdrukte. Het feit dat zijn hele groep die toppoging overleefde kan Hall best het idee hebben gegeven dat er maar weinig was dat hij niet aankon.
Tot 1996 had Hall echter steeds ongewoon veel geluk gehad met het weer en dit kan zijn verwachtingen hebben beïnvloed. ‘Seizoen na seizoen,’ bevestigt David Breashears, die meer dan een dozijn Himalaya-expedities heeft meegemaakt en zelfde top van de Everest driemaal beklom, ‘had Rob op de topdag schitterend weer. Hij was hoog op de berg nog nooit door een storm overvallen.’ De storm van 10 mei was overigens wel heftig, maar geenszins uitzonderlijk; het was een storm zoals die op de Everest regelmatig woedt. Als hij twee uur later had toegeslagen, was er waarschijnlijk helemaal niemand omgekomen. Daar staat tegenover dat hij maar een uur eerder had hoeven komen en er waren misschien wel achttien of twintig slachtoffers te betreuren geweest – mijzelf incluis.
De tijd speelde ongetwijfeld een even grote rol in de ramp als het weer en het negeren van de klok is geen overmacht. Dat er bij de vaste touwen oponthoud zou ontstaan was te voorzien en eenvoudig te voorkomen geweest. En dat de vooraf bepaalde omkeertijden werden genegeerd is een onvergeeflijke fout.
Het oprekken van de omkeertijden kan tot op zekere hoogte te wijten zijn geweest aan de rivaliteit tussen Fischer en Hall. Voor Fischer was dit de eerste door hem geleide beklimming van de Everest. Hij moest en zou slagen, wilde zijn onderneming een succes worden. En slagen betekende: cliënten naar de top brengen, zeker zo’n beroemdheid als Sandy Hill Pittman.
Hall stond onder een vergelijkbare druk: aangezien hij er in 1995 niet in was geslaagd een cliënt naar de top te brengen, zou het slecht zijn voor zijn zaak als het in 1996 weer niet zou lukken, zeker als Fischer wel succes had. Scott was een charismatische figuur, en Jane Bromet had om dat charisma een agressieve marketingstrategie gebouwd. Fischer was hard bezig Hall de kaas van het brood te eten en Hall wist dat. Onder deze omstandigheden kan het vooruitzicht zijn cliënten terug te moeten sturen terwijl die van de concurrent vrolijk doorstoten naar de top voor Hall dermate afschrikwekkend zijn geweest dat het zijn rationeel inzicht vertroebelde.
Ik kan er echter niet hard genoeg op hameren dat zowel Hall en Fischer als de anderen onder ons zulke kritieke beslissingen moesten nemen in een toestand van permanent zuurstofgebrek. Bij het overdenken van de vraag hoe deze ramp had kunnen gebeuren, mag men nooit vergeten dat helder denken op 8800 meter hoogte vrijwel onmogelijk is.
Als het kalf verdronken is, kent iedereen de oorzaak. De schok van dit kolossale verlies aan mensenlevens ontketende al snel een vloed aan voorstellen voor maatregelen die genomen kunnen worden om een ramp als deze te voorkomen. Zo was er het voorstel om op de Everest een standaardverhouding van één gids op één cliënt in te voeren; elke cliënt zou dan samen met zijn of haar persoonlijke gids klimmen en te allen tijde met een touw aan deze gids verbonden zijn.
De eenvoudigste manier om een groot aantal sterfgevallen te voorkomen is misschien een verbod op het gebruik van zuurstof in flessen, behalve voor medische doeleinden. Er zouden dan nog altijd enkele roekeloze zielen omkomen bij pogingen de top zonder gas te halen, maar de grote bulk van maar nauwelijks capabele klimmers zouden al door hun lichamelijke beperkingen gedwongen worden terug te keren voor ze hoog genoeg waren geklommen om in werkelijk ernstige problemen te geraken. Een verbod op het gebruik van aanvullende zuurstof zou als bijkomend voordeel hebben dat het de vervuiling zou terugdringen en de drukte op de berg zou verminderen: als ze wisten dat aanvullende zuurstof geen optie was, zouden immers aanmerkelijk minder mensen hun krachten met de Everest durven meten.
