Hoofdstuk 1

 

JORDAN

 

 

 

APRIL 1946

SELKIE LAKE, DRIE UUR TEN WESTEN VAN BOSTON

 

‘Wie is ze, pap?’

Jordan McBride had haar vraag perfect getimed: halverwege het uitgooien keek haar vader verrast op, waardoor zijn vislijn niet in het meer belandde, maar in de takken van een overhangende esdoorn. Haar camera klikte precies op het moment dat er een komisch verschrikte uitdrukking op zijn gezicht verscheen. Ze lachte toen hij drie of vier woorden zei en haar daarna opdroeg die meteen weer te vergeten.

‘Ja, sir.’ Natuurlijk had ze al zijn vloekwoorden al eens gehoord. Dat gebeurde nou eenmaal als je de enige dochter was van een weduwnaar die tijdens mooie weekenden in het voorjaar met jou ging vissen, in plaats van met de zoon die hij nooit had gehad.

Haar vader stond op van het uiteinde van de vissteiger en trok zijn vislijn los.

Zij bracht de Leica omhoog om nog een foto te maken van zijn donkere silhouet dat afstak tegen de vederlichte beweging van de bomen en het water. Later zou ze in de donkere kamer wel met het beeld spelen, kijken of ze de bladeren een wazig effect kon geven, zodat het leek alsof ze nog steeds bewogen op de foto…

‘Kom op, pap,’ drong ze aan. ‘Vertel eens over die mysterieuze vrouw.’

Hij zette zijn vale petje van de Red Sox recht. ‘Welke mysterieuze vrouw?’

‘Die vrouw met wie je volgens je winkelbediende uit eten bent geweest, op die avonden dat je zei dat je moest overwerken.’ Hoopvol hield ze haar adem in. Ze kon zich de laatste keer dat haar vader een afspraakje had gehad niet heugen. Die enkele keer dat hij met haar naar de kerk ging, waren er altijd wel vrouwen die na de mis met hun gehandschoende handen naar hem wuifden, maar tot haar teleurstelling leek hij nooit belangstelling te hebben.

‘Ach, het stelt niet zo veel voor…’ Ook al draaide hij nog zo om de hete brij heen, Jordan liet zich niet voor de gek houden. Zij en haar vader leken op elkaar; ze had genoeg foto’s gemaakt om de gelijkenis te zien: allebei een rechte neus, symmetrische wenkbrauwen en donkerblond haar dat kortgeknipt schuilging onder de pet van haar vader en in een slordige paardenstaart onder de hare vandaan kwam. Nu ze bijna achttien was, waren ze zelfs even lang: gemiddeld voor hem en lang voor een meisje. Maar behalve dat ze fysiek op elkaar leken, kénde ze haar vader. Ze waren al sinds haar zevende met zijn tweetjes, toen haar moeder was gestorven, en ze wist dat Dan McBride moed verzamelde om haar iets belangrijks te vertellen.

‘Pap,’ drong ze aan, ‘voor de draad ermee.’

‘Ze is weduwe,’ zei hij uiteindelijk. Tot Jordans genoegen bloosde hij. ‘Mrs. Weber kwam drie maanden geleden voor het eerst naar de winkel.’ Doordeweeks stond haar vader in een driedelig pak en boordevol kennis achter de toonbank van McBride’s Antiques in Newbury Street. ‘Ze was net in Boston aangekomen en wilde haar juwelen verkopen om rond te kunnen komen. Een paar gouden kettingen en medaillons, niet veel bijzonders. Maar ze had ook een snoer met grijze parels, een prachtexemplaar. In het begin hield ze zich goed, maar toen ze afstand moest doen van de parels, begon ze te huilen.’

‘Laat me raden. Je hebt ze teruggegeven en nog een schepje boven op de vergoeding voor de andere sieraden gedaan zodat ze alsnog met hetzelfde bedrag de deur uit ging.’

Hij haalde de vislijn in. ‘En met een uitnodiging voor een etentje.’

‘Goed gedaan, Errol Flynn! Vertel verder.’

‘Ze komt uit Oostenrijk, maar heeft Engels gestudeerd, dus ze spreekt het bijna perfect. Haar man is in ’43 omgekomen in de oorlog –’

‘Aan welke kant vocht hij?’

