Hoofdstuk 7
Het khanaat van de duisternis
Hij was inderdaad helemaal leeg en schoon, deze tunnel. Een droge bodem, een briesje dat aangenaam in het gezicht woei, geen rat te bekennen, geen verdachte aftakkingen of zwart gapende opslagruimten, alleen in de wanden hier en daar de afgesloten deur van een dienstruimte – in deze tunnel zou je misschien wel niet slechter kunnen wonen dan op welk station ook. Deze volstrekt onnatuurlijke rust en reinheid hadden niets angstaanjagends, en verjoegen bovendien in een oogwenk alle angsten die mensen hier mee naartoe namen. De legenden over mensen die hier waren verdwenen, leken op slag domme verzinsels, en Artjom ging er al aan twijfelen of de dolzinnige scène met die ongelukkige wel was voorgevallen; misschien had hij het slechts gedroomd terwijl hij lag te dommelen op een stuk zeildoek voor het vuur van de zwervende filosoof.
Hij sloot de optocht, samen met Khan, die bang was dat de mensen een voor een zouden achterblijven, en dan zou – zei hij – niemand Oude Stad halen. Nu stapte hij soepel naast Artjom voort, de kalmte zelf, alsof er niets was voorgevallen, en de scherpe vouwen die zijn gezicht tijdens de schermutseling op Soecharev nog leken te doorsnijden, waren nu gladgestreken. De storm was gaan liggen en Artjom had weer de wijze en beheerste Khan voor zich, niet de furieuze grijze wolf. Maar de omgekeerde transformatie zou zich in een paar tellen kunnen voltrekken, en Artjom voelde dat.
Hij begreep dat hij niet snel, en misschien wel nooit meer, een tweede kans zou krijgen om de sluier rond enkele van de geheimen van de metro op te lichten, en kon het niet nalaten te vragen:
“Begrijpt u wat er gebeurt in deze tunnel?”
“Dat weet niemand, ik ook niet,” antwoordde Khan weinig toeschietelijk. “Ja, er zijn dingen waar zelfs ik helemaal niets van weet. Het enige dat ik je kan zeggen, dat is dat van die afgrond. Als ik met mezelf praat, noem ik die plaats het zwarte gat. Jij zult wel nooit de sterren hebben gezien, zeker? Wat zeg je, toch wel? En je weet iets over de kosmos? Wel, een ster die ten onder gaat kan zo’n gat vormen, als ze onder de inwerking van haar eigen onmetelijk grote zwaartekracht zichzelf begint te verslinden, materie van haar oppervlak naar binnen zuigt, haar kern in, en steeds kleiner wordt, steeds dichter en zwaarder. En hoe dichter ze wordt, des te groter wordt haar zwaartekracht. Dit proces is onomkeerbaar en lijkt op een sneeuwlawine: naarmate de zwaartekracht toeneemt, wordt een steeds grotere hoeveelheid materie sterker en sterker naar de kern van dit monster getrokken. In een bepaald stadium wordt de kracht ervan zo groot, dat ze haar buren en alle materie binnen haar invloedssfeer en ten slotte zelfs de lichtgolven naar zich toe begint te trekken. Een kolossale kracht stelt haar in staat andere zonnen op te vreten, en de ruimte rondom haar wordt doods en zwart – niets wat in haar macht komt, kan zich eraan ontrukken. Dit is een ster van duisternis, een zwarte zon, die slechts kou en donkerte om zich heen verspreidt,” en hij zweeg om te luisteren waar degenen die voor hen liepen, over praatten.
“Maar wat is het verband met de tunnel?” kon Artjom zich na vijf minuten stilte niet meer inhouden.
“Weet je, ik beschik over de gave van de vooruitziende blik. Soms is het mij vergund in de toekomst of in het verleden te blikken, of mij in gedachten naar andere plekken te verplaatsen. Het komt voor dat iets onduidelijk is, voor mij verborgen, ik kan bijvoorbeeld niet te weten komen hoe jouw tocht zal aflopen, en je hele toekomst is sowieso voor mij een raadsel. Het voelt alsof je door troebel water kijkt en nergens wijs uit kunt worden. Maar als ik probeer met mijn blik door te dringen in wat er hier gebeurd is of de aard van deze plek te peilen, blijft alles zwart voor me, de lichtstraal van mijn gedachte keert niet terug uit de absolute duisternis van deze tunnel. Daarom noem ik hem een zwart gat, wanneer ik met mezelf in gesprek ben. En dat is alles wat ik je over hem kan vertellen,” hij zweeg, maar voegde al na een paar ogenblikken onduidelijk toe: “En het is vanwege hem dat ik hier ben.”
“Het is u dus niet bekend waarom de tunnel tijden lang helemaal veilig is, maar soms degenen opslokt die er doorheen gaan? En waarom eenzame reizigers?”
“Mij is daarover niet meer bekend dan jou, hoewel ik nu al bijna drie jaar probeer dit geheim te ontraadselen. Alles tevergeefs.”
De echo droeg hun stappen ver weg. De lucht was hier welhaast doorzichtig, je kon verbazingwekkend makkelijk ademhalen, het donker had niet angstaanjagends. En zelfs de woorden van Khan maakten hem niet bang of bezorgd, zodat bij Artjom de gedachte opkwam dat zijn metgezel zo neerslachtig was, niet vanwege de geheimen en gevaren van deze tunnel maar doordat zijn zoektocht zo vruchteloos was. Zijn bezorgdheid kwam Artjom bedacht en zelfs lachwekkend voor. Neem nu dit baanvak, er stak geen enkele dreiging in, het was recht en leeg. In zijn hoofd begon zelfs een of ander opgewekt deuntje te spelen, dat er kennelijk ook uitglipte zonder dat hij het zelf merkte, want Khan keek opeens met een lachje naar hem en vroeg:
“De stemming zit er wel in, hè? Fijn is het hier, nietwaar? Zo stil, zo schoon, toch?”
“Nou!” beaamde Artjom blij.
En hij voelde zich licht en vrij worden van binnen, omdat Khan zijn stemming kon begrijpen en navoelen. Omdat ook hij nu glimlachend verder liep, en niet doorsomberde in zijn eigen zwaarmoedige gedachten, omdat ook hij deze tunnel nu vertrouwde.
“Knijp nu eens je ogen halfdicht, dan neem ik je bij de hand, zodat je niet struikelt. Zie je iets?” vroeg Khan belangstellend, terwijl hij Artjoms pols zacht samendrukte.
