Ik vond ze al raar doen vanaf het moment dat we gisteren aankwamen. Ze keken heel onschuldig, alsof er niets aan de hand was; wierpen elkaar blikken van verstandhouding toe, gluurden dan weer naar mij, dan weer naar elkaar.
Het duurde wel even voor we ons uit de snikhete auto hadden gewurmd; mama had per se de ramen open willen hebben, terwijl papa beweerde dat het met de airco veel beter was. Minstens honderd kilometer hadden ze het alleen maar gehad over de temperatuur en open of dichte ramen. We hadden ze open-, dicht- en weer opengedaan, waarna niemand meer wist wat het beste was. Uiteindelijk vroegen ze mijn mening. Dat gaf ze een excuus om van onderwerp te veranderen en op mij te gaan kankeren omdat ik mijn schouders had opgehaald, had gezegd dat de ramen mij geen fluit interesseerden en al die tijd naar buiten was blijven kijken.
De eerste honderd kilometer was het nog geen probleem geweest. We waren vroeg vertrokken.
“In de koelte,” had papa gezegd. “Drie uur ‘s-morgens, dat is de beste tijd. Dan is er nog niemand op de weg.”
“Geweldig hoor, die voorspellingen van jou!” zei mama keer op keer tijdens de drie uur die het kostte om naar de tolpoort te rijden – stapvoets bijna – in het gekrioel van mens en blik op vakantie.
Voorbij de tolpoort werd het niet veel beter, maar de eerste hindernis lag achter ons.
Om klokslag tien uur ‘s-morgens kwamen we eindelijk bij het wegrestaurant. Leuk woord trouwens, ‘wegrestaurant’. Het was toen al verschrikkelijk heet, en daarbij geven open ramen bij een gemiddelde snelheid van veertig kilometer per uur niet echt veel verkoeling.
Ik vergeet nog te zeggen dat, toen papa uiteindelijk zijn zin kreeg omdat we alle drie knalrood en bezweet waren, de airconditioning het niet meer bleek te doen.
“Altijd wat met die auto…,” klaagde mama.
“Zeg dat maar tegen de fabrikant!” kaatste papa terug.
Doordat hij geïrriteerd was, botste hij heel even tegen de bumper van de auto vóór ons. Niks ernstigs: we reden twintig kilometer per uur.
We stapten allemaal uit. De bestuurder van de andere auto kwam met zijn schadeformulier in de hand op ons af.
Ik zag best dat hij baalde toen hij moest toegeven dat er echt geen krasje te zien was.
“Ach kom, dat kan toch iedereen gebeuren,” zei papa nog een beetje lacherig tegen hem.
Mama had al vriendschap gesloten met de mevrouw vóór ons; zij beklaagden zich in koor dat de mannen hen nooit achter het stuur lieten.
En ik? Toen ik de koppen van de twee koters in die andere auto zag, ging ik maar weer op mijn plaats achterin zitten.
Alles had nog best goed kunnen aflopen. Alleen vroeg die vent toen aan papa om voorop te gaan rijden, zodat hij zelf ‘achter ons kon rijden en niets in zijn achterste zou krijgen’ (waarop hij in een vette lach uitbarstte). Aangezien we waarschijnlijk ‘nog een flink eind zo te gaan hebben, kont aan kont’ (en hij grinnikte weer), wilde hij liever degene zijn die over onze bumper waakte, in plaats van papa over de zijne.
“Maar dat komt op hetzelfde neer,” antwoordde papa, “want dan rijdt er iemand anders achter u.”
“Ja, maar misschien is dat niet zo’n slaapkop,” zei die vent.
Daarop wisselden ze nog meer woorden, druk gebarend en op luide toon. Ik luisterde niet meer. Mama stapte ook weer in de auto. Ze begreep dat het helemaal mis was. De mevrouw van vóór ons ging bij haar twee kinderen op de achterbank zitten. Mama draaide zich naar mij om: “Lili, ga eens tegen je vader zeggen dat we best voorop kunnen rijden. Wat maakt dat nou uit?”
Ik stapte uit en liep naar papa. Hij en die ander konden elkaars gebrul niet eens meer verstaan: alle auto’s achter ons waren gaan toeteren omdat ze vonden dat wij de doorgang belemmerden. Inderdaad was de snelweg op dat stuk maar twee banen breed en wij blokkeerden de linkerrijstrook.
Gelukkig bleek het niet nodig ze te overschreeuwen en papa tot rede te brengen. Hij kwam terug, rood aangelopen en met verwarde haren. Hij stapte in de auto, smeet zijn portier dicht en liet de motor ronken, stationair.
Ook de ander ging weer achter het stuur zitten, maar reed niet weg. Hij had er best de ruimte voor, maar wachtte tot papa vóór hem zou gaan rijden, zoals ze uiteindelijk hadden besloten. Ik schoot als een haas de auto weer in, want het leek me dat ze mij in alle commotie wel eens konden vergeten.
Maar het probleem was nou juist om vóór de ander te komen. Links passeren kon niet, rechts ook niet: de auto’s reden stapvoets, in een ononderbroken file.
“Stap eens uit en laat ze stoppen,” zei papa tegen mama.
“Ben jij wel helemaal lekker?” riep mama uit.
Papa sloeg hard met zijn vuist op het stuur. Toen haalde hij diep adem. “Goed, jij rijdt, en ik regel verder alles.” Hij stapte uit.
De vent van vóór ons stak zijn kop breed lachend door het portierraam. “Dat zal nog niet meevallen!” riep hij papa toe.