‘Dat doet er nu niet meer toe, Jordan. De oorlog is voorbij.’ Hij deed nieuw aas aan de haak. ‘Ze heeft de juiste papieren geregeld om naar Boston te komen, maar het is zwaar voor haar geweest. Ze heeft ook een dochtertje.’

‘Echt waar?’

‘Ruth. Vier jaar, zegt amper een woord. Echt een schatje.’ Hij tikte Jordans pet even aan. ‘Je vindt haar vast geweldig.’

‘Dus het is al serieus,’ zei ze geschrokken. Anders had die vrouw hem natuurlijk nooit voorgesteld aan haar kind. Maar hoe serieus?

‘Mrs. Weber is een lieve vrouw.’ Hij wierp zijn hengel uit. ‘Ik heb haar voor volgende week uitgenodigd voor een etentje bij ons thuis, haar en Ruth. Dan kunnen we met zijn vieren eten.’ Hij keek haar behoedzaam aan, alsof hij verwachtte dat ze haar stekels zou opzetten.

En ergens was dat ook zo, moest ze toegeven. Tien jaar lang was ze alleen met haar vader geweest, ze waren maatjes geworden en hadden een band die maar weinig van haar vriendinnen met hun vader hadden… Maar behalve die bezitterige reflex was er ook opluchting. Hij had een vrouw in zijn leven nodig, dat wist ze al jaren. Iemand met wie hij kon praten, iemand die hem op zijn kop gaf als hij zijn spinazie niet opat. Iemand anders op wie hij kon steunen.

Als hij nog iemand in zijn leven heeft, houdt hij misschien niet zo koppig vol dat je niet mag gaan studeren, fluisterde een stem in haar hoofd, maar die gedachte schoof ze snel aan de kant. Nu moest ze blij zijn voor haar vader, niet hopen dat zij er beter van zou worden. Bovendien was ze écht blij voor hem. Ze fotografeerde hem nu al jaren en hoe breed hij ook naar de lens glimlachte, als de foto’s uit de ontwikkelvloeistof kwamen, lieten de groeven in zijn gezicht alleen maar eenzaamheid zien.

‘Ik kan niet wachten om haar te ontmoeten,’ zei ze oprecht.

‘Ze komt woensdag om zes uur, met Ruth.’ Met een onschuldige blik voegde hij eraan toe: ‘Als je wilt, kun je Garrett ook uitnodigen. Die hoort ook bij de familie. Of althans, wat niet is, kan nog komen…’

‘Lekker subtiel, pap.’

‘Hij is een prima knul. En zijn ouders zijn dol op je.’

‘Straks gaat hij studeren. Dan heeft hij misschien niet meer zo veel tijd voor zijn vriendinnetje van de middelbare school. Al zou ik natuurlijk samen met hem naar Boston University kunnen gaan,’ begon ze voorzichtig. ‘Daar geven ze ook colleges over fotografie.’

‘Leuk geprobeerd, dametje.’ Haar vader keek uit over het meer. ‘De vissen happen niet.’

En dat gold ook voor hem.

Toen ze terugliepen naar de oever, keek Taro, haar zwarte labrador, op van haar zonnige plekje op de steiger. Jordan maakte een foto van hun silhouet op het door het water kromgetrokken hout en vroeg zich af hoe het eruit zou zien met víér silhouetten. Alstublieft, bad ze tot de onbekende Mrs. Weber, wees alstublieft aardig.

 

Een ranke, uitgestoken hand, een paar glimlachende blauwe ogen. ‘Wat leuk je eindelijk te ontmoeten.’

Jordan schudde de hand van de vrouw die haar vader zojuist de woonkamer in had geloodst. Anneliese Weber was klein en slank. Haar donkere haar was in haar nek vastgezet in een glanzende knot en het enige sieraad dat ze droeg was een grijs parelsnoer. Een donkere bloemenjurk, gestopte maar smetteloze handschoenen; ingetogen elegantie met een vleugje verval. Haar gezicht was jong – volgens Jordans vader was ze achtentwintig – maar haar ogen zagen er ouder uit. Dat was ook niet zo verwonderlijk. Ze was een oorlogsweduwe met een jong kind, die in een nieuw land opnieuw probeerde te beginnen.