“Nee, ik zie niets, alleen een beetje licht van de lantaarns door mijn wimpers,” zei Artjom, die gehoorzaam zijn ogen dichtgeknepen had, een beetje teleurgesteld, maar plotseling slaakte hij een zachte kreet.
“Zo, je hebt het door!” merkte Khan tevreden op. “Mooi hè?”
“Geweldig. Dat is alsof... Geen plafond, en alles zo donkerblauw... Mijn god, wat prachtig! En zoals je hier kunt ademhalen!”
“Dat, mijn vriend, is de hemel. Interessant, nietwaar? Als ze hier in de juiste stemming hun ogen dichtdoen en zich ontspannen, kunnen velen hem zien. Vreemd, natuurlijk, dat beaam ik. Zelfs zij die nog nooit aan de oppervlakte zijn geweest. En een gevoel, alsof je boven bent gekomen... nog voordat.”
“En u? Ziet u het?” vroeg Artjom verzaligd, zonder zijn ogen weer te willen openen.
“Nee,” zei Khan mistroostig. “Bijna iedereen ziet het, maar ik niet. Alleen de dikke, o zo heldere duisternis rond de tunnel, als je begrijpt wat ik bedoel. Alles boven, onder en opzij is zwart, alleeneen dun draadje van licht loopt langs de tunnel, en daar klampen we ons aan vast wanneer we door de doolhof lopen. Misschien ben ik blind. Misschien zijn alle anderen blind. Maar goed, doe je ogen open, ik ben geen blindengeleider en ben niet van plan je aan je hand naar Oude Stad te brengen,” en hij liet Artjoms pols los.
Artjom probeerde door te lopen met dichtgeknepen ogen, maar bleef achter een biels haken en klapte bijna met zijn hele vrachtje tegen de grond. Toen opende hij met tegenzin zijn ogen. Nog een tijdje liep hij dommig voor zich uit te grijnzen.
“Wat was dat?” vroeg hij ten slotte.
“Fantasieën. Dromerijen. Een stemming. Alles bij elkaar,” antwoordde Khan. “Maar het is zo wisselvallig. Het is niet jouw stemming en het zijn niet jouw dromerijen. We zijn hier met velen, en vooralsnog gaat er niets mis, maar deze stemming kan helemaal omslaan en jij gaat dat nog voelen. Kijk eens, we zijn al bij Toergenjev! Dat hebben we snel gedaan. Maar we kunnen in geen geval halt houden, zelfs niet voor een korte rustpauze. De mensen zullen allicht om een adempauze vragen, maar niet iedereen voelt de tunnel aan. De meesten hebben zelfs geen gevoel voor datgene waar jij inmiddels toegang toe hebt. Wij moeten verder, ook al wordt het vanaf nu alleen maar zwaarder.”
Ze stapten het station op. Het lichtgekleurde marmer waarmee de wanden waren bekleed, verschilde bijna niet van dat op Vredesprospekt en Soecharev, maar daar waren de wanden en het plafond zo sterk beroet en bevuild, dat je het steen bijna niet kon zien. Hier toonde het zich in al zijn schoonheid, en was het moeilijk de ogen ervan af te houden. De mensen waren hier zo lang geleden weggegaan, dat er geen spoor van hun verblijf meer over was. Het station was in een verbazend goede staat, alsof het nooit onder water had gestaan en geen branden had gekend; en als de ondoordringbare duisternis en de laag stof op vloer, bankjes en wanden er niet waren geweest, had je kunnen denken dat er elk moment een stroom passagiers doorheen kon gutsen of, na een melodieus waarschuwingssignaal voor de wachtenden, een trein zou binnenrijden. In al die jaren was er bijna niets veranderd. Artjoms pleegvader had hem er nog van verteld met verbazing en bewondering.
Er waren geen rijen pijlers op Toergenjev. De lage bogen waren op grote afstand van elkaar in het dikke marmer van de wanden uitgehakt. De lantaarns van het konvooi waren niet krachtig genoeg om het duister van de hal te verstrooien en de tegenoverliggende wand te verlichten, zodat de indruk ontstond dat er achter die bogen helemaal niets was, alleen een zwarte leegte, alsof je op het uiterste randje van het heelal stond, aan de afgrond waarachter het heelal ophield.
Ze lieten het station tamelijk snel achter zich en er meldde zich, anders dan Khan had gevreesd, niemand die wilde stoppen voor een korte rustpauze. De mensen zagen er zorgelijk uit en zeiden steeds vaker dat ze zo snel mogelijk door moesten, naar de bewoonde wereld.
“Voel je hoe de stemming verandert?” merkte Khan op, terwijl hij een vinger opstak alsof hij de windrichting wilde bepalen. “We moeten inderdaad snel verder, dat voelen zij met hun huid niet slechter dan ik met al die mystiek van mij. Maar toch heb ik er ergens moeite mee dat we onze weg zo vervolgen. Wacht hier even.”
Hij haalde voorzichtig uit zijn binnenzak de kaart die hij de Gids had genoemd, beval de anderen stil te blijven staan, doofde om de een of andere reden zijn lantaarn, zette een paar lange soepele stappen en verdween in het donker.
Toen hij weg was, maakte zich van het groepje mensen dat vooraan stond iemand los die langzaam, schijnbaar met de grootste moeite, op Artjom afkwam en, zo schuchter dat die zelfs niet meteen de potige brutale baardmans herkende die hen op Soecharev had bedreigd, tegen hem zei:
“Luister eens, jongen, het is niet goed dat we hier zo staan. Zeg tegen hem dat we bang zijn. We zijn natuurlijk met veel, maar je weet maar nooit. Deze tunnel is vervloekt, en dat station is vervloekt. Zeg hem dat we moeten gaan. Hoor je? Zeg het hem. Alsjeblieft,” en hij wendde zijn blik af en haastte zich terug.
Dit laatste ‘alsjeblieft’ liet Artjom pas echt schrikken, het kwam als een onaangename verrassing. Hij deed een paar stappen naar voren om dichter bij de groep te zijn en te horen waar ze over praatten, en besefte opeens dat van zijn eerdere vrolijke stemming geen spoor meer over was.
