HOOFDSTUK ZESENDERTIG

HET HOFKAMP VAN KAREL vulde de residentie van Attigny met luidruchtig leven, dat elke Saks betoverde, hoe zeer ze zich ook verzetten. De gezellige activiteiten en paleisfeesten waren niet echt aan hen besteed. Dertien jaar lang hadden ze oorlog gevoerd, dertien jaar waarin ze honger en ontberingen hadden gedeeld met hun wapenbroeders. De wereld waarin ze zich nu bevonden was hen vreemd. Als de koning hen echter uitnodigde voor een jachtpartij of een wedstrijd, namen ze enthousiast deel, want dat waren zaken die ze begrepen en waarbij de uitkomst afhankelijk was van hun vaardigheid.

Ulf vermaakte de bijeengekomen partijen vaak tijdens het avondeten met liederen en muziek. Karel was hier zo mee in zijn nopjes, dat hij opdracht gaf de eeuwenoude mythes waar de man over zong op te tekenen.

Koningin Fastrada, die zowel onbenaderbaar als trots was, en die sinds haar huwelijksdag een wreed temperament aan de dag had gesteld, sprak zelden met de Saksen. Zij herinnerde de Saksische afgevaardigden er wreed aan dat zij de vazallen van de koning waren, sinds de vrede met de Saksen was gesloten.

De edelen gingen de Frankische koningin zoveel mogelijk uit de weg, en velen vroegen zich af wat de koning kon zien in zo’n koude en berekenende vrouw. Alleen Widukind bleef ongevoelig voor haar woorden en praktijken. Hij besteedde geen aandacht aan de scherpe woorden waarmee Fastrada hem probeerde te irriteren. Wat zijn gedachten bezig hield was de dialoog met Alcuinus, die in een stille strijd was veranderd, zoals hij nog nooit tevoren had moeten uitvechten.

Ook Karel was slechts half aanwezig bij de jachtpartijen en wedstrijden. Zelfs als het aankwam op het maken van besluiten met betrekking tot problemen in zijn rijk, zoals welke stappen ondernomen moesten worden om de opstanden in Thüringen en Brittannië het jaar daarop de kop in te drukken. Hij ontving graven en kerkelijke magnaten, voerde rechtspraak uit en gaf audiënties aan de gezanten die werden gestuurd door de paus, maar ook anderen afkomstig uit Spanje. En toch betrapte hij zichzelf er telkens op dat zijn gedachten bij al deze bezigheden afdwaalden naar de woorden die Widukind en Alcuinus hadden gesproken. Hij had alle avonden waarop de mannen met elkaar in gesprek waren gegaan bijgewoond, en het leek hem toe dat geen van beiden onder deed voor de ander.

Opnieuw zat het drietal in de studeerkamer van de geleerde, waar Alcuinus het gesprek in gang zette. ‘Een centrale pijler van ons christelijke geloof is de vergeving van zonden.’

Widukind keek de man verward aan, toen hij vroeg, ‘Wat is vergeving van zonden?’

Karel kon zijn verrassing niet verbergen. De hertog wilde met de geleerde debatteren, maar hij wist niet wat vergeving van iemands zonden was?

Ook Alcuinus was verbijsterd. ‘U weet niet wat zonde is? Heeft u nooit de regels overtreden? Hebt u nooit schuldgevoel ervaren?’ vroeg hij de Saks.

‘Ik heb regels gebroken en schuld gevoeld zoals ieder ander. Ik weet dat dit is wat jullie zonde noemen. Maar hoe kan deze schuld, deze “zonde” vergeven worden?’

‘Door de kruisiging en het overlijden van onze Here, Jezus Christus; hij offerde zichzelf op om de mensheid te verlossen van zijn zonden. Wie zijn zonden erkent en deze opbiecht, en daarmee berouw toont, zal worden vergeven – als hij gelooft in Jezus, de Zoon van de Almachtige God. De Heer gaf de dienaren van de kerk de macht om zonden te vergeven en mensen te verlossen van hun schuld.

‘Dat is vreemd en anders,’ sprak Widukind bedachtzaam. ‘Ongehoorzaamheid en schuld is handelen tegen het karakter in, niet trouw zijn aan de eigen aard. Hoe kan iemand anders daar vergeving voor schenken? Iemand die het pad verlaat, die afdwaalt, moet de gevolgen daarvan dragen. Hij kan zijn schuld verlossen door verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden en de gevolgen te dragen. Hij kan terugkeren naar het rechte pad door daarnaar te handelen en zichzelf te bewijzen. Iemand anders kan niet voor hem instaan en de gevolgen dragen die voortkomen uit schuld. Geen andere persoon kan hem terug leiden naar het rechte pad. Dat iemand anders zich opoffert kan alleen maar een aansporing zijn, een herinnering voor de overtreder, de verdwaalde, niets meer en niets minder.’

