Seattle, 29 november 1996, 80 meter
Thans droom ik van de zachte aanraking van vrouwen, van het gezang van vogels, van de geur van aarde die tussen mijn vingers verkruimelt, van het schitterende groen van planten die ik met toewijding verzorg. Ik wil graag een stuk land kopen en daar wil ik herten hebben en wilde zwijnen en vogels en populieren en platanen; en ik wil een vijver aanleggen en daar komen eenden in, en vissen die in de vroege avondschemering aan de oppervlakte naar insecten komen happen. Er komen paden in dit bos en jij en ik zullen verdwalen in de vage bochten en glooiingen van het terrein. We komen bij de waterkant en vlijen ons neer op het gras, en er staat een klein, onopvallend bord met het opschrift: dit is het echte leven, muchachos, en we zitten er allemaal middenin – b. traven…
Charles Bowden – Blood Orchid
Verschillende mensen die in mei 1996 de Everest op zijn geweest, vertelden mij dat ze erin zijn geslaagd de tragedie van zich af te zetten. Half november ontving ik een brief van Lou Kasischke waarin hij schreef:
Het duurde in mijn geval een paar maanden voordat ik de positieve kanten ervan begon te zien. Maar uiteindelijk zag ik ze wel. De Everest is het ergste wat ik in mijn leven heb meegemaakt. Maar dat was toen. Nu is nu. Ik kijk nu vooral naar het positieve. Ik heb een aantal belangrijke dingen geleerd over het leven, over anderen en over mijzelf. Ik heb het idee dat ik nu een scherpere kijk op het leven heb. Ik zie nu dingen die ik vroeger nooit zag.
Lou was net terug van een weekend bij Beck Weathers in Dallas. Nadat hij per helikopter van de Westelijke Cwm was afgevoerd was Becks rechterarm geamputeerd tot halverwege onder de elleboog. Alle vijf vingers van zijn linkerhand waren afgezet. Zijn neus was eveneens afgezet en gereconstrueerd met weefsel van zijn oor en voorhoofd. Lou beschouwde zijn bezoek aan Beck als;
…triest en opbeurend tegelijk. Het doet pijn om Beck zo te zien: verbouwde neus, littekens in het gezicht, invalide voor het leven, zich afvragend of hij ooit weer als arts aan de slag kan. Maar het was ook treffend om te zien hoe een man dat allemaal kan accepteren en bereid is door te gaan in het leven. Beck vecht voor wat hij waard is. En hij zal het redden.
Beck had alleen maar goede woorden over voor iedereen. Beck doet niet aan zwartmakerij. Misschien was je het niet helemaal eens met Becks politieke denkbeelden, maar je zou net als ik een enorme bewondering koesteren voor de manier waarop hij hiermee omgaat Er komt een dag, hoe dan ook, dat dit alles ook voor Beck positief zal uitwerken.
Ik vind het hartverwarmend dat mensen als Beck en Lou kennelijk in staat zijn hun lotgevallen van een positieve kant te benaderen. Ik benijd die mensen ook een beetje. Misschien dat ik over een tijd ook iets goeds kan ontdekken dat uit al dit leed voortkomt, maar op dit moment kan ik dat nog niet.
Op het moment dat ik deze woorden schrijf ben ik net een half jaar terug uit Nepal en in die zes maanden is er geen dag voorbijgegaan zonder dat mijn gedachten volledig in beslag werden genomen door de Everest – twee, hooguit drie uur kan ik me met iets anders bezighouden. Zelfs in mijn slaap kan ik het niet loslaten: beelden van de beklimming en wat er daarna gebeurde blijven ook in mijn dromen voorbijschieten.
Nadat mijn artikel over de expeditie was gepubliceerd in het septembernummer van Outside kwamen er ongekend veel reacties op het stuk binnen bij de redactie. In veel brieven werd steun en waardering geuit voor de klimmers die waren teruggekomen, maar er zat ook ontzettend veel vernietigende kritiek bij. Zo schreef een advocaat uit Florida:
Alles wat ik kan zeggen is dat ik het met de heer Krakauer eens ben als hij zegt: ‘Mijn handelen – of onvermogen te handelen – speelde een directe rol in de dood van Andy Harris.’ Ik ben het ook met hem eens als hij zegt dat ‘[hij] in een tent lag, nauwelijks driehonderd meter [verderop], en absoluut niets deed…’ Ik snap niet dat hij met zichzelf kan leven.
