Onbenut potentieel
De boodschappen zijn tot in de keuken bezorgd, op het bord naast het aanrecht hangt het weekmenu, vandaag is het dinsdag, en de alle geestdrift dodende opdracht aan haar is kip met boontjes en aardappelen, Ally’s favoriet. Als ze klaagt over dat systeem zegt David dat zij het zelf heeft verzonnen, dat hij dat schoolbord in haar opdracht daar zo heeft opgehangen. Alsof je je niet mag storen aan je eigen verzinsels, dat ten eerste, maar vooral wil Terri zeggen dat het zijn schuld is dat zij dat heeft verzonnen. Dat hij de veroorzaker is van de eindeloze verkleining die in haar heeft plaatsgevonden.
Kris en Ally zitten boven huiswerk te maken. Ze kan niet eisen dat ze aan de keukentafel komen zitten, dat station is allang gepasseerd en hun cijfers zijn weliswaar gemiddeld maar er zijn geen onvoldoendes, ze blijven niet zitten. De afgemetenheid waarmee Krista geen stap méér zet dan ze hoeft, maakt haar krankzinnig; er zit geen greintje ambitie in de lesstof en er zit geen greintje ambitie in Krista.
Terwijl ze de kratten leegruimt denkt ze na over hoe de jeugdigheid uit haar lichaam is gesijpeld, en hoe het streven uit hun leven is verdwenen. Alles gaat goed, alles gaat toch goed, zegt hij. Samenleven, denkt ze, is het voortdurend verder waden naar het midden van de gezamenlijke vijver: ondiep, lauw, met drassige bodem. Alleen uitzonderlijkheid die voor het algemeen belang kan worden aangewend heeft daar een plaats. Dat zij goed tegen weinig slaap kan, maakte de tijd dat hun dochters baby’s waren voor iedereen fijner, maar dat zij tegenwoordig soms de halve nacht op is maakt haar op een of andere manier een deserteur.
Ze klapt de kratten in en zet ze in het halletje. Volgens Lucas is ze knap, niet gewoon knap, uitzonderlijk knap, objectief knap. David heeft in die vijfentwintig jaar nooit tegen haar gezegd dat ze knap was. Hij heeft haar gerustgesteld als ze een aanval van onzekerheid had, maar dat deed hij niet door haar tegen te spreken, hij toonde begrip, wat zoiets is als het probleem onderschrijven. En hij raakte haar aan, alsof hij wilde zeggen dat het niet erg was. Door Lucas kijkt ze anders naar zichzelf. Misschien is ze inderdaad knap. Misschien is dat een van de vele aspecten van haar onbenutte potentieel. Ze gaat de trap op, langs de tegenover elkaar liggende kamers van Krista en Ally, Krista’s kamer is een bende, een hol, een plek waar wordt gezwolgen in de clichés van de puberteit, waar op geen enkele manier boven zichzelf uitgestegen wordt. Ally’s kamer is nog de kamer van een kind, vol speelgoed en poppen en knutselspullen, opgesteld volgens eigen ordeningsprincipes. Ze praat niet alleen over haar vermeende schoonheid met Lucas, hij is er bedreven in alles wat zij voor waar houdt op losse schroeven te zetten, haar denkvermogen uit te dagen. Hij is een nihilist, dat zegt hij zelf, hij neemt niets aan, en hij wijst alles dat naar plicht riekt categorisch af. Soms heeft hij geen enkele terughoudendheid waar het haar leven betreft. Hij begrijpt niet waarom zij aan haar gezin zou blijven hangen, als dat gezin haar aan de grond houdt. Hij vindt de keuze niet te handelen in haar situatie net zo goed een statement. Het enige doel in het leven is zelfverwezenlijking, citeert hij Wilde, of Sartre, of wie dan ook. Lucas had seks met haar op een volkomen zelfzuchtige manier die ze in theorie verafschuwt, maar die haar in praktijk gebracht optilde, emotioneel, fysiek. Het schudde haar wakker, zijn hardhandigheid slechtte een wal die een hele dimensie van haar bestaan buiten bereik hield. Ze loopt door naar boven, naar hun okergeel geverfde slaapkamer, met het bed waarin ze ’s nachts naar Davids ademhaling luistert, met elke ademtocht van hem voelt ze de zuurstof in de kamer, de ruimte die er voor haar overblijft afnemen. Ze trekt haar hardloopkleren aan. Ze laat niet aan de meisjes weten wat ze gaat doen, het zal hun toch niet kunnen schelen, dat hardlopen van haar wordt sowieso als een belachelijke hobby beschouwd, ook door David, voor wie het zo goed zou zijn als hij haar voorbeeld zou volgen, als hij ook eens wat deed. Er groeit vet om zijn middel, dat opvalt juist omdat hij van nature slank is, hij snurkt en zijn erectie bereikt geen volle sterkte. Ze zou een straf regime voor hem moeten opstellen. Hij zou het nog volgen ook, hij is een man die zich graag aan de regels houdt. Ze bindt haar haren bij elkaar, ze aait haar beide knieën, gaat de trappen af.
==
In het halletje staat David zijn schoenen uit te trekken.
‘Hè? Ben je er al?’ Ze denkt aan haar telefoon die op tafel ligt, waarop berichten van Lucas staan, nooit iets gewist, als hij haar niets schrijft dan leest ze die terug. Een moment hoopt ze dat David ze zal lezen, maar David is te fatsoenlijk om dat te doen. Hij zou ze pas lezen als hij er geen overtreding voor hoeft te begaan, ook geen overtreding van het fatsoen. Ze ziet ineens toch de mogelijkheid het hem op deze manier te vertellen, hem er bij toeval achter te laten komen, een brief te laten slingeren, haar mail open te laten staan, een bericht waarvan op het eerste gezicht niet duidelijk is dat het verboden terrein is voor zijn blik en waarvan de inhoud meeslepend genoeg is om hem niet meer weg te leggen als hij zich dat eenmaal realiseert. Ze moet het hem zeggen. Maar wat moet ze hem zeggen? Het zou een vereenvoudiging, een banalisering zijn van de werkelijkheid als hij zou denken dat ze verliefd is, dat ze alleen maar verliefd is op iemand anders.
‘Ja.’ Hij geeft haar een kus, gedachteloos, en gaat de keuken in.
Hij is moe. Hij is goed in zijn werk. Hij is scherp, analytisch, integer. Hij heeft er geen behoefte aan om te schitteren, hij is de ideale tweede man. Hij wordt gewaardeerd, ziet de relevantie van zijn inspanningen, krijgt een prima salaris. Hij is blij dat hij thuis is, en dat Terri net nu gaat hardlopen, dat hij nu nog niet meteen meer energie hoeft te veinzen dan hij heeft. Hij begint de puntjes van de sperziebonen af te knippen. Zijn moeder deed dat met een mes, Terri doet dat met een mes, hij heeft het gevoel dat hij met zijn veel snellere schaarmethode de boel belazert. Hij laat de bonen in het water staan en schrobt de aardappelen schoon. Terri kookt vandaag, maar zo is ze alvast halverwege. Hij snakt naar een borrel. Van boven komt muziek. Hij leunt met zijn handen op de tafel, vermoeid, besluiteloos, maar ook als de imitatie van een belangrijk man die zo meteen zijn hoofd op zal tillen om de boardroom toe te spreken.
