KAREL STUURDE onverwijld verkenners en spionnen het land in om Widukind te zoeken, maar zonder succes. De Frankische cavalerie spreidde zich uit over de landerijen en probeerde openlijk te ontdekken waar de Westfaalse hertog, Widukind, zich ophield.
De oude Westfaalse boeren hielden zich voor dom en verklaarden, ‘Wat kan ons die man schelen? Al waar wij om geven zijn onze boerderijen en ons vee. We hebben geen tijd om ons druk te maken over de verblijfplaats van een hertog; zij maken zich ook niet druk om onze zorgen.’
De jonge mannen haalden hun schouders op en veinsden onverschilligheid; ze beweerden dat Widukind zijn plannen niet met hen had gedeeld. Vervolgens volgden ze de verkenner of spion tot zijn doodskreet kon worden gehoord vanaf een afgelegen pad dat door een veengebied of moeras leidde.
Gedurende deze weken waren er alleen dove en stomme herders die hun kuddes in de gaten hielden op de heide, maar hun honden waren valser dan normaal, want vele ruiters keerden gebeten en bebloed terug naar het kamp.
In de havezaten van de edelen kregen de ondervragers van de koning antwoorden, maar die waren vaag en tegenstrijdig. Sommigen veronderstelden dat de hertog naar het noorden was getrokken, naar de Denen, terwijl anderen ervan uitgingen dat hij op de vlucht was, ergens op het platteland. Vele anderen fluisterden achter hun hand dat Widukind zich verscholen hield in een of ander bos of veenlandschap met een paar trouwe volgelingen.
Als de Franken vroegen naar de locatie van deze geheime schuilplek kregen ze alleen maar ontwijkende antwoorden. Ook de edelen wisten weinig over de verblijfplaats van Widukind, en de weinigen die het wel wisten, hielden hun mond.
En zo kwam het dat de verkenners en spionnen, hoewel ze het land bleven doorzoeken, geen spoor van Widukind konden vinden.
Koning Karel marcheerde door de Angrivarische domeinen. Een tweede leger, achtergelaten bij de rivier de Wezer na de slag om de Brunsberg om zijn terugkeerroute en de overtocht over de rivier veilig te stellen, had zijn kamp opgeslagen bij Lidbach.
Het kamp, opgeslagen ten noorden van het Wiehengebergte, was stevig versterkt door de hofmaarschalk Eggihard en de graven Sigwin en Rodgar; een actie die door velen als verspilde energie werd beschouwd, want er was geen weerstand in de Westfaalse domeinen. Nadat de Franken kasteel Sigiburg hadden veroverd en de Angrivariërs hadden verslagen, moesten de Saksische stamleden ten westen van de Wezer zich wel overgeven, net als hun broeders aan de andere kant van de rivier.
Velen dachten dat de langzaam bewegende drommen vrije boeren, slecht uitgeruste lijfeigenen, en het handjevol cavalerietroepen die hertog Widukind en zijn edelen bij elkaar konden sprokkelen, geen partij zouden zijn voor de doorgewinterde krijgers in de cavalerie van de Frankische koning. Bovendien meldden de vertegenwoordigers van de hofmaarschalk voortdurend dat de Westfalen moe waren van het vechten en bereid waren om zich over te geven.
Als gevolg daarvan waren de mannen die hun kamp bij Lidbach hadden opgesteld op hun gemak. Ze werkten nauwelijks aan hun wapens, want ze blonken al genoeg om hen te verblinden in de late zomerzon. Er viel ook niets meer te repareren aan hun zadels en andere materialen, en de mannen oefenden alleen elke dag hun paarden een uurtje of twee. Met de aarden wal, greppel en palissaden allen op hun plaats, was er weinig nog te doen voor de troepen.
De dagen verstreken en de mannen lagen lui uitgestrekt in het gras of zaten te kletsen in de schaduw van bomen en struiken buiten het fort. De wachten liepen hun voorgeschreven rondes en schermden hun ogen af van het zonverlichte landschap, zonder te geloven dat er gevaar dreigde. ’s Nachts kregen de schildwachten versterking, maar aangezien een ieder dacht dat degene naast hem op de vestingwallen klaarwakker was, was de mate van algehele waakzaamheid niet veel beter dan overdag.
Eggihard stuurde dagelijks patrouilles het omringende landschap in. Ze reden ongehinderd langs boerderijen en door de dorpen nabij het legerkamp. De Saksische boeren leken hun normale, vredige dagelijkse bezigheden uit te voeren.
De Franken, in hun gevoel van veiligheid, merkten niet de afwezigheid van vee of paarden in de weiden en graslanden op, alsof die nooit hadden bestaan in Westfalen. Ze merkten ook niet dat alle jonge vrouwen verdwenen waren.
Elke keer als de Frankische soldaten met hun karren bij de boerderijen arriveerden, op zoek naar graan en hooi, bekeken de oude boeren hen met een norse blik. De jongere mannen en huurarbeiders waren echter veel vriendelijker en hielpen vaak met het beladen van de karren; ze klommen er bovenop, lachend en grapjes makend, om de lading vast te binden. Vaak reden ze naast de beladen karren, nadat ze hadden aangeboden om te helpen bij het lossen van de goederen in het kamp.
De hofmaarschalk en de graven vloekten en tierden vaak over het totale gebrek aan respect voor procedures, maar de wachten lieten de jonge Saksen toch herhaaldelijk door, want de mannen waren ongewapend en maar al te bereid om het werk voor hen te doen.