In zijn hoofd, waar een klein orkestje zojuist nog met bravoure zijn marsen speelde, was het nu deprimerend leeg en stil, er was alleen de weerklank te horen van de wind die mismoedig jankte in de voor hen liggende tunnels. Artjom viel stil. Heel zijn wezen verstijfde in de drukkende afwachting van iets, met een voorgevoel van onbepaalde, maar onafwendbare veranderingen. En niet voor niets. In een fractie van een seconde schoot een onzichtbare schaduw razendsnel over hem heen, kou en onbehagen overvielen hem, en weg was het gevoel van rust en vertrouwen dat hem zo volkomen had beheerst toen ze de tunnel instapten. Artjom moest meteen denken aan wat Khan had gezegd, dat het niet zíjn stemming was, niet zíjn blijdschap, en dat een verandering van de toestand niet van hem afhing. Nerveus begon hij met het lichtstraaltje om zich heen te tasten: hij had opeens de deprimerende gewaarwording dat er een vreemde in de buurt was. Het bestofte witte marmer lichtte dof op, en het dichte zwarte voorhangsel achter de bogen week niet terug, ondanks het paniekerige gezwaai van de lichtbundel, zodat de illusie dat achter de bogen de wereld ophield er alleen maar sterker op werd. Artjom hield het niet meer uit en stormde bijna op de anderen af.
“Kom er maar bij, knul, kom maar,” zie iemand wiens gezicht hij niet kon onderscheiden. Ook zij probeerden kennelijk hun batterijen te ontzien. “Niet bang zijn. Jij bent een mens, en wij zijn mensen. Als er zoiets gebeurt, moeten de mensen één zijn. Voel jij ook...?”
Artjom erkende maar al te graag dat er iets in de lucht hing en begon, van angst opeens ongewoon praatziek, gretig met de mensen uit het konvooi te bediscussiëren wat ze samen doormaakten, maar zijn gedachten bleven onderwijl terugkeren naar de vraag waar Khan gebleven was en waarom er al meer dan tien minuten niets van hem te bekennen was. Hij wist zelf immers uitstekend, en had Artjom ook gezegd, dat niemand in zijn eentje in deze tunnels moest rondlopen, altijd alleen samen, dat was de enige redding. Waarom had hij zich van hen afgezonderd, hoe had hij het aangedurfd de ongeschreven wet van deze plaats te negeren? Was hij die soms zomaar vergeten, of vertrouwde hij misschien op zijn wolveninstinct? Het eerste kon Artjom niet echt geloven, Khan had immers laten vallen dat hij drie jaar van zijn leven had besteed aan het bestuderen en observeren van deze vreemde plek. En één keer was toch voldoende om je de enige regel – bij elkaar blijven – in te prenten, en om ziek te worden van angst bij het idee alleen een tunnel in te stappen.
Maar Artjom had nog geen tijd gehad om te overdenken wat er daar vóór hen met zijn beschermer kon zijn gebeurd, toen deze geluidloos vlak bij hem opdook. De mensen leefden op.
“Ze willen hier niet langer blijven staan. Ze zijn bang. Laten we snel verder gaan,” zei Artjom. Ik voel me hier ook een beetje...”
“Ze zijn nog niet bang,” verzekerde Khan hem, terwijl hij omkeek, en Artjom had het idee dat zijn vaste, hese stem beefde, toen hij vervolgde: “Jij weet ook nog niet wat angst is, stop dus met dat gezwets. Ik ben bang. En onthoud dat ik zulke woorden niet zomaar gebruik. Ik ben bang, omdat ik daar diep in het duister voorbij het station ben geweest. De Gids liet me geen volgende stap doen, anders zou ik onherroepelijk zijn verdwenen. We kunnen niet verder. Daar verbergt zich iets. Maar het is donker daar, mijn blik dringt niet door tot de diepte, en ik weet niet wat ons daar precies te wachten staat. Kijk hier!” hij bracht met een snelle beweging de kaart bij zijn ogen, “zie je dit? Kom dan hier met dat licht! Kijk naar het baanvak van hier naar Oude Stad! Zie je dan echt niets?”
Artjom bestudeerde het minuscule traject op de plattegrond zo ingespannen, dat zijn ogen er pijn van deden. Hij kon niets ongewoons constateren, maar had niet de moed om dat aan Khan te bekennen.
“Blind ben je! Zie dan werkelijk niets? Hij is toch helemaal zwart! Dat is de dood!” fluisterde Khan, en griste de kaart weg.
Artjom gluurde behoedzaam naar hem. Opnieuw had hij de indruk dat Khan waanzinnig was. Hij moest denken aan het broodje- aap-verhaal van Zjenka over de man die het had gewaagd in z’n eentje een tunnel in te gaan, die dat desondanks had overleefd, maar van schrik gek was geworden. Zou dat niet ook met Khan kunnen gebeurd kunnen zijn?
“Maar we kunnen al niet meer terug!” fluisterde Khan. “We hebben daar doorheen kunnen komen op een moment dat de atmosfeer ons welgezind was. Maar nu klontert daar de duisternis samen en is er een storm op komst. Het enige dat wij nu kunnen doen, is voortgaan, alleen niet door deze tunnel, maar door de parallelle. Misschien is die vooralsnog vrij. “Hé!” riep hij naar de anderen. “Jullie hebben gelijk! We moeten verder. Maar we zullen niet langs deze route kunnen. Daar vóór ons wacht ons de ondergang.”
“En hoe gaan we dan?” vroeg iemand niet-begrijpend.
“We gaan via het station en nemen dan de parallelle tunnel – dat moeten we doen. En zo snel mogelijk!”
“O nee!”, sputterde onverwachts iemand uit de groep tegen. “Iedereen weet toch dat het niet goed afloopt als je de tegenoverliggende tunnel neemt terwijl je eigen tunnel vrij is, dat wordt je dood! We gaan niet via de linker!”
Enkele stemmen vielen hem bij. De groep bleef waar ze was.
“Waar heeft hij het over?” vroeg Artjom verbaasd aan Khan.
“Plaatselijke folklore, kennelijk,” zei Khan, met een ontevreden frons. “Duivels! We hebben helemaal geen tijd om ze om te praten, en ik heb er ook de kracht niet meer voor. Luister!” zei hij tegen hen “Ik neem de paralleltunnel. Wie mij vertrouwt kan met me mee. Van de anderen neem ik afscheid. Voor altijd. We gaan!” wierp hij Artjom toe, en nadat hij eerst zijn rugzak naar boven had gegooid klom hij, zich moeizaam aan zijn armen optrekkend, op de rand van het perron.
Artjom bleef besluiteloos staan. Aan de ene kant ging wat Khan van deze tunnels en de metro in het algemeen wist, het menselijk voorstellingsvermogen te boven, en kon hij ogenschijnlijk op hem vertrouwen. Aan de andere kant, gold hier niet die onweerlegbare wet van de vervloekte tunnels – met zo veel mogelijk mensen gaan, omdat je alleen dan kon hopen de tocht tot een goed einde te brengen?
