“Wee de snelweg! Dat oord van doodslagen vernieling, waarover dag en nacht, zoals soldaten in een charge, ontelbare levens naar hun einde razen.
Moeder van de schedelbreuk, de rolstoel en het coma. Bron van mist, van kettingbotsing en verkoolde lijken. Elke wagen is een bom op wielen, elke bus een massagraf.
Huur een auto, als je durft, en ga met eigen ogen kijken. Zie de sieraden van onze autostraden. Zie de vangrail, ingedeukt of weggewalst, geen kilometer bleef er ongeschonden. Zie langs de kant de repen rubber, getuigen van de klapband. Zie de scherpe korrels van het glas en weet: hier vielen de gewonden.
Tel de platgereden padden, tel de egels, tel de mollen, als ze te tellen zijn en als je ze herkennen kunt. Tel de katten, tel de honden, die nimmer worden weergevonden. Die tot pulp gereden naamloos verdwijnen in de regen of verstoffen in de zon. De kraaien moet je tellen, die vuil en achterbaks over de vluchtstrook waken als wolven met vleugels, wachtend op aas, en zwelgend in weggeworpen etensresten, kapotte flessen, condooms, oude matrassen en papier.
En zie in deze regen van dit alles het symbool. Zie op het natte wegdek de langgerekte pauwenstaart van olievlekken, dat paarlemoer der motoren, die vochtgeworden oesterwand van ons vervoer.
Kijk ernaar, en weet dat van deze vloeibare regenboog het gif groter dan de schoonheid is.”
∗
Tony reed over de snelweg naar Antwerpen. Het was elf uur in de voormiddag en het regende pijpenstelen. Alle auto’s reden met hun lichten aan.
Er was spoorvorming, op elk rijvak lag een dubbel ondiep kanaaltje vol water, zo breed als een band, en met een wagenbreedte tussenafstand. Het was alsof de snelweg drie paar ondergelopen tramsporen had, waar per vergissing auto’s over reden.
Tony probeerde de Transit zo te sturen dat de wielen niet in de sporen terechtkwamen. Een geluk dat er nog betrekkelijk nieuwe banden op de wielen lagen, die nauwelijks afgesleten waren. Af en toe schoten ze in de sporen. Eén keer was de Transit beginnen te slippen, een seconde lang zonder houvast over het water glijdend als over ijs. Tony had het stuur vastgeklemd, niet wetend wat te doen. Het stuur was heftig aan het trillen geslagen. Pas toen Tony gas minderde en ontkoppelde hield het trillen op.
Vrachtwagens schoten Tony intussen luid toeterend voorbij, flikkerend met hun koplampen en een gordijn van water opwerpend waar de Transit door moest rijden als door een waterval.
Laat mijn ruitenwisser toch standhouden, dacht Tony gespannen. De andere wisser was een half-uur geleden stukgegaan, bij de eerste felle regenval.
Laat hij alsjeblieft niet kapotgaan, dacht Tony. Dat zou een ramp zijn. Dan ben ik verplicht om aan de kant te gaan staan, god weet voor hoelang. Het kan wel dagen regenen. En geld om hem te laten herstellen heb ik niet. Ik móet nog tot in Antwerpen geraken. Dan is het geen probleem meer. Daar verkoop ik het monster, mét kapotte ruitenwisser, versleten motor, een vergiet in plaats van een dak en wat weet ik nog meer. Wie hem wil, mag hem hebben. Ik zal al blij zijn als ik er nog vijfduizend frank voor krijg.
Maar de ruitenwisser hield stand. Hij zwaaide moedig door, kampend met het water. En zo gebeurde het dat Tony zonder oponthoud of ongevallen Antwerpen wist te bereiken, de grootste stad van het land.
∗
Als een juk over een bochel ligt Antwerpen over een bocht geschoven van de eens machtige rivier de Schelde. Centrum van diamant, van gastronomie en volkse tradities, zoals daar zijn vreten en zuipen en pronken. Stad waar de rijkdommen bijna zijn opgeteerd die uit de koloniën herwaarts werden gesleept en verkwanseld, vruchten van wreedheid, van marteling en slavernij. Als een kloek op een windei broedt zij op haar haven, die ooit de grootste van de wereld was, maar die nu, alle baggerwerken en politiek gekonkel ten spijt, gestaag inboet aan belang. Vergane glorie, kapotgegane heerschappij.
