Ik vond ze al raar doen vanaf het moment dat we gisteren aankwamen…
Het politiebureau was in rep en roer; wel iets anders dan zijn normale, rustige gangetje. Een crisis, een dieptepunt, een drama!
Aan één kant van het bureau zat agent Boudu, met zijn ellebogen op het tafelblad, de handen samengevouwen; aan de andere kant de ouders van Lili.
Tussen hen in, midden op het bureau, lag het schrift met de paarse linnen rug. Boudu had de halve nacht doorgebracht met lezen en herlezen, om er zeker van te zijn dat hij alles goed begreep. Aan het einde van de ochtend had hij de ouders, die in de dorpsherberg zaten, bij zich laten komen.
Meteen toen ze het bureau binnenkwam en het paarse schrift ontdekte, had de moeder een zenuwtoeval gekregen. De vader was wit weggetrokken.
De agent had een glas water voor de moeder laten brengen en daarna opdracht gegeven de deur dicht te doen, zodat hij met het echtpaar alleen kon zijn.
Voor Boudu was het de laatste keer dat deze deur op zijn bevel werd gesloten. Morgen, zo stond vast, nam hij ontslag. Hij zou zich tevredenstellen met een karig pensioentje, gaan tuinieren, zijn eigen pruimenbrandewijn stoken en vooral, vooral gaan fotograferen. Dat had hij altijd al gewild. Foto’s van feestelijke gelegenheden maken, als de mensen gelukkig zijn, of in ieder geval doen alsof ze gelukkig zijn. Na ruim dertig jaar bij de politie zag Boudu uiteindelijk liever gezichten op mat of glanzend papier, in zwart-wit of kleur, dan de verwilderde, angstige, ontdane gezichten waar hij beroepsmatig mee te maken had, gezichten die uit en weer in de plooi raakten. De hele mensheid in de verwrongen trek van een mond of een wegschietende blik.
Hij wilde ze alleen nog maar op glanspapier zien. Poserend. De enige ogenblikken van hun leven dat ze toonbaar zijn.
Daar zat hij aan te denken terwijl hij voortvarend de verplichte ondervraging afhandelde:
“Dit schrift…En wat als u uw dochter nou echt op 30 juli had achtergelaten?”
Tegenover hem barstte een storm van protesten en rechtvaardigingen los, waar hij maar met een half oor naar luisterde.
De vader zette zijn borst op om te laten zien dat hij zich niet door tegenspoed uit het veld liet slaan, de moeder huilde tranen met tuiten, die op de grond vielen, op het parket dat door het vele bleekwater wit was uitgeslagen.
Bleekwater, dat zou wel van pas komen, dacht Boudu, om alle sporen uit te wissen.
“U zou haar ook hebben kunnen…vermoorden!”
“U bent gek!” krijste de vrouw.
“Hou op, hou op! Stil nou toch,” riep de man.
Boudu wachtte rustig tot het geschreeuw verstomde.
“U heeft geluk…” hervatte hij, “dat er niemand met de naam Solange bij het wegrestaurant werkt. Daar staat tegenover dat de twee dames van de sigarenwinkel inderdaad een blond permanentje hebben, net als op de voorpagina van de tv-gids, maar goed…”
Bij het zien van de verbijsterde gezichten van de ouders onderdrukte hij een glimlach.
“Bovendien zijn alle mensen die daar werken het erover eens dat er geen klein meisje heeft rondgedoold in de maand augustus…ook al beweert de schoonmaakster, die – alweer een geluk voor u – geen Simao heet, dat er een grote vuilniszak van haar is gestolen…”
De ouders waren opgehouden met schreeuwen, jammeren en verbleken, om met hun vier oren deze geruststellende woorden tot zich te nemen.
“Blijft één lastig detail, dat echter noch uw onschuld, noch uw schuld aantoont: de kruidenierster van het dorp die uw dochter zou hebben zien langskomen, beweert dat het leek of ze wachtte op een hond die haar volgde.”
Boudu zweeg even.
