Hoofdstuk 13
De Grote Bibliotheek
Artjom liep het station op en keek verdwaasd om zich heen. Zojuist had hij een van de vreemdste overeenkomsten van zijn leven gesloten. Zijn opdrachtgevers hadden zelfs geweigerd uit te leggen waarom juist hij moest gaan zoeken in het boekendepot, maar wel beloofd hem dit te vertellen zodra hij weer terug zou zijn. En al had hij een seconde lang het idee gehad dat het hier kon gaan om het Boek waarover Danila hem een dag eerder had verteld, hij had het niet gewaagd om dit bij de brahmanen na te vragen. Gisteren, toen zijn vriend hem zo gastvrij in dit geheim had laten delen, waren ze trouwens allebei behoorlijk ver heen geweest, zodat hij goede reden had om te betwijfelen of er wel iets van klopte.
Hem was toegezegd dat hij niet alleen naar de oppervlakte zou gaan. De brahmanen waren van plan een hele brigade uit te rusten. Samen met Artjom moesten ten minste nog twee stalkers naar boven, plus iemand van de kaste, aan wie hij onmiddellijk het gevondene zou moeten geven als de expeditie succesvol zou verlopen. Van deze persoon zou Artjom ook informatie krijgen met behulp waarvan hij de dreiging kon elimineren die boven Volksvlijt hing.
Nu hij vanuit het pikkedonker van de kamer weer terug was op het perron, kwamen Artjom de voorwaarden van de overeenkomst absurd voor. Net als in een oud sprookje werd van hem verlangd dat hij hij-wist-niet-waarnaar toe zou gaan om daarhij-wist-niet- waarop te halen, en daarvoor was hem een wonderbaarlijke redding beloofd, zonder dat was gepreciseerd waaruit die zou bestaan. Maar wat kon hij anders? Met lege handen terugkeren? Was dat soms wat de Jager van hem verwachtte?
Toen Artjom aan zijn mysterieuze gesprekspartners vroeg op welke manier hij in de gigantische depots van de Bibliotheek kon vinden wat zij zochten, werd hem gezegd dat alles hem ter plekke duidelijk zou worden. Hij zou het horen. Verder doorvragen durfde hij niet, bang dat de brahmanen hun vertrouwen in zijn buitengewone vaardigheden, waarin hij zelf al niet zo geloofde, zouden verliezen. In één moeite door kreeg hij in de strengste bewoordingen te verstaan dat de militairen nergens van mochten weten, anders was de overeenkomst niet langer geldig.
Artjom ging zitten op een bankje in het midden van de hal en verzonk in gepeins. Dit was een fantastische kans om aan de oppervlakte te komen en te doen wat hem sinds zijn kindertijd tot nu toe nog maar één keer was gelukt, zonder dat hij bang hoefde te zijn voor straf of andere consequenties. Naar boven gaan – en niet alleen, maar met echte stalkers, om een geheime opdracht van de kaste van bewaarders uit te voeren. Hij had vergeten te vragen waarom ze zo’n hekel hadden aan het woord ‘bibliothecaris’.
Naast hem plofte Melnik op het bankje neer. Hij zag er nu vermoeid en gespannen uit.
“Waarom heb je ja gezegd?” vroeg hij, uitdrukkingsloos voor zich uit kijkend.
“Hoe weet u dat?” vroeg Artjom verbaasd: sinds het gesprek met de brahmanen was er nog geen kwartier verstreken.
“Nou moet ik wel met je mee,” vervolgde Melnik toonloos, zonder hem een antwoord te geven, “ik ben nu bij Hunter voor jou verantwoordelijk, wat er ook met je gebeurt. Maar je afspraak met de brahmanen kun je niet meer terugdraaien. Dat is nog niemand ooit gelukt. En denk erom: haal het niet in je hoofd bij de militairen je mond voorbij te praten.” Hij stond op, schudde zijn hoofd en voegde eraan toe: “Als je eens wist waar je aan begonnen bent… Ik ga naar bed. Morgenavond gaan we omhoog.”
“Bent u dan zelf geen militair?” riep Artjom hem achterna. “Ik heb gehoord dat ze u kolonel noemden.”
“Kolonel ja, kolonel, maar niet van hun afdeling,” antwoordde Melnik met tegenzin en verdween.
De rest van de dag besteedde Artjom aan de bestudering van de Polis: doelloos wandelde hij rond in de onbegrensde ruimte van doorgangen en trappen, bekeek de geweldige colonnades, verbaasde zich erover hoeveel mensen deze ondergrondse stad kon herbergen, spelde iedere letter van het op pakpapier gedrukte krantje ‘Metronieuws’, luisterde naar zwervende muzikanten, bladerde boeken door bij stalletjes, speelde met te koop aangeboden pups, kwam de laatste roddels te weten – en al die tijd kon hij het gevoel niet kwijtraken dat iemand hem achtervolgde en observeerde. Een paar keer draaide hij zich zelfs abrupt om in de hoop iemands blik te kruisen, maar tevergeefs – om hem heen was iedereen druk met zijn eigen zaakjes, niemand had oog voor hem.
Toen hij in een van de doorgangen een hotel ontdekte, sliep hij daar een paar uur, alvorens zich, volgens de afspraak, om tien uur ’s avonds te melden op Borovsk bij de grenspost bij de uitgang naar de stad. Melnik was te laat, maar de wacht was op de hoogte en bood Artjom aan bij een kopje thee op de stalker te blijven wachten.
De bejaarde wachtmeester onderbrak zijn verhaal om heet water in de geëmailleerde kroes te gieten, en vervolgde toen:
“Dus... Ik had orders om het radioverkeer in de gaten te houden. Iedereen hoopte een signaal op te vangen uit de regeringsbunkers achter de Oeral. Maar hoe we ook ons best deden, het was allemaal voor niets, strategische objecten hadden ze als eerste onder vuur genomen. Dus einde oefening voor Ramenki, en voor alle datsja’s buiten de stad met hun kelders dertig meter onder de grond. Ramenki hadden ze misschien nog gespaard. Ze probeerden de burgerbevolking een beetje te ontzien. Niemand wist toen wat voor oorlog dit was, eentje tot het bittere einde, en dat het dus allemaal niets meer uitmaakte. Goed, Ramenki hadden ze misschien nog gespaard, maar daar dichtbij was een commandocentrum, en daar mikten ze dus op. Tja, en die burgerslachtoffers, dat was collateral damage, zoals dat heette, jammer maar helaas. Maar zolang niemand dat wilde geloven, liet de leiding mij de ether in de gaten houden, daar dicht bij Arbat, in de bunker. In het begin ving ik de gekste dingen op. In Siberië bleef het stil, maar anderen lieten zich des te meer horen. Onderzeeboten, strategische atoomduikboten. Die vroegen de hele tijd of ze moesten vuren of niet. De mensen geloofden niet dat Moskou er niet meer was. Kapiteins eerste klasse hingen jankend als kinderen aan de radio, stel je voor. Je kijkt toch raar op als gestaalde officieren, lui bij wie de krachttermen in de mond bestorven liggen, je huilend smeken om uit te zoeken of bij de geredden niet hun vrouw en kinderen zitten. Probeer ze maar eens te vinden. En dan reageren ze ook nog eens heel verschillend: zegt er eentje, oké, dat was het dus, als wij gaan, dan jullie ook, laat de hele handel naar de hel lopen, en die voer op de kust daar af om z’n hele lading raketten op steden te lossen. Anderen besloten juist: als toch alles naar de bliksem gaat, heeft het ook geen zin meer om verder te vechten. Waarom nóg meer mensen doden? Alleen maakte dat al niets meer uit. Er waren er genoeg die wraak wilden nemen voor hun gezin. En die boten bleven nog lang antwoord geven. Ze konden tot een half jaar onder water blijven. Natuurlijk werden er wel een paar uitgevist, maar ze hebben ze niet allemaal kunnen vinden. Zo heb ik dus heel wat verhalen moeten aanhoren, ze staan me nog altijd bij, kippenvel. Maar dat is het punt niet. Ik ving een keer een tankbemanning op, die als door een wonder bij een inslag ongedeerd was gebleven: ze reden net weg van de basis, zoiets. Nieuwe generatie bepantsering beschermde ze tegen de straling. Dus er zaten drie man in die tank, en ze gingen in volle vaart op weg van Moskou naar het oosten. Ze reden door brandende dorpen, pikten ergens nog wat vrouwtjes op – almaar verder, bij een benzinestation gooiden ze de tank vol, en hup, gingen ze weer. Ze kwamen terecht in een of ander gat, waar al helemaal niets meer te bombarderen viel, en toen waren ze eindelijk door hun brandstof heen. Nog altijd een achtergrondstraling waar je u tegen zegt, maar in elk geval niet zo erg als vlakbij de steden. Ze sloegen een kamp op, de tank groeven ze tot halverwege in, zo hadden ze iets wat voor een versterking kon doorgaan. Eromheen zetten ze tentjes neer, gaandeweg groeven ze plaggenhutten uit, ze zetten een handgenerator in elkaar voor elektriciteit en leefden zo nog behoorlijk lang daar naast die tank. Ik heb een jaar of twee bijna elke avond met ze gepraat, ik wist op den duur de meest intieme dingen van ze. Eerst was alles rustig daar, ze zetten een huishouden op, twee kregen er kinderen, vrijwel normale. Munitie hadden ze genoeg. Van alles kregen ze daar te zien, er kwamen me daar monsters uit het bos, die kon hij niet eens fatsoenlijk beschrijven, die luitenant waarmee ik praatte. En toen verdwenen ze opeens. Ik heb nog een half jaartje geprobeerd ze weer te pakken te krijgen, maar er was iets met ze gebeurd. Misschien was hun generator of radiozender uitgevallen, misschien was hun munitie opgeraakt.”
“Je had het over Ramenki,” herinnerde zijn collega hem, “dat hadden ze gebombardeerd, zei je, en ik dacht: nou dien ik hier al zo lang, en niemand kan me vertellen hoe het kan dat het Kremlin heel is gebleven? Waarom hebben ze dat intact gelaten? Dat moet toch één en al bunker zijn...”
