2

 

 

 

Porter

Dag 1 • 23.24 uur

 

 

 

‘Moet ik nog met je meelopen naar boven?’

Ze stonden geparkeerd voor het appartementencomplex aan Wabash waar Porter woonde. Nash trapte steeds even het gaspedaal een beetje in om te voorkomen dat Connie zou afslaan. Zo langzamerhand was het een bitterkoude nacht geworden.

Porter schudde zijn hoofd. ‘Ga maar naar huis en zorg dat je een beetje rust krijgt. In de loop van de ochtend zien we wel weer verder.’

De technische recherche had met kettingzagen één groot vierkant blok ijs rond het meisje uitgezaagd. Daarna hadden ze dat grote blok in hanteerbare stukken verdeeld die in emmers naar het forensisch laboratorium waren vervoerd voor verder onderzoek. Het lichaam van het meisje werd naar het lijkenhuis gebracht om te worden geïdentificeerd. Porter belde Tom Eisley, die beloofde dat hij er vroeg zou zijn en zou bellen zodra ze de identiteit met zekerheid hadden vastgesteld. Agenten in uniform zochten nog steeds in het park toen Porter en Nash waren vertrokken, maar op dat moment hadden ze nog niets gevonden. Clair bleef en zou de filmbeelden van de enige bewakingscamera, die bij de ingang van het park, bekijken om te zien of die hen iets wijzer kon maken. Ze wist niet zo goed waar ze op moest letten en Porter kon haar ook niet veel meer meegeven dan de vage hint te zoeken naar opvallende gebeurtenissen in de afgelopen drie weken, vooral in de avonduren. Het park zelf ging bij zonsondergang dicht, en daarna was het er donker, op een paar plaatsen na waar de meeste mensen kwamen, waar lantaarns stonden. Er was geen permanente verlichting bij de lagune. Iedereen die zich daar na donker nog zou vertonen, zou opvallen.

‘Daarstraks, toen we op weg waren naar het park…’ begon Porter.

Nash onderbrak hem. ‘Je hoeft het niet uit te leggen. Het is goed.’

Porter maakte een wuivend gebaar. ‘Ik heb de laatste tijd weinig geslapen. Al sinds de dood van Heather. Steeds als ik het appartement binnenkom, is het er zo leeg. Ik verwacht elk moment dat ze uit een van de andere kamers komt lopen, of dat de voordeur opengaat en ze over de drempel stapt met haar armen vol boodschappen, maar het gebeurt nooit. Ik wil niet naar de andere kant van het bed kijken en zien dat ze daar niet ligt. Ik wil haar tandenborstel niet in de badkamer zien staan, maar ik kan me er niet toe zetten om hem weg te gooien. Hetzelfde met haar kleren. Een week geleden was ik van plan alles in een doos te stoppen voor de kringloop, maar toen ik er één blouse in had gelegd, moest ik stoppen. Doordat ik met haar kleren rommelde, vulde de lucht zich met haar geur en was het net of ze weer terug was, al was het maar heel even. Ik weet dat ik verder moet, maar ik weet niet of ik dat wel kan. Nu nog niet, in ieder geval.’

Nash kneep in de schouder van zijn vriend. ‘Dat komt wel. Als het juiste moment is aangebroken lukt het je. Niemand heeft haast. Onthoud maar dat we er allemaal zijn om je te helpen. Maakt niet uit waarmee.’ Nash prutste aan het stuur, peuterde aan een half losgescheurde flap synthetisch leer. ‘Misschien zou het helpen om te verhuizen. Een ander appartement. Opnieuw beginnen.’

Porter schudde zijn hoofd. ‘Dat kan ik niet. We hebben dit appartement samen uitgezocht. Dat is ons thuis.’

‘Een vakantie dan?’ stelde Nash voor. ‘Je hebt genoeg vrije dagen opgespaard.’

‘Misschien, ja…’ Porter staarde naar de gevel van het gebouw.

Hij ging niet verhuizen. Voorlopig absoluut nog niet.

Het portier van de Chevy kraakte toen Porter de hendel omlaagdrukte en uitstapte. ‘Gloeiende genade, het is koud.’

‘Tijd voor de lange onderbroek en whisky.’