De booste brieven – en verreweg de pijnlijkste – kwamen van familieleden van de overledenen. De zus van Scott Fischer, Lisa Fischer-Luckenbach, schreef:
Op basis van jouw geschreven woorden zou je denken dat jij de bovennatuurlijke gave bezit precies te weten wat er omging in het hoofd en het hart van iedere individuele deelnemer aan de expeditie. Nu jij weer thuis bent, levend en wel, heb je je een oordeel gevormd over de oordelen van anderen, heb je hun intenties, gedragingen, persoonlijkheden en motivaties geanalyseerd. Je hebt becommentarieerd wat de leiders, de sherpa’s, de cliënten HADDEN MOETEN doen, hen op arrogante wijze beschuldigd en op hun fouten gewezen. Allemaal woorden van Jon Krakauer, die toen hij het onheil voelde naderen terugging naar zijn tent om zijn eigen hachje te redden. (…) Besef wel waar je mee bezig bent als je pretendeert dat je ALLES WEET. Je had al ongelijk met je SPECULATIE over wat er met Andy Harris is gebeurd, waardoor je veel verdriet en leed veroorzaakte bij zijn familie en vrienden. En nu heb je Lopsang ook nog door het slijk gehaald met je roddelpraatjes over hem. Wat ik tussen de regels door lees, is jouw EIGEN ego dat verwoede pogingen doet iets zinnigs te zeggen over wat er is gebeurd. Geen van die analyses, kritieken, oordelen en hypotheses van jou zullen je de rust geven die je zoekt Er zijn geen antwoorden. Er zijn geen schuldigen. Er valt niemand iets te verwijten. Iedereen heeft op dat moment en onder die omstandigheden gedaan wat hij kon.
Niemand wilde dat er iemand iets ergs zou overkomen. Niemand wilde doodgaan.
Dit laatste schrijven kwam extra hard aan omdat ik het ontving vlak nadat ik had vernomen dat de naam van Lopsang Jangbu moest worden toegevoegd aan de lijst van slachtoffers. In augustus, nadat de moesson was weggetrokken uit het Himalaya-gebergte, was Lopsang teruggekeerd naar de Everest om een Japanse dient te gidsen op de route via de Zuidcol en de Zuidoostgraat. Op 25 september klom Lopsang met een andere sherpa en een Franse klimmer van kamp 3 naar kamp 4 om de aanval op de top te openen. Net onder de Geneefse Pijler werden zij overvallen door een lawine van massieve plakken ijs en sneeuw en van de Lhotse-flank afgesmeten, een wisse dood tegemoet. Lopsang liet een jonge vrouw en een baby van twee maanden achter in Kathmandu.
Er was nog meer slecht nieuws. Op 17 mei klom Anatoli Boukreev, die van de Everest was afgedaald en slechts twee dagen rust had genomen in het basiskamp, in zijn eentje naar de top van de Lhotse. ‘Ik ben moe,’ vertelde hij mij, ‘maar ik ga voor Scott.’ In het kader van zijn plan de veertien achtduizendmeter-toppen van de wereld te beklimmen reisde Boukreev in september naar Tibet en beklom zowel de Cho Oyu als de 8013 meter hoge Shisha Pangma. Maar half november was hij tijdelijk thuis in Kazachstan, waar hij betrokken raakte bij een busongeluk. De chauffeur overleed en Anatoli raakte zwaar gewond aan het hoofd, waarbij één oog ernstig en mogelijk permanent werd beschadigd.
Op 14 oktober 1996 werd het volgende bericht verzonden op het Internet als onderdeel van een Zuid-Afrikaanse forumdiscussie over de Everest:
Ik ben een sherpa-wees. Mijn vader is in de Khumbu-ijsval omgekomen toen hij lading vervoerde voor een expeditie aan het einde van de jaren zestig. Mijn moeder stierf vlak onder Pheriche toen haar hart het begaf onder het gewicht van de lading die zij droeg voor een andere expeditie in 1970. Drie van mijn broers en zussen stierven door verschillende oorzaken en mijn zus en ik werden naar pleeggezinnen in Europa en Amerika gestuurd.
Ik ben nooit teruggegaan naar mijn vaderland, omdat er naar mijn idee een vloek op rust. Mijn voorouders waren naar de Solu Khumbu-streek gekomen als vluchtelingen voor de vervolging in de laaglanden. Zij konden onderduiken in de schaduw van de ‘Sagarmathaji’, de ‘moedergodin der aarde’. Als tegenprestatie werd van hen verwacht dat ze het heiligdom zouden beschermen tegen indringers.