“Wie heeft je verteld dat ze dat heel hebben gelaten? En óf ze daar hebben huisgehouden!” verzekerde de wachtmeester. “Ze wilden het alleen niet platgooien, omdat het een monument is, en zo konden ze er meteen wat nieuwe technologieën op uitproberen. We hebben er dus flink van langs gekregen. Ze hadden het beter maar meteen van de kaart kunnen vegen.” Hij spuwde op de grond en zweeg.
Artjom zat er stilletjes bij en probeerde de veteraan niet af te leiden van diens herinneringen. Zo vaak kreeg hij niet tot in detail te horen hoe het was gegaan. Maar de bejaarde wachtmeester zweeg, met zijn gedachten ergens anders, en eindelijk besloot Artjom, na lang wachten, de vraag te stellen die hem al langer bezighield:
“Maar in andere steden hebben ze toch ook een metro? Hadden, tenminste, dat heb ik gehoord. Zijn er dan werkelijk nergens anders mensen overgebleven? Hebt u destijds als verbindingsofficier verder geen enkel signaal opgevangen?”
“Nee, niets. Maar je hebt gelijk, in Piter bijvoorbeeld, daar hebben de mensen zich zeker in veiligheid kunnen brengen, de metrostations daar liggen diep, sommige zelfs dieper dan hier. En alles is er net zo aangelegd. Ik weet nog dat ik daar een keer was, als jonge vent. Er is daar één lijn waar je niet zomaar van het perron de sporen op kunt, je hebt aan beide kanten een rij met van die flinke ijzeren deuren. Als de trein komt, gaan die deuren samen met de deuren van de trein open. Ik stond daar toen echt versteld van, dat weet ik nog goed. Ik heb overal nagevraagd, maar niemand kon mij precies uitleggen waarom dat zo was gebouwd. De een zei dat het een bescherming tegen overstromingen was, de ander dat ze bij de bouw wilden besparen op de afwerking. Toen kwam ik een metrobouwer tegen, en die vertelde me dat, terwijl ze die lijn aan het optuigen waren, de helft van hun bouwbrigade door iets of iemand was opgevreten, en dat andere brigades hetzelfde was overkomen. Ze hadden alleen afgekloven botten en wat gereedschap teruggevonden. Natuurlijk kreeg de bevolking hier niets van te horen, maar op de hele lijn hebben ze toen van die gietijzeren deuren geplaatst, om de ellende zo veel mogelijk op afstand te houden. En dat was dan nog destijds. Wat er daarna met die straling is losgekomen, daar kun je je amper een voorstelling van maken.”
Het gesprek stokte: Melnik kwam op de grenspost af, hij had iemand bij zich, een gedrongen man met een massieve kaak, een kort baardje en diepliggende ogen. Beiden hadden hun beschermende pak al aan en een grote rugzak op hun schouders.
Melnik nam Artjom zwijgend op, zette een grote zwarte tas voor hem op de grond en wees naar de legertent. Artjom glipte naar binnen, ritste de tas open en haalde er een zwarte overall uit, net zo een als Melnik en diens maat aanhadden; een ongebruikelijk soort gasmasker, met een breed kijkglas en twee filters aan de zijkanten; hoge veterlaarzen en, het belangrijkste, een Kalasjnikov met laserdoelzoeker en metalen klapkolf. Dit was een heel bijzonder wapen, iets dergelijks had Artjom alleen gezien bij de elite-eenheden van de Hanze, die op locomotoren langs de lijn patrouilleerden. Onder in de tas lagen een lange lantaarn en een ronde, met canvas overtrokken helm.
Hij was nog niet klaar met omkleden toen het tentdoek werd opengeslagen en de brahmaan Danila binnenkwam. In zijn armen droeg hij eenzelfde buitenmaatse tas met rits. De jongens staarden elkaar stomverbaasd aan. De eerste die zijn tong terugkreeg, was Artjom.
“Ga jij ook omhoog? Met ons mee?Je-weet-niet-wat zoeken?” vroeg hij plagerig.
“Ik-weet-wel-wat,” beet Danila van zich af, “maar hoe jij van plan bent dat te gaan zoeken, dat snap ik niet.”
“Ik ook niet,” bekende Artjom. “Ze hebben me gezegd dat ze het straks uitleggen. Dus ik wacht af.”
“Mij hebben ze anders gezegd dat ze een helderziende naar boven sturen, die zelf wel voelt waar hij heen moet.”
“En dan moet ik die helderziende zijn?” snoof Artjom.
“De oudsten denken dat jij een gave hebt, een bijzondere lotsbestemming. Ergens in het Protocol staat de voorspelling dat er een jongeman moet opduiken, gekend door het lot, die de verborgen geheimen van de Grote Bibliotheek zal vinden. Hij zal vinden wat onze kaste het laatste decennium vruchteloos probeert de ontdekken. De oudsten zijn ervan overtuigd dat jij die persoon bent.”
“Is het dat boek waar jij het over had?” vroeg Artjom op de man af.
Danila gaf een tijd lang geen antwoord, maar ten slotte knikte hij.
“Jij moet het voelen. Het is verstopt, maar niet voor iedereen. Als jij werkelijk die ‘jongeman, gekend door het lot’ bent, hoef je zelfs niet al die boekendepots te doorzoeken. Het boek zelf vindt jou,” en met een onderzoekende blik op Artjom voegde hij er aarzelend aan toe: “Wat heb je ze in ruil gevraagd?”
Het had geen zin om eromheen te draaien. Artjom was alleen onaangenaam verrast dat Danila, die hem informatie moest geven waarmee Volksvlijt een invasie van de zwarten bespaard kon blijven, niets wist van dat gevaar of van zijn afspraken met de leden van de Raad.
Kort legde hij Danila uit waar de overeenkomst op neerkwam en welke ramp hij probeerde af te wenden. De ander luisterde aandachtig, zonder hem te onderbreken, en stond nog steeds onbeweeglijk en in gedachten verzonken, toen Artjom al de tent uit stapte.
Melnik en de bebaarde stalker wachtten hen in volle wapenrusting op met hun gasmasker en helm in de hand. Terwijl zijn maat de handmitrailleur vasthield, omklemde Melnik zelf net zo’n machinegeweer als Artjom had gekregen. Hij had ook een nachtkijker om zijn nek hangen.
Danila kwam naar buiten en hij en Artjom namen elkaar met veel gevoel voor drama op. Danila knipoogde, toen moesten ze allebei lachen. Ze zagen er nu uit als heuse stalkers.
“Hebben wij even mazzel. Aspirant-stalkers mogen pas op een serieuze missie als ze eerst twee jaar lang naar boven zijn gejaagd om hout te sprokkelen, maar jij en ik mogen meteen op voor het echte werk!” fluisterde Danila Artjom in het oor.
Melnik wierp hun een afkeurende blik toe, maar zei niets en gaf alleen een teken dat ze hem moesten volgen. Ze liepen naar de boog van de doorgang, beklommen de trap en stopten bij de zoveelste wand van betonblokken voor een kleine gepantserde deur, die was voorzien van extra bewaking. De stalker begroette de wachters en gebaarde dat ze moesten opendoen. Een van de soldaten stond op, liep op de deur af en trok aan een zware schuif. De dikke stalen kluisdeur week soepel opzij. Melnik liet de andere drie voorgaan, salueerde voor de wachters en ging als laatste door de deur.
Achter de deur begon een korte bufferzone van ongeveer drie meter tussen de wand en de hermetische deuren. Daar hielden nog eens twee zwaarbewapende soldaten en een officier de wacht. Alvorens bevel te geven tot het optrekken van het ijzeren scherm, besloot Melnik de aspiranten eerst te instrueren.
“Goed dus. Onderweg geen geklets. Ooit al eens boven geweest? Maakt niet uit. Geef de kaart eens,” zei hij tegen de officier. “Tot aan het ingangsgebouw volgen jullie letterlijk in mijn voetspoor, geen stap links of rechts. Niet om je heen kijken. Niet praten. Bij het verlaten van de metro in geen geval de tourniquets nemen, dat kost je je benen. Blijf achter mij aan lopen, geen enkel eigen initiatief. Dan ga ik naar buiten. Nummer Tien,” hij wees naar de bebaarde stalker, “blijft achter om de uitgang van het station te dekken. Als de kust veilig is, gaan we buiten meteen linksaf. Nu is het voorlopig nog niet echt donker, buiten gebruiken we de lantaarns dus niet, om niet op te vallen. Over het Kremlin is jullie alles uitgelegd? Dat ligt straks rechts, maar een van de torens is meteen boven de huizen zichtbaar als je de metro uitkomt. In geen geval naar het Kremlin kijken. Wie kijkt, krijgt van mij persoonlijk een knal voor zijn kop.”
“Dus het is waar, dat van het Kremlin, en dat stalkers daar niet naar mogen kijken, wat er ook gebeurt,” schoot het door Artjom heen. Iets in hem begon zich te roeren, fragmenten van gedachten, beelden... Een vage emotie, meer niet.
“Boven gaan we de Bibliotheek in. We lopen tot aan de deuren en de trappen. Ik ga als eerste naar binnen. Als de trap vrij is, houdt Nummer Tien hem onder schot, wij gaan naar boven, dan roepen we Nummer Tien en komt hij ook boven. Op de trap niet praten. Als jullie gevaar zien, geef je met je lantaarn een signaal. Alleen schieten als dat echt noodzakelijk is. Schoten kunnen ze aantrekken.”
“Wie?” kon Artjom zich niet inhouden.
“Hoezo wie?” vroeg Melnik op zijn beurt. “Wie verwacht je überhaupt tegen te komen in de Bibliotheek? Bibliothecarissen, dat mag duidelijk zijn.”
Danila slikte en trok wit weg. Artjom keek naar hem, toen naar Melnik en besloot dat hij deze keer maar beter niet kon doen alsof hij van de hoed en de rand wist.
“En wie zijn dat dan?”
Melnik trok verbaasd een wenkbrauw op. Zijn bebaarde makker sloeg een hand voor zijn ogen. Danila staarde naar de grond. De stalker keek Artjom een tijd lang vragend aan, begreep ten slotte dat die geen grapje maakte, en antwoordde met een stalen gezicht:
“Dat zul je wel zien. Wat je vooral moet onthouden is, hoe je kunt voorkomen dat ze je aanvallen: door ze in de ogen te kijken. Recht in de ogen, is dat duidelijk? En zorg ervoor dat ze niet achter je kunnen komen. Oké, de pas erin!” en hij trok zijn gasmaker over zijn gezicht en de helm over zijn hoofd en stak zijn duim op naar de wacht.