‘Het is heel aangenaam met u kennis te maken,’ zei Jordan oprecht. ‘Dit moet Ruth zijn!’ Naast Anneliese stond een schattig meisje met blonde vlechtjes, een blauwe jas en een ernstig gezichtje. Jordan stak haar hand uit, maar Ruth deinsde terug.

‘Ze is verlegen,’ zei Anneliese verontschuldigend. Haar stem was helder en laag, vrijwel zonder een spoor van een Duits accent. Alleen de V’s sprak ze een beetje zacht uit. ‘Haar leventje is flink overhoop gehaald.’

‘Op jouw leeftijd moest ik ook niets van vreemde mensen hebben,’ zei Jordan tegen Ruth. Dat was niet waar, maar iets aan dat bange gezichtje maakte dat ze haar op haar gemak wilde stellen. Ze kon ook niet wachten om een foto van Ruth te maken. Die bolle wangen en blonde vlechten zouden het prachtig doen voor de camera.

Jordans vader nam de jassen aan en ze haastte zich naar de keuken om naar het gehaktbrood te kijken. Tegen de tijd dat ze terugkwam en de theedoek lostrok die ze om haar middel had gebonden om haar zondagse groene tafzijden jurk te beschermen, had haar vader de drankjes al ingeschonken. Ruth zat met een glas melk op de bank, terwijl Anneliese van haar sherry nipte en de kamer eens goed bekeek. ‘Wat een prachtig huis hebben jullie. Je bent nog jong om het huishouden voor je vader bij te houden, Jordan, maar je doet het erg goed.’

Vriendelijk dat ze daarover loog, dacht Jordan goedkeurend. In huize McBride was het altijd een rommeltje. Het was een smal huis van bruinrode zandsteen, drie verdiepingen hoog, in een goede buurt in South Boston. De trappen waren steil, de banken versleten en comfortabel, de vloerkleden lagen altijd scheef.

Anneliese leek haar met haar kaarsrechte rug en onberispelijke kapsel niet het type dat het kon waarderen als er iets scheef lag, maar ze keek goedkeurend om zich heen. ‘Heb jij die gemaakt?’ Ze gebaarde naar een foto van het Boston Common-park, in nevelen gehuld en gemaakt vanuit een hoek waardoor alles er bovenaards uitzag, als een droomlandschap. ‘Je vader zei al dat je een fanatiek… Hoe zeg je dat ook alweer? Kiekjesmaker bent?’

‘Ja.’ Jordan grijnsde. ‘Zou ik straks een foto van u mogen maken?’

‘Moedig haar maar niet aan.’ Jordans vader voerde Anneliese met een tedere hand op haar onderrug mee naar de bank en glimlachte. ‘Jordan staart al veel te vaak door een lens.’

‘Beter dan in de spiegel of naar een bioscoopscherm,’ reageerde Anneliese onverwacht. ‘Jonge meisjes moeten zich met meer bezighouden dan met lippenstift en giechelen, anders groeien ze van dwaze meisjes uit tot nog dwazere vrouwen. Neem je daar lessen voor, voor fotograferen?’

‘Als het even kan.’ Sinds Jordan veertien was, schreef ze zich in voor alle fotografiecursussen die ze van haar zakgeld kon betalen en sloop ze soms een collegezaal binnen als ze een docent trof die een oogje wilde dichtknijpen wanneer er een onhandige middelbarescholier op de achterste rij aanschoof. ‘Ik neem les, doe aan zelfstudie en oefen veel.’

‘Om ergens goed in te worden, moet je het serieus nemen,’ zei Anneliese goedkeurend.

Er verspreidde zich een warme gloed door Jordans borst. Serieus, dat was mooi. Haar vader nam haar fotografie nooit serieus. ‘Dat gerommel met die camera,’ zei hij altijd hoofdschuddend. ‘Ach, daar groei je wel overheen.’ Op haar vijftiende had ze gezegd dat ze er nooit overheen zou groeien. Dat ze de volgende Margaret Bourke-White wilde worden.

‘Margaret wie?’ had hij gereageerd. Hij lachte er vriendelijk bij, maar hij had wel gelachen.