‘Jezus, die zonder zonde was, heeft zichzelf opgeofferd voor de mensheid, dat is hoe Hij de kracht verkreeg om hen te helpen die zondigen en hen te verlossen van hun schuld, mits zij hun zonde opbiechten en berouw tonen. Dat is wat wij geloven.’

‘Waar berust dit geloof op?’

‘Op wat Jezus, de Zoon van God, aan ons heeft geopenbaard en ons heeft geleerd.’

‘Ik volg je niet. Deze vergeving van zonden lijkt mij zinloos. Biechten en berouw tonen zal niet makkelijk zijn, maar het is moeilijker om met rechte rug de gevolgen van je eigen daden en fouten te dragen en terug te keren naar je ware zelf.’

‘Ook Jezus verlangt van de zondaar dat hij de zonde nooit weer te herhaalt, maar Hij helpt hem daarbij, net als de vader een zoon helpt.’

Een van de volgende avonden sprak Alcuinus opnieuw over het offer dat Jezus had gemaakt voor de mens. ‘Ik weet,’ zei hij, ‘dat Odin ook aan een boom heeft gehangen, maar hij offerde zichzelf op om kennis en wijsheid te vergaren. De Zoon van God hing aan het Kruis omwille van de zonden van de mensheid. Is dat niet meer? Om kennis over de toekomst te vergaren, offerde Odin een oog; Jezus offerde zichzelf compleet. Hij wist wat er voor hem lag; hij was God en Heer over kennis, wijsheid en toekomst.’

Rustig, bedachtzaam, antwoordde Widukind, ‘Het Kruis staat voor opoffering, net als de Wereldboom waaraan Odin hing. Ik begrijp het offer dat Jezus maakte niet, maar ik bewonder het als zijnde groots en nobel. Odin offerde zichzelf op omwille van het goede, zodat hij kon overwinnen in de strijd tegen het kwaad. Is dat niet ook totaal en subliem? Beiden herinneren ons mensen eraan dat we bereid moeten zijn offers te leveren voor dat wat wij als juist en goed zien, zelfs als dit het grootste en moeilijkste offer is. Wie kan met de man die zichzelf heeft opgeofferd redetwisten over wat de waarde is van dat waarvoor hij het offer heeft gegeven? In de strijd offert een wapenbroeder zichzelf op voor zijn vriend, voor zijn leider, voor zijn volk. Moet een dergelijk offer als minder waardevol worden beschouwd dan het offer van martelaren voor uw geloof?’

‘Ik kan het niet met je eens zijn,’ antwoordde Alcuinus. ‘Odin maakte schuld toen hij zich bij Loki de Reus voegde. Hij maakte een offer om zich te verlossen van zijn zonde. De Zoon van God was echter vrij van zonde. Hij nam de zonden van de mensheid op zich en reinigde hen. Daarom bezit hij de macht om alle zonden te vergeven.

Odins offer heeft geen effect gehad, want zowel de goden als de reuzen sneuvelden bij de definitieve slag. Het offer van Jezus is vruchtbaar, want het schenkt leven aan hem die gelooft in de Heer, zijn geboden opvolgt, verzoening zoekt en vertrouwt op genade. Zij die niet in Hem geloven en Hem niet accepteren, zijn echter gedoemd tot eeuwig verderf. U gelooft in leven na de dood, maar niet in een eeuwig hemels leven.

De strijd tussen de goden en de reuzen laat de wereld zinken, laat Asgard en Midgard zinken, samen met alle goden en alle mensen. Ons hoogste streven hier op aarde zou moeten zijn deel te nemen aan eeuwige hemelse vreugde.’

‘De dienaar streeft naar beloning, de vrije mannen naar juistheid en goedheid.’

‘We zijn dienaren van God,’ gaf een stralende Alcuinus toe. ‘Wij streven naar onze beloning in het leven na de dood, en een dergelijk streven roept ons op om te gehoorzamen, goed te zijn en onze naasten lief te hebben als onszelf.’

‘Ik heb weinig van zulke liefde gezien in de Frankische landen toen ik hier rondreisde,’ sprak Widukind hem tegen.

‘Het gebod van liefde is moeilijker na te leven dan alle anderen. Het cultiveren van deze liefde is waar de kerk zo hard voor werkt. Het kan lang duren voor alle mensen doordrongen zijn van de geest van God.

‘Ik kan alleen mijn soort liefhebben en respecteren.’

‘Gods liefde omvat alle mensen en zijn gebod om lief te hebben is op iedereen van toepassing.’