Die deed of hij er geen acht op sloeg, maar ik hoorde hem een heel grof woord mompelen toen hij voorbij mijn open raam liep.
Hij ging midden op de rechterrijstrook staan, een stukje achter onze auto, en stak zijn hand op als een verkeersagent.
Mama was achter het stuur gekropen.
De claxons van de rechterrijstrook voegden zich nu bij die van de linkerkant.
Toen mama de koppeling liet opkomen, sloeg de motor af. Ik geloof niet dat het haar schuld was, de motor was waarschijnlijk te heet geworden. Dat zei ze tenminste tegen papa toen hij terugkwam, zichtbaar geïrriteerd.
Rechts waren ze, heel gemeen, weer gaan rijden. We konden weer van voren af aan beginnen. De auto moest opnieuw worden gestart en dat ging niet makkelijk. Papa nam dat op zich. Zijn gezicht werd roder en roder.
Met tegenzin gaf hij het stuur weer aan mama over om nogmaals politieagent te gaan spelen bij die egoïsten van de rechterrijstrook. Deze keer verprutste mama het niet en we haalden de auto vóór ons rechts in. Maar toen mama weer links wilde invoegen, zodat de vent vóór ons achter ons zou komen, werd het echt lastig.
“Een slecht mens,” zou papa ons later als verklaring geven.
Precies op het moment dat mama van rijstrook wilde wisselen, nadat ze dat keurig met de richtingaanwijzer had aangegeven, trok hij op. Zomaar. Mama knalde bijna op zijn rechterspatbord. Op dat moment hoorden we gebrul achter ons: we waren papa vergeten.
Alsof de duvel ermee speelde, stroomde het verkeer sinds een minuut of twee beter door. Misschien doordat wij beide rijstroken hadden versperd. Er lag zeker driehonderd meter gesmolten asfalt voor ons. Driehonderd meter zonder auto’s.
Toen we papa hadden opgepikt, bleken we weer precies achter de vent van vóór ons te zitten. Hij was maar drie of vier meter doorgereden en stond ons op te wachten, schaterlachend.
“Dat gaat zomaar niet,” zei papa.
Ik was zo dom om te opperen dat we, aangezien we toch al op de rechterrijstrook zaten, net zo goed konden doorrijden en de vent van vóór ons naast ons laten rijden – dus niet vóór en niet achter ons. Papa wierp me een zwaar beledigde blik toe.
Zoals ik al zei, lag er driehonderd meter vrije weg vóór ons, vierhonderd inmiddels. Papa liet de koppeling opkomen en de auto sprong vooruit.
Maar precies op hetzelfde moment liet de vent vóór ons ook zijn koppeling opkomen en beide auto’s reden om het hardst naast elkaar, bijna aan elkaar vastgeplakt.
“Een slecht mens, die vent,” zou papa later steeds herhalen.
De koters in de andere auto staken hun tong uit en maakten een lange neus naar mij. Ik wendde me af. Het was stom, maar mijn ogen prikten. Omdat ik gekwetst was of omdat ik boos was? Dat weet ik niet. Ik wilde iets moois zien. Ik keek overal om me heen, maar ik zag niks.
De wedstrijd duurde niet lang. Maar papa had ‘lef getoond’, verkondigde hij achteraf. De vent van vóór ons remde iets eerder dan hij, om niet tegen de laatste auto van het peloton aan te botsen, en papa profiteerde daarvan door hem te snijden. Hij reed nu voor, en de ander achter. Maar omdat papa hard moest remmen vanwege de auto’s voor hem, had de vent achter ons geen tijd om te stoppen. Hij ramde ons.
Op dat moment kreeg mama een zenuwtoeval.
Nou ja, we waren voorop gaan rijden, zoals die vent gewild had, opdat wij niet tegen zijn achterbumper aan zouden knallen. Nu lag alleen zijn voorbumper in de kreukels.
Toen konden papa en hij beginnen met het invullen van het schadeformulier. Zelf probeerde ik mama te kalmeren; de mevrouw uit de andere auto bracht haar een glas water. Dat was aardig. Zij had geen zenuwtoeval, maar zag er heel grauw uit, alsof het licht was uitgegaan.
De twee koters hadden zich als egels opgerold op de vloer van de auto. We zagen ze niet meer en we hoorden ze niet meer. Ik had gezien hoe hun vader zich, vlak voordat hij uit de auto stapte om de schade op te nemen, naar hen omdraaide en ze allebei een draai om hun oren gaf. Bijna had hij in één moeite door zijn vrouw, die immers ook achterin zat, een klap gegeven. Hij hield zich op tijd in, toen hij zag hoe grauw ze was.
Bij het invullen van het schadeformulier hielden we natuurlijk het verkeer weer op. Maar uiteindelijk kwam het in orde: over de vluchtstrook kwamen twee motoragenten aan rijden. Zij slaagden erin de twee auto’s langs de rechtervangrail te parkeren en wijdden zich vervolgens aan het opmaken van het proces-verbaal, want papa en de ander waren het niet eens over de schuldvraag: de vent achter ons, ex-vóór, weigerde een deel van de schuld op zich te nemen, omdat papa hem zou hebben gesneden – van rechts nog wel.
Ik weet niet precies hoe dat afliep. Mama werd weer rustig.
Meer dan ooit wilde ik huilen. Maar waarom wist ik hoe langer hoe minder.
Dat was allemaal gisteren; het lijkt alweer zo ver weg. Eén dag en één nacht geleden. En zulke toestanden waren bovendien vaste prik.
Daarna werd alles anders.