“Nou, waar blijf je? Heb je het zwaar? Geef me je hand!” Khan hurkte op een knie en stak hem van bovenaf zijn hand toe.
Artjom wilde nu alles liever dan hem in de ogen kijken, hij was bang in zijn blik die eerdere vonken van waanzin op te merken, die van tijd tot tijd opflitsten en die hem elke keer weer de schrik om het hart deden slaan. Begreep Khan wat hij deed, nu hij niet alleen iedereen in deze groep, maar ook de natuur van de tunnels uitdaagde? Had hij deze natuur voldoende doorgrond, had hij er gevoel voor? Het traject dat hij op het lijnenkaartje had aangewezen, op de Gids, was niet zwart. Artjom had er een eed op kunnen doen dat het bleek oranje was, net als de rest van de lijn. Maar de grote vraag was dan ook: wie was er eigenlijk blind?
“Nou! Wat sta je treuzelen? Begrijp je dan niet dat elke vertraging onze dood kan betekenen! Hand! Godverdomme, hier met die hand!” schreeuwde Khan nu, maar Artjom, nog steeds op de bodem, verwijderde zich langzaam, met korte stapjes van het perron, verder en verder van Khan weg, dichter en dichter bij de sputterende groep.
“Kom op knul, ga met ons mee, geef je niet af met die knuppel, als je leven je lief is!” was uit die richting te horen.
“Stommeling! Je zult met ze creperen, allemaal! Als je leven je geen cent meer waard is, denk dan tenminste aan je missie!” vlogen de woorden van Khan daartegenin.
Eindelijk durfde Artjom zijn hoofd op te heffen en Khan recht in diens wijd opengesperde pupillen te kijken, maar daarin was zelfs geen uitgedoofd kooltje van waanzin te ontdekken, alleen wanhoop en dodelijke vermoeidheid. Hij begon te twijfelen en stond weer stil, maar op dat moment legde iemand een hand op zijn schouder en trok hem zachtjes achter zich aan.
“Kom mee! Laat hem alleen de pijp uitgaan, hij wil alleen maar jou met zich mee de dood in trekken!” hoorde Artjom. De betekenis van deze woorden drong maar moeizaam tot hem door, en na een moment van verzet liet hij zich meevoeren, achter de anderen aan.
De groep kwam in beweging en stapte de donkerte van de zuidtunnel in. Ze liepen verbazend langzaam, alsof ze de tegenstand van een dicht medium moesten overwinnen, alsof ze zich voortbewogen door water.
En toen was daar Khan, met onverwacht gemak losgekomen van de grond, na een razendsnelle sprong opeens op de rails, in twee reuzenstappen had hij de afstand achter zich die ze al hadden weten af te leggen, waarna hij met een ferme klap de man neersloeg die Artjom vasthield, hemzelf rond zijn middel beetpakte en terugstormde. Artjom had het gevoel dat alles vreemd vertraagd gebeurde. De sprong van Khan bezag hij over zijn schouder met stomme verwondering, zijn vlucht rekte zich naar zijn idee secondelang uit. Met dezelfde doffe verdwazing zag hij hoe de besnorde man in z’n zeildoeken jack die hem met zachte drang aan de schouder achter de groep aan had meegevoerd, traag en zwaar tegen de grond ging.
Maar vanaf het moment dat Khan hem vastgreep versnelde de tijd weer, de reactie van de anderen op wat er gebeurde, toen zij zich op het geluid van de klap omdraaiden, leek hem welhaast bliksemsnel. Ze deden hun eerste stappen in de richting van Khan, geweerlopen kwamen omhoog, en Khan week zijdelings soepel terug, waarbij hij Artjom, die zich nog steeds in een staat van apathie bevond, met één hand tegen zich aandrukte en met zijn eigen lichaam afdekte. In de uitgestoken andere hand van Khan wiegde lichtjes het dofglanzende nieuwe machinegeweer van Artjom.
“Ga weg jullie,” stiet Khan hees uit. “Ik zie er de zin niet van in jullie te doden, jullie sterven toch wel in minder dan een uur. Laat ons. Ga weg jullie,” zei hij, zich stap voor stap terugtrekkend naar het midden van het station, zolang de figuren van de mensen, verstijfd in hun besluiteloosheid, niet waren veranderd in vage silhouetten en begonnen te versmelten met de duisternis.
Er was gestommel te horen, waarschijnlijk hielpen ze de snorremans omhoog die door Khan knock-out was geslagen, en de groep begon te bewegen in de richting van de ingang van de zuidtunnel – ze hadden besloten het erbij te laten zitten. Pas toen liet Khan het machinegeweer zakken en beval Artjom bits het perron op te klimmen.
“Nog even en ik ben het zat om je te moeten redden, jonge vriend,” siste hij met onverholen ergernis.
Artjom klom gehoorzaam omhoog, Khan volgde hem. Hij pakte zijn spullen op en stapte de zwarte opening in, Artjom achter zich aan trekkend.
De hal op Toergenjev was heel kort. Links liep hij dood tegen een marmeren wand, aan de andere kant werd hij, voor zover dat in het licht van de lantaarns te zien was, afgesloten door een sluisdeur van ijzeren golfplaat. Het mettertijd ietwat vergeelde marmer bedekte het hele station, alleen waren de drie brede bogen die leidden naar de trappen van de doorgang naar wat vroeger Schone Vijvers heette en vervolgens door de roden was omgedoopt in Kirov, dichtgemetseld met grove grijze betonblokken. Het station was volkomen leeg, op de vloer lag niets, er was geen spoor van mensen te zien en ratten of kakkerlakken waren nergens te bekennen. Terwijl Artjom rondkeek, moest hij denken aan zijn gesprek met Bourbon, die beweerde dat je van ratten niets te vrezen had, en dat als ergens geen ratten waren het er niet pluis was.
Khan pakte hem bij de schouder en stak in gezwinde pas de hal over, waarbij Artjom zelfs door zijn jack heen voelde dat de hand van Khan beefde, alsof de rillingen door hem heen liepen. Toen ze hun vrachtje lieten zakken op de rand van het perron, klaar om op de rails te springen, werden ze opeens in de rug geraakt door een zwakke lichtbundel, en Artjom verbaasde zich opnieuw over de snelheid waarmee zijn reisgenoot reageerde op gevaar. Binnen enkele ogenblikken lag Khan plat op de grond met de lichtbron onder schot. De lantaarn was niet krachtig maar scheen hun recht in de ogen en het was moeilijk vast te stellen wie er achter hen aan was gekomen. Met een kleine vertraging viel ook Artjom als een zoutzak op de grond. Hij tijgerde naar de rugzakken en begon uit een ervan zijn oude wapen los te peuteren. Dat mocht dan wel een ongemakkelijk joekel zijn, maar het maakte onberispelijk gaatjes van kaliber 7,62mm, en een knappe jongen die kon blijven functioneren met zulke openingen in zijn bast.