Anneliese lachte niet toen ze met een goedkeurend knikje naar Jordans foto keek.

Voor het eerst stond Jordan zichzelf toe om te bedenken hoe het zou zijn om een stiefmoeder te hebben.

Aan de eettafel, die Jordan had gedekt met hun zondagse servies, stelde Anneliese vragen over de antiekwinkel, terwijl Jordans vader haar bord volschepte met de lekkerste stukjes van alles. ‘Ik ken een uitstekende methode om gekleurd glas te laten glanzen,’ merkte ze op toen het over een stel Tiffany-lampen van een executieverkoop ging. Ze corrigeerde rustig hoe Ruth haar vork vasthield en luisterde naar Jordan, die het over het aankomende schoolbal had. ‘Zo’n mooi meisje als jij heeft vast al een afspraakje.’

‘Met Garrett Byrne,’ was haar vader Jordan voor. ‘Een aardige jongeman die zich aan het eind van de oorlog heeft aangemeld als piloot. Alleen is hij nooit ten strijde getrokken. Hij werd op medische gronden ontslagen omdat hij tijdens de training zijn been gebroken had. Zondag kun je hem zien, als je met ons mee wilt naar de kerk.’

‘Heel graag. Ik doe enorm mijn best om vrienden te maken in Boston. Gaan jullie elke week?’

‘Natuurlijk.’

Jordan kuchte in haar servet. Zij en haar vader gingen hooguit twee keer per jaar naar de kerk, met Pasen en met Kerstmis, maar nu zat hij daar aan het hoofd van de tafel als het toonbeeld van vroomheid. Anneliese glimlachte en zag er ook vroom uit, en Jordan mijmerde over nieuwbakken stelletjes die zich van hun beste kant wilden laten zien. Dit gedrag zag ze elke dag op school, maar kennelijk was de oudere generatie precies zo. Misschien zat daar wel een foto-essay in: een serie van vergelijkende foto’s met stellen van allerlei leeftijden, waarin ze de gelijkenissen benadrukte die boven leeftijd uitstegen. Met de juiste titel en onderschriften zou het stuk misschien wel goed genoeg zijn om aan te bieden aan een tijdschrift of krant…

De borden werden afgeruimd, de koffie kwam op tafel. Jordan sneed de Boston cream pie aan die Anneliese had gekocht. ‘Al snap ik niet waarom jullie dit pie noemen,’ zei ze met pretlichtjes in haar blauwe ogen. ‘Dit is een cake, iets anders maak je mij als Oostenrijkse niet wijs. In Oostenrijk hebben we verstand van cake.’

‘U spreekt echt ontzettend goed Engels,’ durfde Jordan te zeggen. Van Ruth wist ze het nog niet, want die had tot nu toe geen woord gezegd.

‘Ik heb Engels gestudeerd. En mijn man sprak vaak Engels voor zijn werk, dus ik heb veel met hem geoefend.’

Het liefst had Jordan gevraagd wat er met haar man was gebeurd, maar haar vader wierp haar een waarschuwende blik toe.

Van tevoren had hij haar al duidelijke instructies gegeven: ‘Je mag Mrs. Weber niet naar de oorlog of naar haar man vragen. Ze heeft me heel duidelijk gemaakt dat dat een pijnlijke periode voor haar was.’

‘Maar wil je dan niet alles van haar weten?’ Hoezeer ze haar vader ook een bijzondere vrouw in zijn leven gunde, het moest wel de juiste vrouw zijn. ‘Wat is daar zo verkeerd aan?’

‘Mensen zijn niet verplicht om oud zeer op te rakelen of hun vuile was buiten te hangen, alleen omdat jij nieuwsgierig bent,’ had hij gezegd. ‘Niemand wil het over een oorlog hebben nadat hij die zelf heeft meegemaakt, Jordan. Dus ik wil niet dat je haar kwetst door je neus in haar zaken te steken, of door indianenverhalen te verzinnen.’