Maar mijn mensen deden het precies omgekeerd. Zij gingen buitenstaanders juist op weg helpen in het heiligdom, zodat het lichaam van de godin van top tot teen kon worden geschonden. Men ging boven op haar staan, kraaide victorie en bezoedelde haar boezem. Sommigen moesten het met de dood bekopen, anderen ontsnapten ternauwernood of offerden andere levens op. (…)
Ik denk dus dat zelfs de sherpa’s schuld hebben aan het drama op de ‘Sagarmatha’ in 1996. Ik heb geen spijt dat ik niet ben teruggegaan, want ik weet dat de mensen in het gebied ten dode opgeschreven zijn, net als die rijke, arrogante buitenstaanders die denken dat ze de wereld kunnen veroveren. Denk maar eens aan de Titanic. Zelfs het onzinkbare schip zonk en wat zijn dwaze stervelingen als Weathers, Pittman, Fischer, Lopsang, Tenzing, Messner, Bonington dan in het aangezicht van de ‘Hoedergodin’. Daarom heb ik gezworen dat ik nooit zou teruggaan naar mijn vaderland, dat ik nooit zou meedoen aan die heiligschennis.
De Everest schijnt veel levens te hebben verziekt. Veel relaties gingen kapot. De vrouw van een van de slachtoffers is in het ziekenhuis opgenomen wegens depressiviteit. Een teamgenoot die ik laatst sprak, vertelde dat zijn leven een zootje was geworden. Zijn huwelijk dreigde op de klippen te lopen omdat hij zijn ervaringen van de expeditie maar niet kon verwerken. Hij kon zich niet concentreren op zijn werk, zei hij, en hij was beschimpt en beledigd door mensen die hij niet kende.
Bij terugkomst in Manhattan merkte Sandy Pittman dat zij als bliksemafleider diende voor de woede van het publiek over wat er op de Everest was gebeurd. Het tijdschrift Vanity Fair publiceerde in augustus 1996 een vernietigend stuk over haar. Een cameraploeg van het sensatie-beluste tv-programma Hard Copy belegerde haar buiten haar appartement. De schrijver Christopher Buckley gebruikte haar beproevingen op grote hoogte voor de clou van een grap op de achterkant van The New Yorker. Rond de herfst was de situatie zo erg geworden dat ze moest uithuilen bij een vriend omdat haar zoon werd uitgelachen en gemeden door zijn klasgenoten op de particuliere school. De felheid van de collectieve woede over wat er op de Everest was gebeurd – en het feit dat zoveel van die woede op haar werd botgevierd – was voor Pittman een complete verrassing en bracht haar helemaal van haar stuk.
Wat Neal Beidleman betreft, hij heeft vijf cliënten van de berg afgeholpen en daarmee hun leven gered, maar hij wordt nog steeds achtervolgd door een sterfgeval dat hij niet kon voorkomen, de dood van een cliënt die niet in zijn team zat en voor wie hij dus officieel niet eens verantwoordelijk was.
Ik praatte wat bij met Beidleman toen we weer enigszins waren gewend aan ons thuis-stekje en hij vertelde hoe het was geweest op de Zuidcol, waar hij zijn groep bijeenhield in de vreselijke storm, wanhopig proberend om iedereen in leven te houden. ‘Zodra de hemel helder genoeg was om ons een idee te geven waar het kamp was,’ vertelde hij, ‘ging ik van ‘Hé, deze onderbreking duurt misschien maar kort, dus laten we gaan!’ Ik schreeuwde tegen iedereen dat we moesten gaan, maar het was duidelijk dat sommige mensen de kracht niet meer hadden om te lopen of zelfs maar te staan.
Er waren mensen aan het huilen. Ik hoorde iemand schreeuwen: ‘Laat me hier niet doodgaan!’ Het was duidelijk dat het nu of nooit was. Ik probeerde Yasuko overeind te helpen. Ze pakte mijn arm vast, maar ze was te zwak om verder dan tot haar knieën op te staan. Ik begon te lopen en sleepte haar twee passen met me mee, maar toen verslapte haar greep en viel ze weg. Ik moest doorgaan. Er moest iemand bij de tenten zien te komen om hulp te halen, anders zou iedereen doodgaan.’
Beidleman hield even stil. ‘Maar ik moet steeds maar aan Yasuko denken,’ vervolgde hij met gedempte stem. ‘Ze was zo klein. Ik voel haar vingers nog steeds langs mijn biceps glijden en dan loslaten. Ik heb niet één keer omgekeken.’♦