In de stille uren van de nacht dacht Widukind na over de woorden van Alcuinus, zoals zijn gewoonte was geworden na ieder van deze avonden. Vragen bleven ronddolen in zijn hoofd; was het offer van Odin zonder effect? Bood het niet een voorbeeld van hoe schuld wordt ingelost door opoffering? En hoe zat het met dat eeuwige leven?

De geleerde had op een bepaald moment gesproken over de wederopstanding, dat Jezus op de derde dag was opgestaan uit de dood en zichzelf had getoond aan de discipelen die hem volgden; hen garanderend dat ook zij opnieuw zouden oprijzen. De hertog herinnerde zich aan wat hij de zieneres had horen zingen, het eeuwenoude lied over de strijd en tenondergang van de goden.

Opnieuw, Oprijzend, zie ik groen land vanaf de zee,

watervallen van schuim; de arend smijt de uitgevreten vis op de klif.

Op het veld van Ida verzamelen de Asen zich, daar spreken zij

van de reusachtige worm en denken zij terug aan geweldige dingen

en eeuwenoude runen van de zienerprins.

Andermaal zullen in het gras worden gevonden de wonderlijke gouden platen

die zij in de dagen van weleer bezaten.

Een hal zie ik, zon reflecterend, gehuld in goud, staand in Gimlé.

Daar zullen wonen de dappere banden, hun vreugde zal oneindig heersen.

Dit was niet de wederopstanding van Jezus. Het was een metafoor voor het almaar hernieuwende bloed, dat zekerheid biedt op eeuwig handelen van het juiste soort. De individu is niets hier of na de dood; de familie is klein, de stam is meer, maar het volk dat op het rechte pad blijft is alles.

En hoe zat het met het gebod van liefde? Verschillende soorten hebben elkaar bevochten sinds mensenheugenis. Deze strijd moet net zo zijn als die tussen de goden en de reuzen. Men kan de vijand respecteren, en liefhebben, zelfs als strijd daarvoor het wachtwoord is. Maar hij die van het pad is afgedwaald, en de weg niet terug heeft gevonden, die onderhands heeft gevochten met bedrog en laffe trucjes, die niets anders kende dan zichzelf en die uit egoïsme heeft vernield wat anderen hebben gebouwd, die heeft geoogst waar hij niet zelf heeft gezaaid, is een lage levensvorm die ik moet verachten. Dat is wat het ware bloed beveelt.

Alcuinus had het onderwerp van de Heilige Drie-eenheid aangebroken; ‘De Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn één. Menselijke gedachten kunnen dit geheim nooit doordringen. De christen wordt opgeroepen om hierin te geloven zoals een kind gelooft in de sprookjes die hem worden verteld door zijn ouders.’

‘Christenen hebben hiermee geworsteld,’ herinnerde Widukind zich, ‘bisschoppen die van ons bloed waren, Alcuinus.’

‘Zij die Arius volgden werden meegesleept in zijn vergissing. De Zoon lijkt niet op de Vader, hij is het evenbeeld van Zijn Vader. Als iemand dit mysterie niet accepteert, zal hij nooit van het goede geloof zijn.’

‘Wie beheert dit mysterie?’ wilde Widukind, kalm, weten.

‘De kerk die door Jezus is gesticht om het juiste geloof te verspreiden en fouten te voorkomen. De Heer gaf priesters de macht om de zielen van mensen te binden en vrij te laten.’

‘Hij plaatste dus mensen tussen zichzelf en andere mensen, die niet priesters zijn.’

‘Hij deed het zo omdat priesters een dieper geloof moeten hebben, en zich strenger moeten houden aan de geboden dan zij die verwikkeld zijn in aardse problemen en zorgen.’

‘Ik ben mij er terdege van bewust,’ ging Alcuinus verder, ‘dat er geestelijken zijn wiens geloof wankelt en die breken met de geboden. Dat is waarom een priester niet uit zichzelf mag handelen, net als bij jullie Saksen en de heidense landen in het noorden. Een priester moet gebonden zijn aan anderen die over het vermogen beschikken om hem terug naar het rechte pad te leiden, of om hem te veroordelen en buiten te sluiten. Dat is de betekenis van de kerk, zodat alleen mannen die zorgvuldig geselecteerd en getest zijn, voor zover dat mogelijk is, kunnen rijzen in de hiërarchie.’

‘De kerk wordt een seculiere macht,’ protesteerde Widukind.

‘Dat moet, zodat zij macht hebben over mensen, naast de koningen.’

‘Deze macht is ons vreemd; het is anders. Sommige noorderlingen zullen wellicht jullie geloof uitoefenen. Alcuinus, jij bent van ons bloed en gelooft in God, en u koning Karel, doet dat ook. Ik zie echter gevaar in de kerk.’