De officier deed een stap naar de hefboomschakelaar en opende de hermetische deuren. Het stalen rolluik schoof langzaam omhoog. De voorstelling begon.
Melnik zwaaide met zijn hand ten teken dat ze eruit konden. Artjom greep zijn machinegeweer, duwde tegen de doorzichtige deur en sprong naar buiten. En al had de stalker hun opgedragen hem op de voet te volgen en niet achter te blijven, het was onmogelijk hem te gehoorzamen.
Nu was de hemel compleet anders dan die keer dat Artjom hem als jongetje had gezien. In plaats van een onbegrensde, doorzichtig- blauwe ruimte hingen laag boven zijn hoofd dikke grijze wolken, en uit dat wattenplafond begonnen de eerste druppels van een herfstbui te vallen. Er woei bij vlagen een koude wind, Artjom voelde hem zelfs door de stof van zijn beschermende overall heen.
Hier was indrukwekkend, onvoorstelbaar veel ruimte – links, rechts en recht vooruit. Deze onafzienbare ruimte betoverde en stemde tegelijkertijd melancholisch, op een onbevattelijke manier. Een fractie van een seconde wilde Artjom terug, het ingangsgebouw van Borovsk in, onder de grond, om zich beschermd te voelen door nabije wanden, zich onder te dompelen in de veiligheid en de behaaglijkheid van een besloten, beperkte ruimte. Hij slaagde er slechts in dit neerdrukkende gevoel de baas te worden, door zich te dwingen de dichtstbijzijnde huizen goed te bekijken.
De zon was al onder en de stad verzonk geleidelijk in een smoezelige schemer. De half verwoeste en decennialang door zure regens aangevreten skeletten van de lage woonhuizen keken met de lege ogen van hun kapotte ramen op de wandelaars neer.
De stad. Een vreugdeloos, prachtvol schouwspel. Doof voor het geroep stond Artjom onbeweeglijk, als in trance, om zich heen te kijken: eindelijk kon hij de werkelijkheid vergelijken met zijn dromen en de bijna net zo zeer vervaagde herinneringen uit zijn kindertijd.
Naast hem stond ook Danila doodstil, waarschijnlijk was hij evenmin ooit eerder boven geweest. Als laatste kwam Nummer Tien uit het stationsgebouw naar buiten. Om Artjoms aandacht te trekken klopte hij hem op de schouder en wees naar rechts, waar in de verte zich het silhouet van een met een koepel bekroonde kerk aftekende.
“Kijk naar het kruis,” floot de stalker door de filters van zijn gasmasker.
Eerst merkte Artjom niets bijzonders op en zag hij zelfs dat hele kruis niet. Pas toen zich van de dwarsbalk met een langgerekte, ijzingwekkende schreeuw een gigantische, gevleugelde schaduw losmaakte, begreep hij waar Nummer Tien op doelde. In een paar vleugelslagen won het monster hoogte, waarna het met gespreide vleugels een glijvlucht naar beneden begon, speurend naar een prooi.
“Daar hebben ze hun nest,” legde Nummer Tien met een zwaai van zijn arm uit, “op de Christus-Verlosserkerk.”
Dicht langs de muur lopend bereikten ze de ingang van de Bibliotheek. Melnik leidde de groep, een paar passen vooruit, terwijl Nummer Tien half omgedraaid de achterhoede dekte. Juist doordat beide stalkers met andere dingen bezig waren, zag Artjom, nog voor ze ter hoogte van het standbeeld van de oude man in de zetel waren gekomen, kans om een blik te werpen op het Kremlin.
Hij was niet van plan geweest dat te doen, maar toen hij het standbeeld zag, ging er een soort rilling door hem heen en in zijn hoofd klaarde iets op. Ineens kwam een heel stuk van zijn droom van gisteren bovendrijven. Nu had hij niet de indruk dat dit maar een droom was geweest: het panaroma dat hij daarin had gezien, verschilde in niets van het uitzicht dat zich op dit moment voor hem ontvouwde. Betekende dit soms dat ook het Kremlin er precies zo uitzag als hij zich in zijn visioenen had voorgesteld?
Niemand had oog voor Artjom, zelfs Danila was niet in de buurt maar treuzelde in de achterhoede, bij Nummer Tien. Nu of nooit, zei Artjom tegen zichzelf. Zijn keel was opeens droog, het bloed bonkte in zijn slapen.
De ster op de toren brandde inderdaad.
“Hé Artjom! Artjom!” Iemand schudde hem aan zijn schouder heen en weer.
Moeizaam raakte zijn bewustzijn los uit de verdoving. Het felle licht van een lantaarn scheen vol in zijn gezicht. Artjom knipperde met zijn ogen en bedekte ze met zijn hand. Hij zat op de grond, met zijn rug tegen de granieten sokkel van het standbeeld gezakt, en Danila en Melnik stonden over hem heen gebogen. Beiden keken hem bezorgd aan.
“Z’n pupillen zijn kleiner geworden,” stelde Melnik vast. “Hoe heb je hem kunnen laten schieten?” vroeg hij kwaad aan Nummer Tien, die iets verderop stond en zijn ogen niet van de straat hield.
“Ik hoorde wat daarachter, ik kon daar niet met mijn rug naar toe blijven lopen,” verontschuldigde de stalker zich. “Hoe kon ik trouwens weten, dat hij zo rap was? Hij was verdikkeme in een paar tellen al bijna bij de Manege. Hij had ’m zo kunnen smeren. Goed dat onze brahmaan ten minste oplette,” zei hij, en klopte Danila op de rug.
“Ze schijnt,” zei Artjom met zwakke stem tegen Melnik. “Ze schijnt,” en hij keek naar Danila.
“Ze schijnt ja, ze schijnt,” beaamde deze laatste geruststellend.
“Heb je niet gehoord dat je daar niet naar mocht kijken, stommeling?” viel Melnik kwaad uit tegen Artjom. “Luister je naar je meerderen of niet?” en hij verkocht hem de beloofde oorvijg.
De helm ving het pedagogische effect voor een deel op en Artjom bleef zitten waar hij zat, knipperend met zijn ogen. Toen de stalker zijn gal had gespuwd, pakte hij Artjom bij de schouders, rammelde hem stevig door elkaar en zette hem op zijn benen.
Stukje bij beetje kwam Artjom weer tot zichzelf. Hij begon zich te schamen dat hij de verleiding niet had kunnen weerstaan. Hij staarde naar de punten van zijn laarzen en durfde Melnik niet aan te kijken. Melnik had gelukkig geen tijd om hem uitgebreid de les te lezen: hij werd nu afgeleid door Nummer Tien, die op een kruispunt stond, zijn maat dichterbij wenkte en hem met een vinger op het filter van zijn gasmasker tot stilte maande. Artjom besloot op veilig te spelen, vanaf nu overal Melnik te volgen en in geen geval de kant van de mysterieuze torens op te kijken.
Melnik liep op Nummer Tien af en stond toen ook stokstijf stil. De baardmans wees met zijn vinger in de verte, precies tegenover het Kremlin, waar de Kalininprospekt de rotte tanden van zijn vervallen hoogbouwblokken blootlachte. Artjom kwam voorzichtig bij hen staan, keek over de schouder van de stalker en begreep meteen wat er loos was.
Midden op de prospekt, zeshonderd meter van hen vandaan, kon hij in de toenemende schemering drie onbeweeglijke menselijke gestalten onderscheiden. Menselijke? Op deze afstand zou Artjom er zijn hand niet voor in het vuur steken dat het inderdaad mensen waren, maar ze waren wel van gemiddelde lengte en stonden op twee benen. Dat stelde alvast gerust.
“Wie zijn dat?” fluisterde Artjom hees, terwijl hij door het beslagen glas van zijn gasmasker probeerde te raden of die verre figuren mensen waren, of van dat gespuis waarvan hij had gehoord.
Melnik schudde zwijgend zijn hoofd: hij wist niet meer dan Artjom.
Hij richtte de lichtbundel van zijn lantaarn op de stilstaande figuren en maakte er drie cirkelvormige bewegingen mee, waarna hij het ding uitknipte. Ten antwoord flitste in de verte eveneens een heldere lichtvlek op, die drie cirkels beschreef en uitdoofde.
De spanning was meteen opgeheven, de geëlektrificeerde atmosfeer ontlaadde zich. Artjom voelde dit nog voordat Melnik het sein veilig gaf.
“Stalkers,” legde diens maat uit. “Knoop in je oren: drie cirkels met de lantaarn, dat is ons herkenningsteken. Als je hetzelfde signaal terugkrijgt, kun je er gerust op afgaan, eigen volk bijten ze niet. Als ze helemaal niet reageren of een ander lichtsignaal geven, maak dan dat je wegkomt. Onmiddellijk.”
“Maar als ze een lantaarn hebben moeten het toch sowieso mensen zijn, en geen beesten of zo van boven,” bracht Artjom hiertegen in.
“Het is nog maar de vraag wat erger is,” zei Melnik bruusk, en hij liep zonder verdere uitleg de trappen op, naar de ingang van de Bibliotheek.
De zware eiken deur, twee manslengten hoog, gaf langzaam, als met tegenzin, mee. De verroeste scharnieren piepten hysterisch. Melnik schoof de nachtkijker voor zijn ogen en glipte naar binnen, zijn machinegeweer balancerend in zijn ene hand. Na een seconde gaf hij de anderen het sein mee te komen.
Vóór hen was een lange gang te zien, met aan weerskanten de verwrongen skeletten van ijzeren kapstokken: hier was ooit de garderobe geweest. In het zwakke licht van de uitdovende dag dat van buitenaf doordrong, tekenden zich verderop de witmarmeren treden af van een brede trap naar boven. Het plafond was zo’n vijftien meter boven hen, ongeveer halverwege was de smeedijzeren balustrade van de galerij van de eerste etage te onderscheiden. In de hal heerste een breekbare stilte, die hol weergalmde bij iedere stap.