Daar had ze om moeten blozen. Indianenverhalen verzinnen, daar had ze tien jaar geleden een handje van gehad. Toen de moeder die ze zich amper kon herinneren in het ziekenhuis was opgenomen, was de zevenjarige Jordan naar een goedbedoelende onbenul van een tante gestuurd die had gezegd dat haar moeder weg was, maar niet wilde vertellen waarheen. Dus had Jordan elke dag een ander verhaaltje verzonnen. Ze is melk gaan halen. Ze is naar de kapper. Toen haar moeder maar niet terugkwam, werden de verhalen steeds wilder. Ze is naar een bal gegaan, net als Assepoester. Ze is naar Californië verhuisd om filmster te worden. Tot haar vader huilend was thuisgekomen en had gezegd dat haar moeder naar de engeltjes was gegaan. Jordan begreep niet waarom zijn verhaal het ware verhaal mocht zijn, dus bleef ze zelf verhaaltjes verzinnen. ‘Jordan altijd met die indianenverhalen,’ had haar leraar voor de grap gezegd. ‘Hoe komt ze daar toch bij?’

Ze had kunnen zeggen: ‘Omdat niemand me de waarheid heeft verteld. Omdat niemand heeft gezegd dat ze ziek was en dat ik niet naar haar toe mocht omdat het besmettelijk kon zijn. Daarom ben ik maar betere verhalen gaan verzinnen om die leegte te vullen.’

Misschien had ze zich daarom op haar negende zo gretig op haar eerste kodak gestort. In foto’s vielen er geen gaten, het was niet nodig om ze aan te vullen met verhalen. Als ze een camera had, hoefde ze geen verhaaltjes op te hangen; dan kon ze de waarheid vertellen.

Taro drentelde de woonkamer in, waardoor haar gedachten werden verstoord. Voor het eerst zag ze de kleine Ruth een beetje opleven. ‘Hund!’

‘In het Engels, Ruth,’ zei haar moeder.

Maar Ruth zat al op de vloer en stak verlegen haar handjes uit. ‘Hund,’ fluisterde ze, terwijl ze Taro over haar oren aaide.

Jordan smolt helemaal. ‘Ik ga een foto maken.’ Ze stond zelf ook op om haar Leica van het tafeltje in de hal te pakken.

Toen ze terugkwam en begon af te drukken, had Ruth de hond op schoot genomen en zei Anneliese zacht: ‘Ruth kan soms nogal stilletjes, schrikachtig of raar doen… maar je moet weten dat we in Altaussee, voordat we uit Oostenrijk vertrokken, iets naars hebben meegemaakt aan het meer. Een vrouwelijke vluchteling wilde ons beroven. Daardoor is Ruth nu heel erg op haar hoede bij nieuwe mensen.’ Meer leek ze er niet over kwijt te willen.

Jordan slikte haar vragen in voordat haar vader haar weer een blik kon toewerpen. Per slot van rekening had hij helemaal gelijk als hij zei dat Anneliese niet de enige was die het niet over de oorlog wilde hebben – dat gold tegenwoordig voor iedereen. In het begin was iedereen in jubelstemming geweest, maar nu wilden ze het allemaal vergeten. Jordan vond het moeilijk te geloven dat er vorig jaar rond deze tijd nog oorlogskranten waren geweest en dat er sterren achter de ruiten hadden gehangen, dat er overal moestuinen werden aangelegd en dat de jongens op school zich afvroegen of het allemaal voorbij zou zijn tegen de tijd dat ze oud genoeg waren om zich aan te melden.

Anneliese glimlachte naar haar dochter. ‘Het hondje vindt je leuk, Ruth.’

‘Ze heet Taro,’ zei Jordan, die bleef klikken.

Het meisje had nu haar sproetige neusje tegen de natte snuit van de hond gedrukt.

‘Taro,’ herhaalde Anneliese. ‘Wat is dat voor naam?’

‘Ze is vernoemd naar Gerda Taro, de eerste fotografe die foto’s heeft gemaakt aan het front in een oorlog.’

‘En dat is haar dood geworden, dus dat was wel weer genoeg over vrouwen die foto’s maken in oorlogsgebied,’ zei haar vader.

‘Mag ik nog een paar foto’s van jullie samen maken?’

‘Liever niet.’ Verlegen wendde Anneliese haar gezicht van de camera af. ‘Ik vind het vreselijk om op de foto te gaan.’