==
Als Terri terugkomt van het rennen staat hij er nog steeds. Of weer. Ze kijkt naar zijn sokken, zijn donkerblauwe broek, het witte overhemd, het niet echt nette haar daarboven. Ze ziet dat hij het eten heeft voorbereid, om haar van dienst te zijn natuurlijk, maar voor haar onderstreept het alleen maar het takenpakket, de productie-eenheid die ze zijn, de geoliede machine waarvan het draaien zelf het doel geworden is. We moeten praten, klinkt haar stem in haar hoofd. Als het maar niet zo’n dodelijke zin was, zo’n hemeltergend cliché om wat ze zeggen wil door die zin vooraf te laten gaan. Alsof ze weet wat ze zeggen wil. Kris heeft haar muziek hard staan, te hard, een provocatie.
‘David.’
‘Terri.’
‘Ik eet niet thuis.’
‘Wat?’ Hij blijft zo staan met zijn handen plat op het tafelblad. ‘Waarom niet?’
‘Ik moet er even... uit.’
‘Waaruit?’
‘Ik moet even iets doen.’
‘Wat doen. Waar heb je het over? Wat moet je doen?’
‘Iets. Anders. Iets anders.’
Hij draait zich om en kijkt haar aan, de scheve groef boven zijn neus op zijn diepst. Zij kijkt hem aan. Zij heeft haar voet achter haar billen vastgepakt en rekt haar bovenbeenspier. Als een reiger op haar ene poot fixeert ze met haar blik de prooi, hij, klaar om te worden vermoord.
‘Zeg je nu.’
‘Bedacht ik net pas.’
‘Tijdens het rennen?’
‘Ja.’
Een paar maanden geleden waren ze zonder kinderen naar Berlijn gegaan. Ze hadden gevreeën, en niet op een rituele manier. Ze hadden gepraat, en het waren echte gesprekken, met een minimum aan praktische informatie-uitwisseling, ze waren dronken geworden, hij had haar aan het lachen kunnen maken, ze hadden mooie dingen gezien, de tijd genomen om te kijken, naar een gebouw, een schilderij, een film, elkaar. Ze vielen samen in slaap. Het was een verversing van de liefde. Als hij nu kijkt naar haar mond, naar haar blik, haar kin iets omhoog, strijdbaar, wachtend op de tegenaanval, is er weinig van over. Wat zei ze ook alweer? Dat ze iets moest, maar niet wat.
‘Je moet niet zozeer ergens heen, maar je moet hier weg.’
‘Ja.’
Oké, denkt David, dat kan, dat moet kunnen. Hij wil met een warme lage stem zeggen dat dat toch prima is, dat ze het niet hoeft uit te leggen, en haar een fijne avond wensen.
‘Het is jouw dag,’ zegt hij, een minimale beweging van zijn hoofd richting het schoolbord.
‘Jij kunt het prima even zelf afmaken.’
Als hij nou het idee had dat ze er plezier in had, in dat rennen, maar het is een en al discipline en ambitie en meestal is ze chagrijnig als ze terugkomt. Ja, als hij er nu zo over nadenkt is ze altijd boos als ze heeft hardgelopen. Alsof de inspanning haar sluimerende woede opstuwt tot iets tastbaars.
‘Ben je boos op me?’
Na een lange stilte en met iets van aarzeling zegt ze ja. En het is niet het begin van een gesprek, er is alleen maar een diepe kloof tussen hen waarin haar ja echoot. Toen ze net bij elkaar waren had hij een rivaal, Richard, een muzikant, een flamboyante jongen, veel spannender dan hij, maar hij en Terri lazen dezelfde boeken en van Richard werd ze verlegen maar van David werd ze zelf flamboyant. Ze hield ervan hoe ze afstak bij zijn degelijkheid, hoe David haar ruimte gaf, maar ook de garantie dat ze zou worden opgevangen als ze viel. Ze herinnert zich de eerste avond dat hij bij haar bleef, dat hij haar aanraakte, laveerde tussen zijn verlangen en voorzichtigheid. Dat zij zachtjes toe maar fluisterde. Dat hij weken, maanden, jaren, precies goed was, zacht en stevig, geestig en ernstig. Dat ze hem langzaam leerde kennen, zijn geschiedenis, zijn manier van denken. Dat ze samen opgingen in iets nieuws. Dat ze oude dingen aflegden, als slangen vervelden, elkaar naderden in het midden, daar glans aan gaven, aan het verhaal timmerden, aan het gezin timmerden, aan het project. Dat ze hun lot verbonden, hun individualiteit opgaven. Dat het mysterie ontrafeld werd, en toen uiteindelijk verdween. Het gevoel van leegte dat dat nu in haar veroorzaakt, met als effect dat ze die eerdere gevoelens alleen nog kent uit haar eigen overlevering, en uit het fotoboek. De afkeer van zijn voorspelbaarheid, zijn behoudzucht, zijn toewijding – die speciale intense vorm van toewijding waar plicht een wezenlijk bestandsdeel van is, dat verantwoordelijkheidsgevoel van hem dat haar alleen nog maar een grenzeloos gevoel van moedeloosheid geeft. Ze kijkt hem nog steeds aan. Hij is moe, ze ziet het aan hem. Hij is altijd moe. Zijn blik een mengsel van vermoeidheid, onbegrip en tegenzin.
‘Hebben jullie ruzie?’ Krista is onhoorbaar de trap afgekomen. De stilstand lost op. Terri zwaait een paar rondjes met haar armen. David kijkt naar haar schouders en naar haar knieën. Mooie schouders, mooie knieën.
‘Nee, we hebben geen ruzie. Toch Terretje?’ Haar moeder zegt niets. Ze kijkt ongelukkig. Haar vader haalt zijn schouders op in haar richting, een bondje van onbegrip jegens mama smedend met haar.
‘Hoe laat eten we?’
‘Over een uur. Huiswerk af?’
‘Ja.’
‘Oké.’
‘Oké.’ Ze trekt haar jas aan en slaat de voordeur dicht en haalt adem, haar hand omklemt het pakje Lucky’s in haar zak. Het is koud buiten, en het miezert. In de ramen ziet ze haar weerspiegeling. Ze loopt verend. Misschien kan ze zaterdag bij Tirza slapen. Haar moeder is bijna nooit thuis. Tirza eet vaak alleen. Dan staat er eten in de ijskast of ligt er geld voor haar op tafel. Volgens Terri en David wordt Tirza verwaarloosd maar volgens haar is zij juist vrij, vrij van de last die het is om het kind van verantwoordelijke ouders te zijn. Tirza hoeft nooit verslag te doen als ze thuiskomt. Tirza’s moeder kiest haar kant als ze ruzie heeft, ook als het met een leraar is, ze gelooft haar altijd en dat komt omdat ze haar geen reden geeft om te liegen. Tirza heeft zelfs een keer geblowd met haar moeder.