De wanden van het ingangsgebouw waren begroeid met mos dat lichtjes bewoog, alsof het ademde, terwijl van het plafond bijna tot aan de vloer vreemde, liaanachtige planten neerhingen. De stengels, zo dik als een arm, blonken in de lichtbundels van de lantaarns met een vettige glans en waren bedekt met grote, wanstaltige bloemen die een verstikkend, duizelig makend aroom afscheidden. Ook deze stengels wiegden amper merkbaar heen en weer, en Artjom kon niet vaststellen of ze bewogen door de wind, die door de kapotte ramen van de eerste etage binnenkwam, of dat ze van zichzelf zo schommelden.
“Wat is dat?” vroeg Artjom aan Danila, terwijl hij een liaan met zijn hand aanraakte.
“Groenvoorziening” siste Danila. “Een kamerplant na bestraling, dat is het. Slingerplanten. Ze hebben er lekker op los gekweekt, die botanici.”
Ze liepen achter Melnik aan tot aan de trap en begonnen onder dekking van Nummer Tien naar boven te gaan, waarbij ze zich tegen de linkerwand drukten. De stalker die voorop liep, hield voortdurend zijn ogen gericht op het zwarte vierkant van de ingang naar de andere ruimten, dat vóór hen zichtbaar was, de anderen lieten de lichtbundel van hun lantaarn over de marmeren wanden en het door roestbruin mos aangevreten plafond gaan.
De brede marmeren trap waarop ze stonden, leidde naar de tweede etage van de vestibule. De trap was open en daardoor vormden beide verdiepingen van de vestibule één gigantische ruimte. Het tweede niveau van de vestibule had de vorm van een U – in het midden kwam de trap uit, elk van de zijkanten vormde een galerij met nissen waarin houten kastjes waren geplaatst. Het leeuwendeel daarvan was verbrand of verrot, maar een paar zagen eruit alsof ze gisteren nog waren gebruikt. In elk compartiment waren honderden kleine laatjes gemaakt.
“De cartotheek,” lichtte Danila zachtjes toe terwijl hij met welbehagen om zich heen keek. “Met die laatjes kun je waarzeggen. Ingewijden kunnen dat. Na het ritueel moet je in het wilde weg een van de kasten kiezen, dan op de gok een laatje uittrekken en een willekeurig kaartje pakken. Als het ritueel correct is uitgevoerd, voorzegt de titel van het boek je toekomst, waarschuwt, of voorspelt succes.”
Heel even wilde Artjom op het dichtstbijzijnde kastje aflopen om te kijken in welke afdeling van deze lotscartotheek hijzelf was opgeslagen. Maar zijn aandacht werd afgeleid door een enorm spinnenweb dat zich bij het gebroken raam in de verste hoek over enkele meters uitstrekte. In de dunne, maar blijkbaar buitengewoon sterke draden was een vogel van indrukwekkende afmetingen blijven steken, die nog leefde en zwakjes bewoog. De wever van dit monsterlijke web kon Artjom tot zijn opluchting niet ontdekken. Behalve zijzelf was er in de ruime vestibule geen levende ziel te bekennen.
Melnik gaf een teken dat iedereen stil moest blijven staan.
“Luister nu goed,” zei hij tegen Artjom. “Luister niet naar de geluiden van buiten. Probeer te horen wat er binnen in jezelf klinkt, in je hoofd. Het boek moet jou roepen. De oudsten van de brahmanen denken dat het zich waarschijnlijk bevindt op een van de lagen van het Centrale Boekendepot. Maar de foliant kan overal zijn: in een van de leeszalen, op een vergeten bibliotheekkarretje, op een gang, op het tafeltje van een suppoost... Probeer daarom, voordat we op weg gaan naar het depot, hier alvast de stem ervan op te vangen. Doe je ogen dicht. Ontspan.”
Artjom kneep zijn ogen dicht en begon ingespannen te luisteren. In de volkomen duisternis viel de stilte uiteen in honderden minuscule geluiden: het geknars van de houten vloeren, de tochtvlagen die door de gangen wandelden, onduidelijk geritsel, geruis dat van buiten kwam, een geluid vanuit de leeszalen dat deed denken aan het kuchen van een oude man... Maar niets wat leek op een roep, een stem. Zo stond hij, doodstil, vijf, tien minuten, tevergeefs zijn adem inhoudend die hem zou kunnen hinderen om uit de mengelmoes van geluiden, afkomstig van al die dode boeken, de stem op te pikken die het levende boek liet horen.
“Nee,” schudde hij schuldbewust zijn hoofd, toen hij eindelijk weer zijn ogen opende. “Niets.”
Melnik zei niets, ook Danila zweeg, maar Artjom ving nog net zijn teleurgestelde blik op, die boekdelen sprak.
“Misschien is het hier inderdaad niet. Goed, gaan we naar het boekendepot. Of laten we zeggen, we proberen daar te komen,” besloot de stalker na een minuut, en hij gaf het sein om hem te volgen.
Hij beende vooruit, de brede doorgang in, waarin nog maar één van de twee deurvleugels hing, aan de randen verkoold en volgeschreven met onbegrijpelijke symbolen. Daarachter lag een kleine ronde kamer met een plafond op zes meter hoogte en vier uitgangen. Nummer Tien liep achter Melnik aan en Danila, gebruik makend van het feit dat ze even niet op hem letten, liep op de dichtstbijzijnde intact gebleven kast af, trok er een laatje uit naar voren, pakte daar een kaartje uit, las dat vluchtig door en stopte het toen met een verbaasde uitdrukking op zijn gezicht in zijn borstzak. Toen hij begreep dat Artjom alles had gezien, drukte hij samenzweerderig zijn vinger tegen zijn lippen en haastte zich achter de stalkers aan.
De wanden van de ronde kamer waren ook bedekt met tekeningen en opschriften, tegen de muur stond een doorgelegen divan met kapotgesneden kunstleren bekleding. In een van de vier doorgangen lag op de grond een omver gegooide boekenstand, waaruit een paar brochures waren gevallen.
“Niets aanraken!” waarschuwde Melnik.
Nummer Tien liet zich op de divan zakken, waardoor de veren piepten. Danila volgde zijn voorbeeld. Artjom staarde als behekst naar de op de grond gesmeten boeken.
“Onaangeroerd...” mompelde hij. “Bij ons op het station moeten we de bibliotheek met rattengif behandelen, anders zouden de ratten alles opvreten. Zijn hier dan soms niet van die mormels?” vroeg hij, terwijl hij zich opnieuw de woorden van Bourbon herinnerde, dat je je geen zorgen moest maken als het miegelde van de ratten, maar juist wel als ze er helemaal niet waren.
“Ratten, hoe dat zo? Wat loop je te ijlen?” zei Melnik geïrriteerd. “Waar zouden hier ratten vandaan moeten komen? Alle ratten hebben ze hier al honderd jaar geleden opgevreten.”
“Wie?” vroeg Artjom bedremmeld.
“Hoezo: wie? De bibliothecarissen natuurlijk,” legde Nummer Tien uit.
“Maar zijn dat dan dieren of mensen?” vroeg Artjom.
“Geen dieren in elk geval,” schudde de stalker bedachtzaam zijn hoofd, en zweeg.
Een massieve houten deur die zich in de diepte van een van de doorgangen bevond, begon opeens te piepen. Beide stalkers schoten ogenblikkelijk in verschillende richtingen, dekking zoekend achter de halfzuilen aan de uiteinden van de boog. Danila liet zich van de divan op de grond glijden en opzij rollen. Artjom volgde zijn voorbeeld.
“Verderop is de Centrale Leeszaal,” fluisterde de brahmaan hem toe. “Daar willen ze nog wel eens komen.”
“Genoeg geluld!” onderbrak Melnik hem boos. “Weet je dan niet dat de bibliothecarissen geen lawaai kunnen verdragen? Dat dat op hen werkt als een rode lap op een stier?” tierde hij, en wees Nummer Tien op de deuren van de leeszaal.
De andere stalker knikte. Ze drukten zich tegen de wand en begonnen langzaam in de richting van de enorme eiken deurvleugels te bewegen. Artjom en Danila weken geen stap van hun zijde. Als eerste ging Melnik naar binnen. Hij drukte zijn rug tegen een van de deuren, trok zijn machinegeweer omhoog, ademde diep in en uit en duwde toen met een snelle beweging van zijn schouder de deurvleugel open, waarbij hij tegelijkertijd de loop op de gapende zwarte muil van de Centrale Leeszaal richtte.
Een seconde later waren ze allemaal binnen. De zaal bleek een ruimte van immense afmetingen, met een plafond dat op een hoogte van twintig meter in het niets verdween. Net als in de vestibule hingen er zware vette lianen met bloemen. Hetzelfde monsterlijke slingergewas bedekte de wanden van de zaal. Elke kant had zes gigantische ramen, in sommige was een deel van de ruiten nog heel. Toch was de verlichting karig: stralen maanlicht drongen met moeite door het dikke vlechtwerk van de vettig glanzende stengels heen.
Links en rechts moesten vroeger rijen tafels hebben gestaan, voor de lezers. Het grootste deel van deze meubels was weggesleept, een kleiner deel verbrand of vernield, maar een stuk of tien tafels waren onaangeroerd gebleven: die stonden aan de tegenoverliggende zijde, dichter bij het beschilderde, gebarsten panneau, precies in het midden waarvan een in het halfduister slecht te onderscheiden sculptuur oprees. Overal waren perspex bordjes vastgeschroefd met het opschrift ‘Stilte a.u.b.’ Hier hing een heel andere stilte dan in de vestibule. De stilte hier was zo dik, dat je haar leek te kunnen vastpakken. Het was alsof ze heel deze cyclopische zaal vulde, en het vergde moed om haar te verbreken.
Zo stonden ze met hun lantaarns de ruimte af te zoeken, totdat Melnik concludeerde:
“Dat moet de wind geweest zijn...”
Maar op hetzelfde moment merkte Artjom een grijze schim op, die vooraan tussen twee kapotte tafels doorschoot en in een zwarte bres tussen de boekenstellingen verdween. Ook Melnik zag deze schim. Hij zette de nachtkijker aan zijn ogen, schouderde zijn machinegeweer en begon, voorzichtig over de met mos begroeide vloer stappend, naar de verborgen doorgang te bewegen.
