HOOFDSTUK ZEVENENDERTIG

ZOALS BEVOLEN DOOR KONING KAREL werd de macht van het koninkrijk met veel pracht en praal tentoongesteld; het christendom vierde de geboorte van haar Verlosser. Een lichte vorst had de grassen en bomen op magische wijze getransformeerd en versierd met rijp. De velden en bossen schitterden en glinsterden in het zwakke zonlicht, en zagen eruit alsof ze waren gemaakt van zilver en goud, en blauwe kerstballen droegen bij hun feestelijke aankleding, die in niets onder deed aan de prachtige gewaden gedragen door de mensen die een bezoek brachten aan het hof.

De vorstelijke residentie droeg ook zijn feestelijke aankleding. Een zachte wind beroerde de vlaggen van het Frankische koninkrijk die de torens sierden.

De kantelen waren versierd met kleurrijke stoffen, terwijl gekleurde tapijten aan de raamkozijnen en in alkoven hingen. De grijze bleekheid van de paleismuren verdween onder een bedekking van groene dennentakken, en het voetpad van het paleis naar de kapel was omgetoverd in een zee van kleuren. De paleiswachten, hun tentoongestelde pantsering en wapens glanzend in de zwakke winterzon, stonden al opgesteld langs het voetpad waarover de koning en de Saksische hertog zouden lopen om de hoogmis bij te wonen. In de grote zaal verzamelden de hoogste ambtsbekleders zich, samen met de graven die hun heer zouden escorteren. Hun kleding schitterde in een rijke waaier van kleuren. Riemen en zwaardriemen glansden met goud en schitterende juwelen. De uitgenodigde vazallen namen de aan hen toegewezen zitplaatsen op het binnenhof in, de pracht van hun verschijning concurreerde met de kleuren van de tapijten en stoffen. Hun wapens waren rijkelijk versierd met zilver en rode stenen, naast de uitzonderlijke juwelen waarmee hun wambuizen en mantels waren vastgemaakt.

Karel had het hoofd van de muziekschool het bevel te geven de beste stemmen te zoeken voor het koor, en Auftrannus had de wens van zijn koning verheugd opgevolgd. En zo kon vanaf een afstand het kalme gezang van het jongenskoor in de kapel worden gehoord.

Kaarsen waren aangestoken in zulke grote aantallen als nooit eerder vertoond in de vorstelijke residentie, en flakkerden in zowel het paleis als de kerk.

Hertog Widukind ijsbeerde heen en weer in zijn kamer. Zijn zwaard lag open en bloot op de ruw gesneden eikenhouten tafel. Het wapen had hem trouw gediend, bij elke veldslag; de blauwstalen klink schitterde en leek hem te roepen. Hij kwam sterk in de verleiding om het blad op te nemen; hij wist dat het tot het bittere einde trouw zou blijven, zou hij die uitgang kiezen. Er was nog steeds tijd om te kiezen tussen dood en dopen. De weg die zovele helden hadden bewandeld lag voor hem open.

De vrede was ondertekend en verzegeld; de toekomst van de bevolking was veiliggesteld. Koning Karel zou zijn woord aan een dode man houden. En hij had voldoende loyaliteit getoond, niemand zou het hem kwalijk kunnen nemen als hij ervoor zou kiezen om het staal zijn eigen hart te laten doorboren. Geva zou rouwen, maar zij had hun zoon. Zijn volk zou rouwen, maar zij zouden de herinnering aan hun hertog met zich meedragen. Zou zijn nagedachtenis niet bitter worden als hij bleef leven?

Widukind stopte met ijsberen en keek naar zijn vertrouwde wapen. Het glansde in het bleke licht, en riep hem. De dood was geen angstig vooruitzicht voor een man die tijdens de vele veldslagen zo intiem ermee verbonden was geweest. Het loste alle twijfels op, en maakte een eind aan zorgen en innerlijke strijd. De dood zou als vriend aan hem verschijnen.