Bij het begin van het pad de geluidswal op staan de Marokkanen die sinds kort als een kleine zwerm overal in de buurt opduiken. Ze zijn met zijn zessen. Ze kan alleen die ene jongen onderscheiden, de rest is inwisselbaar, maar hij is anders, stiller, alsof zijn hoofd ergens anders is, alsof hij losstaat, uitstijgt boven de groep, voorbestemd is voor iets groots, zich alleen maar tot die tijd nog schuilhoudt tussen de anderen. Ze doen een minimale stap opzij, ze voelt vijf paar ogen langs haar lichaam glijden, als ze nadert en na het passeren in haar rug, alleen hij kijkt niet, hij kijkt in de verte. Ze voelt zich niet beschaamd door hun blikken, Tirza zegt dat het pas verontrustend is als ze niet naar je kijken en Krista heeft dat, zoals de meeste dingen die Tirza zegt over het leven, aangenomen als een wet. Nu voelt ze dat kijken van die vijf niet zo erg, ze merkt vooral dat hij niet naar haar kijkt. Tirza is er al, ze zit op het bankje en timmert op haar telefoon.
Beneden in de straat staat het huis, onderscheidbaar slechts door de kleur van de gordijnen, in de rij met de andere huizen. In de keuken staat David met zijn rug tegen het aanrecht te wachten tot de boontjes koken, niet wetend wat het precies is dat vastgepakt moet worden om niet tussen zijn vingers door te glippen. Terri, intussen, verwijdert zich steeds verder van het huis. Binnen honderd omslagen van haar wielen is het schuldgevoel van haar afgewaaid.
==
Nadat ze de lange brug over is gefietst, met de wind in haar haar, met haar jas open, met het leven zelf dat zich in de frisse vochtige lucht manifesteert als een belofte, twijfelt ze. Zal ze hem laten weten dat ze onderweg is? Ze weet niet of het hem bevalt als ze zomaar langskomt. Precies een week geleden nu, kleedde hij haar uit en legde haar neer zoals hij haar hebben wilde, bekeek hij haar, als een ding. Het wond haar op. Het windt haar op. In het begin, toen ze alleen aan hun project werkten en hij alleen haar gedachten opstuwde, haar vulde met energie en scherpte, toen het woord verliefdheid nog geen plek had ingenomen in haar hoofd, ze die herwonnen energie meenam naar huis en David zich er ook aan tegoed deed, bijvoorbeeld toen ze met hem naar Berlijn ging, toen Lucas niet als persoon haar gedachten domineerde maar ze op een nieuwe bron aangesloten leek, die geen naam had, geen geïsoleerde betekenis, van haar was, toen was ze gelukkig. Ze kon zich niet herinneren wanneer ze zo gelukkig, zo levend was geweest. Een groepje meisjes steekt vlak voor haar fiets de weg over. Ze wijkt uit. Ze rijdt zijn straat in en zet haar fiets tegen een paal. De ramen verlicht, de deur met de traptreden ervoor. Ze belt aan. Ze wacht. Ze kijkt achterom. Ze hoopt dat hij niet thuis is. Ze kijkt in zijn gezicht. Een glimlach breekt door zijn frons.
‘Terri!’
‘Wat kom ik doen?’ Hij trekt haar jas uit, zijn hand pakt haar bij haar nek, hij neemt haar mee zijn kamer in, laat haar weer los. Kamer en suite. Op de tafel staat zijn laptop. Op de vaalgroene bank aan de andere kant van de schuifdeuren ligt een opengeslagen boek, een studieboek aan de bladspiegel te zien. Zijn telefoon gaat. Het geluid vertraagt de tijd. Hij kijkt haar aan tot het weer stil is.
‘Wijn?’ Ze voelt haar gezicht rood worden. Ze slikt. Ze knikt. Wat doet ze hier? Hij knijpt zijn ogen samen, ziet haar blos, zegt er niets over. Hij was gecharmeerd geweest van haar cynische grappen, haar intelligentie, haar onkwetsbaarheid. Hij wrikte haar uit haar vorm en nu staat ze als een meisje te blozen in zijn woonkamer. Hij schenkt twee glazen in. Hij twijfelt of hij zal benoemen waar ze voor komt, waardoor haar roodheid zich zal verdiepen, of het te negeren, of er niet op in te gaan. Haar weg te sturen. Hij lacht hardop.
‘Stoor ik?’
‘Nee. Hoezo?’
‘Zat je te werken?’
‘Te lezen.’ Het is niet waar. Hij zat een film te kijken. Hij geeft haar een glas.
‘Proost.’
‘Waarop?’
‘Beweging.’
‘Moet je niet thuis zijn?’
‘Nee.’ Ze wil het hem niet uitleggen.
‘Hier.’ Hij schuift een boek op de tafel in haar richting. ‘Ik ben benieuwd wat je ervan vindt. Stop maar in je tas.’ Hij kijkt haar aan met iets van spot in zijn blik. ‘We gaan het niet over werk hebben. Toch?’ zegt hij.
Ze kijkt niet naar het boek, ze laat het liggen en legt haar hand tegen zijn borst.
‘Hoewel,’ zegt hij, ‘maar dit gaat strikt genomen niet over werk, één ding: ik sprak Andrea en ik denk dat zij weet dat wij iets hebben.’
Andrea is een student die met hen samenwerkt.
‘Hebben wij dan iets?’
‘Niet?’
‘Wat hebben wij dan?’ Ze kijkt geamuseerd maar haar blik heeft ook iets hebberigs.
‘Moeten we dat definiëren?’
‘Nou. Nee. Wat mij betreft niet.’
‘Nee, wat mij betreft ook niet, wat mij betreft hoeven we het niet te benoemen,’ zegt hij.
‘Nee,’ zegt zij.
‘Tenzij je dat wilt.’
Hij draait het om, hij begon met het iets te noemen! ‘Ik zou niet zeggen dat wij iets hebben,’ zegt ze; stellig probeert ze.
‘Maar we hebben toch wel iets?’
‘Iets?’ Ze geeft hem een kus. Ze heeft het gevoel dat ze terrein heeft teruggewonnen hoewel de gedachte dat hun iets een strijdperk is haar ook bevreemdt.
‘We houden het gewoon op iets.’ Hij zet zijn glas weg en legt zijn handen op haar borsten. Hij is zowel mannelijker als eleganter dan David, maar ze wil niet vergelijken, ze mag hen niet met elkaar vergelijken.
‘Maar ik ben wel getrouwd.’
‘Ja.’
‘Dat is ook nogal een... iets.’
‘Maar je bent niet alleen maar getrouwd. Je bent ook een individu.’ En in die stomme waarheid heeft hij natuurlijk gelijk. Ja, ze is ook een individu. Wanneer raakte haar individuele leven onontwarbaar verknoopt met de verplichting om verantwoording af te leggen? Eerst gaat dat vanzelf, dat samenzijn, versmolten zijn, omdat het overeenkomt met je verlangen. Je loopt erin. Maar dan, hoe trek je jezelf los van je verband, en hoe doe je dat zonder alles te slopen? Lucas kan haar daar niets over vertellen, hij is niet getrouwd.