Maar de gidsenbusiness op de Mount Everest is nauwelijks aan regels gebonden en het toezicht wordt uitgeoefend door duistere derdewereldbureaucratieën die er in het geheel niet voor zijn toegerust de kwalificaties van gidsen of cliënten te toetsen. Bovendien zijn de twee landen die de toegang tot de piek beheersen – Nepal en China – ontstellend arm. Gezien hun behoefte aan harde valuta hebben de regeringen van beide landen er groot belang bij zo veel dure klimvergunningen uit te geven als de markt maar aankan en is de kans klein dat zij beleidsmaatregelen zullen treffen die hun inkomsten aanmerkelijk zouden inperken.
Onderzoeken wat er in 1996 op de Everest misliep is ongetwijfeld nuttig en zal in het vervolg mogelijk enkele ongelukken helpen voorkomen. Te geloven dat een analyse van de tragische gebeurtenissen tot in elk laatste detail ons ook werkelijk materiaal in handen kan geven om het sterftecijfer significant omlaag te brengen, is echter wishful thinking. De drang om de ontelbare blunders te boekstaven en zo ‘van de gemaakte fouten te leren’ is grotendeels een oefening in ontkenning en zelfbedrog. Als je jezelf ervan kunt overtuigen dat Rob Hall stierf omdat hij een serie domme fouten maakte en jijzelf zo slim bent dat je diezelfde fouten niet zult maken, maakt het je gemakkelijker het nog eens op de Everest te proberen dan wanneer je op grond van nogal wat sterke aanwijzingen zou moeten concluderen dat de poging op zichzelf een domme fout is.
In feite was het slagveld van 1996 namelijk niet veel meer dan ‘business as usual’. Hoewel er in het voorjaarsseizoen een recordaantal mensen de dood vond op de Mount Everest, betekende het dodental van twaalf mensen niet meer dan drie procent van de 398 klimmers die hoger kwamen dan het basiskamp, hetgeen zelfs nog iets lager is dan het gemiddelde sterftecijfer van 3,3 procent. Nog een andere manier om de statistieken te bekijken: tussen 1921 en mei 1996 werd de top 630 maal beklommen en kwamen er 144 mensen om – een verhouding van één op vier. In het voorjaar van 1996 bereikten 84 klimmers de top en stierven er twaalf – een verhouding van één op zeven. In vergelijking met het historisch gemiddelde was 1996 dus in feite een meer-dan-gemiddeld veilig jaar.
De waarheid is, hoe men het ook bekijkt, dat het beklimmen van de Mount Everest altijd een extreem gevaarlijke onderneming is geweest en dat ongetwijfeld altijd zal blijven, of de beklimming nu wordt ondernomen door Himalaya-neofieten die aan de hand van gidsen naar boven worden geleid of door wereld-alpinisten die er alleen met hun gelijken aan beginnen. Men bedenke dat de Everest, alvorens de levens van Rob Hall en Scott Fischer te eisen, reeds een keurkorps van eliteklimmers had weggevaagd, waaronder Peter Boardman, Joe Tasker, Marty Hoey, fake Breitenbach, Mick Burke, Michel Parmentier, Roger Marshall, Ray Genet en George Leigh Mallory.
Wat betreft het slag mensen dat zich naar boven laat vervoeren (waaronder ikzelf) werd het me in 1996 al snel duidelijk dat slechts enkelen onder hen een realistisch beeld hadden van de risico’s die zij liepen, de smalle marge die er boven de 7500 meter nog maar bestaat tussen overleven en sterven. Walter Mitty’s met Everest-dromen moeten één ding in gedachten houden: als er echt iets misgaat in de Zone des Doods – en vroeger of later gebeurt dat – zullen zelfs de sterkste gidsen ter wereld niet altijd in staat zijn het leven van een cliënt te redden. Sterker: zoals de gebeurtenissen van 1996 aantonen zullen de sterkste gidsen ter wereld niet altijd in staat zijn hun eigen leven te redden. Mijn vier teamgenoten stierven niet zozeer omdat Rob Halls opzet niet deugde – een betere was er niet – maar omdat de Everest nu eenmaal met elke opzet korte metten kan maken.
