Niets gaat meer goed. Ik denk dat mijn schrift vandaag vol komt. Om niet te worden gestoord, heb ik me achter het benzinestation verschanst. Het ruikt naar benzine, maar hier zit ik beter dan ergens anders. Hier zal niemand me komen zoeken, behalve misschien de hond. Hij is naar de overkant gegaan. Ik denk dat hij niet meer terugkomt. Hij wil de terugreis van de anderen niet missen. We hebben ruzie.
We vonden het allebei moeilijk om ruzie te maken. Hij had niemand behalve mij, ik had niemand behalve hem. Zo was het nu eenmaal.
Met Solange is het anders. En met haar heb ik ook ruzie. En nu zit ik hier te janken als een klein kind. Belachelijk.
Nou ja, pech. Laat de hond een hond blijven en Solange een Solange. Ik word doodmoe van ze. De hond wacht. Solange is boos: ze denkt dat ik voor de lol tegen haar heb gelogen. De hond blijft een hond omdat hij denkt dat hij intelligent is. Solange blijft een Solange omdat ze denkt dat ik gemeen ben en zij dom is geweest. Is dat nou wat ze bedoelen met ‘van jezelf houden’?
Als ik op zomerkamp was, schreef ik nu snel naar mijn ouders dat ze me moesten komen ophalen. Dan zou ik niet van mezelf houden. Vandaag voel ik helemaal geen liefde. Voor niemand. Het slaat nergens op om te houden van mensen die er niet zijn. En de mensen die er wel zijn, blijven boven de snelweg hangen om erachter te komen welke kant ze op moeten om iets van hun leven te maken.
Alsof de richting van het leven afhangt van de richting van de weg.
De hond is helemaal niet intelligent. Dat zou ik hem recht in zijn gezicht vertellen als hij hier was. Hij heeft alleen maar de sluwheid van een slaaf die weer bij zijn meester in de gunst wil komen.
En ik? Ik voel helemaal geen liefde.
Ik geloof niet dat ik van mijn ouders hou. Ik ben bij ze gebleven omdat ik klein was en zij nuttig voor me waren. Zonder hen kon ik me niet redden. Nu hebben ze me laten zien dat ik groot genoeg ben om alleen te zijn. Nuttig, dat waren ze.
Als je klein bent, zoek je een verklaring waarom je niet op je ouders lijkt. Dan kom je vanzelfsprekend uit bij adoptie. Dat is bijna een geruststelling.
Daarna moet je de moed hebben om géén verklaring te zoeken. Of om tegen jezelf te zeggen dat het komt doordat je ouders nergens op lijken. Of dat ze op de hele wereld lijken; die wereld die ze mij door de strot lijken te willen duwen tot ik er misselijk van word.
Ze lijken op de hele wereld. Niet allemaal. Dat weet ik. Die van mij. De ouders van Sophie lijken ergens op. Hetzelfde geldt voor de ouders van Jean. Die zijn lief, betrouwbaar, geestig, intelligent (op een andere manier dan de hond). Ik zou ze moeten vragen mij te adopteren.
Om te beginnen zou ik naar de politie moeten gaan en aangifte doen dat ik mijn ouders ben kwijtgeraakt.
Ik ben drie weken geleden aangekomen.
De auto is in een poel gevallen en verdwenen. Ik heb tegen niemand iets gezegd: ik was getraumatiseerd. Solange kan getuigen: ik ben zo getraumatiseerd dat ik onwaarschijnlijke dingen heb verzonnen om in de eerste plaats mezelf wijs te maken dat mijn ouders vlakbij waren, in het restaurant, de keuken…
Er zullen zoekacties op touw worden gezet.
∗
Ik zal niet meer weten waar de modderpoel ligt. En zelfs als ik die terugvind, is hij zo diep en stroperig dat een kraan geen zin heeft en er ook geen kikvorsmannen in kunnen duiken.
Hoe het gebeurd is?
Ik was uit de auto gestapt omdat ik moest plassen. De auto stond aan de rand van de poel en plotseling zag ik hem glijden en glijden, totdat hij wegzonk in de drassige oever.
Solange zal zich diep schamen dat ze niet heeft aangevoeld wat voor vreselijk drama ik heb meegemaakt en hoe ik machteloos moest toekijken hoe mijn geliefde ouders in de modder verdwenen.
Ze zal mij meenemen naar haar huis en ik zal in een echt bed slapen. Wat verlang ik naar een bed!
Ze zal me aan haar stevige boezem drukken en met grote uithalen huilen bij de gedachte aan al die zondagen en al die nachten dat ze niet bij het wegrestaurant was om over mij te waken.
Nee, nog beter: ze zijn vermoord!