‘Ja, dat is een beetje op de achtergrond geraakt.’ Hij heeft zelfs nog nooit samengewoond. Hij is een volslagen amateur op dit gebied. Hij begint haar bloes los te maken. Ze wil hem zoenen maar hij draait zijn hoofd weg en door zijn onderarmen gestrekt te houden en iets naar achteren te leunen vergroot hij de afstand. Hij opent haar bloes en trekt haar bh opzij. Ze kijkt naar zijn gezicht, hij kijkt naar haar borsten. Mooi, zegt hij. Mooi. Eerst wilde hij weten of ze vreemd zou gaan. Nu wil hij weten of ze in staat is tot een affaire. Of ze in staat is iets met hem te beginnen. Of ze haar huwelijk zal verdedigen, of dat dat huwelijk van haar alle glans zal verliezen. Hij heeft hem wel een keer gezien, David, maar dat was voordat zijn interesse in haar deze vorm aannam en hij kan zich hem niet echt herinneren. Volgens Terri is het een aardige man, wat hem een dodelijke kwalificatie lijkt. Hij is iets bij de overheid, een mediatorachtig iets, vleesgeworden redelijkheid. In haar zit iets wilds, iets avontuurlijks. Hij knijpt in haar tepels. Hij denkt aan een ex-vriendin. Het zijn geen knoppen, had die een keer verontwaardigd uitgeroepen, maar bij Terri zijn het wel knoppen, als hij knijpt gaan haar lippen van elkaar.
‘Ik heb niet zo veel tijd.’ Hij kan het beter uitstellen, haar niet geven wat ze wil, hij kan haar beter wegsturen.
‘Wat?’
‘Dat we dit een andere keer even moeten afmaken.’
‘O ja?’ Ze ruimt haar verbouwereerdheid in een oogwenk op en vindt haar superieure blik terug, de blik waardoor hij haar ooit intimiderend vond. Ze schikt haar ondergoed en knoopt haar bloes weer dicht.
‘Sorry.’ Hij legt zijn hand tegen haar wang, gecombineerd met zijn docentachtige blik is het een gebaar op het randje.
‘Ik weet niet of er een andere keer komt,’ zegt ze.
Kijk, denkt hij, dit gaat heel goed.
‘Ik hoop het wel.’
‘Ja?’
‘Ik droom van je lichaam.’
Ze maakt een onduidelijk geluid. Ze pakt het boek. Je moet je leven veranderen van Peter Sloterdijk. Hij gaat haar voor naar de gang. Ze zoenen bij de deur. Hij fluistert in haar oor dat hij haar leuk vindt. Hij sluit de deur achter haar. Hij heeft dat boek niet gelezen. Het leven is een spel, niet vergeten, alle relaties zijn proefopstellingen. Ze gaat terug, terug naar haar buitenwijk, terug naar haar man, maar de hele avond zal ze aan hem denken. Haar korte bezoek heeft hem opgewekt, het landerige spijbelen van de hele middag series kijken op zijn laptop is doorbroken. Hij trekt zich af in de keuken. Hij wil nog naar de sportschool gaan voor hij gaat eten. Hij houdt ervan zijn lichaam te onderhouden, dat heeft hij in elk geval voor op David, de klerk, althans dat is wat Terri hem vertelt, dat die te moe is om te sporten en dat hij er niets aan vindt. Hij wast zijn handen en fluit iets, wat is het ook weer, Mozart misschien.
==
Terri fietst terug over de eindeloze brug, langzaam nu, lood in haar benen. Hij had net wijn ingeschonken, was hij vergeten dat hij weg moest en had hij het zich plotseling toen hij haar al half ontkleed had weer herinnerd? Waar is ze mee bezig? Ze heeft een goed huwelijk. Alle objectieve elementen bevestigen dat. David is een leuke man, hij is slim en gezond en teder en toegewijd en ja, hij heeft iets lusteloos de laatste tijd, maar is dat een reden, mag een mens niet een periode van lusteloosheid hebben? Tijd is de beeldhouwer van de liefde, wie schreef dat? Niet weggooien waar al zo veel tijd, al zo veel van jezelf inzit. Ja, hij neemt het voor lief, haar, en het, hij doet zijn best niet, niet op de manier die ze zou willen, hij luistert niet echt als ze over haar werk vertelt, hij doet nooit iets nieuws, hij vrijt gedachteloos met haar, hij komt te snel klaar. Toen ze elkaar net kenden zwommen ze in het IJsselmeer, ze hadden daar een plek gevonden waar niemand anders kwam. Ze aten boterhammen met stroop en appels en dronken water, ze zwommen, hij zei dat zij het grappigste meisje was dat hij ooit had ontmoet, ze rookten nog, shag, want ze waren arm, ze rookten en keken naar de wolken. Binnen drie maanden woonde hij bij haar. Hij was energiek en voelde zich verantwoordelijk, voor haar, voor zijn moeder, voor zijn zusje, voor zijn gezondheid. Hij was nergens radicaal in, hij had een groot gevoel voor rechtvaardigheid, werd geleid door een goed uitgewerkt pakket van regels, van moraliteit, hij wist altijd wat het juiste was om te doen, ze vond dat geweldig aan hem. Ze was verliefd, en daarna hield ze van hem, en ze hadden het goed, de hele tijd, tot ze ineens ontdekte dat het verdwenen was, dat op de plaats waar die liefde zat een reservoir geheime gedachten was gegroeid. Wanneer? Twee jaar geleden misschien, misschien veel langer al. Ze ziet door het raam hoe David het aanrecht schoonmaakt. Een man in een huis, haar echtgenoot. Een individu. Wat doet of denkt hij in de ruimte die niet deelbaar is? Ze is bang dat hij helemaal niets denkt. Dat het in hem een grijze kabbelende zee is. Hij en de kinderen ook trouwens, zijn gewoon tevreden, ze willen niks, ze existeren kritiekloos in de status quo. Ze zet haar fiets in het rek. David is uit de keuken verdwenen. Ze zwaait naar Mirjam, de buurvrouw, die uit het raam kijkt. Wat doet die vrouw minutenlang voor haar eigen deur, zal zij wel denken, vanuit haar eigen huis, een spiegel van hun huis, met ook twee kinderen... als je ver genoeg uitzoomt ziet niemand meer verschil, een straat vol koppels en hun kinderen, dieren met hun jongen, vervangingsgetal bereikt, de menselijke soort kan voortbestaan. Ze legt haar handen om haar borsten, voelt de vorm die Lucas voelde en bekeek.
‘Hoi.’ In de kamer op de bank liggen David en Ally een serie te kijken.
‘Je bent er weer.’
‘Ik ben er weer.’
‘Dat is snel.’
‘Ja.’
‘Alles goed?’
‘Nee.’
‘Nee?’
‘Nee. Niet alles is goed.’
‘Mama.’
‘Ja?’
‘Wat is er?’
‘Niks. Ik vind alles gewoon best veel.’
‘Hoe bedoel je?’ Ally kijkt haar een beetje bang aan en David zucht, overdreven, geërgerd, beschuldigend, kleinzielig, vermoeid, oud, futloos, onaantrekkelijk, boos, verongelijkt, en in haar groeit een giftige pijl die ze met kracht tussen zijn ogen zou willen slingeren. David geeft Ally een kus en haalt haar benen van zijn schoot.
‘Ik ben er zo weer, Allybel.’ En ‘Kom’, tegen haar. Hij loopt naar boven, naar de keuken, zet een fles rode wijn op tafel, negeert haar blik die afkeurend op de fles hangt.