‘Alleen een paar familiekiekjes,’ stelde Jordan haar gerust. Ze maakte veel liever spontane foto’s dan formele portretten. Van een statief en felle lampen werden mensen nog veel verlegener; dan zetten ze een masker op en werd de foto niet écht. Nee, dan hing ze liever rond tot mensen vergaten dat ze er was, tot ze vergaten hun masker op te zetten en ontspannen genoeg waren om zichzelf te zijn. Voor een camera kon je je ware aard niet verhullen.

Anneliese stond op om de tafel af te ruimen en Jordans vader hielp met de zware schalen terwijl Jordan stilletjes foto’s nam. Ruth werd bij Taro weggelokt om de botervloot te dragen, en al snel was pap hun jachthut aan het beschrijven. ‘Het is een heerlijke plek, door mijn vader gebouwd. Jordan maakt graag foto’s van het meer en ik kom er om te vissen en af en toe te jagen.’

Anneliese draaide zich half bij de gootsteen vandaan. ‘Jaag jij?’

Opeens leek Jordans vader gespannen. ‘Sommige vrouwen hebben een hekel aan het lawaai en de rommel –’

‘Ik helemaal niet.’

Jordan legde haar camera neer en ging helpen met afwassen. Anneliese bood aan om af te drogen, maar Jordan sloeg dat aanbod af zodat Daniel McBride kon laten zien hoe goed hij met een theedoek overweg kon. Geen enkele vrouw kon weerstand bieden aan een man die wist hoe hij een Spode-servies moest afdrogen.

Kort daarna nam Anneliese afscheid. Jordans vader gaf haar een bescheiden kusje op de wang, maar sloeg wel even zijn arm om haar middel, waardoor Jordan moest glimlachen. Daarna schudde Anneliese haar hartelijk de hand en bood Ruth haar deze keer haar vingers aan, lekker slijmerig door de tong van Taro. Ze daalden de steile stenen trap af, de koele lenteavond in, en Jordans vader deed de deur dicht.

Voordat hij iets kon vragen, drukte Jordan een kus op zijn wang. ‘Ik vind haar aardig, pap. Echt waar.’

 

Toch kon ze de slaap niet vatten.

Het hoge huis had een kleine kelder met een eigen opgang naar de straat. Ze moest eerst naar buiten gaan en daarna de enorm steile trap af naar het deurtje onder straatniveau, maar de privacy en het gebrek aan licht maakten de kelder ideaal voor wat zij ermee wilde. Op haar veertiende, toen ze had geleerd haar eigen negatieven af te drukken, had haar vader ermee ingestemd dat ze de rommel uit de kelder ruimde om er een echte donkere kamer van te maken.

Op de drempel bleef ze staan en snoof de bekende geur van chemicaliën en apparatuur op. Dit was haar domein, veel meer dan de knusse slaapkamer boven, met het smalle bed en het bureau om huiswerk aan te maken. In deze kamer hield ze op Jordan McBride te zijn, met haar rommelige paardenstaart en haar volle schooltas, en werd ze J. Bryde, beroepsfotografe. Ooit zou die naam onder een gepubliceerde foto prijken, wanneer ze net zo professioneel was als haar idolen, wier gezichten vanaf de muur van de donkere kamer op haar neerkeken: Margaret Bourke-White, geknield achter haar camera op een enorme sierkop van een adelaar, eenenzestig verdiepingen hoog op het Chrysler Building, onaangedaan door de hoogte; Gerda Taro op haar hurken achter een Spaanse soldaat tegen een hoop puin, loerend op de beste invalshoek.

Normaal gesproken zou Jordan even een momentje nemen om haar heldinnen te begroeten, maar nu knaagde er iets aan haar. Ze wist niet precies wat, dus begon ze met de snelheid van iemand die veel ervaring had bakken en chemicaliën klaar te zetten.

Ze nam de negatieven van de foto’s die ze tijdens het etentje had gemaakt en zette ze op papier. Terwijl ze ze onder de rode gloed van de lamp door de ontwikkelvloeistof haalde, zag ze de beelden een voor een opdoemen, als geesten. Ruth die met de hond speelde; Anneliese die zich van de camera afwendde, Anneliese van achteren, aan de afwas… Ze haalde de vellen door het stopbad en de fixeer, terwijl ze de vloeistoffen rustig in de bakken liet walsen. Daarna bracht ze de afdrukken naar het gootsteentje om ze te spoelen en hing ze ze voorzichtig aan de waslijn om te drogen. Een voor een ging ze de foto’s na.