“Wat moet je?” bulderde de stem van Khan, en Artjom kon nog net bedenken dat als ze hen hadden willen doden, ze dat waarschijnlijk al lang zouden hebben gedaan.
Hij kon zich tamelijk helder voorstellen hoe hij eruit zou zien: hulpeloos stuiptrekkend op de vloer, in het licht van een lantaarn en het kruis van een vizier, zinloos kronkelend als een slak onder een neerkomende laars. Ja, als ze hem hadden willen doden, zou hij nu al in een plas liggen, zonder zijn machinegeweer ook maar te hebben kunnen losmaken.
“Niet schieten!” klonk een stem. “Niet doen.”
“Doe dat licht weg!” commandeerde Khan, van de vertraging gebruik makend door zich achter de pijler te verbergen en zijn eigen lantaarn te pakken.
Artjom slaagde er eindelijk in het touwtje los te trekken. Hij pakte de handgreep stevig beet, liet zich op zijn zij rollen om buiten schootsveld te komen en verborg zich onder een van de bogen. Nu was hij klaar om naast de onbekende op te duiken en hem met een salvo uit te schakelen, mocht die als eerste gaan schieten.
Maar de gast had kennelijk ingebonden, want er volgde meteen een nieuw bevel van Khan, dat al op een minder gespannen toon werd gegeven:
“Goed! En nu dat wapen op de grond, en snel!”
Het ijzer kletterde op de granieten vloer, Artjom kroop met de loop naar voren gericht opzij en was al in de hal. Zijn berekening was juist geweest – op vijftien pas voor hem, verlicht door een krachtige bundel van onder de bogen (Khan had het initiatief overgenomen), stond met zijn handen omhoog diezelfde baardmans met we ze op Soecharev klop hadden gehad.
“Niet schieten,” vroeg de man nogmaals met trillende stem. “Ik was niet van plan jullie aan te vallen. Laat me alsjeblieft met jullie meegaan. Jullie hebben toch gezegd, dat iedereen die wilde zich bij jullie mocht aansluiten. Ik... Ik vertrouw jou,” zei hij tegen Khan. “Ik heb ook het gevoel dat daar iets is, in het rechterbaanvak. Ze zijn al weg, ze zijn allemaal weg. Ik ben gebleven, ik wil het met jullie proberen.”
“Geen slecht gevoel van jou,” zei Khan goedkeurend, met een onderzoekende blik op het mannetje. “Maar ik kan niet zeggen, beste vriend, dat ik je vertrouw. Wie weet waar we dit aan te danken hebben,” voegde hij met een lachje toe. “Maar goed, we zullen je voorstel overwegen. Onder voorwaarde dat je je hele arsenaal nu meteen aan mij afgeeft. In de tunnel loop je voor ons uit. Als je een stommiteit uithaalt, loopt dat zeker niet goed voor je af.”
De baardmans schopte met zijn voet zijn pistool, dat op de grond lang, in Khans richting, en legde naast zich voorzichtig een paar reservemagazijnen neer. Artjom stond op en liep op hem af, zijn wapen op hem gericht houdend.
“Ik heb hem!” riep hij.
“Handen omhoog houden en naar voren!”, dreunde Khan. “Snel, spring op de rails. Staan blijven daar, met je rug naar ons toe!”
Een minuut of twee nadat ze tunnel waren ingegaan, toen ze al in een stabiele driehoeksformatie voortstapten – de baardmans, die Troef heette, zo’n vijf stappen vooruit, Khan met Artjom achter hem aan –, er stevig de pas in hadden en goede vooruitgang boekten, was opeens van rechts dwars door vele meters aarde heen een gesmoorde kreet te horen. Hij brak net zo onverwachts af als hij was opgeklonken. Troef keek geschrokken naar hen om en vergat zelfs de lichtbundel opzij te draaien. De lantaarn sprong in zijn handen op en neer en zijn gezicht, van onderaf belicht en vertrokken tot een angstige grimas, trof Artjom zelfs sterker dan de schreeuw die ze hadden gehoord.
“Ja,” knikte Khan in antwoord op een niet hardop gestelde vraag. “De anderen hebben zich vergist. Al kunnen ook wij nog niet zeggen of wij wel gelijk hadden.”
Ze spoedden zich voort. Artjom wierp af en toe een blik op zijn beschermer en merkte daarbij steeds meer tekenen van vermoeidheid op: de fijne trilling in de handen, de ongelijke pas, het zweet dat zich in grote druppels op diens gezicht verzamelde. En toch waren ze nog niet zo lang op weg. Deze weg was overduidelijk veel vermoeiender voor hem dan voor Artjom. Als hij bedacht waar zijn metgezel zijn krachten aan besteedde, kon de jongen er niet omheen dat Khan in deze situatie het gelijk aan zijn kant had, dat hij hem had gered. Had Artjom zich laten meevoeren met het konvooi, dan zou hij op mysterieuze wijze in de rechtertunnel zijn opgelost, onherroepelijk zijn omgekomen, spoorloos zijn verdwenen.
En ze waren daar nog wel met velen – met zes of zoiets. Had de ijzeren regel niet gewerkt? En Khan had het geweten! Ofwel hij had het voorvoeld, ofwel de magische Gids had hem dit werkelijk ingefluisterd. Het was haast lachwekkend, zo’n stukje papier met wat kleurtjes. Had zoiets onbenulligs hen werkelijk kunnen helpen? Dat baanvak, tussen Toergenjev en Oude Stad, dat was toch zeker oranje geweest, waar of niet? Of toch zwart?
“Wat is dat?” vroeg Troef, die opeens was gestopt en onrustig naar Khan keek.
“Voel je dat? Achter ons.”
Artjom staarde hem vol onbegrip aan en wilde al een sarcastisch commentaar over krakkemikkige zenuwen ten beste geven, omdat hijzelf helemaal niets voelde. Zelfs dat drukkende gevoel van mismoedigheid en gevaar, dat op Toergenjev over hem was gekomen, had hem nu losgelaten. Maar Khan stond tot zijn verbazing stokstijf stil, gebaarde dat ze geen geluid moesten maken, en draaide zich toen om naar waar ze vandaan kwamen.