Waar de laatste architect vijftig jaar geleden in een leren zak werd genaaid en verzwaard met loden bollen in een bodemloos dok gedumpt, en waar de nieuwe gebouwen sindsdien worden ontworpen door de politiek benoemde broer van de zuster van de werkster van de man die zo treffend de stijl van vroeger imiteren kan. Hier heerst de dictatuur van eiken balken in elk plafond, het rustiek van de bakstenen muur met een antiek wagenwiel ertegen, van pompeuze gevels met als barok bedoelde krullen, van grijsheid, grauwheid, van haat voor kleur en fantasie.
Stad waar grootspraak doorgaat voor gezelligheid, zoals bij Rubens runderen doorgingen voor vrouwen.
Waar de kathedraal slechts anderhalve toren heeft in plaats van twee, omdat schraapzucht het eertijds haalde op devotie en gevoel voor esthetiek, en waar men sindsdien die anderhalve toren de mooiste vindt ter wereld, omdat gezond verstand het aflegt tegen chauvinisme.
Kweekplaats van schilders en schrijvers, bij het leven gemeden, bij hun dood vergeten. Of erger nog, in een muf museum bijgezet en aanbeden, niet om hun werk, maar om hun band met dit dorp onder de wereldsteden.
Stad van lege kerk en volle kroeg, en in de tweede is de verveling het grootst.
Haard van al wat oud is en versleten en riekt naar verval.
Stad van vroegere jazztriomfen, van verleden hippiedom en lang vervlogen tijden. Vette stad, vadsige stad, hartinfarct en leverkwaal. Zweer die uit luiheid eer verdrogen zal dan barsten. Verzuring, verzilting, verzanding. Het Brugge van de twintigste eeuw.
∗
Dit Antwerpen, ooit symbool van handel en koopvaardij, was de stad waar de verkopersdromen van Tony voorgoed vast zouden lopen. Gedane zaken zonder keer. Nog eenmaal echter zou hij zich mee laten slepen, nog één dag zou hij hopen en er zelf in geloven. Daarna zou hij verdwijnen.
∗
De snelweg ging over in een imposante verkeersring. Wegen van en naar alle hoeken van het land kwamen hier samen en vormden een ingewikkeld patroon van verkeerswisselaars, viaducten en invoegstroken.
Tony reed voorbij hoge flatgebouwen, het sportpaleis en de twee gigantische bollen van de waterzuiveringsfabriek. In de verte zag hij het begin van de haven.
Kranen, masten, schoorstenen en meeuwen, in het diffuse grijs van de neervallende regen. Schepen uit alle hoeken van de wereld werden over de Schelde hierheen geloodst, meerden aan en werden gelost en geladen. Containers lagen opgestapeld, goederenwagons werden naar de juiste dokken gerangeerd. Tankers werden aangesloten op pijpleidingen, die verbonden waren met terminals en silo’s. Pakhuizen beheersten het beeld.
En boven de raffinaderijen brandde de eeuwige vlam, hoog in de top van een speciale schoorsteen. Hier fakkelde de jubelende industrie haar overvloed aan energie weg, zoals een borst de melk uitstoot die ze te veel heeft.
∗
Tony verliet de ring en reed de stad binnen. Hij haalde uit de binnenzak van zijn geruite jasje het bierviltje te voorschijn waarop André het adres had geschreven van zijn café. Er stond een ruwe plattegrond bij getekend, waar Tony niets van begreep. Hij reed dus maar naar het centrum van de stad en vroeg daar de weg. Men verwees hem naar het Centraal Station.
Daar parkeerde hij de Transit en ging te voet, zich tegen de regen beschermend met de paraplu, op zoek naar het café. Hij hoefde het maar één keer te vragen. Het was vlakbij, om de hoek.
Hij liep erheen, en kwam net op tijd om te zien hoe Andreeke op het voetpad een man te lijf ging die twee koppen groter was dan hij.
“Gij godverdomde klootzak,” riep André woedend. “Dief!” Hij vloog de man aan en sloeg naar diens hoofd. De man kon zijn hoofd net op tijd wegtrekken. De drie werkmakkers van de man, stuk voor stuk bomen van kerels, lieten vallen wat ze in hun handen hadden en sprongen tussenbeide. Er waren er twee nodig om André in bedwang te houden. Hij schuimbekte en probeerde zich los te rukken.