Nummer Tien volgde hem. Artjom en Danila hadden een teken gekregen te blijven waar ze waren, maar konden zich niet beheersen en gingen de beide stalkers achterna: alleen bij de ingang te blijven staan leek hun geen pretje. Onderwijl liet Artjom zich niet weerhouden verrukt rond te kijken in de zaal, die nog altijd kenmerken van haar vroegere grootsheid had bewaard. Zijn nieuwsgierigheid redde niet alleen zijn eigen leven, maar ook dat van de anderen.
De hele ruimte was op een hoogte van enkele meters omgeven door smalle galerijen met houten balustrades. Die boden uitzicht uit de ramen, maar er kwamen ook, in de wand waar ze nu voor stonden en in die daartegenover, aan beide kanten van het antieke panneau, deuren van dienstruimten op uit. Deze galerijen waren toegankelijk via een paar trappen aan beide zijden van het lezende standbeeld, en via net zulke trappen bij de ingang. En juist via deze laatste trappen, waar ze met hun rug naar toe stonden, kwamen nu zonder haast of geluid gebogen grijze figuren naar beneden geslopen. Het waren er minstens tien – creaturen die niet geheel in de schemer oplosten en die ieder ongeveer van Artjoms postuur zouden zijn geweest, als ze niet zo sterk gekromd waren dat hun lange voorpoten, die opvallend veel weg hadden van handen, de grond bijna raakten. De wezens bewogen zich voort op hun twee achterpoten, waggelend maar toch verbazend behendig en geruisloos. Vanuit de verte deden ze nog het meest denken aan de gorilla’s uit het biologieleerboek waaruit zijn pleegvader had geprobeerd Artjom in diens kindertijd les te geven.
Voor al deze observaties had Artjom niet meer dan een seconde. Zodra de lichtbundel van zijn lantaarn op een van de gebogen figuren viel, waarbij zich op de wand erachter een duidelijke zwarte schaduw aftekende, klonk er van alle kanten een satanisch gekrijs op en stortten de beesten zich, zonder nog langer te proberen zich te verbergen, naar beneden.
“Bibliothecarissen!” schreeuwde Danila uit alle macht.
“Liggen!” beval Melnik.
Artjom en Danila wierpen zich op de grond. Ze durfden niet te schieten; de stalker had immers gewaarschuwd dat schoten, net als andere harde geluiden, bibliothecarissen aantrokken en tot razernij konden brengen. Maar hun aarzelingen werden weggenomen door Melnik, die op hen afgevlogen was, naast hen neerplofte en als eerste het vuur opende. Een paar van de creaturen stortten met een kreet omlaag, andere trokken zich schielijk in het donker terug, maar alleen om weer dichterbij te kunnen sluipen: na enkele ogenblikken verscheen een van de monsters onverwachts op amper twee meter afstand en probeerde zich met een lange sprong vast te bijten in de keel van Nummer Tien. Die viel op de grond maar wist het beest met een kort salvo af te maken.
“Rennen, weg hier! Terug naar de ronde kamer, probeer in het depot te komen! Brahmanen moeten de weg kennen, dat leren ze! Wij blijven hier, geven jullie dekking en proberen ons hieruit te slaan,” riep Melnik Artjom toe, en kroop toen, zonder verder nog acht op hem te slaan, naar zijn maat.
Artjom gaf Danila een teken en beiden renden voorovergebogen naar de uitgang. Een van de bibliothecarissen sprong hun vanuit de duisternis tegemoet, maar werd uit de lucht geschoten door een regen van lood: de stalkers lieten de jongens geen moment uit het oog.
Zodra ze de Centrale Leeszaal uit waren, vloog Danila terug de vestibule in waar ze vandaan gekomen waren. Artjom dacht heel even dat zijn maat zó geschrokken was van de bibliothecarissen, dat hij probeerde te vluchten. Maar Danila rende niet naar de trap naar beneden, maar erlangs, voorbij de kastjes van de cartotheek naar het andere einde van de vestibule. Daar versmalde de ruimte, om te eindigen in drie dubbele deuren: recht voor hen en aan weerskanten. De rechterdeur leidde naar een trap, waar een absolute stilte heerste. Hier stond de brahmaan eindelijk stil om uit te hijgen. Artjom was pas na een paar seconden bij hem, hij had van zijn kameraad nooit zo’n snelheid verwacht. Beiden stonden nu doodstil om te luisteren. Vanuit de Centrale Leeszaal waren schoten en geschreeuw te horen, de schermutseling was nog gaande. Wie de overhand zou krijgen was onduidelijk, en tijd verliezen door de afloop van het gevecht af te wachten konden ze niet.
“Waarom gaan we terug? Waarom zijn we eerst de andere kant op gegaan?” vroeg Artjom hijgend.
“Geen idee waar ze ons gebracht hebben,” haalde Danila zijn schouders op. “Misschien waren ze van plan een andere route te nemen. De oudsten hebben ons maar één route geleerd, en die leidt regelrecht naar het depot aan deze kant van de vestibule. We moeten nu met de trap een verdieping omhoog, dan een gang door, weer met de trap, dan door de reservecartotheek, en we zijn in het depot.”
Hij richtte zijn machinegeweer de duisternis in en stapte op het trappenhuis af. Artjom haastte zich achter hem aan, bijlichtend met zijn lantaarn.
In het midden van de trap liep, drie verdiepingen omlaag en evenzoveel omhoog, een liftschacht. Ooit moest die beglaasd zijn geweest, uit het gietijzeren karkas staken nog altijd scherpe glasscherven, mat geworden door het stof dat zich decennialang had opgehoopt. Om de vierkante schacht slingerden zich de verrotte houten traptreden, bezaaid met gebroken glas, patroonhulzen en verdroogde klonters van een onbestemde viezigheid. Er was zelfs geen spoor van een balustrade, zodat Artjom zich tegen de wand moest drukken en goed voor zijn voeten moest kijken om niet uit te glijden en in de diepte te vallen.
Ze gingen één verdieping omhoog en kwamen zo in een kleine vierkante kamer. Hier openden zich eveneens drie doorgangen; het begon Artjom te dagen dat hij zonder gids nauwelijks de weg uit dit labyrint zou kunnen vinden. De linkerdeur gaf toegang tot een brede donkere gang, die verder doorliep dan hun lantaarns konden schijnen. De rechterdeur was gesloten en om de een of andere reden kruislings met planken dichtgetimmerd, en op de wand ernaast was met roet geschreven: ‘Niet openen! Levensgevaar!’
Danila nam Artjom mee rechtdoor, de doorgang in die de hoek om leidde, aan het eind waarvan zich opnieuw een gang opende, smaller en vol met nieuwe deuren. De brahmaan liep deze gang al een stuk minder snel door en stond onderweg vaak stil om te luisteren. De vloer was hier bedekt met parket, terwijl aan de geel geverfde muren, net als overal in de Bibliotheek, omineuze bordjes hingen: ‘Stilte a.u.b.’ Achter de deuren die openstonden, waren kamers en onttakelde studeervertrekken te zien. Van achter de gesloten deuren was soms geritsel te horen, en een keer had Artjom de indruk dat hij voetstappen hoorde. Aan het gezicht van zijn makker te oordelen beloofde dat niet veel goeds, en beiden liepen dan ook zo snel mogelijk door.
Zoals Danila al had verondersteld, bleek er rechts een uitgang naar een tweede trappenhuis te zijn. Vergeleken met de duisternis in de zalen was het hier tamelijk licht – in de wanden van elke trapvleugel waren ramen. Daardoorheen was vanaf de vijfde verdieping, waar ze nu waren, een binnenplaats zichtbaar met dienstgebouwtjes en de uitgebrande karkassen van technische installaties. Maar Artjom kreeg weinig gelegenheid om deze binnenplaats goed te bekijken: vanachter de hoek van het gebouw waarin ze zich bevonden, doken twee grijze scheefhangende figuren op. Ze schuifelden langzaam de binnenplaats over, alsof ze naar iets op zoek waren. Onverwachts stond een van hen stokstijf stil, hief het hoofd op en blikte – dacht Artjom – regelrecht naar het raam van waaruit hij toekeek. Artjom deinsde terug en ging op zijn hurken zitten. Hij hoefde zijn maat niet uit te leggen hoe of wat.
“Bibliothecarissen?” fluisterde hij geschrokken, terwijl ook hij in elkaar dook om van buitenaf niet zichtbaar te zijn.
Artjom knikte, zonder iets te zeggen. Danila wreef met zijn hand over het plexiglas van zijn gasmasker, alsof hij zo zijn bezwete voorhoofd kon afvegen, kwam toen weer bij zinnen en schoot langs de treden omhoog, Artjom met zich meetrekkend. Nog een trap hoger, daarna opnieuw kronkelende gangen. Eindelijk stopte de brahmaan besluiteloos voor enkele deuren.
“Van deze plek herinner ik me niets,” zei hij ontredderd. “Hier moet de ingang in de reservecartotheek zijn. Maar dat er meerdere deuren zouden zijn, heeft niemand me ooit verteld.”
Hij dacht na en probeerde toen weifelend de klink van een van de deuren. Afgesloten. Ook de andere uitgangen bleken gesloten. Danila schudde niet-begrijpend en vol ongeloof zijn hoofd en rukte nog eens aan de klinken. Na hem deed Artjom een poging, maar ook tevergeefs.
“Dicht,” constateerde hij vertwijfeld.
Danila rilde opeens heel even, zodat Artjom verschrikt naar hem keek en voor de zekerheid een stap van zijn maat af ging staan. Maar de ander lachte alleen maar.
“Klop jij even!” stelde hij Artjom voor, en hij voegde er snikkend aan toe: “Sorry, ’t zijn vast de zenuwen.”
Artjom voelde hoe de misplaatste lach ook hem in zijn greep kreeg. De spanning die het afgelopen uur was opgebouwd, liet zich voelen, en hoe hij ook probeerde zich in te houden, het stupide gehinnik barstte naar buiten. Even stonden ze zo allebei met hun rug tegen de muur geleund te schateren.
“Kloppen!” herhaalde Artjom schuddebuikend, met spijt dat hij zijn gasmasker niet kon afnemen om zijn tranen weg te vegen.