Hij hoorde de vrome hymnes van de koorknapen omhoog drijven vanuit de kapel; blaasinstrumenten hadden zich bij het gezang gevoegd en vloeiden samen tot een, voor hem, angstaanjagende melodie. Een melodie die de buitenaardsheid van de wereld waarin hij zich bevond belichaamde. Het bood hem geen zielenrust; zorgde er alleen maar voor dat hij nog geïrriteerder raakte, en zo ging Widukind verder met het voeren van zijn eigen innerlijke strijd. Hij had zijn taak vervuld, zijn queeste tot een goed einde gebracht. Zijn eer was groots en helder, net als zijn zwaard en schild. En toch kon hij niet begrijpen wat de reden voor zijn twijfel was. Als hij zou weigeren deze laatste stap te zetten, zou het slechts een halve opoffering zijn, want het zou laf zijn om de gevolgen van zijn acties te omzeilen, en geheel tegen zijn aard in. De dood kon duiden op lafheid, met name als deze het vermijden van diens plicht betekende. Om een moeilijk en onbekend leven tegemoet te treden, een leven dat totaal anders zou zijn dan ooit tevoren, vereiste moed. Zijn vingers streelden het koude staal van de blootgestelde kling. Hij schudde zijn hoofd, greep stevig het gevest vast en schoof het wapen terug in zijn schede. Widukind had zijn laatste strijd gestreden, met zichzelf, en zichzelf overwonnen.

Vast en resoluut was de hand die zijn zwaard aan zijn riem bevestigde, en met een kalme doeltreffendheid reikte zijn rechterhand naar de hertogelijke mantel die zijn volk aan hem had geschonken. De blauwe kleur kreeg een vreemde gloed in het zachte licht van zijn vertrek, op een bepaalde manier bevestigend dat hoewel de toekomst die hij voor zich had onbekend was, het schitterde van mogelijkheden. Kalm en zeker waren de handen die de gesp van de mantel sloten. Hij ademde diep in, om zichzelf schrap te zetten tegen alle dingen die hem zo vreemd waren, en draaide zich toen om om de deur van zijn vertrek te openen; dit zou zijn laatste tocht, zijn laatste verplichting als de hertog van Saksen zijn.

Gevechtshoornen klonken terwijl koning Karel, gekleed in zijn mantel van goud en paars, door de poorten van het paleis stapte, met Widukind aan zijn zij. Achter hen aan kwamen de paltsgraaf, de kanselier, de hofmaarschalk en de koninklijke bevelhebber, en daar achteraan alle andere magnaten van Karels hof. De Saksen, vertegenwoordigd door alleen de edelmannen Abbio, Ulf en Asmund, volgden daarna, waarna de graven de stoet voltooiden. De boeren van de Eik-sibbe en de Sattelmeiers, die hun hertog naar het paleis geëscorteerd hadden, stonden allen langs het pad opgesteld. Ze bogen diep toen hun leider naderde, en hoewel ze hun beste kleding droegen, staken ze gewoontjes af tegen allen die hen omringden in deze overdadige omstandigheden.

Zoals koning Karel had bevolen, waren er geen onkosten gespaard, en flakkerden er honderden kaarsen in de koninklijke kapel, wat een warme gloed wierp op de ruimte en de muren van de kerk; zij het enigszins flikkerend. De pracht en praal en de glorie van een zo groot, gecombineerd koninkrijk betoverden de zintuigen van hen die gezeten waren in de kerkbanken. De laatste vrome noot van het koor echode, en vloeide toen over in stilte, terwijl de aanwezigen het zichzelf gemakkelijk maakten voor de mis.

Angilram van Metz, die na de dood van Fulrad was gepromoveerd tot de kapelaan van het vorstelijk huis, was voorganger bij de hoogmis.

De bisschop sprak over het Kruis dat Jezus had opgenomen en meegedragen, over het Kruis dat een ieder op moest nemen en moest dragen, net als Hij had gedaan. De geur van brandende wierook dreef door de ruimte, terwijl de kaarsen zachtjes flakkerden terwijl de stemmen van de koorknapen zacht oprezen in aanbidding.