‘Vertel me maar eens wat er is, wat ik verkeerd gedaan heb.’ Terri zegt niets.
‘Waar was je nou net?’ Terri zegt niets.
‘Moet je nog eten?’ Ze kijkt hem niet aan.
‘Ga je nog iets terugzeggen?’ Misschien is het zijn schuld. Hij zou haar in zijn armen moeten nemen.
‘Ben je verliefd op iemand anders?’ Achteloos, half als een grap, maar aan de manier waarop Terri zwijgt, aan de manier waarop haar kaken zich nu spannen ziet hij dat hij gelijk heeft.
‘Echt?’
‘Ik stik.’
En dan zegt ze weer een hele tijd niks.
‘Luister Terri, praat met me, ik ben je vijand niet. Leg uit. Help me.’ Oké, ze is verliefd, ze gaat misschien met die persoon naar bed, zou hij kunnen raden wie het is, is het iemand die hij kent? Razendsnel stelt hij zich voor dat hij zijn expliciete instemming verleent, op voorwaarde dat ze niet vertrekt, op voorwaarde dat het overgaat, op voorwaarde dat het niets verandert, op voorwaarde dat ze niets onherstelbaar kapotmaakt. Het is die man, die filosoof van dat project voor het ministerie, ineens weet hij het zeker, hij heeft hem zelfs weleens ontmoet, hoe heet hij ook alweer, Oscar, nee, godver, hij komt er niet op!
‘Op wie?’
‘Daar gaat het niet om. Het gaat er niet om dat ik verliefd ben, het gaat erom dat ik stik.’
‘Doe niet zo cryptisch.’
‘Ik voel me bekneld, ik word gek van jou, ik ben bang dat dit mijn leven is, voor altijd.’
‘En dat vind je dus geen goed leven.’
‘Dat vind ik in theorie wel een goed leven.’
‘In theorie.’
‘Maar in werkelijk kan ik het niet meer verdragen.’
‘Wie is het, vroeg ik.’
‘Het gaat niet om die verliefdheid.’
‘Kaarten op tafel.’
‘Dat bedoel ik. Ik wil niet over alles verantwoording afleggen.’
‘Je bent met me getrouwd.’
‘Ik ben ook een individu.’
‘Jezus!’
‘Wat?’
‘Pathetisch.’
‘Lucas.’
‘De filosoof!’
‘Ja.’
‘De nepfilosoof.’
‘Als je zo gaat doen, kunnen we net zo goed niet praten.’ Het is stil. Hij draait de kurkentrekker in de fles. Zij zet de waterkoker aan, demonstratief. Oké, dus ze is net naar die Lucas toe gefietst en daar hebben ze besloten het tegen hem te vertellen. Met hun voorhoofden tegen elkaar in een café, of verstrengeld in zijn bed.
‘Ben je met hem naar bed gegaan?’
‘Ja.’
‘Nu net?’
‘Nee.’
‘Eerder al.’
‘Ja.’
‘Vaak?’
‘Nee.’
‘En nu?’
‘Ik weet het niet.’
‘We zullen er toch op een of andere manier over moeten praten.’
‘Ja.’
‘Van individu tot individu.’
‘Misschien niet nu. Misschien niet als de kinderen thuis zijn en alles kunnen horen.’ Ze horen niets. Nog niet. Maar ze heeft gelijk. Het is niet handig. Maar wat betekent dat? Dat ze moeten wachten met dit gesprek? Dat ze tot die tijd doen alsof er niets gezegd is? Vroeger zwommen ze in het IJsselmeer. Waarom denkt hij daaraan? Ze hangt een zakje in een glas en giet er water op.
‘Is het mijn schuld?’ Het is natuurlijk zijn schuld.
‘David.’
‘Ja.’
‘Doe maar niet.’ Wijst ze hem terecht of stelt ze hem gerust?
‘Dat lijkt me een relevante vraag.’
‘Ons gesprek is zinloos als je het in dit soort termen wil doen.’ Ze staat erboven, dat is duidelijk, ze laat hem ver achter zich. Zij denkt niet in termen van schuld. Zij denkt in termen van stikken. Zij mag wel zeggen dat ze gek van hem wordt maar hij mag niet vragen of dat komt door hem, door iets wat hij doet, of door haar, door iets wat zij doet. Want zij doet iets, dat is zeker, je wordt niet zomaar verliefd, je gaat niet zomaar weg op een dinsdagavond als je eigenlijk moet koken voor je kinderen.
‘Ik ga terug naar Ally. Ik had haar beloofd samen te kijken.’
‘Doe dat maar.’
‘Tenzij je wil praten. Tenzij je antwoord op mijn vragen wil geven. Tenzij je dat doet, anders kan ik beter mijn belofte nakomen.’ Hij weet het woord belofte een lading te geven die zich helemaal uitstrekt tot hun huwelijksgelofte.
‘Ja, zeg, stel je voor.’ En zij weet in een meedogenloze beweging beide beloftes belachelijk te maken, ze te verfrommelen tot een onzinnig ritueel. De afwasmachine piept.
‘Misschien vanavond, straks, als de meisjes slapen.’
‘Wat dan?’
‘Misschien kunnen we dan praten. Zolang we niet schreeuwen kunnen we best praten als zij thuis zijn.’
‘Ik ben niet van plan om te schreeuwen.’
‘Ik zal ook mijn best doen.’
‘Ik wil sowieso niet met je praten als je gaat schreeuwen.’
‘Alsof ik ooit tegen je schreeuw!’
‘Jij zegt net dat je je best zal doen. Dat klinkt alsof je eigenlijk tegen me wil schreeuwen.’ Hij draait zich van haar af. ‘Alsof je het moet tegenhouden!’ Nu schreeuwt zij zelf. Hij loopt weg. Hij heeft de fles niet opengemaakt. Hij loopt de trap af naar de kamer, naar de grote zachte bank, naar de televisie, naar zijn kleine lieve ernstige Ally. Hij schuift terug op zijn plek en pakt haar benen. Hij aait haar scheen. Hij houdt haar kleine zachte voeten in zijn handen. Ze probeert hem uit te leggen wat er intussen gebeurd is, er is een tweede lijk gevonden, maar als ze praat kan ze het niet goed volgen, en hem maakt het niet uit, zegt hij. Een andere keer toen ze ruzie hadden zei mama tegen haar: ‘Jij hebt toch ook weleens ruzie? Dat geeft helemaal niks, we maken het wel weer goed hoor, we gaan heus niet scheiden’, en als bewijs hadden ze elkaar omhelsd, midden in die ruzie, en gewacht tot zij weg was om de ruzie voort te zetten. Het maakte het allemaal nog veel onheilspellender, ja zij had ook weleens ruzie, maar dat zag er wel heel anders uit. Op de televisie bellen agenten aan bij de ouders van het vermoorde meisje. Ze hoort haar vader zachtjes kreunen. Ze wiebelt met haar voeten om hem eraan te herinneren dat hij zijn duimen in haar zolen moet drukken, wat hij dan doet. Morgen naar school, maar vrijdag is de korte dag dus daarna kan ze tennissen, of gewoon spelen. Spelen mag niet meer in de brugklas, dat is de ongeschreven regel, je moet niet willen spelen, je moet fan zijn van iemand, je moet verliefd zijn op iemand, je mag wel hoge cijfers halen maar niet de indruk wekken dat dat je echt veel kan schelen, je moet zeker niet met jongens spelen, je moet in elk geval niet al te overduidelijk geïnteresseerd zijn in de kinderachtige jongens, jongens zoals Bobby en Leo, terwijl Bobby en Leo de enige mensen, want jongens zijn ook mensen, zijn met wie ze kan lachen. Het kan haar niet zo veel schelen, dan zit ze maar in een isolement, zoals Krista het uitdrukt. Liever in een isolement dan in de verkeerde dierentuin – ja dat is niet de meest perfecte vergelijking, want wat in godsnaam is de verkeerde dierentuin, maar ze heeft er toch een goed gevoel bij, en dat is waar het realisme eindigt en de poëzie begint, zou meneer Eedens van Nederlands zeggen.