De voorbijwandelende mensen die een paraplu bij zich hadden, hielden halt om het spektakel te blijven bekijken. Uit de omliggende cafés kwamen stamgasten naar buiten, met hun pint in de hand. Ze bleven onder de beschutting van de dakgoot staan.
“André, stop ermee!” smeekte de man. “Dat lost niets op. Ik kan er ook niets aan doen, ik doe alleen maar mijn job.”
Dat was voldoende om André helemaal te doen ontploffen. “Uw job?” brulde hij. “Laffe zak. Van uw vrienden moet ge het hebben. Steekt mij maar een mes in de rug. Dat gij u tot zoiets kunt verlagen.” Hij worstelde met de twee die hem stevig vasthielden, en begon hen uit te schelden voor rotte vis.
“André, luister,” zei de man. “Het is voor mij ook moeilijk genoeg. Orders zijn orders. Ik kan er niet onderuit.”
Er bleven steeds meer voorbijgangers staan.
“Ge liegt,” riep André, “ge hebt u nog nooit zo goed geamuseerd. Laat mij los! Ik sla u alle vier gebrekkig voor de rest van uw leven!”
“André!” suste de man met aandrang. Hij keek ongerust achterom, naar de deur van het café. “Als de deurwaarder ziet wat hier aan de gang is, belt hij de rijkswacht. Geloof mij. Dat maakt de zaken er alleen maar erger op. Geloof mij nu toch eens!”
Dat leek André toch tot bedaren te brengen. De twee mannen lieten hem los, maar hielden zich klaar om hem opnieuw vast te grijpen, mocht dat nodig blijken. André hief zijn handen op in een bezwerend gebaar. “t Is al goed,” zei hij nijdig, “ik heb het begrepen. Ge doet maar wat ge niet kunt laten. Maar komt mij nooit meer onder de ogen. Hebt ge dat goed gehoord? Ik wil van mijn leven uw rotkop niet meer zien.”
De man haalde zuchtend zijn schouders op en gebaarde zijn makkers dat ze terug aan het werk konden. Na een tijdje dropen ook de omstanders af.
André ging tegen de muur leunen van het huis naast zijn café. Hij stond zijn gal te verbijten en moest toezien hoe de vier mannen zijn hele inboedel in een vrachtwagen laadden.
∗
Op dat moment werd er op zijn schouder getikt. Het was Tony.
“Tony!” riep André. “Wat doet gij hier?”
“Ik kom vragen of je voor mij geen job hebt in je café,” zei Tony. Hij had het tafereel van daarnet wel gadegeslagen en begrepen wat het betekende. Hij had eerst nog weg willen stappen. Het was duit delijk dat hij tevergeefs hiernaartoe was gekomen. Maar tegelijkertijd kon hij dat niet over zijn hart krijgen. Hij wilde met André spreken. Hem iets zeggen dat tot troost kon dienen. Vertellen over zijn eigen tegenslagen bijvoorbeeld. Hij voelde zich plots verwant met André, en besefte dat hij hem had gemist sinds hun afscheid bij de oude fabriek in Leuven. Maar omdat hij voor al die dingen geen woorden vond, deed hij maar alsof hij niets had gezien en gehoord, en vroeg hij wat hij al de hele morgen van plan was geweest te vragen: een job in André zijn café.
André proestte in een sarcastisch lachen uit. “Gij hebt een ongelooflijk talent om op tijd te komen,” zei hij. Hij wees naar de vier mannen, die zich door de regen spoedden met zijn bezittingen.
“Ge zult u moeten haasten, als ge hier nog een frank wilt verdienen.”
“Wat gebeurt er?” vroeg Tony zacht. Hij kende het antwoord al, maar hij wilde het horen uit de mond van André.