Te midden van alle overwegingen achteraf verliest men maar al te gauw het feit uit het oog dat bergen beklimmen nooit een veilige, voorspelbare, geregelde activiteit zal worden. Het is een onderneming die draait om risico’s en de meest gevierde figuren in deze sport zijn altijd diegenen geweest die hun nek het verst uitstaken en het er toch heelhuids afbrachten. Het ras van de bergbeklimmers onderscheidt zich nu eenmaal niet door een bovenmatige voorzichtigheid. En voor Everest-klimmers geldt dat nog sterker: sommige mensen zullen, zo leert de geschiedenis, als hun de kans wordt geboden de hoogste top op deze planeet te bereiken hun gezonde verstand met een verbluffend gemak overboord gooien.’ Uiteindelijk,’ zegt Tom Hombein 33 jaar na zijn beklimming van de Westgraat, ‘zal zo’n ramp als die zich dit voorjaar op de Everest heeft voorgedaan zich ongetwijfeld herhalen.’
Om illustratiemateriaal te vinden voor de stelling dat er uit de fouten van 10 mei weinig lessen werden getrokken, hoeven we niet verder te kijken dan naar wat er in de weken direct erna op de Mount Everest gebeurde.¬
Op 17 mei, twee dagen nadat Halls team het basiskamp verliet, klommen de Oostenrijker Reinhard Wlasich en een Hongaarse teamgenoot langs de Tibetaanse kant van de berg omhoog naar hun hoogste kamp op de Noordoostgraat, op 8300 meter hoogte, en betrokken daar een tent die was achtergelaten door de noodlottige expeditie uit Ladakh. De volgende ochtend klaagde Wlasich dat hij zich niet goed voelde en verloor al snel het bewustzijn; een Noorse arts die toevallig in de buurt was, concludeerde dat de Oostenrijker aan zowel long- als hersenoedeem leed. Hoewel de arts hem medicijnen en extra zuurstof gaf overleed Wlasich voor middernacht.
Aan de Nepalese kant van de Everest had David Breashears’ IMAX-team zich ondertussen gehergroepeerd en overlegde wat verder te doen. De 5,5 miljoen dollar die in hun filmproject waren geïnvesteerd, vormden een krachtige prikkel om op de berg te blijven en alsnog een toppoging te wagen. Met Breashears, Ed Viesturs en Robert Schauer in hun gelederen hadden ze zonder enige twijfel het sterkste en meest ervaren team op de berg. En hoewel ze de helft van hun zuurstofvoorraad hadden weggegeven aan de klimmers in nood en hun redders, wisten ze daarna van expedities die naar huis gingen nog genoeg gas los te praten om hun voorraden weer vrijwel geheel op peil te brengen.
Paula Barton Viesturs, Eds vrouw, had als leider van het basiskamp voor het IMAX-team aan de radio gezeten toen de ramp zich op 10 mei voltrok. Ze was zowel met Hall als met Fischer bevriend en de gebeurtenissen hadden haar zwaar aangegrepen. Voor haar sprak het vanzelf dat het IMAX-team na een dergelijke tragedie automatisch zijn tenten af zou breken en naar huis gaan. Tot ze een radiogesprek hoorde tussen Breashears en een andere klimmer, waarin de IMAX-leider nonchalant verklaarde dat het team een paar dagen zou gaan uitrusten in het basiskamp en dan op weg zou gaan naar de top.
‘Ik kon niet geloven dat ze dat werkelijk van plan waren, na alles wat er was gebeurd,’ erkent Paula. Toen ik dat radiogesprek hoorde, ging ik gewoon door het lint.’ Ze was zo verontwaardigd dat ze het basiskamp verliet en naar Tengboche liep, waar ze vijf dagen bleef om tot zichzelf te komen.
