Wonden likken

Diezelfde avond stond een oude Ford Transit onopvallend geparkeerd in een industriepark in de buurt van Aalst. Dauw vormde zich op zijn versleten koetswerk. Het duister viel.

Straatlantaarns met sierlijk gebogen hals verspreidden hun oranje gloed. Fabrieken en kantoorgebouwen lagen vierkant als teerlingen in goedverzorgde gazons. Op puien en platte daken vroegen lichtreclames om aandacht, maar de kaarsrechte straten lagen er verlaten bij. Geen vrachtwagens dreunden voorbij, geen machines ratelden, niets werd geladen of gelost. Hooguit rinkelde in een afgesloten kantoor een telefoon. Een antwoordapparaat registreerde een boodschap, die pas morgen zou worden gehoord en uitgevoerd. Het was dreigend stil, het avondlijke oog in een orkaan van industrie.

Daarboven hing de maan, als een zoeklicht wakend over haar domein.

Pas toen Tony naakt tussen de rekken lag, kwam hij tot rust.

Hij was woedend de stad Gent uitgereden, plankgas gevend tot de motor van de Transit had geloeid alsof hij op springen stond. Tony had lukraak een snelweg gekozen, met geen andere bestemming dan het ontvluchten van zijn vernedering. Maar de vernedering toefde in zijn hart en reed met hem mee.

Zelfs nu, liggend tussen de rekken, en zelfs al dwong hij zich niet te denken aan de beestenmarkt, proefde Tony een verscheurend gevoel, hevig als een dorst die niet kan worden gelest.

Want voor het eerst twijfelde hij aan zichzelf, en aan leven in dit wingewest.

Hij woelde om en om, maar vond niet wat hij zocht, de slaap die doet vergeten. Ten langen leste bevochtigde hij zijn lid met speeksel, en daalde neer op de kom zijner voeten als een vogel op zijn nest. Hij stootte met zijn lenden, en zijn verbeelding deed de rest.

Hij zag een hoogblonde jonge veekweker, die wenkte hem te volgen. Ze liepen samen de loopbrug op van een truck. Niemand zag hen. In de truck gekomen, liet de jongen de automatische oploopbrug naar boven kantelen en vergrendelde haar.

In het halfduister kuste hij Tony heet op de mond, ontdeed zich van zijn geruite hemd en ging liggen in het hooi. Tony had een lange, buigzame twijg in de hand. Hij keek ernaar. Toen sloeg hij de jongen ermee op de rug.

De jongen kronkelde, maar niet alleen van pijn. De spieren op zijn rug spanden en ontspanden zich. Hij kreunde gesmoord. Tony sloeg opnieuw. De jongen schoof hijgend zijn versleten fluwelen broek naar beneden, tot in de vouw van zijn knieën. Zijn huid was gebruind. Je kon zien waar zijn zwembroek had gezeten.

Opnieuw sloeg Tony, maar niet zo hard meer, omdat hij niet goed durfde. Ten slotte trok hij zelf zijn kleren uit en ging naakt met zijn buik op de rug van de jongen liggen. De huid van de jongen brandde als vuur.

Tony liet zich in de Transit achterovervallen en een tweede golf van genot trok door zijn lijf. Maar het was een schamel, armetierig genot, dat hij zich ten onrechte leek te hebben toegeëigend.

En de laatste geur die zijn hersens registreerden voor hij wegzonk in de armen van de slaap, was die van de lederen aktetas, vermengd met de hitsige geur van zijn eenzame liefde.

En het eerste beeld dat zijn onrustige dromen voortbrachten, was dat van een grijswitte stierenkop, die geblinddoekt was en bloedde uit zijn snuit.