“Ziet ge dat niet?” vroeg André. “Mijn klanten zijn zo enthousiast over mijn café dat ze de meubelen mee naar huis nemen.” Hij sloeg met zijn vuist tegen de muur. “Moet ge daar een ezel voor zijn. Kunt ge dat geloven, dat ik dat contract getekend heb zonder het te lezen? Ik vertrouwde die gast. Het was een van mijn vrienden. Kom het maar tegen. Een goed draaiend café, zegt hij. Maar met twee miljoen schulden. Daar zei hij niets van. Die klootzak heeft mij zijn flop overgelaten twee weken voordat de deurwaarder zou komen. Ge moet maar lef hebben. En ik ben erin getrapt natuurlijk. Zonder te kijken mijn doodvonnis getekend. Waar moet ik twee miljoen vandaan halen?” Hij begon hartstochtelijk te vloeken. “Hoe kan iemand zo slecht zijn, om een eigen maat zo in de zak te zetten? Is er dan echt niemand meer die ge kunt vertrouwen? De een verkoopt u zijn failliete zaak, en de ander komt met plezier heel uw hebben en uw houden vanonder uw gat weghalen.”
Tony wist niets te zeggen. Ik zal hem eerst nog maar wat laten uitrazen, dacht hij. Straks vraag ik wel of we niet ergens een koffie gaan drinken. Om een beetje te praten. Misschien weet hij wel een ander café, waar ik aan de slag kan. Misschien kunnen we samen iets doen.
“Ik ben alles kwijt,” ging André door. “Heel de klootzakkerij wordt op de Vrijdagmarkt verkocht. Ik had nooit gedacht dat ze dat zouden durven. Die smeerlappen hebben zelfs mijn Harley aangeslagen. Een echte schande. De kleren aan mijn lijf, dat is alles wat ik nog heb. Ik heb alleen dit kunnen redden.” Hij draaide zich met zijn rug naar de vier mannen, die nog steeds ijverig het café in- en uitliepen, en haalde uit een zak van zijn leren jack de gouden Rolex te voorschijn. “Voor de rest ben ik alles kwijt. Plat geruïneerd.” Hij liet de Rolex weer in zijn zak glijden.
“Maar heb je dan niet uitgelegd dat je niets afwist van…,” begon Tony.
“Maar natuurlijk!” riep André. “Ik ben wel een uur bij die deurwaarder aan het pleiten geweest. Maar die smeerlap zegt altijd maar hetzelfde. Contract is contract. Ik heb de schulden overgenomen, dus ik moet ze betalen. Maar waar moet ik twee miljoen vandaan halen? Zegt mij dat eens. Waar moet ik twee miljoen vandaan halen!”
Tony haalde zijn schouders op.
“En natuurlijk, ik weet het,” zei André geforceerd kalm, “ik moet compassie hebben met die jongen. Want de banken zitten er weer tussen. Die hebben hem op juist dezelfde manier liggen gehad als mijn vader, en als mij met mijn bloemenwinkel indertijd. Putten maken om putten te vullen, kent ge dat? Mij moet ge niets komen vertellen. Maar godverdomme,” hij klopte weer met zijn vuist tegen de muur, “dat is toch nog altijd geen reden om uw eigen maat tot over zijn oren te kloten met een fiasco waar ge zelf verantwoordelijk voor zijt?”
“Nee,” gaf Tony toe, “dat is niet erg fair van die gast.”
“Niet erg fair?” brulde André. “Die paljas zijn dagen zijn geteld. Ik sla hem de kop in. Zijn eigen kloten opvreten zal hij.” Er viel hem plots iets in. “Zijt gij met de wagen? Ik bedoel, rijdt gij nog altijd met die Ford?”
“Ja,” antwoordde Tony. “Hij staat hier om de hoek geparkeerd.” Hij wees met zijn duim over zijn schouder.
“Fantastisch,” zei André. “Kom, we zijn hier weg. Brengt mij naar hem thuis, ik zal dat kalf eens laten voelen hoe ik over hem denk.” Hij wilde al wegstappen, maar bleef staan toen hij zag dat Tony zich niet verroerde. “Wel, wat scheelt er? Waar wachten we op?”
“Zou je dat wel doen, André?” vroeg Tony voorzichtig. Ik moet hem proberen af te remmen, dacht hij. Straks gebeuren er ongelukken.
“Wat doen?” vroeg André wrevelig.
“Wel ja…Naar die gast gaan. Is het niet beter om de zaken eerst wat tot rust te laten komen?”
“Geen sprake van,” beet André. “Waarom zou ik een week wachten als ik hem vandaag al kan bij timmeren?”
