HOOFDSTUK DERTIG

IN DE KAPEL van de koninklijke residentie, Diedenhoven, was de lucht zwaar van de doordringende geur van wierook. Pektoortsen brandden somber naast de doodskist van koningin Hildegard; de vrouw die haar gemaal negen kinderen had geschonken lag opgebaard gekleed in haar bruidsjurk. Het was het laatste kind dat haar leven had genomen.

Voor Karel kwam de dood van zijn gekozen levensgezel als een harde klap. Zijn verlies maakte hem uitzinnig van verdriet, en hij bracht zijn dagen en nachten hevig drinkend door; de waas van dronkenschap maakten de dingen draaglijk – voor hem. De kanselier, de paltsgraaf en de koninklijke bevelhebber probeerden de koning op te vrolijken, die enkele keren dat Karel hen toeliet in zijn aanwezigheid te zijn. Ze probeerden hem te adviseren voorzichtig te zijn, door hem te herinneren aan zijn verantwoordelijkheden, maar zonder succes.

Saksen was in vlammen opgegaan. Het bloed van Verden stroomde door het land, en doordrong ieder domein. Het dwong elke boerderij, hoe ver afgelegen ook, tot wraak.

Widukind had de slachtpartij overleefd; zijn troepen belegerden de kastelen en vestingen van de edelen die de Franken nog in hun bezit hadden. Als het Frankische leger niet snel te hulp zou komen, als de koning niet herstelde, dan zou Saksen verloren gaan voor het Frankische Rijk, en voor altijd verloren zijn.

Karel, lusteloos en onverschillig, had op dit nieuws gereageerd met stilte. Hij leek moe, ontmoedigd. Het enige waartoe hij in staat leek, was reiken naar zijn beker.

Opnieuw stond de koning voor de doodskist, te kijken naar Hildegards zachte gezicht dat al die jaren als een zon voor hem was geweest, brandend van liefde voor hem, of gloeiend zoals het hart van een moeder op andere momenten. Ze had altijd gelachen, de zorgen van haar gezel verlichtend, vol trots als hij zich terug haastte van een succesvolle veldslag, terug naar haar omhelzing, en gezegend met een groot intellect, als het aankwam op het geven van advies.

Een moedig hart, en slim bovendien, die als zij haar kinderen de borst gaf, andere vrouwen naar haar viriele gemaal had geleid, met wie hij kon spelen, en ze had zonder enige ondertoon van jaloezie gelachen als een van haar hofdames de aandacht van hem had getrokken.

De koning zuchtte diep. Nooit zou hij nog een vrouw vinden als zij die hier nog voor hem lag.

Een lange gestalte stapte tussen hem en de doodskist. Karel keek op, een verwilderde blik in zijn ogen, klaar om uit te halen. Maar de vrouw die voor hem stond, hield zijn blik vast, en liet haar blik niet zakken, wat de koning totaal betoverde; de blik bezat een macht waaraan hij zich alleen maar kon overgeven. Voor het eerst in dagen, waren zijn gedachten niet bij zijn overleden gemalin, zweefden ze kort door lege holtes, om zich uiteindelijk te richten op Fastrada, de vrouw die voor hem stond.

Karel had altijd al verlangd naar deze edelvrouw, die zichzelf niet aan hem had gegeven zoals hij wilde. Haar prachtige lichaam, slank en toch met weelderige vormen, hadden zijn zinnen gekweld, maar haar ogen hadden altijd hun koele, licht spottende blik behouden. Nog nooit waren er tedere woorden aan haar lippen – die erom smeekten om gekust te worden – ontsnapt, en haar sterke wil had ijswater over zijn passie gegoten. Stond zij hier nu werkelijk opnieuw voor hem, trots en onbereikbaar, als een van Gods engelen?

Monniken naderden, sereen zingend. Ze leken ver weg, onwerkelijk voor de koning zoals ze door de kapel schuifelden. De monniken sloten de kist, tilden hem op en droegen hem naar buiten. In zwart geklede vrouwen liepen in processie achter hen aan, de vlammen in de kommen die ze vasthielden dieprood brandend. Het gezang stierf weg, maar Fastrada stond nog steeds voor de koning; ze hield hem aan de grond genageld met haar ogen.

Toen de kapel leeg was, boog de vrouw en stapte weg om de processie te volgen. De koning keek haar na toen ze wegliep, met bewondering voor haar gratie en verhevenheid, terwijl ze door de deur het zonlicht instapte. Haar donkerblonde haar leek van stralend goud; zelfs haar zwarte jurk leek het licht op te vangen.