Woensdag 22 mei arriveerde het IMAX-team in prachtig weer op de Zuidcol en het trok diezelfde nacht verder naar de top. Ed Viesturs, die in de film de hoofdrol speelde, bereikte de top donderdagochtend om 11.00 uur, zonder zuurstof te gebruiken.*
≡ Viesturs had de Everest in 1990 en 1991 ook al zonder gas beklommen. In 1994 haalde hij de top voor de derde keer, met Rob Hall; bij die beklimming werkte hij als gids en gebruikte hij wel zuurstof, omdat hij het niet verantwoord vond het zonder te doen.
Breashears arriveerde twintig minuten na hem, gevolgd door Araceli Segarra, Robert Schauer en Jamling Norgay Sherpa – de zoon van de Tenzing Norgay van het eerste overwinnaarsduo en het negende lid van de Norgaydan dat de top had gehaald. In totaal haalden die dag zestien klimmers de top, waaronder ook Göran. Kropp, de Zweed die naar Nepal was komen fietsen, en Ang Rita Sherpa, die bij aankomst zijn tiende geslaagde beklimming kon vieren.
Onderweg omhoog was Viesturs langs de bevroren lichamen van Fischer en Hall geklommen. ‘Zowel Jean (Fischers vrouw) als Jan (Halls vrouw) had me gevraagd om wat persoonlijke spullen voor hen mee te brengen,’ zei Viesturs schaapachtig. ‘Ik wist dat Scott zijn trouwring aan een kettinkje om zijn hals droeg en ik wilde hem meenemen voor Jeannie, maar ik kon mezelf er niet toe brengen aan zijn lijf te gaan frunniken. Ik kon het gewoon niet.’ In plaats van souvenirs te verzamelen was Viesturs tijdens zijn afdaling een tijdje alleen naast Scott gaan zitten. ‘Hey, Scott, how you doing?’ had hij zijn vriend gevraagd. ‘Wat is er gebeurd, man?’
Vrijdagmiddag 24 mei ontmoette het IMAX-team bij de Gele Band, onderweg omlaag van kamp 4 naar kamp 2, het clubje dat nog van het Zuid-Afrikaanse team over was: Ian Woodall, Cathy O’Dowd, Bruce Herrod en drie sherpa’s. Zij waren onderweg naar de Zuidcol voor hun toppoging. ‘Bruce zag er sterk uit, keek fris uit zijn ogen,’ herinnert Breashears zich. ‘Hij schudde me heel stevig de hand, feliciteerde ons en zei dat hij zich geweldig voelde. Ian en Cathy lagen een half-uur op hem achter; zij stonden diep over hun pickels gebogen, helemaal kapot.
Ik bleef expres een tijdje met hen staan praten,’ gaat Breashears verder. ‘Ik wist dat ze maar heel weinig ervaring hadden, dus ik zei: ‘Wees alsjeblieft voorzichtig. Je hebt gezien wat er hier twee weken geleden is gebeurd. Denk eraan dat de top bereiken nog vrij gemakkelijk is; weer naar beneden komen, dat is pas moeilijk’.’
De Zuid-Afrikanen vertrokken diezelfde nacht naar de top. O’Dowd en Woodall verlieten de tenten twintig minuten na middernacht met de sherpa’s Pemba Tendi, Ang Dorje* en Jangbu, die de zuurstof voor hen droegen.
≡ Zoals gezegd: de sherpa genaamd Ang Dorje in het Zuid-Afrikaanse team was een ander dan de Ang Dorje in het team van Rob Hall.
Herrod schijnt het kamp slechts enkele minuten na deze groep te hebben verlaten, maar naarmate de beklimming vorderde raakte hij steeds verder achter. Om 9.50 uur belde Woodall die zaterdag 25 mei met Patrick Conroy, die de radio in het basiskamp bemande, en meldde hem dat hij met Pemba op de top stond en dat O’Dowd, Ang Dorje en Jangbu er binnen een kwartier ook zouden zijn. Woodall zei dat Herrod, die geen radio bij zich had, op een onbekende afstand volgde.
