Ik heb maandag niet op de bank geplast.
Mijn ouders liepen een eindje weg van de auto waar ik nog steeds in zat. Ik denk dat ze de zaken even rustig op een rijtje wilden zetten.
Ik keek naar ze. Ik kon niet horen wat ze zeiden, maar mama had die vermoeide uitdrukking op haar gezicht, die ze heeft als ze in huilen gaat uitbarsten omdat ze ‘het leven niet leefbaar en de wereld onnoemelijk slecht’ vindt. Dat zijn haar eigen woorden, elke keer weer.
Ik zag al aankomen dat papa het toverwoord ging roepen: “VENETIË!”
Als bij toverslag zou de vermoeidheid van mama’s gezicht glijden en zou ze niet meer hoeven huilen.
Twee jaar geleden hadden ze een ander woord. Minder krachtig dan Venetië, want het moest twee keer achter elkaar worden gezegd voor het gewenste effect: BORA BORA.
Ze bleven een week weg en toen ze terugkwamen hadden ze Bora Bora ‘gedaan’; ik heb ze er niet meer over gehoord, behalve op avonden dat de verveling toeslaat en de dia’s tevoorschijn komen. Ze hadden een ander woord nodig, “want alles slijt en alles gaat voorbij, zelfs genoegens,” aldus papa.
Er kwamen andere folders op de wc en op de salontafel voor de echt lederen bank. Zonovergoten palmenstranden werden vervangen door carnavalsmaskers en de blauwachtige nevel van de lagune.
Ik vertelde ze niet dat ze er eentje hadden moeten nemen die wél van gisteren was. Ik had het benauwd, stapte uit de auto en liep naar de cafetaria.
Als ze iets tegen me hadden gezegd, zou ik hebben geantwoord dat ik een ballebal ging kopen.
Ze vroegen me niets. Ik heb het ze makkelijk gemaakt en ben niet teruggegaan.
Ik ben niet naar Bora Bora geweest.
Ik wil niet mee naar Venetië.
En ik hoef ook niet te huilen.