“Maar misschien is hij niet thuis,” probeerde Tony. “Hij zal ook wel weten dat jij niet staat te springen van plezier. In zijn plaats, ik zou ervoor zorgen dat ik niet thuis was.”
André kruiste zijn armen. “Daar hebt ge gelijk in,” gaf hij geërgerd toe. Maar zijn gezicht klaarde meteen weer op. “Weet ge wat? We rijden naar zijn vader. Die heeft een winkeltje in Borgerhout, dus die is zeker thuis. We slaan daar de boel kort en klein. Kom, we zijn weg.”
“Maar André,” zei Tony, “dat kun je toch niet doen? Wat heeft die mens ermee te maken?”
“Hij heeft die lafaard op de wereld gezet,” zei André. “Alles welbeschouwd is het zijn schuld.”
“Maar André, zo kun je dat toch niet stellen?”
“Ja maar, hoe zit het? Gaat ge mij helpen of niet? Ge hebt het maar voor het zeggen. Ik ben de afgelopen dagen al door meer dan één maat in de steek gelaten. Als ge mij niet wilt voeren, dan ga ik alleen. Te voet zal ik er ook wel geraken.”
Hij draaide zich om en stapte weg. Tony liep achter hem aan.
“André, ik wil je graag helpen. Maar toch niet voor zoiets? Dat slaat toch nergens op?”
“Dat zullen we nog eens zien, of dat nergens op slaat. Er zal van zijn leven nog nooit zoveel op geslagen zijn.”
“André, luister nu toch eens!” Tony bracht André tot staan. “Als je die winkel vernielt, daar heb je toch niets mee gewonnen? Het enige wat je bereikt, is dat je riskeert opnieuw achter de tralies te vliegen. Is dat wat je wil? Voor zoiets doms terug naar de gevangenis moeten?”
“Desnoods wel ja! Denkt ge dat ik daar nog niet aan gedacht heb? Het kan mij niet schelen. Er is iets of iemand die moet boeten voor wat er gebeurd is. Als ik dat niet doe, word ik zot.”
“Oké,” zei Tony, “oké! Maar er moeten toch andere manieren zijn om je woede te koelen dan door iemand ineen te slaan die met de hele affaire niets heeft uit te staan? Doe wat je wil, maar kies verdorie iets waardoor je niet zelf om zeep gaat.”
André leek nu toch tot bezinning te komen. “Ge hebt natuurlijk gelijk,” zei hij snibbig. Hij streek over zijn haar, dat kletsnat was van de regen. Zijn groene ogen schoten heen en weer. “Ik wou dat het niet waar was, maar ge hebt gelijk. We moeten zelf buiten schot blijven. En het zijn de echte schuldigen die we moeten pakken. De banken, die moeten we hebben. Daar zitten de klootzakken.” Hij draaide zijn hoofd naar Tony. “Hoeveel geld hebt gij bij?”
Tony grijnsde verontschuldigend. “Iets meer dan tweeduizend frank,” zei hij.
“Shit!” riep André. “Dat is niet genoeg voor een pistool.”
“Een pistool?” vroeg Tony. Een bang vermoeden bekroop hem.
“Een pistool, ja. Hoe moeten we anders een bank overvallen, als we geen pistool hebben?”
“Een bank overvallen!” riep Tony uit. Hij keek onmiddellijk om zich heen, maar niemand van de voorbijgangers leek hem te hebben gehoord. Ze liepen nors en ongeïnteresseerd voorbij, op weg naar hun werk of naar huis, zich spoedend om hun bus of tram te halen.
“Een bank overvallen, ja,” echode André. “Ge hebt het zelf voorgesteld. Als we geen pistool hebben, wordt dat wel moeilijk. Maar moeilijk gaat ook. Desnoods doen we het met de blote vuist.”
“Ik heb helemaal niet voorgesteld om een bank te overvallen,” stotterde Tony. Hij bleef ongerust naar de voorbijgangers kijken, die hem links en rechts passeerden.
“Maar jawel. Het was uw idee. Een goed idee, trouwens. Het moet lukken. Ik doe de overval, gij staat buiten in uw Ford op mij te wachten. Ik kom naar buiten gelopen, ik spring in uw camionette, en knip! We zijn de grens over. Wie van de politie verwacht er nu een versleten camionette als vluchtwagen? Een schitterend idee. We doen het.”