“Wat een gevoeligheid!” zei hij na een halve minuut waarderend. “Wij zijn opgetogen. De koningin is uitermate verheugd,” voegde hij er om de een of andere reden aan toe. “We moeten zeker eens wat uitgebreider met elkaar praten, als we hier eenmaal vandaan zijn. Hoor je niets?” informeerde hij bij Artjom.
“Nee, volgens mij is het stil,” antwoordde die, na geluisterd te hebben. Op dat moment kwam er iets in hem naar boven... Was het jaloezie? Was hij gekwetst? Wrevelig, dat zijn beschermer zich zo had uitgelaten over die ongelikte baardaap die een paar uur geleden hen beiden nog bijna om zeep had geholpen? Niet te geloven.
“Vreemd. Ik had de indruk dat jij al begon te leren hoe je naar de tunnels moet luisteren. Misschien heb je het nog niet helemaal door? Dat komt dan wel, dat komt wel. Dat komt allemaal wel,” zei Khan hoofdschuddend. “Je hebt gelijk,” zei hij bevestigend tegen Troef. “Het komt onze kant op. We moeten wegwezen, en snel ook,” hij luisterde en trok, precies als een wolf, gealarmeerd zijn neus op. “Het rolt achter ons aan als een golf. Rennen! Als het over ons heen komt, is het afgelopen,” besloot hij, en hij sprong vooruit.
Artjom moest achter hem aan stormen en bijna rennen om niet achter te blijven. De baardmans liep nu gelijk met hen op, dribbelend met zijn korte beentjes en zwaar ademend.
Zo liepen ze een minuut of tien, en al die tijd kon Artjom maar niet begrijpen waarom ze zo’n haast maakten, buiten adem en struikelend over de bielzen, als de tunnel achter hen leeg en stil was en niets erop wees dat ze werden achtervolgd. Er gingen nog weer tien minuten voorbij voordat hij Het voelde. Het zat hen inderdaad op de hielen, het joeg achter hen aan, stap na stap, iets zwarts, geen golf maar veeleer een windvlaag, een zwarte windvlaag die leegte verspreidde… En als ze dit niet voor zouden blijven, als dit iets hun kleine brigade zou bereiken, dan stond hun hetzelfde te wachten als wat die zes was overkomen en al die andere waaghalzen en stommelingen die de tunnels in waren gegaan in hun eentje of op een fataal tijdstip, wanneer daar duivelse orkanen woedden die alles wat leefde wegvaagden. Allerlei voorgevoelens, vage vermoedens van wat hier aan de hand was, schoten Artjom bliksemsnel door het hoofd, en hij keek gealarmeerd naar Khan. Die ving zijn blik op en begreep alles.
“En, heb je het nu door?” hijgde hij. “Het staat er slecht voor! Het is dus al heel dichtbij.”
“Sneller!” zei Artjom schor, in looppas. “We zijn nog niet te laat!”
Khan versnelde zijn pas en liep nu op een stevige draf, hij zweeg en antwoordde niet meer op Artjoms vragen. De vermoeidheid die de jongen meende te hebben opgemerkt, was nu totaal niet meer aan de man af te zien, en opnieuw kreeg hij in een flits iets dierlijks over zich. Om hem te kunnen bijhouden moest Artjom gaan rennen, maar hij had nog maar net het gevoel dat het hun eindelijk zou lukken te ontsnappen aan wat hen zo onverbiddelijk achtervolgde, of Troef bleef met zijn schoen achter een biels haken en sloeg als een blok tegen de grond, waarbij hij zijn gezicht en handen tot bloedens toe openhaalde.
In hun vaart waren ze al zo’n tien stappen vooruit toen Artjom, die al had gemerkt dat de baardmans was gevallen, zich erop betrapte dat hij niet wilde stoppen en teruggaan, maar hem aan zijn vervloekte lot wilde overlaten, die kortbenige slijmerd met zijn hele wonderbaarlijke intuïtie, om verder te rennen zolang ze zelf niet overspoeld werden.
Hij walgde meteen van deze gedachte, maar Artjoms weerzin tegen Troef, die dof kreunend op de rails lag uitgestrekt, werd onverwachts zo groot dat de stem van zijn geweten geheel verstomde. Hij voelde zelfs een zekere teleurstelling toen Khan terugrende en met een flinke ruk de baardmans weer op de been trok. Artjom had heimelijk gehoopt dat Khan, die voor het leven van anderen minstens zo veel geringschatting wist op te brengen als voor hun dood, niet zou aarzelen en hem in de tunnel zou laten liggen als een stuk ballast, en dat ze zouden doorrennen.
Khan beval Artjom, met een stem die geen insubordinatie duldde, de kreupele Troef bij diens ene arm te nemen, nam hem zelf bij de andere en trok hen beiden mee. Rennen was nu veel moeilijker geworden. De baardmans kreunde en knarsetandde van de pijn bij iedere stap, maar Artjom voelde niets voor hem dan een toenemende ergernis. Het lange zware machinegeweer sloeg pijnlijk tegen zijn benen en hij had geen hand vrij om het vast te houden. Het drukkende besef dat zijn tijd voorbij was riep al geen angst voor het zwarte vacuüm achter hen meer op, maar alleen nog boosheid en koppigheid.
Toch was de dood heel dichtbij, je hoefde maar stil te staan en een halve minuut te wachten: een onheilszwangere windvlaag zit achter je aan, slokt je op en scheurt je in duizend stukjes. In een oogwenk ben je er geweest en besta je niet meer in dit Heelal, en zelfs je doodskreet zal onnatuurlijk abrupt wegsterven. Maar deze gedachten verlamden Artjom niet, ze vermengden zich met zijn woede en ergernis en gaven hem zo juist extra kracht, telkens weer voor nog een stap, en voor de volgende, en zo verder.
En opeens was alles verdwenen, helemaal weg. Het gevoel van gevaar verliet hem zo plotseling, dat het in zijn bewustzijn een vreemde leegte achterliet, een onvervulde plek, alsof er een tand was getrokken en Artjom nu, als aan de grond genageld, met de punt van zijn tong het gat bevoelde. Achter hen was niets meer, alleen een tunnel – schoon, droog, vrij, volkomen ongevaarlijk. Al dat geren voor je eigen angsten en paranoïde fantasieën, dat nodeloze geloof in bepaalde eigen gevoelens en in je intuïtie kwamen Artjom nu zo belachelijk voor, zo dwaas en absurd, dat hij zich niet meer kon inhouden en begon te grinniken. Troef, die naast hem tot stilstand was gekomen, keek eerst verbaast naar hem, maar toen kwam ook bij hem opeens een grijns door en begon hij te lachen. Khan keek gramstorig naar hen en beet hun ten slotte toe:
“De stemming zit er wel in, hè? Fijn is het hier, nietwaar? Zo stil, zo schoon, toch?” en hij stapte alleen voort. Pas toen drong tot Artjom door dat ze al rennend tot op nog geen vijftig passen van een station waren gekomen, en dat aan het eind van de tunnel duidelijk licht te zien was.