“Tot zover de tekstverklaring,” besloot hij. “Ik kan u ook geruststellen: ik heb gebeld met de politie van de plaats waar u op vakantie zegt te zijn geweest. Mijn collega’s hebben een onderzoek ingesteld. U was inderdaad met zijn drieën in het appartement. Een echtpaar en een meisje van wie het signalement overeenkomt met dat van uw dochter…”
∗
Het ultimatum viel in een stilte waarin alleen de zuchten van opluchting van de vader en de laatste snikken van de moeder klonken: “Het staat dus vast dat uw dochter om de één of andere reden op 25 augustus in de namiddag van u is gescheiden. Twee uur later liep ze door het dorp dat het dichtst bij het wegrestaurant ligt. En nu gaat u mij de waarheid vertellen.”
De ouders, die bang waren dat ze van nog duisterder wandaden zouden worden beschuldigd dan waar ze echt verantwoordelijk voor waren, legden een bekentenis af.
“Dus u kunt zich voorstellen hoe wanhopig we waren toen dat schrift opdook!”
“Dat walgelijke schrift!”
“Dat web van leugens!”
“Die beschuldigingen!”
“Het is onvoorstelbaar wat kinderen kunnen verzinnen!”
Agent Boudu luisterde. Hij luisterde een tijdje, heel geduldig.
“Laten we ter zake komen,” zei hij uiteindelijk. “Oké. Uw dochter heeft…verzonnen dat u haar voor de maand augustus had achtergelaten bij een wegrestaurant. Ze heeft een vals dagboek bijgehouden waarin ze verslag doet van die maand. U heeft dat schrift…stiekem gelezen?”
“Natuurlijk! U had eens moeten zien hoe ze het koesterde!”
“Ze verloor het geen seconde uit het oog.”
“Op den duur vroegen we ons af wat ze te verbergen had dat ze zo wantrouwig tegen ons deed.”
“Tegen ons, haar ouders!”
“De nacht voordat we zouden vertrekken hebben we het van onder haar kussen gepakt…”
“Het was geen bemoeizucht!”
“We wilden alleen maar weten…”
“Het is toch normaal…”
“…dat ouders zich zorgen maken over hun kinderen.”
Tegenover deze lawine van verdedigingen wendde Boudu zijn blik af en vroeg: “En toen?”
“We wilden haar alleen een lesje leren!”
“Een klein lesje!”
“Maar twee uur later, toen we terugkwamen…”
“We zijn echt geen monsters!”
“Een heel klein lesje!”
“Toen we terugkwamen, was ze er niet meer.”
“We hebben inderdaad niemand iets gevraagd…”
“Dat durfden we niet!”
Toen waren ze naar huis gegaan, in de omgeving van Parijs.
“We dachten dat ze daar misschien al was.”
“Dat ze een grap met ons had willen uithalen!”
En daarna, toen ze thuis niemand aantroffen, waren ze teruggereden naar het wegrestaurant, waarna ze hadden besloten…
“Eindelijk!” verzuchtte agent Boudu.
…de autoriteiten in te lichten.
Achter de metalen vangrail langs de snelweg reiken uitgestrekte velden tot aan de horizon. Vóór vandaag had ik daar niet naar gekeken; ik was binnen de omheining gebleven, de kluis waarin ze me hadden achtergelaten. Ik wachtte.
Ja, ik wachtte op jullie, omdat ik geloofde dat ik te klein was om niemand te hebben in het leven, niemand die verantwoordelijk voor me is. Nu ben ik verantwoordelijk voor mezelf.
De wereld zal zijn als in mijn dromen, zonder honden als de hond en zonder mensen als jullie.
Uitgestrekte velden reiken tot aan de horizon. Heel in de verte zie ik een kerktoren, de daken van een dorp, een echt dorp zo te zien, papa.
Daar ga ik heen. Misschien zal ik de hond terugvinden op zijn zwerftocht. Misschien zal hij hebben nagedacht.
Vooral geen afscheid. Sinds hij terug is aan onze kant, jankt hij tegen de volle maan, en de maan geeft geen antwoord.
Zijn oren proberen nog steeds de geluiden uit een andere dimensie op te vangen. Zijn flanken zijn ingevallen. Hij slaapt niet meer zonder te kreunen, zonder te moeten vechten in nare dromen. En ik kijk naar hem terwijl hij het verdriet als ongedierte aan zich laat vreten.