Alsof hij door een geheime kracht werd aangedreven, zette koning Karel zich in beweging om de processie te volgen, niet zeker of hij nou de doodskist van zijn overleden gemalin of deze vrouw volgde.

Koningin Hildegard werd ter ruste gelegd in de kapel van Metz, naast Arnulf, de eeuwenoude patriarch van de koninklijke familie. De verzen die de Angelsaksische geleerde en dichter Alcuinus had geschreven voor de overledene bezongen haar charme en goede eigenschappen.

De koning keerde vervolgens terug naar Diedenhoven, waar zijn adviseurs zich andermaal rond hem hadden verzameld. Iedere dag werden er meer troepen opgeroepen door de koning, en verzamelden zich op het veld. Het leger dat zich rond de residentie aan het opstellen was, was al sterk genoeg om de mars naar Saksen in te zetten, en toch liet de koning hen wachten.

Karel probeerde wekenlang zijn drangen te overwinnen. Hij had gewerkt als een boer, van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat schrale grond omploegend, opdat hij de slaap kon vinden. Maar nacht na nacht werd het vuur van zijn lust groter. Het leek dwaasheid om zichzelf aan banden te leggen, waarvan Hildegard hem met een lichte aanraking zou hebben bevrijd. Het had geen zin om tegen zichzelf te vechten als het resulteerde in het onderdrukken van de energieën die de koning nodig had om te voldoen aan de eisen die aan hem werden gesteld met betrekking tot de kwesties van het koninkrijk.

Opnieuw stond Fastrada voor de Frankische heerser. Ze zag er kalm en berekenend uit, met een ijzeren wil.

De hitte die ze zag in de ogen die haar probeerden te verleiden brandden diep tot in haar ziel, en zette haar hart in vuur en vlam; maar ze gaf niet toe.

‘Ik heb je nodig, Fastrada.’ De woorden kwamen bijna als een kreun over zijn lippen.

Haar antwoord was kalm en duidelijk. ‘Als de Heer Koning een vrouw nodig heeft, dan zijn er genoeg edelvrouwen hier die zeer bereid zijn om hem de nacht door te helpen.’

Ineens veegde Karel met zijn rechterhand een beker van de tafel, alsof hij iemand probeerde weg te duwen.

‘Ik heb jou nodig, Fastrada,’ zei hij met vastbesloten toon.

De vrouw straalde. Ze wist dat ze met één woord, met één gebaar deze man zou kunnen domineren, maar ze wist ook dat slechts een tijdelijke maîtresse zou zijn, niets meer en niets minder. Ze was niet bereid om daar genoegen mee te nemen, en antwoordde, ‘Als de Heer Koning mijn advies nodig heeft, dan zal ik dat graag geven.’

Karel balde zijn vuisten; ze deed opzettelijk alsof ze niet begreep wat hij bedoelde. Hij had verschillende malen advies van haar gekregen via Hildegard. Het was waardevol geweest, en het zou zonder twijfel ook in de toekomst goed en nuttig zijn. Maar op dit moment wilde hij iets anders; hij wilde met haar naar bed.

‘Ik heb echt jou nodig, Fastrada,’ herhaalde hij voor een derde keer, zich er vaag bewust van dat zijn stem zowel smekend als dreigend klonk.

De vrouw bleef kalm terwijl ze antwoordde, ‘Als u mij nodig heeft, koning Karel, weet dan dat het een koningin is die u nodig heeft!’ Haar woorden kwamen duidelijk en ferm naar buiten. Zo vastberaden, dat zij de koning verrasten. Eventjes maar, want hij sprong op en legde beide handen op de zware eikenhouten tafel en keek oprecht en met grote ogen naar Fastrada terwijl hij sprak, ‘Ik heb je nodig ... als mijn koningin.’

Een moment lang leek de vrouw te wankelen, maar ze herstelde zichzelf onmiddellijk en liep toen snel naar de tafel. ‘Ik weiger te worden behandeld als speelgoed, koning Karel.’ De woorden werden met vele onderdrukte gevoelens uitgesproken.

‘Ik ben niet op zoek naar speelgoed. Ik heb je nodig.’

‘Ik geef niet alleen, ik zal ook vragen,’ haar woorden klonken bijna als een dreiging.

‘Geef en neem, maar word mijn vrouw.’

Fastrada deed een stap terug. Een lichte blos kleurde haar wangen en haar ogen straalden van een licht dat zowel zacht als triomfantelijk was. Met vaste hand begon ze haar kleding los te maken.

Hoe anders was deze vrouw dan de meisjes met wie hij ooit had gespeeld.