Donderdag 2 augustus

Ik heb de hond weer gezien.

Hij is vies, heel mager en uitgeput.

Vandaag is hij teruggekomen. Dat moet, anders had ik hem wel eerder gezien.

“Gaat het?” vroeg ik hem.

“Niet zo best.”

“Heb je honger?”

“Niet zo erg.”

“Heb je lang achter ze aan gerend?”

Hij leek niet verbaasd dat ik wist wat hem was overkomen. Zo zijn honden.

“Ik ben mijn ballebal kwijtgeraakt. Ik liet hem los, toen reden er een heleboel auto’s langs. Ik kon ze niet bijhouden.”

“Waarom ben je hier teruggekomen?”

Hij schudde zich helemaal uit. Zijn vier poten gleden uiteen. Zijn ingevallen buik raakte bijna de grond. Daarna bracht hij zijn poten, alle vier, weer bij elkaar, goed recht en trots, en deed alsof hij mijn vraag was vergeten.

Ik drong niet aan.

Ik wilde hem aaien, mijn neus in zijn vacht drukken, maar ik durfde het niet: we kenden elkaar nog maar net.

Als hij nog even blijft, zal ik hem vertellen dat zo’n ding een bal heet.