Midden op de velden zal ik plotseling het geluid van rennende poten horen, gehijg. Ik zal me omdraaien en zijn grote, zwarte lijf met z’n dikke vacht door het koren zien springen, zijn grote, levende lijf, sterker dan de wind die de volle aren alle kanten op doet buigen.
“Lili! Hé, Lili!”
Met een schok keek Lili op. Werktuiglijk graaide haar linkerhand in het zand om er een vuistvol van tussen haar vingers door te laten glijden; daarna dieper, waar het zand een beetje vochtig, compacter en zwaarder was. Dit zand liep niet tussen haar vingers door als in het glas van een zandloper; dit viel neer in vormeloze, ongelijke brokjes.
Lili gooide de honingkleurige korrels in de verte.
“He’! Lili!”
Ze veegde haar hand aan de handdoek af voordat ze de dop op haar pen deed en het dikke schrift dat een bleke afdruk op haar knieën had achtergelaten, zorgvuldig wegborg in haar linnen tas.
Opnieuw hoorde ze haar naam roepen.
Aan de rand van het water stonden twee volwassenen druk naar haar te gebaren.
Bij wijze van antwoord zwaaide zij ook met haar armen.
Ze riepen dat ze bij hen moest komen.
“Zo dadelijk!” antwoordde ze met de handen als een toeter voor haar mond, flink hard opdat ze haar zouden horen.
Niet ver van haar lag een grote, langharige zwarte hond te slapen.
Hij lag op zijn buik, met de kop op de voorpoten, die hij keurig naast elkaar had gelegd. Zijn neus glansde. Zijn oren hingen slap omlaag, leken tijdelijk doof voor de geluiden van buiten; ze streken over het zand. Enkele korrels hadden zich vastgeklampt aan de warrige punten, die glanzend en vochtig waren doordat ze kort ervoor in de zee waren geweest.
Iedere dag had Lili deze hond, die bij zijn baasjes sliep of speelde, bestudeerd.
∗
Er bewoog iets in de warme lucht, vlak bij Lili. Ze deed haar ogen open en zag haar moeder bukken, een handdoek pakken en die naar haar natte gezicht brengen.
De ogen kwamen weer tevoorschijn, glanzend en vriendelijk.
“Alles goed, lieverd?”
Lili knikte. Op dit moment had ze zin om het water in te duiken, zich te laten meedrijven op de golven, het zout op haar lippen te proeven en de koude rilling van de zee na de drukkende zon te voelen.
Die avond gingen ze met zijn drieën uit eten. De volgende dag zouden ze vertrekken.
“Om zes uur,” zei Lili’s vader. “Stipt!”
“In de koelte!” riep Lili met een knipoog.
Een kwart seconde lang leek haar vader verrast, toen lachte hij en woelde door haar haar.
“Wel ja, neem me maar in de maling!”
Lili lachte op haar beurt; haar moeder ook. Maar algauw begonnen Lili’s ogen te prikken, zomaar uit het niets, heel laf, zonder waarschuwing. En op hetzelfde moment vormde zich een dikke brok in haar keel, waardoor ze de laatste happen frambozenijs niet kon doorslikken.
Gelukkig zijn we al bij het toetje, dacht Lili. Want met het tempo waarin de spin van het verdriet achter in haar keel zijn kluwen spon, zou ze binnenkort stikken.
Haar vader schonk de champagnefles leeg in de glazen.
Ze hadden besloten dat het vanavond, de laatste avond, een beetje feest was.
“Nog een druppel, Lili?”
Met samengetrokken mond knikte Lili. Ze had daarstraks al een slok frisse bleekgouden bubbels gehad.
Mama had het nepkristallen glas uitgestoken om met haar te klinken. Daarop volgde licht getinkel, als van verre klokjes.
Voor de gelegenheid stemde Lili toe in nog een scheutje, al vond ze het drankje eigenlijk niet zo lekker.
∗
Het was elf uur toen ze het restaurant verlieten. Buiten klapperden de hijstouwen tegen de metalen masten van de plezierjachten die lagen te dommelen in de haven.
“Ooit zou ik wel een bootreis willen maken,” zei Li Li ‘s vader. Hij bleef staan voor het hellende vlak dat het donkere water in verdween.