Khan wachtte hen op bij de ingang, staand op het ijzeren trapje. Hij had al kans gezien een sigaret te draaien en op te steken, terwijl zij nog hikkend van het lachen en zonder de minste haast die vijftig stappen aflegden.
Deze korte tijd was net lang genoeg om Artjom wat sympathie en meegevoel bij te brengen voor de kreupele Troef, die kreunde en lachte tegelijk, zodat hij zich schaamde om de gedachten die daar, achter hen, door zijn hoofd waren gegaan toen Troef was gevallen. Per saldo was de stemming uitgelaten, en daarom trof de aanblik van Khan, die uitgeput was en hen met een vreemd dédain bekeek, Artjom ietwat onaangenaam.
“Dankjewel!” zei Troef, terwijl zijn laarzen het laddertje op denderden en hij zijn hand naar Khan uitstak. “Als jij niet... U... Dan was het over en uit geweest. Maar... u... hebt me niet laten zitten. Dank u! Zoiets vergeet ik niet.”
“Geen punt,” antwoordde Khan zonder enig enthousiasme.
“Waarom bent u naar mij teruggegaan?” vroeg de baardmans.
“Ik zou graag eens met je praten.” Khan smeet zijn peuk op de grond en haalde zijn schouders op. “Dat is alles.”
Toen hij iets hoger was gekomen, zag Artjom waarom Khan via het laddertje op het perron was geklommen, en niet over de rails was doorgelopen. Voor de eigenlijke ingang van Oude Stad waren de rails geblokkeerd met een manshoge stapel zandzakken. Daarachter troonden op houten krukjes mensen die een uiterst serieuze indruk maakten. Hun kortgeknipte haar, coupe bloempot, hun te ruime, versleten leren jacks met opgevulde schouders, hun afgedragen sportbroeken die ooit tot een uniform moesten hebben behoord – het geheel zag er misschien wel grappig uit, maar stemde op de een of andere manier totaal niet vrolijk. Achter de stapel zakken zaten er drie, op de vierde kruk lag een pak kaarten waar de gorilla’s met zwierige gebaren hun hand op uitspeelden. De lucht stond stijf van het gevloek en getier, en Artjom kon ook na enig toeluisteren zelfs geen fatsoenlijk woord in hun conversatie onderscheiden.
Je kon alleen maar op het station komen via een smalle doorgang en een draaihek op het eind van het trappetje. Maar daar verhief zich dwars op de weg, nog veel imponerender, de pens van een vierde bewaker. Artjom bekeek hem eens: helemaal kaalgeknipt, waterige grijze ogen, een iets opzijstaande neus, bloemkooloren, de trainingsbroek omlaag getrokken door een zwarte pistoolkolf – de zware TT was zo achter de riem gestoken – plus een ondraaglijke kegel, die een beer kon vellen en helder denken onmogelijk maakte.
“Gossamme, wakrijwenou?” zei de vierde man traag en hees, terwijl hij Khan en Artjom, die naast hem stond, van het hoofd tot de voeten bekeek. “Kolere, toeristen? Of sjacheraars?”
“Nee, we zijn geen sjacheraars, we zijn vagebonden, we hebben geen vracht of iets bij ons,” legde Khan uit.
“Vagebond – zak stront!” rijmde de kleerkast en hij begon hard te lachen. “Koljan, moeje horen! Vagebond – zak stront!” herhaalde hij tegen de kaartspelers.
Die gaven hem rugdekking. Khan glimlachte geduldig.
De stierennek leunde in een luie beweging met een arm tegen de wand, en sloot zo de doorgang definitief af.
“Dit is de... douane, snap je?” legde hij vreedzaam uit. “Wij moeten ook leven, hè. Moet je d’r door, dokken. Geen zin, opgetieft!”
“Hoe dat zo?” begon Artjom al geërgerd te piepen.
Dat had hij beter niet kunnen doen.
De stierennek had waarschijnlijk niet eens verstaan wat hij zei, maar de intonatie beviel hem niet. Hij schoof Khan opzij, stapte met zijn volle gewicht naar voren en stond opeens pal voor Artjom, op een paar centimeter afstand. Hij liet zijn kin zakken en zijn troebele blik over de jongen gaan. Zijn ogen waren volkomen leeg en leken bijna doorzichtig, er was geen teken van redelijkheid in te ontdekken. Domheid en woede, dat was wat ze uitstraalden, en Artjom, die deze blik met moeite doorstond en zelf van spanning met zijn ogen knipperde, voelde hoe in hem de angst en de haat groeiden voor het wezen dat achter deze troebele glaasjes zat en erdoorheen naar de wereld loerde.
“Had je wat?!” informeerde de bewaker dreigend.
Hij was meer dan een hoofd groter dan Artjom en drie keer zo breed. Artjom moest denken aan de legende van David en Goliath, die iemand hem een keer had verteld: alleen jammer dat hij glad vergeten was wie van hen wie was, maar de geschiedenis liep goed af voor de kleinen en zwakken, en dat gaf reden tot enig optimisme.
“Niets!” zei hij opeens dapperder dan hij van zichzelf had verwacht.
Dit antwoord bracht de ander ietwat van z’n stuk; hij spreidde zijn korte dikke vingers uit en legde met een trefzekere beweging zijn klavier op Artjoms voorhoofd. De huid op zijn hand was geel en vereelt en stonk half naar tabak, half naar smeerolie, maar Artjom kreeg geen gelegenheid het gamma aan aromaten ten volle te savoureren, want de gorilla gaf hem een zet naar achteren.
Waarschijnlijk gebruikte hij daarvoor niet eens bijzonder veel kracht, maar Artjom vloog zo’n anderhalve meter weg en gooide Troef, die achter hem stond, ondersteboven, zodat ze samen ongelukkig onderuit gingen op het bruggetje, terwijl de gorilla op z’n gemak terugliep naar zijn post. Daar wachtte hem echter een verrassing. Khan, die zijn vrachtje op de grond had gezet, stond daar wijdbeens met het machinegeweer van Artjom stevig in beide handen geklemd. Hij klikklakte demonstratief met de afsluiter en zei met een kalme stem, die zo weinig goeds beloofde dat zelfs bij Artjom, op wie de woorden geen betrekking hadden, de haren te berge rezen:
“Moet dat nou zo ruw?”