Hij stapte op de dichtstbijzijnde deur af en liet zijn knokkels drie keer op het hout neerkomen. Een seconde later klonken ten antwoord drie doffe tikken van de andere kant. Artjom voelde zijn keel in een oogwenk droog worden, zijn hart ging in zijn borstkas als een razende tekeer. Achter de deur stond iemand die hun gelach hoorde en ergens op wachtte. Waarop? Danila wierp een blik vol angst en ontzetting op hem en week terug van de deur. Aan de andere kant daarvan klopte iemand nog een keer, nu luider en dringender.
Toen deed Artjom wat hij een keer van Soechoj had geleerd. Hij zette zich af tegen de wand en trapte met zijn voet tegen het slot van de deur ernaast. Op succes had hij niet gerekend, maar de deur vloog met een knal open. Het stalen mechanisme van het slot was compleet uit het vermolmde hout gerukt.
De ruimte direct achter deze deur leek in niets op de andere kamers en gangen in de Bibliotheek waar ze vandaag doorheen waren gekomen. Het was hier heel vochtig en benauwd, waardoor was niet duidelijk, maar in het licht van hun lantaarns werd zichtbaar dat de kleine zaal dicht begroeid was met vreemde gewassen. Dikke stengels, zware vlezige bladeren, een mengsel van geuren zo zwaar dat het zelfs door de filters van hun gasmaskers drong, de vloer bedekt door vervlochten wortels, doornen, bloemen… Enkele ervan wortelden in heel gebleven of gebarsten bloempotten en kuipen. De al bekende lianen omslingerden en ondersteunden rijen houten kastjes, van hetzelfde type als in de grote vestibule, maar door de hoge vochtigheidsgraad door en door verrot. Dit laatste werd duidelijk zodra Danila een van de laatjes probeerde te openen.
“De reservecartotheek,” liet hij Artjom met een zucht van verlichting weten. “Nu zijn we in de buurt.”
Achter hen klonk opnieuw geklop op de deur, daarna probeerde iemand met een voorzichtige beweging de deurklink omlaag te krijgen. Ze haastten zich om door deze onheilspellende, in het diepst van de Bibliotheek verstopte geheime tuin heen te komen, maar moesten met de loop van hun machinegeweer de lianen opzij duwen en hun best doen om niet te struikelen over de wortels die over de vloer kropen. Aan de andere kant van de zaal bevond zich nog een deur, deze keer niet gesloten. Een laatste gang, en eindelijk konden ze stilstaan.
Ze waren in het depot, dat was meteen te voelen. In de lucht hing boekenstof: de bibliotheek ademde rustig, nauw hoorbaar bewegend met haar miljarden bladzijden. Artjom keek rond en kreeg het gevoel dat hij de geur van bedrukt papier rook, waarvan hij als kind al zo had gehouden. Vragend blikte hij naar Danila.
“Dit is het, we zijn er,” bevestigde die, en voegde er hoopvol aan toe. “En?”
“Tsja... Wel eng,” bekende Artjom, die niet meteen aanvoelde waar zijn maat naar toe wilde.
“Voel je het boek niet?” verduidelijkte de brahmaan. “Van hier moet de stem beter te horen zijn.”
Artjom sloot zijn ogen en probeerde zich te concentreren. Zijn hoofd was leeg en hol, als een verlaten tunnel. Korte tijd stond hij zo, toen begon hij opnieuw alle minieme geluiden te onderscheiden die het gebouw van de Bibliotheek vulden, maar het lukte hem niet iets te horen wat leek op een stem, een roep. Erger nog, hij voelde zo goed als niets, en zelfs als je ervan uitging dat de stem waarover Danila en de andere brahmanen het hadden, in werkelijkheid een gevoel van een geheel andere orde was, veranderde dat niets aan de zaak.
“Nee, er is niets te horen,” en hij breidde zijn armen uit.
“Oké,” zuchtte Danila, na enig zwijgen. “We kunnen beter niet met lege handen terug.”
Ze liepen naar de diensttrap en gingen via de betonnen treden enkele etages omhoog, alvorens hun geluk nogmaals te beproeven. Op deze verdieping zag alles er net zo uit als waar ze eerst geweest waren: een kamer van gemiddelde afmetingen met glas in de ramen, enkele schrijftafels, het reeds bekende gewas aan het plafond en in de hoeken, en twee gangen in verschillende richtingen, vol met eindeloze rijen boekenplanken aan weerskanten van een smalle doorgang. Het plafond was zowel in de kamer als in de gangen laag, iets meer dan twee meter, en na de ongelooflijke ruimte van de vestibule en de Centrale Leeszaal leek niet alleen rechtop lopen, maar zelfs ademhalen tussen vloer en plafond problematisch. Op de stellages stonden dicht opeen duizenden verschillende boeken, waarvan vele nooit aangeraakt en uitstekend bewaard leken te zijn; de Bibliotheek moest wel zo zijn gebouwd dat, zelfs wanneer de mensen haar zouden verlaten, een specifiek microklimaat in haar binnenste gehandhaafd bleef. Te midden van deze sprookjesachtige rijkdommen vergat Artjom zelfs even waarvoor hij hier was, hij dook een van de rijen in, bekeek de boekruggen en liet er met welbehagen zijn hand langs gaan. Danila veronderstelde dat zijn maat datgene had gehoord waarvoor ze hiernaartoe waren gestuurd en stoorde hem aanvankelijk niet, maar ten slotte kreeg hij door hoe de vork in de steel zat en pakte hij Artjom tamelijk ruw bij de arm om hem verder te trekken.
Drie, vier, zes gangen, honderden stellages, duizenden en nog eens duizenden boeken die de gele lichtvlek aan de ondoordringbare duisternis ontrukte, de volgende verdieping, en nog een... Alles tevergeefs. Artjom voelde hoegenaamd niets wat hij kon opvatten als een stem, een roep. Sowieso niets bijzonders. Hij moest weer denken aan de zitting van de Polisraad – terwijl de brahmanen hem hielden voor een uitverkorene, die met een uitzonderlijk talent was begiftigd en was gekend door het lot, hadden de militairen zo hun eigen verklaring voor zijn visioenen: hallucinaties.
Op de laatste etages begon hij iets te voelen, maar bepaald niet dat wat hij had verwacht en gewild. Het was de onduidelijke gewaarwording van iemands aanwezigheid, die hem op de een of andere manier deed denken aan de beruchte tunnelangst. Ook al leken alle verdiepingen waar ze kwamen, volledig verlaten en was hier geen spoor te bekennen van bibliothecarissen of andere creaturen, juist hier had hij voortdurend de aanvechting zich om te draaien en het gevoel dat hij door de boekenkasten heen aandachtig werd geobserveerd.
Danila tikte hem op de schouder en richtte zijn lantaarn op zijn laars. De lange veter, die de brahmaan niet volgens het boekje had kunnen strikken, sleepte achter hem aan over de vloer.
“Ik maak ’m even vast, kijk jij even daar vooraan, misschien hoor je toch nog iets,” fluisterde hij en ging op zijn hurken zitten.
Artjom knikte en bleef langzaam voortgaan, stap voor stap, ieder ogenblik achteromkijkend naar Danila. Die liet nog op zich wachten: zo makkelijk was het niet om met dikke handschoenen aan een glibberige veter te strikken. Artjom liep door, verlichtte eerst de eindeloze rij planken die zich rechts opende en bracht de lichtbundel daarna met een abrupte beweging naar links, pogend in de rijen stoffige en door de tijd kromgetrokken boeken de gebogen grijze schaduwen van bibliothecarissen te ontwaren. Artjom had zich een meter of dertig van zijn maat verwijderd, toen hij opeens twee rijen vooruit een duidelijk geritsel hoorde. Hij had zijn machinegeweer al schietklaar, drukte de lantaarn tegen de loop en was met één sprong bij de gang waar, volgens zijn schatting, iemand zich verborgen hield.
Twee rijen tot boven aan met boekdelen volgestouwde planken, die verdwenen in het verschiet. Leegte. De lichtstraal schoot naar links – straks zat de vijand daar, in de tegengestelde richting van deze oneindigheid? Leegte.
Artjom hield zijn adem in en probeerde het geringste geluid op te vangen. Niets, alleen het spookachtige geritsel van bladzijden. Hij draaide zich in de doorgang om en scheen in de richting van de plek waar Danila met zijn veters in de weer was. Leeg. Leeg?!
In het wilde weg stormde Artjom terug. De lichtvlek van zijn lantaarn danste woest van de ene naar de andere kant en trok daarbij de ene na de andere eenvormige rij boeken uit de duisternis tevoorschijn. Waar was Danila gebleven? Dertig meter. Ongeveer dertig meter, hier moest hij zijn. Niemand. Waar kon hij gebleven zijn, zonder Artjom iets te zeggen? En als hij was aangevallen, waarom had hij zich dan niet verzet? Wat had hem er überhaupt kunnen overkomen?
Nee, hij was nu al te ver terug. Danila moest veel dichterbij zijn. Maar hij was nergens! Artjom voelde dat hij niet meer kon instaan voor wat hij deed, dat hij in paniek begon te raken. Hij stond stil op de plek waar hij Danila met de veter van diens laars alleen had gelaten en leunde krachteloos met zijn rug tegen de kopse kant van de boekenkast, toen hij uit de diepte van de boekenrij een zachte, niet-menselijke stem hoorde, die uithaalde in een akelig gekras:
“Artjom...”
Artjom zag bijna niets door het beslagen raampje van zijn gasmasker, hij hijgde van angst, draaide zich bruusk om in de richting van waaruit hij was geroepen en liep op de stem af, proberend de gang in het springerige vizier van zijn machinegeweer te vangen.
“Artjom...”
Nu was het heel dichtbij. Onverwachts sneed door de kast een dunne waaier van licht, tussen de ruim naast elkaar staande boeken door, ter hoogte van de vloer. De stralen bewogen terug en weer vooruit, alsof iemand zijn lantaarn van links naar rechts bewoog, van links naar rechts... Artjom hoorde het gerinkel van metaal.
“Artjom...” bijna onhoorbaar was het deze keer, nauwelijks meer dan gefluister, en de stem was zonder twijfel die van Danila.