Herrod, die ik op de berg verschillende malen had ontmoet, was een aimabele beer van 37 jaar oud. Hoewel hij geen ervaring had op grote hoogten, was hij een bekwaam alpinist en had hij achttien maanden doorgebracht in de ijswoestijn van Antarctica, waar hij als geofysicus had gewerkt Hij stak als bergbeklimmer met kop en schouders uit boven de andere overgebleven leden van het Zuid-Afrikaanse team. Sinds 1988 had hij hard moeten werken om als freelance fotograaf het hoofd boven water te houden en hij hoopte dat het bereiken van de Everest-top zijn carrière een flinke stoot zou geven.
Naar later zou blijken lag Herrod op het moment dat Woodall en O’Dowd op de top stonden nog ver achter en ploegde hij in zijn eentje gevaarlijk langzaam langs de Zuidoostgraat omhoog. Rond 12.30 uur ontmoette hij Woodall, O’Dowd en de drie sherpa’s, die op weg terug waren. Ang Dorje gaf Herrod een radio en legde hem uit waar ze voor hem een zuurstoffles hadden achtergelaten, toen vervolgde Herrod alleen zijn weg naar de top. Deze bereikte hij pas iets na 17.00 uur, zeven uur na de anderen, die ondertussen al weer in hun tent op de Zuidcol zaten.
Toevallig had Conroy in het basiskamp op het moment dat Herrod hem opriep om te melden dat hij de top had bereikt juist Herrods vriendin Sue Thompson aan de telefoon, die hem vanuit Londen opbelde. ‘Toen Patrick me vertelde dat Bruce op de top zat,’ herinnert Thompson zich, ‘zei ik: ‘Fuck! Dat is toch veel te laat – het is kwart over vijf! Dat bevalt me helemaal niet’.’
Een ogenblik later schakelde Conroy Sue Thompson door naar Herrod op de top van de Everest. ‘Bruce klonk compos mentis,’ zegt ze. ‘Hij wist dat hij er erg lang over had gedaan, maar hij klonk normaal, voor zover iemand op die hoogte normaal kan klinken als hij zonder zijn zuurstofmasker op zit te telefoneren. Hij klonk nog niet eens erg buiten adem.’
Hoe dan ook had het Herrod zeventien uur gekost om van de Zuidcol naar de top te klimmen. Er was weliswaar weinig wind, maar de wolken trokken boven op de berg samen en de zon zou spoedig ondergaan. Daar zat bij helemaal alleen op het dak van de wereld, doodmoe en zonder, of bijna zonder zuurstof. ‘Dat hij daar zo laat nog zat, met niemand in de buurt, was krankzinnig,’ zegt zijn toenmalige teamgenoot Andy de Klerk. ‘Daar staat je verstand volkomen bij stil.’
Herrod was vanaf de avond van 9 mei tot en met 12 mei op de Zuidcol geweest. Hij had de woeste storm die er die dagen stond meegemaakt, had de wanhopige hulpkreten over de radio gehoord en Beck Weathers bijna zien sterven aan zijn bevriezingen. Al vroeg tijdens zijn klim op 2; mei was Herrod vlak langs het lijk van Scott Fischer gekomen en uren later moest hij bij de Zuidtop praktisch over Rob Halls dode benen zijn gestruikeld. Blijkbaar was Herrod van het zien van deze doden niet erg onder de indruk geraakt, want hij was ondanks zijn trage tempo en het late uur onverzettelijk doorgeploeterd.
Na zijn boodschap vanaf de top om 17.15 uur was er geen radiocontact meer met Bruce Herrod. ‘We zaten in kamp 4 op hem te wachten en de radio stond continu open,’ verklaarde O’Dowd in een interview met de Mail & Guardian in Johannesburg. ‘We waren ontzettend moe en uiteindelijk viel iedereen in slaap. Toen ik de volgende ochtend rond 5.00 uur wakker werd en we nog niets van hem hadden gehoord, wist ik dat we hem verloren hadden.’
Bruce Herrod is ongetwijfeld dood, de twaalfde in dit seizoen.♦