Porter klopte twee keer op het dak van de auto. ‘Als je er een beetje tijd in zou stoppen, zou dit best een fijne kar kunnen worden.’

Nash glimlachte. ‘Om zeven uur in het hoofdkwartier?’

‘Ja… Zeven uur is prima.’

Nash gaf gas en reed weg.

Porter keek de auto na en liep toen door de kleine hal van het appartementencomplex, waarbij hij zorgvuldig de hoopjes bevroren hondenpoep op de treden naar de ingang vermeed. Hij liep de brievenbussen voorbij en nam de trap. Hij liet tegenwoordig de liften voor wat ze waren als hij ook maar enigszins de keuze had.

Toen hij de voordeur van zijn appartement openmaakte, werd hij verwelkomd door een mix van geuren van tientallen bezorgmaaltijden. De grootste boosdoener was een stapel lege pizzadozen die een lucht van verschaalde kaas en oude peperoni verspreidde.

Porter hing zijn jas over de rug van een stoel en liep de slaapkamer in. Hij knipte het licht aan.

Het bed stond stijf tegen de muur in een hoek van de kamer, samen met de beide nachtkastjes.

Honderden foto’s en briefjes met aantekeningen, post-its en krantenartikelen vulden de muur waartegen het bed had gestaan. Tussen sommige was een draadje gespannen. Toen het bolletje op was, had hij een zwarte marker gepakt om lijnen te trekken.

Hier hing alles wat hij had over de Moordenaar van het Vierde Aapje, of Anson Bishop, of Paul Watson, steeds een en dezelfde persoon. Er hingen details bij over de moorden die Bishop eerder had gepleegd, maar het grootste deel van de gegevens had betrekking op de verblijfplaats van Bishop nadat hij Porter was ontglipt.

In de hoek van de kamer stond de laptop op de vloer. Het scherm gloeide helder op. Porter pakte hem op en bestudeerde het scherm. Hij maakte gebruik van Google Alerts (verbazingwekkend eenvoudig in het gebruik voor iemand die geen snars verstand had van computers) om elke vermelding, elk verhaal, elke waarneming van Bishop, Watson, Aap, de Moordenaar van het Vierde Aapje op internet te signaleren en door te sturen naar zijn eigen e-mailaccount. Hij was er soms uren mee bezig, maar hij nam alle berichten door en markeerde alle locaties op een grote wereldkaart die hij midden op de muur had gehangen, omringd door alle andere gegevens en detailkaarten. Veel detailkaarten van de belangrijkste grote steden.

Vier maanden gegevens.

Op de kaarten wemelde het van de speldenknoppen – rood voor waarnemingen, blauw waar een verslaggever een artikel had geschreven, en geel waar iemand werd vermist of was vermoord onder omstandigheden die deden denken aan de modus operandi van Aap. Overal doken na-apers op. De meeste speldenknoppen waren in en rond Chicago te vinden, maar er stonden ook spelden in Brazilië, en in Moskou.

Porter pakte een speld met een gele knop en zocht de lagune op de kaart van Chicago. ‘Ella Reynolds, vermist sinds 22 januari 2015, waarschijnlijk gevonden op 12 februari 2015,’ mompelde hij in zichzelf. Hij had geen enkele reden om aan te nemen dat Aap voor dit geval verantwoordelijk was, maar die speld zou daar blijven tot hij zeker wist dat hij er niets mee te maken had.

Zijn oogleden voelden zwaar bij gebrek aan slaap.

Hij had een hardnekkige hoofdpijn.

Hij ging midden in de slaapkamer op de vloer zitten en begon de Google Alerts van die dag te schiften, alle 159.

Toen zijn telefoon twee uur later ging, overwoog hij de oproep te negeren, maar hij bedacht zich. Niemand belde hem zonder goede reden om half twee ’s nachts.

‘Porter,’ zei hij.

Waarom klonk zijn stem altijd luider midden in de nacht?

In eerste instantie bleef het stil. Toen klonk een vrouwenstem: ‘Meneer Porter? U spreekt met Sophie Rodriguez van Vermiste Kinderen. Ik heb uw nummer gekregen van Clair Norton.’

‘Wat kan ik voor u doen, mevrouw Rodriguez?’

Opnieuw bleef het even stil. ‘Er wordt weer een kind vermist. Uw partner en u moeten hiernaartoe komen.’