“We doen het niet,” zei Tony. Hij draaide zich om en stapte naar zijn Transit.
Deze keer was het André die achter Tony aanliep. Hij fronste zijn wenkbrauwen in oprechte verbazing. “Hoezo? Waarom?” vroeg hij.
“Daarom,” antwoordde Tony.
“Dat snap ik niet. Eerst stelt ge het zelf voor, en opeens wilt ge er niet meer van weten.”
“Ik heb dat niet voorgesteld.”
“Maar dat is wel.”
“Dat is niet.”
“Dat is wel.”
“Dat is niet.”
“Dat is wel.”
Zo bereikten ze de Transit. Tony stapte in. André volgde hem. “Luistert,” zei hij zodra het portier was dichtgevallen. De regen trommelde op de voorruit en op het dak. “Er is niets gevaarlijks aan. Een kind kan het. We wachten tot vlak voor sluitingstijd. De camionette staat achter de hoek, want ze mogen die in de bank niet te zien krijgen natuurlijk. Gij zit achter het stuur, de motor draait. Ik stap uit, ik ga de bank binnen, heel gewoon, als laatste klant. Ik ga met mijn rug naar het loket staan, trek een kous over mijn kop, en ik draai mij opeens om en zwaai met mijn pistool, of met een mes of met een geslepen beitel, we zien wel. Iedereen moet plat op zijn buik gaan liggen, ik laat mij het geld geven en ik stap naar buiten. Alles moet snel gaan. We moeten dat timen.” Hij haalde de Rolex te voorschijn en deed die om zijn pols. “Ik neem drie minuten en geen seconde meer, vanaf het moment dat ik iedereen dwing van op zijn buik te gaan liggen. In die drie minuten kan de politie daar onmogelijk staan. Bon. Ik heb dus het geld gekregen, ik kom ermee naar buiten, heel kalm, ik stap langs achter in de camionette, ga plat op mijn buik tussen die rekken liggen, en we rijden weg. Relaxed. Heel zacht optrekken, onopvallend. En de poen is binnen…”
“We doen het niet,” zei Tony beslist.
“…Maar we moeten het ergens anders doen dan hier in de stad. Op het spitsuur zitten we hier direct vast, en de politie van een grootstad heeft te veel ervaring met overvallen. Nee, we moeten ergens een kleine gemeente vinden. Klein maar rijk. Er moeten banken zijn. Het moet een gemeente zijn met grote uitvalswegen, niet te druk, maar toch druk genoeg om erin te verdwijnen…”
“André, we doen het niet,” zei Tony.
“…en ook niet té dicht bij Holland, natuurlijk. Dan weten ze direct dat we de grens over zijn. Plus daarbij, in die grensplaatsen is dat hetzelfde als hier in de stad: daar hebben ze al zo veel overvallen meegemaakt, dat ze er veel te goed op voorbereid zijn. Nee, een kilometer of veertig, vijftig moet het van de grens afliggen. En weet ge wat? We nemen ook extra naft mee. Dan moeten we onderweg niet bij een pompstation stoppen om te tanken, als dat nodig moest zijn. Bij zo een station kan er altijd een combi van de rijkswacht op de uitkijk staan. Beter dat we dat vermijden. Ik weet hier in de buurt een winkel waar ze plastieken jerrycannen van vijf liter verkopen…”
“André,” zei Tony, “hou op.”
“…Tessenderlo!” riep André uit. “Dat is het! Tessenderlo. Ik ben daar nog een keer of drie geweest met mijn Harley. Tessenderlo is ideaal. Kom, rijdt naar die winkel om die jerrycan. Dan kopen we ineens ook een paar van die grijze plastieken vuilniszakken. Om het geld in te doen. Ik kan het toch moeilijk in mijn armen pakken en ermee naar buiten lopen. En een valies is te duur. Allez kom, waar wacht ge op? Start!”
Tony zuchtte. “André, het is veel te gevaarlijk,” zei hij. “De risico’s zijn te groot. Ik weet niet eens of mijn Transit het wel houdt. Hij is tot op de draad versleten. Misschien weigert hij te starten. Misschien regent het, en valt mijn ruitenwisser uit. Hier zie, kijk,” hij draaide het contact om en zette de ruitenwissers aan, “die aan jouw kant is al stuk. Als die aan mijn kant het op een cruciaal moment begeeft, dan staan we er goed voor.”