==
Terri is de enige vrouw met wie David naar bed gegaan is, al weet Terri dat niet. Zolang hij thuis woonde belette de zorg voor zijn moeder hem een vriendinnetje te krijgen, hij dacht dat het haar nog bedroefder zou maken, en dat het hem van zijn taak zou vervreemden. Zijn opvoeding maakte het ondenkbaar dat hij seks zou hebben met iemand zonder serieuze bedoelingen. Floor, met wie hij huiswerk maakte en zowel melige als diepgaande gesprekken voerde, en op wie hij misschien verliefd was, in elk geval fantaseerde hij in zijn eindexamenjaar bijna elke avond dat hij met haar zou vrijen, had hem op een avond op haar kamer gekust. Ze woonde nog thuis, net als hij. Het was zomer. Ze hadden op haar bed liggen praten over wat ze zouden gaan studeren. Zij wilde Frans studeren en hij wist het niet, hij overwoog een jaar niets te gaan doen, en dan, geen idee, rechten misschien, of geschiedenis. En hoewel hij dus elke avond over haar fantaseerde, dat ze zich uitkleedde, dat hij zich uitkleedde, dat hij haar huid zou voelen, haar borsten, haar billen, haar benen, tussen haar benen, dat hij zelf tussen haar benen, boven op haar, in haar – lukte het hem om daar nooit aan te denken als hij bij haar was. Als hij bij haar was waren ze geslachtsloze vrienden en pas als hij alleen was in zijn kamer werd ze weer een meisje en kleedde hij haar uit. Ineens had ze zich omgedraaid en haar gezicht boven het zijne gehangen. Haar bruine ogen glansden en ze bracht haar gezicht zo dichtbij dat haar sproeten hun omtrek verloren en toen had ze heel zacht maar vastbesloten haar lippen op zijn mond laten landen. Een tijdje gebeurde er niets en toen likte ze met haar tong over zijn bovenlip, waarna ze weer eindeloos stilhield, en toen nog eens likte, en toen kuste ze hem. Heel even kuste hij terug, zoenden ze, zoals hij zich dat had voorgesteld, lippen, tongen, warme monden, harpoenschoten van zijn mond naar zijn kruis, maar toen nam een panisch gevoel van verantwoordelijkheid bezit van hem. Hij had zich onder haar uit gewurmd, een excuus gestotterd en was het huis uit gevlucht. Het was het einde van de vertrouwelijkheid tussen hen beiden. Ze ging inderdaad Frans studeren, niet in Amsterdam, ze verloren het contact. Toen David thuis weggegaan was, vier maanden in de Verenigde Staten was geweest, de zorg voor zijn moeder langzaam uit zijn dagelijkse programma en ook uit zijn systeem verdween, de weg openlag voor verbindingen, wel of niet ernstig gemeend, durfde hij niet meer goed. Hij was eenentwintig en nog maagd, dat feit op zich was gênant. Daarna was hij tweeëntwintig, drieëntwintig, en nog maagd, en toen hij afgestudeerd was en Terri tegenkwam, was hij vierentwintig en nog altijd maagd. Hij had alleen maar één keer een halve minuut gezoend. Voor Terri had hij er naast een uitbreiding van handelingen met Floor een Amerikaans meisje bij verzonnen met wie hij verkering zou hebben gehad, de suggestie gewekt van nog wat losse ervaringen. Maar hij had er daarna nooit spijt van gehad dat hij niet meer ervaring had opgedaan, hij hield van Terri, de gewenning die onmiskenbaar hoort bij een huwelijk van jaren was nooit een belemmering voor zijn opwinding. Hij vond het jammer dat ze niet meer experimenteerden, dat binnen een paar maanden het repertoire was ingericht waar ze de vijfentwintig jaar daarna niet noemenswaardig van waren afgeweken, hij vond het jammer dat het geen onderwerp van gesprek was, dat toen hij ooit een voorstel deed, een soort rollenspel, zij daar zo meewarig op had gereageerd dat hij het gevoel had dat hij zich volslagen belachelijk had gemaakt. Hij berustte erin, hij fantaseerde over andere vrouwen maar hij bewaakte met zorg het abstractieniveau van zijn voorstellingen, hij vond het nooit erg dat zijn keuze andere mogelijkheden uitsloot, dat was allemaal te verkiezen boven het angstaanjagende idee van verraad, van een geheim, van een rommelig leven.
==
Hij heeft de fles opengemaakt. Het is een lekkere soepele rode wijn, een echt doordeweeks wijntje, dacht hij terwijl hij zijn en ook haar glas volschonk. Terri zit tegenover hem met haar vuist onder haar kin. Ze is dus verliefd, op die man, en ze voelt zich bekneld door hem, en door het gezin. Ze zegt dat alles vastligt, dat hij bewegingsloos is. De voorbeelden die ze noemt slaan hem uit het veld: hij wil niet mee op Italiaanse les, hij wil niet parachutespringen en hij wil niet op vakantie naar de tropen. Ze zegt dat hij bang en behoudzuchtig is. Hij zegt dat hij haar toch geen strobreed in de weg legt, en vraagt waarom hij in godsnaam mee moet parachutespringen. Als zij zich van een beknelling wil bevrijden is het dan niet juist goed dat hij niet meegaat? Ze somde die dingen op, de avonturen die hij haar zogenaamd onmogelijk maakt, maar wat zij feitelijk doet, het avontuur dat ze nu heeft gevonden, is naar bed gaan met een collega.
‘Dat is gewoon geen goed verhaal, Terri.’
‘Het is geen verhaal, het is een gevoel.’
‘Alsof ik je dingen verbied!’
‘Je snapt er niets van.’
‘Nee.’
‘Het is niet dat je het me actief verbiedt. Dat is het niet. Het is dat ons leven het me onmogelijk maakt. Dat jouw gebrek aan energie mij mijn levenslust ontneemt.’
‘Mijn gebrek aan energie?’
‘Ja!’
‘Ik heb geen gebrek aan energie.’
‘Na het eten lig je op de bank en kijk je series.’
‘Dat vind ik leuk! Trouwens, ik lees ook, de krant, boeken, jouw artikelen, huiswerk van de kinderen.’
‘Je bent al minstens tien weekenden bezig met het lassen van een kast.’
‘Dat vind ik leuk!’
‘Tien weken!’
‘Het is een project. Het is meer dan een einddoel. Ik beleef er plezier aan.’
‘Je bent moe.’