‘Waar ben je naar op zoek?’ vroeg ze zich hardop af. Het was een gewoonte geworden om in zichzelf te praten als ze hier alleen was; ze zou willen dat ze een collega-fotograaf had met wie ze in de donkere kamer kon kletsen, het liefst een zwoele Hongaarse oorlogscorrespondent. Weer liep ze de afdrukken langs. ‘Wat heb je gezien, J. Bryde?’ Dit was niet de eerste keer dat er iets aan haar knaagde, nog voordat ze een foto had afgedrukt. Het leek wel of de camera iets zag wat haar ontging en wat aan haar bleef knagen tot ze het met eigen ogen zag, niet alleen door de lens.

Natuurlijk zat ze er de helft van de tijd volkomen naast met dat gevoel.

‘Die daar,’ hoorde ze zichzelf zeggen. Het was de foto van Anneliese bij de gootsteen, half naar de lens toe gedraaid. Jordan kneep haar ogen tot spleetjes, maar het beeld was te klein. Ze drukte de foto nog eens af, deze keer groter. Het was midden in de nacht, maar het kon haar niet schelen. Ze bleef werken tot de vergroting aan de waslijn hing.

Met haar handen in haar zij deed ze een stap naar achteren om ernaar te staren. ‘Objectief gesproken,’ zei ze hardop, ‘is dit een van de beste foto’s die je ooit hebt gemaakt.’ De klik van de Leica had Anneliese vastgelegd, omlijst door de boog van het keukenraam, voor de verandering half naar de camera toe gedraaid in plaats van ervandaan. Het contrast tussen haar donkere haar en bleke gezicht kwam prachtig uit. Maar…

‘Subjectief gesproken,’ vervolgde ze, ‘is die foto verdomme best griezelig.’ Ze vloekte niet vaak – haar vader tolereerde geen grove taal – maar als er ooit een moment was om te vloeken, was dit het wel.

Het kwam door de uitdrukking op het gezicht van de Oostenrijkse vrouw. Jordan had de hele avond tegenover dat gezicht gezeten en niets gezien dan vriendelijke belangstelling en kalme waardigheid. Maar op de foto kwam er een andere vrouw naar voren. Op haar gezicht lag een glimlach, maar geen sympathieke. Haar ogen waren toegeknepen, haar handen klemden zich in een impulsieve doodsgreep om de theedoek. De hele avond had Anneliese zachtaardig, frêle en damesachtig geleken, maar zo zag ze er hier niet uit. Hier was ze nog steeds mooi, maar ook verontrustend en…

‘Wreed.’ Het woord floepte Jordans mond al uit voordat ze wist dat ze het dacht, en ze schudde haar hoofd. Iedereen kon weleens slecht op een foto staan. Als je door een ongelukkige timing of belichting werd vastgelegd terwijl je net op het punt stond om te knipperen zag je er sluw uit, als je mond openstond, leek het of er een steekje bij je loszat. Als je bij Hedy Lamarr op het verkeerde moment afdrukte, veranderde ze van Sneeuwwitje in de boze heks. De camera loog niet, maar kon zeker wel misleid worden.

Jordan pakte de wasknijper vast waarmee ze de afdruk had opgehangen en keek in de scherpe blik. ‘Wat zei je op dat moment?’ Haar vader had het over de jachthut gehad…

Jaag jij?

Sommige vrouwen hebben een hekel aan het lawaai en de rommel.

Ik helemaal niet…

Weer schudde Jordan haar hoofd, en ze maakte aanstalten om de afdruk weg te gooien. Haar vader zou er niet blij mee zijn; die zou denken dat ze dingen zag die er niet waren. Jordan met haar indianenverhalen.

Maar ik haal me niets in mijn hoofd, dacht ze. Zo keek ze echt.

Na een korte aarzeling liet ze de foto in een lade glijden. Ook al was het beeld misleidend, het was een van de beste foto’s die ze ooit had gemaakt, en ze kon zich er niet toe zetten om hem weg te gooien.