“Bullshit. Uw motor zal al staan draaien op het moment dat ik de bank binnenstap. Het enige wat gij moet doen, is zorgen dat hij blijft draaien. En die ruitenwisser, die houdt het wel vol. Ge denkt toch niet dat het heel de dag gaat blijven regenen gelijk nu? Het zal wel opklaren binnen een uur of twee. En als hij het niet houdt, kunnen we nog altijd de ruit uitkloppen. Peter nat en rijk, dan droog en zo arm als de straat.”
“André, ik denk echt waar dat we het beter niet doen.”
“Maar hebt ge als eens gedacht aan het geld? We doen fiftyfifty. In zo’n bank ligt al rap vier miljoen. In briefkes van vijfduizend, ge ziet dat met moeite liggen, echt waar. De kans is groot dat het meer is, maar bon, laten we zeggen vier miljoen. Dat is elk twee miljoen! Beseft gij wat dat is, twee miljoen?”
“Ja. En toch…Ik geloof dat we er beter niet aan beginnen, André.”
“Godverdomme toch!” André zat te balen als een stier. “Wat kan er in ‘s hemelsnaam verkeerd gaan? Niets toch? En als ge het niet voor het geld doet, doet het dan voor mij. Ik vraag het u als vriend: helpt mij. Voert mij naar Tessenderlo en laat mij twee miljoen voor u verdienen. Alstublieft. Ik wil het ook op mijn blote knieën vragen, als het moet. Of laat gij mij liever in de steek, zoals de rest.”
“Maar daar gaat het niet om…”
“Daar gaat het wel om. Wilt ge mij helpen, ja of nee? Ik vraag u dat als vriend.”
∗
Tony keek naar de kleine man naast zich. Zijn groene ogen brandden. Zijn lippen, weggedoken in het baardje, waren dun. Het leek alsof hij in een trance verkeerde. Hij was kwaad, ontgoocheld, kwetsbaar. Het was onmogelijk om nee te zeggen tegen hem. “Hoe zit het,” vroeg hij, “gaat ge mij helpen of niet?”
∗
“Goed, ik zal je helpen,” stemde Tony toe, en hij klom tot verwondering van André over de rug van de chauffeursstoel de laadruimte in. “Maar op één voorwaarde. Ik wil niet dat er iemand gevaar loopt. Geen geweld. Er mogen geen gewonden vallen.” Hij haalde de alarmrevolver uit de bergplaats te voorschijn en gaf hem, over de rug van de chauffeursstoel leunend, aan André.
“Wat is dat?”
“Zie je dat niet? Een revolver. Een alarmrevolver.”
“En gij had die al de tijd al hier in uw camionette liggen?”
Tony knikte.
André woog het wapen in zijn hand. “Niet slecht,” zei hij, “niet slecht. Maar euh…”
“Wat?”
“Niet dat ik er niet tevreden mee ben, maar…Ik vind toch dat we ook nog iets anders nodig hebben. Het is maar een alarmrevolver, verstaat ge? Als er iemand dat doorkrijgt, sta ik voor schut. Dan kan ik het wel vergeten. In dat geval zou ik iets moeten hebben om echt te kunnen dreigen. Een soort veiligheidsklep, verstaat ge?”
“Je hebt beloofd dat er geen geweld aan te pas zou komen.”
“Maar ik zou dat niet gebruiken! Ik heb alleen maar iets nodig om, alleen in geval van nood dan nog, af te schrikken. Gebruiken zou ik dat niet doen. Misschien dat we toch een geslepen beitel of zo…”
“Wacht,” zei Tony zuchtend. Hij boog zich opnieuw naar de bergplaats en legde André even later het mes in de hand. “Zou dit kunnen dienen, denk je?”
André floot tussen zijn tanden. “Geweldig,” zei hij, het mes uit het foedraal trekkend. “Exact wat we nodig hebben.” Hij wreef met zijn duim over het scherp van het mes en liet daarna zijn pink over de bloedgeul glijden. “Prima mes. Hebt ge nog zo van die verrassingen? Een paar nylonkousen bijvoorbeeld,” lachte hij. “Dan moeten we die al niet meer gaan kopen.”