Widukind keerde zich naar Karel; ‘Ik weet wat u zegt,’ zei hij, ‘dat de koning Gods vertegenwoordiger op deze aarde is en dat de bisschop van Rome de Zoon vertegenwoordigt en daarom gehoorzaam dient te zijn aan de koning. U heeft dit gehandhaafd door hoe u handelt en omdat u sterk bent. Ik vrees voor een koning die zwakte toont, en ik waarschuw u, u die mijn vriend bent geworden.’

‘Wat God stuurt, moeten mensen en koningen dragen,’ reageerde Alcuinus. ‘Onze koning is rijk gezegend. Hij heeft geweldige zonen opgevoed.’

Widukind sprak de woorden van Alcuinus niet tegen, want hij kende de kinderen van Karel die aan het hof leefden. Ze waren moedig en uit het juiste hout gesneden; ze beschikten echter niet over de grootsheid van hun vader, zijn gezag, of zijn vastberadenheid.

‘De boom van mijn koninkrijk is diep geworteld,’ stak Karel van wal, ‘Ik zal garanderen dat hij niet omvalt. Die ene zoon die ik als het meest heldhaftig beschouw, zal heersen over de anderen. Net als Pepijn in Italië en Ludwig in Aquitanië nu heersen, zo zal ik kronen geven aan de anderen. Ik laat ze echter beëdigen als lagere koningen die gehoorzaam dienen te zijn aan de door mij aangewezen erfgenaam.’

Nu het gesprek over was gegaan op politiek, en was afgedwaald van spirituele zaken, kon koning Karel de hertog vragen hoe hij de toekomst zag, ‘Ik heb tevergeefs geprobeerd,’ gaf hij toe, ‘om de geheime betekenis achter je offer te begrijpen, mijn vriend. Je brengt het als een offer voor je volk. Als je het mij zou willen onthullen, dan zou ik heel dankbaar zijn. Als je het voor jezelf wilt houden, dan zal ik je dat niet kwalijk nemen.’

‘Ik heb je mijn antwoord al gegeven; eerlijk en zonder iets achter te houden, toen we bij De Kruising waren. Voor mij gaat het om het in stand houden van onze soort, het beschermen van onze bloedlijn en het volk. Frankisch bloed en Saksisch bloed zijn hetzelfde; wij waren één gemeenschap toen de Romeinen aan de Rijn stonden.

Ik wil die verbinding lijmen, zodat een nieuw, sterker volk kan opstaan vanuit onze gescheiden stammen. Ik vertrouw op de kracht van het bloed, dat zichzelf intern blijft hernieuwen; zo lang wijze leiders de gevaren die het bloed bedreigen afweren. U gelooft in de kracht van uw koninkrijk, u zorgt voor uw rijk, maar u moet ook zorg dragen voor de nalatenschap die u is toevertrouwd. Koninkrijken komen en gaan. Vreemde machten dagen ze uit en vernietigen ze in vele gevallen, net zoals wij Germanen de ondergang van het Romeinse Keizerrijk hebben bewerkstelligd.

Alleen de inheemse leiders kunnen het volk vernietigen, door na te laten de nalatenschap, de bloedlijn te beschermen. U hebt de orde geschapen, waaronder de stammen van uw rijk leven, en u heerst zoals u dat passend vindt. Aan mij is de taak van het beschermen van de bloedlijn van mijn volk toebedeeld; ik ben gekozen om de Saksen en de Franken samen te brengen, want ik ben ervan overtuigd dat uit die stammen, die eens zij aan zij vochten tegen de Romeinen, een nieuw volk zal opstaan; machtiger dan enig ander volk op aarde. Het is om deze reden, en voor dit doel alleen, dat ik mijzelf onder uw heerschappij heb geplaatst.’

Widukind hoopte dat de koning zijn beweegreden begreep, want hij kon zijn taak niet eenvoudiger of duidelijker hebben omschreven. De geleerde priester zag alleen zijn geloof, en zijn kerk, waar Karel verplichtingen had ten opzichte van zijn rijk. Widukind hoopte slechts dat de man het concept van een volk, gebonden door bloed en geest, die zou opstaan uit deze gebeurtenissen, volledig kon begrijpen.

Vanaf deze avond bleef Widukind stil en volgde de voorstelling van Alcuinus zonder verder nog een spirituele discussie aan te gaan. Hij had zich afgezet tegen het geloof waar deze man voor stond, en had daarbij het vertrouwen gekregen dat hij had gedaan wat juist was. Als hij, bij de gratie Gods, ooit nog eens verlichting zou vinden, zoals de geleerde had voorspeld, dan zou hij het misschien met andere ogen bekijken, maar zelfs dan zou hij de zaken afwegen en onderzoeken.