‘Soms.’
‘Altijd!’
‘Ik werk veertig uur.’ Ze maakt een wegwerpgebaar, alsof het niks is, veertig uur. Naast de kinderen, naast het huis, naast verjaardagen, borrels, familie, etentjes. ‘En waarom, in godsnaam, wil je trouwens parachutespringen?’
‘Dat bedoel ik!’
‘Wat bedoel je?’
‘Je keurt het af!’
‘Ik keur het niet af, ik kan me er niets bij voorstellen. Maar dat hoeft jou toch niet te belemmeren? Je mag toch doen wat je wil?’
‘Mag?’
‘Ja. Of kan.’
‘Je snapt het niet!’
‘Nee!’
‘Ik kan het je blijkbaar niet uitleggen. Een vis weet ook niet wat water is.’
‘Wat?’
‘Dat je niet kunt zien waar je middenin zit!’
‘Jezus, Terri...’ En dan zijn ze weer stil. Hij staat op en trekt de gordijnen dicht. Hij moet haar ruimte geven. Hij wil haar best ruimte geven.
‘Ik wil je ruimte geven.’
‘Is dat zo?’
‘Ja, dat is zo. Maar ik wil niet dat je me het antwoord verwijt op een vraag die je me nooit hebt gesteld. Ik was me er niet van bewust dat ik je beknelde. Ik dacht dat we het goed hadden. Ik ben bereid om naar je te luisteren, ik ben bereid je de ruimte te geven, desnoods voor een affaire met die man, maar dan moet je wel open tegen me zijn, dan moeten we uitvinden hoe dat moet, dan is het van belang dat we er samen uitkomen.’
‘Dus ik mag van jou een affaire beginnen.’
Hij knikt. Op voorwaarde dat ze niet weggaat, dat het weer overgaat, dat ze niets kapotmaakt, dat ze een gezin blijven, dat ze samen bij Ally en Krista blijven, dat ze hem de kans geeft om weer in haar smaak te vallen. Een affaire, begrensd in de tijd, die haar even optilt, maar na afloop terug in zijn armen laat landen. Maar dat zegt hij allemaal niet.
‘Hoe stel je je dat dan voor?’
‘Is het vanwege de spanning? Is het vanwege de spanning van het nieuwe, of is het vanwege hem, als mens?’ Ze schuift heen en weer op haar stoel. ‘Is het heel anders met hem? Doe je andere dingen met hem?’ Terri had hem nooit willen pijpen. Ze zei dat geen enkele vrouw dat voor haar plezier deed, dat het een pornomythe is. ‘Is hij beter dan ik?’ Allemaal zelfkwelling, dat weet hij wel, maar hij kan er niet mee ophouden. ‘Of is het vanwege zijn filosofische denkbeelden? Als je zou moeten kiezen is het dan meer vanwege zijn pik, of meer vanwege zijn filosofische denkbeelden?’ Terugspoelen, hij moet terugspoelen naar het moment dat hij zei dat hij haar de ruimte wilde geven, toen er een zweem van zachtheid, van verbaasde interesse ontstaan was in haar blik. ‘Sorry.’
‘David.’
‘Terri.’
‘Ik hou van je.’ Die zin kan een uiting zijn van een gevoel, een gevoel dat in je opwelt en tot woorden dwingt, het kan een bevestiging zijn van een band, een geruststelling, of een bezwering, een bezwering van onheil, en dat laatste is het, het is een zin die een poging doet door uitgesproken te worden het bijbehorende gevoel op te roepen, maar in haar gebeurt niks, het is de meest dode, meest liefdeloze zin die er bestaat.
‘Ik hou ook van jou.’ Hij zegt het op een sentimentele manier, vragend. ‘Sorry van net. Sorry. Ik meende het. Ik wil je ruimte geven.’
Misschien zou het beter zijn als hij dat niet deed, denkt ze, als hij haar woedend buiten zou zetten. Misschien dat ze dan zou kunnen voelen dat zijn ik-hou-van-jou in elk geval betekenis heeft, nu was het een even holle zin als die van haar. Hij zei dat ze desnoods een affaire kon beginnen. Is dat een oplossing? Het is onverwacht ruimhartig, al gelooft ze niet dat hij het meent als het erop aankomt. En ze had het eigenlijk wel kunnen bedenken, de laffe, tegemoet snellende bereidwilligheid, de redelijkheid, de angst haar teleur te stellen en haar daarmee te verspelen. Wat zou er gebeuren als hij had gezegd: wegwezen dan, en kom maar terug als je eruit bent, kom maar terug als je voor mij kiest. Wat zou er gebeuren als hij als een ridder voor haar zou vechten? Haar telefoon piept. Lucas. Ze heeft hem een eigen geluid gegeven. David schenkt zijn glas weer vol. Die drank is niet alleen slecht voor je lijf, maar ook voor je gevoelsleven, het is afstompend, sussend, sinds ze zich dat realiseerde en alleen nog maar drinkt als er een specifieke reden is, een uitzonderlijke situatie, is ze veel scherper gaan voelen, veel scherper gaan observeren wat er allemaal mis is in hun leven.
‘Maar ik weet niet zo direct hoe we dat moeten doen. Wat wil jij?’ David kijkt haar aan.
‘Tja. Wat wil ik.’ Ze wil op haar telefoon kijken wat Lucas haar gestuurd heeft.
‘Of misschien moeten we met iemand gaan praten.’
‘Hè? Waarom?’
‘Om uit te vinden hoe we dat moeten doen.’
‘Een therapeut bedoel je?’
‘Om erachter te komen waarom jij verliefd bent geworden.’
‘Daar heb ik geen therapeut voor nodig, denk ik.’
‘Vertel.’
‘Dat kan ik niet.’
‘Waarom niet.’
‘Ik wil je niet kwetsen.’
Hij kijkt haar met open mond aan zonder dat hij zich bewust lijkt van deze gezichtsuitdrukking. Zij heeft zich terwijl ze haar laatste zinnen zei, intussen achterwaarts naar de kast gemanoeuvreerd en nu grist ze haar telefoon uit de mand en opent in een beweging door het bericht. Ik wil nu afmaken waar we aan begonnen waren.
‘Je wilt me niet kwetsen?’
‘Nee.’
‘Je wilt me wel bedriegen door met hem naar bed te gaan, maar me kwetsen door uit te leggen waarom gaat je te ver.’
‘Ja. Maak het maar belachelijk.’ Ze zou de ruzie zo kunnen laten oplopen dat ze woedend het huis uit kon lopen en naar Lucas kon fietsen. Om af te maken waar ze aan begonnen waren.
‘Het is belachelijk. Het is op zijn minst tegenstrijdig.’
‘Het spijt me dat mijn gevoelens tegenstrijdig zijn. In jouw ogen.’
‘Ik heb het over een feit: vreemdgaan, en jouw omgang daarmee: de weigering iets uit te leggen wat je wel degelijk schijnt te weten, niet over gevoelens.’
‘Jezus, David.’
‘Jezus, Terri.’
‘Doe niet zo geslagenhondachtig.’
‘Zeg je dit nou echt?’