Plotseling kreeg Lili de indruk dat alle stadsgeluiden waren verstomd. Geen langsrijdende auto’s meer, geen geroezemoes op de terrasjes, geen gelach van slenterende groepjes mensen.
“Dat doen we misschien nog wel,” zei haar moeder en nam de hand van haar man in de hare.
“Misschien wel nooit,” antwoordde hij. Zijn stem was laag, want stemmen klinken gedempt als er een droom voorbijkomt. Niet de bescheiden wens om een boottochtje te maken, maar het onuitputtelijke verlangen weg te varen, ver van de bewoonde wereld en ver van de mensen.
Opeens begreep Lili dat Venetië en Bora Bora alleen maar woorden waren, bedoeld als geruststelling voor volwassenen, om ze te laten geloven dat de droom een thuis heeft, een vaderland, steden, stranden, lagunes, gondels of palmbomen, want in alle kelen weeft de spin wel eens zijn zware kluwen.
Om het leven draaglijk te maken en de dagen te vullen waren verdere, sterkere, andere dromen nodig. Geen dromen over weggaan, maar dromen om op papier, of ergens anders, vast te leggen, om jezelf te kunnen wijsmaken dat de wereld er daarna een beetje anders uit zou zien.
∗
Ze zetten een paar stappen.
Haar moeder hield nog altijd haar vaders hand vast. Ze draaide zich om, stond stil, stak haar andere hand uit naar Lili, die achterbleef. Lili pakte haar moeders hand; hun vingers sloten zich om elkaar.
De hij stouwen klapperden nog steeds in de wind.
∗
Ze waren bijna bij het appartement aangekomen toen haar moeder uitriep: “Je tas, Lili!”
“Huh?”
“Je linnen tas, met je schrift!”
“O…”
Lili had hem niet meer. Hij hing nog aan de stoelleuning in het restaurant.
“Ik ga hem halen,” zei haar vader. Hij beende weg. Hij rende bijna.
Lili keek hem na. Als hij langs de haven kwam, zou hij weer aan de boot denken die hem niet zou meenemen.
“Zullen we naar boven gaan?” stelde haar moeder voor.
Ze namen de lift naar de vierde verdieping.
Terwijl haar moeder de slaapbank uitklapte, kroop Lili onmiddellijk op haar veldbed.
“Ga je meteen slapen?”
“Mmmm…”
“Wacht je niet even tot hij terugkomt, zodat je zeker weet dat je schrift niet zoek is?” vroeg haar moeder verbaasd.
“Niet zoek,” mompelde Lili.
Ze zonk weg in een diepe slaap.
Het was nog nacht toen Lili een oog opendeed.
In de badkamer klaterde de douche. Het geluid van kopjes en de geur van koffie kwamen uit de keuken.
Het bed van haar ouders was ingeklapt, de open koffers lagen er, al volgepakt, bovenop.
De linnen tas leunde tegen de voordeur van het appartement; een groezelig witte tas, met twee lange hengsels die er in een slappe kronkel verlaten bijlagen.
De geruststellende, vertrouwde geluiden hielden aan.
Lili ging rechtop in bed zitten. Ja, de geluiden hielden aan en leken niet van plan te verstommen of weg te sterven.
Haar vader stond te fluiten onder de douche. Haar moeder mopperde omdat de melk was overgekookt.
Lili glimlachte en weer prikten haar ogen. Ze sprong op de tegelvloer, die koud was onder haar blote voeten. Snel pakte ze de linnen tas en droeg hem terug naar haar bed, haalde er het schrift met de paarse rug uit, wilde het openen, maar bedacht zich.
Ze was van plan geweest een bladzijde toe te voegen na het verhaal met de agent, een allerlaatste:
Zaterdag 25 augustus
Ik heb gelogen.
Maar dat was niet het juiste woord. Het was niet een kwestie van waarheid of leugen. Ze was alleen met een vervormend vergrootglas over een aantal herinneringen en verzinsels gegaan en had haar fantasie de vrije loop gelaten aan de hand van onbestemde droefgeestigheid.
Het schrift ging terug in zijn linnen schuilplaats.
Lili stond weer op en duwde de deur van de keuken open. Op tafel stond een grote witte kom met dampende inhoud. Ernaast lagen twee besmeerde boterhammen.