Artjom deed opgelucht een flinke stap vooruit in de hoop zijn maat te zien, en op dat moment klonk op twee stappen van hem vandaan dat onheilspellende keelgekras dat hij in het begin had gehoord. De lichtbundel van de lantaarn bleef zinloos over vloer ronddwalen, heen en weer.
“Artjom...” riep hem nu ook die vreemde stem.
Artjom deed nog een stap, wierp een blik naar rechts en voelde hoe de haren op zijn hoofd te berge rezen door wat hij zag.
De rij kasten was hier onderbroken en in de nis die zo werd gevormd, zat Danila in een plas bloed. Zijn helm en gasmasker waren afgerukt en slingerden verderop op de vloer. Hoewel zijn gezicht lijkbleek was, keken zijn open ogen welbewust en probeerden zijn lippen woorden te vormen. Achter zijn rug, half versmolten met het schemerduister, verborg zich een grijze gebogen gestalte. Een lange, met een ruige zilverige vacht begroeide, benige hand – geen poot, nee, een hand met krachtige gebogen klauwen liet de lantaarn, die een halve meter bij Danila vandaan was terechtgekomen, heen en weer rollen. De andere hand was begraven in de opengereten buik van de brahmaan.
“Daar ben je...” fluisterde Danila.
“Daar ben je...” kraste de stem achter zijn rug, heel precies Danila’s intonatie imiterend.
“Dat is een bibliothecaris... achter mij. Ik ben er sowieso geweest. Schiet, dood hem,” vroeg Danila met verzwakkende stem.
“Schiet, dood hem,” herhaalde de schim.
De lantaarn rolde een zoveelste keer traag over de vloer naar links, om daarna terug te keren naar zijn plaats en de hele cyclus nogmaals te doorlopen. Artjom voelde dat hij gek werd. In zijn hoofd maalden de woorden van Melnik, dat het geluid van schoten de gruwelijke schepselen kon aantrekken.
“Ga weg,” vroeg hij de bibliothecaris, maar zonder enige hoop dat die hem zou begrijpen.
“Ga weg,” klonk het haast aanhalig ten antwoord, terwijl de klauwhand doorging in de buik van Danila te wroeten, waardoor deze zachtjes kreunde; een druppel bloed tekende vanuit zijn mondhoek een dikke lijn naar zijn kin.
“Schiet!” zei Danila iets luider, met alle kracht die hij nog had.
“Schiet!” verordonneerde de bibliothecaris vanachter zijn rug.
Zijn nieuwe kameraad zelf doodschieten en daarmee andere monsters lokken, of Danila hier laten doodgaan en wegwezen zolang dat nog kon? Hem redden zou al niet meer lukken, met zijn opengereten buik en uitpuilende ingewanden had de brahmaan geen uur meer te leven.
Vanachter het achterover hangende hoofd van Danila verscheen eerst een puntig grijs oor, en daarna een enorm groen oog, dat opvonkte in het licht van de lantaarn. De bibliothecaris blikte traag, bijna verlegen, vanachter zijn stervende kameraad vandaan en zijn ogen zochten die van Artjom. Nu niet wegkijken. Recht erin kijken, recht naar hem, recht in die pupillen... Dierlijke, verticale pupillen. Bizar, maar zelfs in die griezelige, wezenloze ogen schitterde iets van verstand!
Nu, van dichtbij, deed de bibliothecaris in niets meer denken aan een gorilla of aan wat voor aap dan ook. Zijn roofdierenkop was begroeid met een pels, en de muil, vol lange slagtanden, liep bijna tot aan de oren, terwijl de ogen zulke afmetingen hadden dat dit creatuur op geen van de dieren leek die Artjom ooit in het echt of op plaatjes had gezien.
Hij had het gevoel dat dit een eeuwigheid duurde. Eenmaal verdiept in de blik van dit monster kon hij zich op geen enkele manier uit die pupillen losmaken. En pas toen Danila een langgerekte doffe kreun uitstiet, kwam Artjom tot zichzelf, richtte het minuscule rode vlekje van zijn vizier recht op het lage, met een grijze vacht begroeide voorhoofd van de bibliothecaris en zette zijn machinegeweer op enkelschots. Toen het wezen de zachte metalen klik hoorde, begon het boosaardig te sissen en verstopte zich opnieuw achter Danila’s rug.
“Ga weg,” kraste het weer daarvandaan, in exacte herhaling van de intonatie die het eerder van Artjom had gehoord.
Artjom verstijfde van ontzetting. Ditmaal reageerde de bibliothecaris niet als een echo op zijn woorden, hij leek ze te hebben onthouden en begreep hun betekenis. Was zoiets wel mogelijk?
“Artjom... Zolang ik nog iets kan zeggen...” begon Danila, die al zijn krachten bij elkaar schraapte en probeerde zijn blik te focussen, die met de minuut troebeler werd. “Ik heb in mijn borstzak... een envelop. Die moest ik aan jou geven als jij het Boek had gevonden.”
“Maar ik heb niets gevonden,” zei Artjom, zijn hoofd schuddend.
“Niets gevonden”, bevestigde de griezelige stem vanachter Danila’s rug.
“Maakt niet uit. Ik weet niet waarom je ja hebt gezegd. Toch niet voor jezelf. Misschien helpt het jou. Maar mij maakt het al niet meer uit of ik mijn opdracht heb uitgevoerd of niet. Denk er vooral aan, dat je de Polis niet meer in komt. Als ze erachter komen dat je niets hebt kunnen bereiken… En als de militairen erachter komen… Ga via andere stations. En nu schieten, want ik heb zo’n pijn. Ik wil niet meer…”
“Wil niet meer… pijn…,” herhaalde achter hem de bibliothecaris met een fluitend geluid, de woorden door elkaar halend, en zijn hand maakte een abrupte beweging in de opengereten buik van Danila, waardoor die koortsig rilde en bijna voluit begon te schreeuwen.
Artjom kon het niet langer aanzien. Waarschuwingen of niet, hij schakelde opnieuw over op de automatische vuurstand, kneep zijn ogen dicht, haalde de trekker over en liet een salvo los op zijn maat en het beest dat zich achter diens lichaam verborg. Het onverwachts luide geratel scheurde de stilte van de Bibliotheek aan flarden en werd gevolgd door een doordringend gegil, en daarna braken de geluiden ineens af: de stoffige boeken zogen de echo als een spons in zich op.
Toen Artjom zijn ogen weer open deed, was alles voorbij.
Hij zette een stap in de richting van de bibliothecaris, die zijn door het lood verbrijzelde kop had laten zakken op het hoofd van zijn slachtoffer en zelfs na zijn dood verlegen achter diens rug school. Terwijl Artjom met zijn lantaarn dit huiveringwekkende toneel bescheen, voelde hij hoe het bloed in zijn aderen stolde en het zweet in zijn handen stond van de spanning. Toen duwde hij met een vies gezicht de bibliothecaris met de neus van zijn laars om, zodat die langzaam achterover zakte. Hij was dood, geen twijfel mogelijk.
Proberend niet te kijken naar het gezicht van Danila, dat in een bloederige massa was veranderd, begon Artjom haastig diens beschermende pak open te ritsen. De kleren waren doordrenkt van dik donker bloed, en in de koele lucht van het boekendepot steeg er een doorzichtige damp uit op. Artjom voelde dat hij moest overgeven. De borstzak… Zijn vingers in de dikke beschermende handschoenen probeerden onhandig de knoop los te krijgen, hij bedacht dat precies hetzelfde gepruts Danila fataal was geworden.
Van ver was duidelijk geritsel te horen, daarna het gebanjer van blote voeten door de gang. Artjom draaide zich nerveus om, liet de lichtbundel van zijn lantaarn door de gangpaden gaan en ging, toen hij zich ervan had overtuigd dat er niemand bij hem in de buurt was, weer in gevecht met de knoop. Eindelijk sprong die los, het lukte hem om diep in de zak met zijn stugge vingers een dunne envelop van grijs papier te pakken te krijgen, gewikkeld in een door de kogels doorzeefde plastic zak. In dezelfde zak vond Artjom een met bloed bevlekt rechthoekig kartonnetje, waarschijnlijk het kaartje dat Danila uit de la van de cartotheek in de vestibule had gehaald. Er stond op getypt: ‘Sjnoerkov N.J. Irrigatie en toekomstperspectieven van de akkerbouw in de Tadzjiekse SSR. Doesjanbe, 1965.’
De stappen en het onduidelijke gemompel waren nu heel dichtbij. Er was geen tijd meer. Artjom pakte Danila’s machinegeweer en de lantaarn, die uit de klauwen van de bibliothecaris was gevallen, stond op en stormde terug, bijna zonder op zijn route te letten, langs de eindeloze rijen boekenkasten, zo snel als hij maar kon. Hij wist niet zeker of hij werd gevolgd: het stampen van zijn eigen laarzen en het bonzen van het bloed in zijn oren maakten het hem onmogelijk te horen wat er achter zijn rug gebeurde.
Hij was nog maar net het trappenhuis in gerend en langs de betonnen treden naar beneden getuimeld, toen hem te binnen schoot dat hij zelfs niet wist op welke etage de ingang was waardoor ze in het boekendepot waren terechtgekomen. Hij kon natuurlijk helemaal tot de begane grond naar beneden gaan, het glas op de overloop stukslaan en door het raam op de binnenplaats springen… Artjom hield een seconde in om naar buiten te kijken.
Midden op de binnenplaats stonden, hun snuiten naar boven gericht, onbeweeglijk een paar grijze monsters tegelijk naar het raam te kijken – recht in zijn ogen, leek het wel. Artjom versteende, drukte zich tegen de zijwand en vervolgde zachtjes zijn afdaling. Nu hij niet langer met zijn laarzen over de trap denderde, werd hoorbaar hoe boven hem op het beton blote voeten stapten, almaar luider en luider. Toen verloor hij zijn laatste restje zelfbeheersing en stoof opnieuw hals over kop omlaag.