‘Ja. Sorry. Het is zo onaantrekkelijk.’ Dit is gemeen. En waar. Wat is belangrijker? Hij vraagt om de waarheid. Zij wil hem sparen. Ze wil niet zeggen hoe erg hij haar tegenstaat. Het zou kunnen dat hij daar ook helemaal niets aan kan doen, zijn aantrekkelijkheid is overgegaan in háár, en niet in hem. Hoe leg je dat uit? Hoe leg je uit dat gevoelens die je voor elkaar bewaart alleen in jezelf bestaan, en daar ineens aan hun einde kunnen komen, zonder dat die ander noemenswaardig is veranderd. Misschien helpt het als ze hem kwetst, helpt het hem om voor zichzelf op te komen, zodat hij boos is in plaats van gekrenkt, boos genoeg zodat hij haar kan haten, boos genoeg zodat hij haar de deur wijst en zodat zij kan vertrekken. Lucas. Ze denkt aan zijn handen op haar borsten, hoe hij haar benen uit elkaar duwde, haar billen vastpakte. Tegen David zei ze: Je neukt niet iemand, je neukt mét iemand, maar Lucas neukte niet met haar, hij neukte haar, ze kan het niet anders zeggen. En ineens weet ze zeker dat het niet te redden is, zij en David.
‘Wil je dat ik wegga?’
‘Naar hem? Nee.’
‘Dat bedoelde ik niet. Ik bedoelde: vind je het erg dat ik er ben?’
‘Je haalt dingen door elkaar, Terri. Jij vindt dat erg. Ik vind dat niet erg. Ik voel me niet bekneld.’
‘Maar je voelt je wel belazerd.’
‘Ik wil dat we eruit komen.’
‘Ik weet niet of dat lukt.’
‘Misschien kun je me beloven dat we het proberen, misschien kun je in elk geval dat beloven.’
‘Ja.’
‘Misschien mislukt het, maar we zijn het wel aan de tijd verplicht om ons best te doen eruit te komen.’
‘Ja,’ zegt ze.
‘En aan de kinderen.’
‘Ja.’
‘Ja? Dat vind jij ook?’
‘Ik moet naar bed.’
‘Vind jij dat dan niet?’
‘Ja. Dat vind ik ook.’
‘Je zegt het met weinig overtuiging.’
‘Maar ik zeg het.’
Ze lijkt ineens zo vreemd, zo’n vreemde harde vrouw, zoals ze daar zit met haar gespierde lichaam en haar strenge mond. Is dit zijn vrouw? Is dit het meisje van toen met een heel gedeeld leven ertussen? Geheel ongemerkt is ze onder zijn ogen verliefd geworden op iemand anders, terwijl ze naast hem sliep, samen met hem voor de kinderen zorgde, met hem vree, afgelopen week nog, hij probeert na te gaan of er iets anders was dan anders. Terwijl ze gewoon leefden alsof er niets aan de hand was is ze onder zijn ogen gedeserteerd.
‘Vind je het goed dat ik gewoon in bed ga liggen?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Vind jij het erg om op de bank te slapen?’
‘Ja.’
‘Zal ik dan op de bank slapen?’
‘Ik wil liever dat je bij mij in bed slaapt. Je sliep gisteren toch ook bij me in bed?’
‘Maar nu is het anders toch?’
‘Toen je gisteren naast me sliep was je toch ook al met hem naar bed geweest?’ Ze zucht en stopt haar gezicht in haar handen. ‘Sorry,’ zegt hij.
‘Waarom zeg je nou sorry?’
‘Omdat ik je bekneld heb.’
Ze zucht nog een keer.
‘Omdat ik je je levenslust ontneem.’
‘David.’
‘Ik zal veranderen. Ik zal proberen te veranderen.’ Geslagenhondachtig, hij weet het.
‘Oké, laten we dan maar naar bed gaan.’
‘Samen?’
‘Ja. Samen.’
Ze gaan naar boven en samen poetsen ze hun tanden, hoewel hij zich nauwelijks nog durft te bewegen naast haar. Hij luistert naar het schrobben van haar tandenborstel op haar kiezen. Zij wast haar gezicht. In de spiegel kruisen hun blikken elkaar.
‘David.’
‘Ja?’
‘Sorry.’
‘Wat?’
‘Ik moet weg, ik moet even... een blokje om.’
‘Blokje om?’
‘Ja. Zoiets.’
‘Zoiets.’
‘Ik...’
‘Stik.’
‘Ja.’
Als ze de badkamer uit is gegaan gaat hij zitten plassen met zijn hoofd in zijn handen. Hij hoort de voordeur dichtslaan. Hij hoort haar fiets. In zijn keel komt de paniek omhoog. Kwijt. Hij is haar kwijt. Hij probeert nog te ademen, te tellen, hij kijkt naar zijn handen, zijn dat zijn handen, hij kijkt naar de tegels van de badkamervloer, en dan begint hij wild te huilen, ongecontroleerd, hij trekt een handdoek van de radiator en drukt de stof tegen zijn mond, smoort zijn geluiden. Hij hikt en huilt en gromt, met zijn broek op zijn enkels. Hij denkt aan zijn moeder die huilde in haar bed, in zijn herinnering lag ze zijn hele puberteit te huilen in bed, in zijn herinnering huilde hij zelf nooit, hij weet niet eens wanneer hij voor het laatst heeft gehuild. En hij voelt een intens medelijden met zichzelf, daar zit hij dan, altijd zijn best gedaan, alles goed gedaan. Hij bijt in het stof van de handdoek. Het is een eenzaam parcours, om alleen te huilen, niemand die het weet, niemand die troost, en dan van uitputting daar weer mee op te houden. Misschien wel een uur lang zit hij daar op die plee en dan staat hij op en trekt zijn broek omhoog, en op hetzelfde moment trekt Terri aan de andere kant van de rivier, in de slaapkamer van Lucas, haar broek omhoog en over haar heupen. Als ze aangekleed is propt ze haar bh in de zak van haar jas, zegt Lucas gedag en verlaat zijn huis. Ze fietst terug naar haar gevangenis.
==
Stil komt ze de trap op, kleedt zich uit en gaat naast hem liggen, haar rug naar hem toe gedraaid. Ze liggen, wakker allebei. Hij ruikt haar: buitenlucht en lichaam, hij wil haar hemd omhoogdoen en haar huid tegen zijn borst en zijn buik aan voelen. Hij wil zijn armen om haar heen slaan, wil haar lichaam vasthouden, haar lichaam dat bij hem hoort, dat in hun huwelijk thuishoort, haar lichaam dat ze met hem deelt, haar lichaam dat de afgelopen vijfentwintig jaar veranderd is, dikker was, dunner was, jong was, zwanger was, ziek is geweest, de laatste paar jaar alleen maar gestroomlijnder is geworden – iets wat hij niet aantrekkelijker vindt, het is wel mooi, maar haar molligheid voelde lekkerder, het lichaam dat ze nu heeft is vooral een prestatie. Haar lichaam dat ondanks die veranderingen steeds een constante was, een constante factor in zijn leven, een constante aanwezigheid. Hij voelt alweer tranen wellen in zijn ogen.
‘David?’
‘Ja?’
Het kan ook goedkomen, stellen overleven verliefdheden, crisissen, periodes van verwijdering, vertwijfeling, parachutespringen.
‘Kun je wat minder hard ademen?’