“Goeiemorgen, mama,” zei Lili.
Haar moeder draaide zich om en kuste haar op het voorhoofd.
“Eet snel je ontbijt op. Je vader wil zo vroeg mogelijk vertrekken.”
Ze ging verder met het schoonmaken van de elektrische kookplaat.
“Vertrek over tien minuten!” riep haar vader, die uit de badkamer opdook. “Lili, onder de douche!” Hij verscheen in de keuken en nam een slok lauwe koffie.
“Heb je gezien dat ik je tas heb gevonden?”
Lili zei “Ja, dank je,” voordat ze van haar melk nipte.
∗
Haar hart bonsde.
Ze wilde zich nestelen in de armen van deze man en vrouw die haar ouders waren, hun vergeving vragen voor de dingen die ze in haar schrift over hen had geschreven. Zulke rotdingen. Die niet waar waren, althans niet precies, en wat deed dat er ook toe.
In een flits begreep Lili dat ze op een dag net zo oud zou zijn als haar ouders, misschien hetzelfde leven zou leiden, dezelfde – of vrijwel dezelfde – wereld zou erven.
Zou zij, na alle klappen die ze had gekregen, de kreukels en barsten die ze bij haar ouders had blootgelegd, zelf ook zo worden, en moeten dromen om te kunnen doorleven, om elke ochtend zonder pijn uit bed te kunnen komen? Zou zij op haar beurt klappen uitdelen? Zou zij haar eigen kinderen zo opvoeden dat ze zelf later een leven vol teleurstellingen zouden leiden, vol kleine gemeenheden en zeldzame grootsheid, vol flikkerende dromen die snel op glanspapier moeten worden vastgelegd om niet totaal verloren te gaan?
Toen ze haar melk op had, schoot Lili onder de douche. Vijf minuten later kwam ze aangekleed weer tevoorschijn. Ze pakte haar schrift beet en opende de stortkoker in de keuken.
“Wat doe je?” vroeg haar moeder.
Lili had haar hand op het koude handvat en hield het schrift tegen zich aangedrukt. Ze keek omhoog naar het gezicht van haar moeder, dat op dit moment zacht en vagelijk bezorgd was, en er speelden zich duizend dingen af in haar bruine ogen.
“Ik gooi het schrift weg,” zei Lili afgemeten, alsof het vanzelfsprekend was, alsof ze het had over een overbodige verpakking.
“Waarom? Je hebt er een maand lang in zitten schrijven, en nu wil je het wegdoen?”
∗
“Daar zou je later nog wel eens spijt van kunnen krijgen.”
“Maar het is niet goed! Niet interessant!” schreeuwde Lili, plotseling boos.
“Zo denk je er nu over,” zei haar moeder.
“Jij weet niet eens wat erin staat!” riep Lili uit.
Alsof ze haar uitdaagde.
En tegelijk had ze zin om deze vrouw, die haar geheimen met rust had gelaten, heel hard tegen zich aan te drukken.
“Nou en?” vroeg mama. “Jfj weet het en het is jouw schrift.”
Met de doffe klap van rubber ging de stortkoker weer dicht, zonder het schrift te verzwelgen.
“Allemaal in de auto!” riep Lili’s vader bij de deur van het appartement. Hij had de koffers al naar beneden gebracht.
In de keuken stond Lili te snikken, met haar armen om haar moeders middel.
“Ik wil niet dat je doodgaat!” zei ze.
“Maar ik ga niet dood,” fluisterde haar moeder.
“Nooit!” riep Lili.
Ze had het gevoel dat ze weer een baby was. Of juist heel volwassen. Het kon haar niets schelen.
“Jawel, ooit…” zei mama. “Maar dat duurt nog even.”
“We moeten ophouden iedere dag een beetje te sterven!” smeekte Lili.
“Ja…ja…” stamelde haar moeder.
“Al is het maar door in een schrift te schrijven dat het anders zal gaan!”
“Ja…ja…”
“In de auto!” herhaalde haar vader.
Hij zou nooit “Trossen los!” roepen. Was dat zijn schuld? Een beetje. Niet helemaal. Niet alleen.
“In de auto! Ik wil vóór elf uur voorbij Lyon en Fourvière zijn! Opschieten!”