Widukind had de woorden van Angilram gevolgd; maar hoe uitgesprokener de geuren die kerk vulden werden, hoe zwaarder de lucht, verwarmd door honderden kaarsen, hoe meer zijn gedachten afdwaalden van de preek van de kapelaan, en de heilige procedures en praktijken, die hij van plan was geweest nauwgezet te volgen. Zijn gedachten keerden terug naar de bossen van Saksen, naar de heide en de eeuwenoude grafheuvels, de woeste bergen. Daar waar in strijd met de christelijke priesters, zouden vuren worden aangestoken ter ere van het wintersolstitium en om het keren van de winterzon te vieren, en zijn pad naar de lente aan te moedigen, zodat het komende jaar goede oogsten konden worden gevierd. Zij zouden eeuwenoude spellen spelen, zij zouden een rondeau dansen om het groeiende licht van het nieuwe jaar te vieren, de nieuwe wording, en de onzekere toekomst. Het was hetzelfde soort festival als waar Geva en hij elkaar opnieuw hadden gevonden.

In de gloed van honderden kaarsen, zag Widukind de vuren van de winterzonnewende thuis. Hij schrok pas op uit zijn dagdroom toen hij de bisschop zijn naam hoorde uitspreken, en bewoog zoals hij geïnstrueerd was.

Koning Karel vergezelde hem naar het doopvont voor het altaar; de koning zou de peetvader aan zijn zij zijn, want hij was bekend met de reis die de hertog nu ging bewandelen. In een ernstige geestestoestand, en met harde woorden, had hij de bisschop het bevel gegeven de doopwoorden weg te laten, en Angilram, die heel goed bekend was met de sterke wil van zijn heer, had beloofd hieraan gehoor te geven.

Aangekomen bij het doopvont, verwijderde Widukind zijn blauwe mantel, het symbool van zijn functie en waardigheid, en spreidde het uit voor het stenen bassin. Vervolgens knielde hij erop neer en boog zijn hoofd in aanvaarding.

Het gezang stopte toen Angilram zijn hand ophief om te beginnen met het doopritueel. Hij was zo in beslag genomen door het moment dat hij vergat wat hij de koning had beloofd. ‘Zweert u Odin, Thor en Saxnot af?’ Zijn stem klonk luid en duidelijk, en stopte abrupt toen Widukinds hoofd omhoogschoot, zijn ogen brandend van woede, klaar om zijn harde ‘Nee!’ naar de bisschop toe te spuwen. Het vuur in de ogen van koning Karel, terwijl hij zijn houding verstevigde en zijn handen zich balden tot vuisten, brandde Angilram.

De bisschop kromp ineen. Zijn stem, die enkele momenten eerder nog vast had geklonken, was afgenomen tot een onzeker gestamel. Auftrannus, de koormeester, herkende het gevaar, het leek namelijk alsof de aanwezigen en daarmee de kapel als een collectief hun adem inhielden, terwijl de stilte oorverdovend klonk binnen de muren. Op zijn signaal schoten de jongens in de benen, en ze braken uit in de lofzang.

De bisschop herstelde zichzelf en realiseerde zich nauwelijks dat hij betekenisloze woorden mompelde, terwijl hij afwezig zijn handen onderdompelde in het ingezegende bassin, voordat hij het wijwater over Widukind spetterde, die opnieuw zijn hoofd voor hem had gebogen.

De stemmen van het koor zwollen aan toen de heilige rite tot een einde kwam. De kaarsen knetterden, en leken een sterker licht uit te stralen. De hovelingen en graven stonden op toen Widukind weer overeind kwam. Hij draaide zich om en stond op het punt om zijn hertogelijke mantel achter te laten bij het doopvont, maar Karel bukte en pakte het blauwe kledingstuk op; zijn stem vulde de kapel terwijl hij dit embleem van waardigheid en leiderschap over de schouders drapeerde van de man die de weg naar opoffering had bewandeld.

‘Je blijft wat je was, de hertog van alle Saksen.’