Tony was inmiddels weer over de rug van de chauffeursstoel geklommen en startte de Transit. “Nee,” zei hij, “mijn nylonkousen zijn net op. Waar was die winkel, zei je?”
∗
Ze reden naar de winkel en kochten een kleine plastic jerrycan, een rol grijze vuilniszakken en het goedkoopste paar nylonkousen dat er te vinden was. En in een snackbar in dezelfde straat kochten ze ook een paar broodjes en een karton met zes bierblikjes.
Met het laatste geld dat Tony bezat, gooiden ze de tank van de Transit boordevol super en vulden de jerrycan tot de rand. Toen reden ze Antwerpen uit, richting Tessenderlo. De eeuwige fakkels van de raffinaderijen wuifden hen na.
De regen viel onvermoeibaar neer. Alle auto’s reden nog steeds met hun lichten aan. Weer moest Tony proberen de wielen van de Transit naast de van water verzadigde sporen in het wegdek te doen lopen. En terwijl hij in uiterste concentratie zijn aandacht op het asfalt en op het verkeer gericht hield, babbelde André honderduit. Geen twee seconden hield hij zijn mond. Maar van alles wat hij vertelde, over het café en de oorzaken van het faillissement, over zijn vrienden en hun onbetrouwbaarheid, drong er maar één ding tot Tony door, en dat was André zijn theorie over de banken. Al het andere ging verloren in het getoeter van vrachtwagens, het vermoeide gedreun van de motor van de Transit, het gepiep van die ene ruitenwisser, en het onheilspellende krijgsgeroffel van duizenden regendruppels op het roestende dak.
∗
André zijn theorie over de banken.
“Het zijn de banken die alles naar de kloten helpen. Ze zitten daar maar met hun gat op dat geld. Af en toe geven ze een lening, en dat krijgen ze daarna dubbel en dik terug. Werken, dat staat niet in hun woordenboek. Profiteren en op andermans kap leven des te meer. De banken zijn de oorzaak van alle armoe en miserie, dat is altijd zo geweest en dat zal altijd zo blijven.
Kijkt, er is op de wereld maar een bepaalde hoeveelheid geld in omloop. Er gaat wel eens iets verloren, bij een brand of zo, maar er wordt ook geld bijgemaakt. Over het algemeen gesproken blijft de hoeveelheid gelijk. Oké?
Er is in principe genoeg geld voor iedereen. Maar wat doen de banken? Die beginnen te schrapen en te potten, te hamsteren, te bedriegen en te woekeren. Een frank in tweeën bijten, om nog meer te tellen te hebben. En door al dat vergaren en sparen wordt het geld zeldzaam. En wat zeldzaam is, wordt duur. Dus wat gebeurt er? De banken die al veel geld hebben, worden nog rijker, want hun geld vermeerdert in waarde. En dat is een waarde die ze alleen maar kunnen waarmaken ten koste van de anderen. Ten koste van al wie minder geld heeft dan zij. Met andere woorden, ten koste van iedereen.
Zo ontstaat er een toestand dat er alleen armen en rijken zijn, en dat wie rijk is, nog rijker wordt, en wie arm is, zich moet laten stropen tot op het bot. Ik heb dat nu toch al genoeg aan den lijve ondervonden? Als ge geld hebt, kunt ge met gemak een zaak opzetten. Als ge het niet hebt, mislukt ge, of ge moet zodanig lang werken om uw schulden af te betalen dat ge al tien jaar met pensioen zijt voordat ge uw laatste afbetaling kunt doen.
Er is maar één manier om die toestand uit de wereld te helpen. Ze moeten het geld opnieuw verdelen, en ze moeten verbieden dat er ooit nog iemand mag schrapen en potten. Geld moet rollen, verdomme!
En daarom is wat wij nu gaan doen, Tony, in het klein wat er in het groot zou moeten gebeuren. Wij gaan een bank een paar miljoen lichter maken, en wij gaan dat geld onmiddellijk opmaken, dat wil zeggen: het in omloop brengen. Zo blijft het uit handen van de banken en zijn er ook anderen goed mee behalve wij. Zo is het toch?
Eigenlijk is wat wij gaan doen een goeie daad. Ze zouden ons ervoor moeten decoreren.”