Artjom sprong de zoveelste overloop op en ging koortsachtig op zoek naar een bekende deur, vond die niet en stormde verder, verstarde en drukte zich in een donkere hoek als hij de indruk had dat hij dichtbij stappen hoorde, blikte vertwijfeld rond in uitgestorven en lage doorgangen en dook opnieuw naar de trap, om een verdieping lager te gaan of juist twee overlopen hoger – straks had hij iets over het hoofd gezien? – terwijl hij begreep dat hij met het duivelse lawaai waarmee hij wanhopig, vergeefs en zinloos probeerde een uitgang uit deze doolhof te vinden, alle monsters die de Bibliotheek bevolkten aantrok; maar hij was niet bij machte zichzelf tot kalmte te manen. Totdat hij voor de zoveelste keer op de terugweg naar het trappenhuis tot zijn ontzetting tegen de achtergrond van een kapotgeslagen raam een bekend halfgebogen silhouet opmerkte. Artjom deinsde terug en dook de eerste de beste doorgang in, drukte zijn rug tegen de muur, richtte de loop op de deur waarvandaan, dacht hij, de bibliothecaris moest opduiken, en hield de adem in.
Stilte.
Het monster durfde misschien niet alleen achter hem aan te gaan, of het wachtte tot Artjom een fout zou maken en uit zijn schuilplaats zou komen. Maar hij hoefde niet per se terug, de doorgang liep nog verder. Artjom dacht heel even na en begon zich toen te verwijderen van de deur, die hij wel voortdurend onder schot bleef houden.
De gang boog af, maar op dezelfde plek waar de bocht begon was een zwart gat, alles eromheen was bezaaid met baksteenscherven en verpulverde kalk. Artjom volgde zijn impuls, stapte naar binnen en stond in een kamer vol kapotte meubels. Op de vloer lagen overal stukken film. Voor zich zag hij een half geopende deur, waaruit een smalle streep bleek maanlicht op de grond viel. Artjom schuifelde behoedzaam over het verraderlijk krakende parket, bereikte de deur en keek.
Deze ruimte moest hij wel herkennen, al bevond hij zich nu aan de tegenoverliggende kant. Het imposante beeld van de lezende man, het onwaarschijnlijk hoge plafond en de reusachtige ramen, het pad dat leidde naar het barokke houten portaal van de uitgang, en de verwoeste rijen leestafeltjes aan de zijkanten – ongetwijfeld bevond hij zich in de Centrale Leeszaal. Hij stond op de nauwe galerij met de houten balustrade, die de zaal op vier meter hoogte omgaf. Vanaf deze galerij hadden de bibliothecarissen hen aangevallen. Het was volkomen onbegrijpelijk hoe hij hier had kunnen uitkomen vanuit het depot, en dan ook nog eens vanaf de andere kant, daarbij de route afsnijdend die hij en Danila op de heenweg waren gegaan. Maar hij had geen tijd om bij dit vraagstuk stil te staan. De bibliothecarissen konden hem op de hielen zitten.
Artjom rende omlaag langs een van de twee symmetrische trappen die naar het voetstuk van het standbeeld leidden, en toen op de deuren af. Dichtbij de bewerkte houten boog van de uitgang lagen verkrampt enkele lichamen van bibliothecarissen uitgestrekt, en toen Artjom de plaats van de schermutseling passeerde, viel hij bijna, doordat hij uitgleed in een plas half opgedroogd bloed. De zware deur gaf maar traag mee en meteen trof een fel wit licht zijn ogen.
Artjom herinnerde zich het voorschrift van Melnik, greep zijn eigen lantaarn in zijn rechterhand en beschreef daarmee snel drie keer een cirkel, ten teken dat hij met vreedzame bedoelingen was gekomen. De lichtbundel die hem had verblind ging meteen opzij en Artjom, met zijn machinegeweer op zijn rug om die vreedzame bedoelingen te onderstrepen, liep langzaam vooruit, naar de ronde kamer met de pilaren en de divan, zonder nog te weten wat hem daar te wachten stond.
De handmitrailleur stond op een uitgeklapte tweepoot op de vloer, terwijl Melnik over zijn maat gebogen zat. Nummer Tien leunde met gesloten ogen achterover op de divan en kreunde kort. Zijn rechterbeen was onnatuurlijk geknikt, en toen Artjom beter keek zag hij dat het gebroken was in de knie en niet naar achteren, maar naar voren gedraaid was. Hoe dat had kunnen gebeuren en over welke kracht degene moest beschikken die de kloeke stalker zo had kunnen toetakelen, kon hij zich niet voorstellen.
“Waar is je makker?” vroeg Melnik verwijtend aan Artjom, zich voor even losmakend van Nummer Tien.
“De bibliothecarissen... in het depot. Ze vielen aan,” probeerde Artjom uit te leggen. Om de een of andere reden voelde hij er niet voor om te vertellen dat hij Danila zelf had gedood, zij het ook uit mededogen.
“Heb je het boek gevonden?” vroeg de stalker even kortaf.
“Nee,” Artjom schudde zijn hoofd, “ik heb niets gehoord en niets gevoeld.”
“Help me even hem op te tillen. Of nee, neem liever zijn rugzak, en die van mij ook maar. Kijk eens hoe ze zijn been... Bijna helemaal afgerukt. Nu kunnen we hem alleen maar op de schouders nemen,” zei Melnik met een knikje naar Nummer Tien.
Artjom pakte de hele uitrusting bij elkaar: drie rugzakken, twee machinegeweren en de handmitrailleur, alles bij elkaar minstens dertig kilo, optillen was al geen sinecure. Melnik, die met moeite het verslapte lichaam van zijn maat op de schouders hees, kreeg het nog zwaarder, en zelfs de korte weg via de trap omlaag – naar de uitgang – kostte hun enkele lange minuten.
Bibliothecarissen zagen ze tot aan de deuren niet meer, maar toen Artjom de zware houten deuren openduwde om de kreunende stalker door te laten, klonk vanuit het duistere binnenste van het gebouw een krassend gehuil, vol haat en hunkering. Artjom voelde de rillingen opnieuw over zijn rug lopen en duwde snel de deur weer dicht. Nu ging het erom zo snel mogelijk bij de metro te komen.
“Ogen omlaag!” beval Melnik, zodra ze op straat waren. “De ster is nu recht voor je. Haal het niet in je kop boven de daken uit te kijken.”
Artjom zette met moeite het ene onwillige been voor het andere en staarde gehoorzaam naar de grond, met als enige wens zo snel mogelijk de onvoorstelbaar langgerekte tweehonderd meter van de Bibliotheek tot de ingang naar Borovsk achter zich te laten.
Maar de stalker liet Artjom de metro niet binnengaan.
“De Polis kom je nu niet meer in. Het boek heb je niet, en de begeleider die ze je hadden meegegeven ben je kwijtgeraakt,” zei Melnik hijgend, nadat hij zijn gewonde kameraad voorzichtig op de grond had laten zakken. “Dat gaan de brahmanen niet leuk vinden. En het ergste is, dat betekent dus dat je helemaal geen uitverkorene bent, zodat ze hun geheimen aan de verkeerde hebben toevertrouwd. Als je teruggaat naar de Polis, ben je binnen de kortste keren spoorloos verdwenen. Daar hebben ze zo hun mannetjes voor, intelligentsia of niet. En zelfs ik zal je niet kunnen beschermen. Je moet nu dus wegwezen. Het beste naar Smolensk. Dat is gewoon rechtdoor, er zijn daar weinig huizen, je hoeft geen zijstraatjes in. Misschien haal je het. Als je er voor zonsopgang bent.”
“Zonsopgang? Hoezo?” vroeg Artjom niet-begrijpend. De mededeling dat hij op eigen gelegenheid bovengronds een ander metrostation moest zien te bereiken, volgens de kaart zo’n twee kilometer ver, viel hem rauw op zijn dak.
“Mensen zijn nachtdieren, overdag kunnen ze beter niet boven de grond zijn. Er komt uit de ruïnes van alles naar buiten om zich lekker in de zon te warmen – je krijgt er goed spijt van als je daar je neus laat zien. En dan heb ik het nog niet eens over het licht: je bent in twee tellen blind, je zonnebril gaat je niet helpen.”
“Maar hoe kom ik daar in m’n eentje?” vroeg Artjom, die zijn oren nog steeds niet geloofde.
“Wees maar niet bang. Gewoon de hele tijd rechtdoor. Je komt uit op de Kalinin, die volg je zonder af te slaan. Niet midden op de weg lopen, maar ook niet te dicht langs de huizen, overal woont van alles. Je loopt totdat je bij de kruising met de tweede brede prospekt komt, dat is de Tuinring. Daar linksaf en rechtdoor tot het vierkante gebouw dat met lichte steen bekleed is. Vroeger was dat het Modehuis. Recht ertegenover, aan de andere kant van de Tuinring, staat een tamelijk hoog, half doorzichtig gebouw, een winkelcentrum, dus dat Modehuis vind je meteen. Erachter zie je zo’n gele boog met het opschrift ‘Metrostation Smolensk’. Daar ga je in, dan kom je op een klein plein, een soort binnenplaats, en daar zie je het eigenlijke station. Als alles rustig is, probeer je beneden te komen. Ze hebben daar een ingang openstaan die wordt bewaakt, dat doen ze voor hun eigen stalkers. Je klopt op de deur, zo: drie keer snel, twee keer langzaam, drie keer snel. Dan moeten ze opendoen. Zeg dat Melnik je heeft gestuurd, en wacht daar op me. Ik lever Nummer Tien af in de ziekenboeg en ga dan meteen jouw kant op. Voor twaalf uur ben ik er. Ik vind jou zelf wel. Hou die machinegeweren bij je, geen idee hoe alles uitpakt.”
“Maar op de kaart is er toch nog een ander station dichterbij... Arbat,” herinnerde Artjom zich de naam.
“Klopt. Maar daar kun je beter bij uit de buurt blijven. De lust vergaat je trouwens vanzelf. Als je erlangs komt, blijf je aan de andere kant van de straat, loop snel door, ga alleen niet rennen. Oké, genoeg, snel nu!” besloot hij en duwde Artjom naar de uitgang.
Artjom probeerde al niet meer tegen te sputteren. Hij gooide het ene machinegeweer over zijn schouder, bracht het andere in de aanslag, stapte weer naar buiten en liep haastig terug naar het standbeeld, waarbij hij met zijn rechterhand zijn ogen bedekte, om vooral niet per ongeluk het lokkende schijnsel van de sterren van het Kremlin te zien.