Veel bijzonders had Khan niet gezegd, maar Artjom, die spartelend op de grond lag en vuurrood van gekwetste trots en schaamte probeerde weer overeind te komen, hoorde in deze woorden een diepe waarschuwende grom waarop een razendsnelle sprong kon volgen. Eindelijk was hij op de been en trok zijn oude machinegeweer van zijn schouder, richtte het op zijn belager, grendelde het wapen en trok de afsluiter naar achteren. Nu was hij in staat om de trekker op elk moment over te halen. Zijn hart bonsde in zijn keel, zijn angst sloeg definitief om in haat, en hij vroeg Khan:
“Mag ik?” en zelf verbaasde hij zich over zijn bereidheid om zonder enige aarzeling, zo maar, een mens te doden omdat die hem een zetje had gegeven. Het bezwete gladgeschoren hoofd was duidelijk zichtbaar in de groef van zijn vizier en de verleiding was groot om de trekker over te halen. Dan was het kome wat komt, maar het was nu zaak dat schoelje om te leggen en weg te spoelen met z’n eigen bloed.
“Alarm!” brulde de stierennek, die bij zijn positieven was gekomen.
Met een bliksemsnelle beweging griste Khan het pistool weg van achter ’s mans broekriem, schopte het opzij en nam de ‘douaniers’ op de korrel, die van hun plaatsen waren opgesprongen.
“Niet schieten!” riep hij nog tegen Artjom, en het plaatje dat net tot leven leek te komen, bevroor weer: de stierennek stokstijf met de handen omhoog op de brug, en de onbeweeglijke Khan met zijn wapen gericht op de drie gorilla’s, van wie de machinegeweren nog steeds, onaangeroerd, dichtbij met de lopen tegen elkaar overeind stonden.
“Geen bloedvergieten,” zei Khan rustig en met overwicht, eerder bevelend dan verzoekend. “Hier gelden regels, Artjom,” vervolgde hij, zonder zijn blik af te wenden van de drie fervente kaartspelers die in hun ongemakkelijke poses gevangen zaten.
Als iemand al kon weten wat een Kalasjnikov waard was en zijn vernietigende kracht op zo’n afstand moest kennen, dan zeker die koppensnellers, die dan ook niet de geringste twijfel wilden laten bestaan omtrent hun loyaliteit aan de man die hen onder schot hield.
“Hun regels verplichten ons een toegangsheffing te betalen. Hoeveel bedragen de leges?” vroeg Khan.
“Drie kogeltjes de gabber,” antwoordde de man op het bruggetje.
“Kan daar nog wat vanaf?” stelde Artjom gemeen voor, terwijl hij de loop van zijn machinegeweer naar de tailleregio van de stierennek bracht.
“Twee,” zei de ander coulant, met een boze schuinse blik op Artjom, maar zonder verder iets te ondernemen.
“Geef ’t hem!” beval Khan Troef. “Dan hebben wij ook meteen afgerekend.”
Troef stak met graagte zijn hand in het binnenste van zijn reistas, liep op de bewaker af en telde in diens uitgestoken hand zes schitterende, scherpgepunte patronen uit. De bewaker kneep snel zijn vuist samen, liet de kogels in de opengesperde zak van zijn jack glijden, stak toen zijn handen opnieuw omhoog en keek afwachtend naar Khan.
“De heffing is betaald?” zei Khan met vragend opgetrokken wenkbrauwen.
De stierennek knikte bokkig, zonder zijn ogen van het wapen af te wenden.
“Het incident is afgehandeld?” preciseerde Khan.
De gorilla zweeg. Khan pakte uit het reservemagazijn dat met duct-tape tegen het hoofdmagazijn zat geplakt, nog eens vijf patronen en deed die in de zak van de bewaker. Ze gleden naar binnen met een licht rinkelend geluid, en op het moment dat dit weerklonk verdween de grimas van het gezicht van de stierennek, dat opnieuw zijn gebruikelijke luiig-wantrouwige uitdrukking aannam.
“Smartengeld,” lichtte Khan toe, maar dit woord maakte geen enkele indruk.
Waarschijnlijk begreep de stierennek het gewoon niet, net zo min als hij de eraan voorafgaande vraag had begrepen. Wat Khan met zijn wijze uitspraken precies bedoelde, wist hij te raden dankzij Khans bereidheid geld en geweld te gebruiken; de taal daarvan begreep hij uitstekend, het was misschien wel de enige die hij sprak.
“Je mag je handen wel laten zakken,” zei Khan, en behoedzaam haalde hij de loop op, zodat de kaarspelers buiten schot kwamen.
Artjom deed hetzelfde, maar zijn handen beefden van de zenuwen en hij was bereid ieder moment de kaalgeschoren schedel van de gorilla weer onder schot te nemen. Deze mensen vertrouwde hij niet. Maar zijn zorgen werden gelogenstraft: de gorilla liet ontspannen zijn armen zakken, bromde naar de anderen dat alles in orde was leunde met zijn rug tegen de muur, nam een gespeeld-onverschillige houding aan en liet de vagebonden langs zich heen het station op.
Toen hij ter hoogte van de bewaker was gekomen wist Artjom nog net het lef op te brengen om hem in de ogen te kijken, maar de stierennek nam de handschoen niet op en keek ergens anders naar.
Achter zijn rug hoorde Artjom wel een afkeurend “S-snotjong...” en een smeuïge fluim op de vloer kletsen. Hij wilde zich weer omdraaien, maar Khan, die een stap voor hem liep, greep hem bij de hand en sleurde hem achter zich aan, zodat Artjom, wiens ene helft zich maar wat graag had losgerukt om dat zielige geval alsnog een lesje te leren, tegelijk een uitstekend excuus had om de aanvechting van zijn andere helft te volgen, die niets liever wilde dan zich uit de voeten maken.
Net stapten ze alle drie op de donkere granieten vloer van het station, toen achter hen opeens, met de nadruk op de uit elkaar getrokken klinkers, klonk:
“He-e... Me bla-aff-fer!”
Khan stopte, schudde de langwerpige patronen met hun afgeronde kogels uit het magazijn van de afgepakte TT, klikte de houder terug en slingerde het pistool naar de stierennek. Die ving het verbazend handig op en stak het met een gewoontegebaar in zijn broek, onderwijl met duidelijk ongenoegen toekijkend hoe Khan de uitgenomen patronen over de vloer uitstrooide.
“Het spijt me,” Khan breidde zijn handen uit, “preventie. Dat heet toch zo?” Hij knipoogde naar Troef.
Oude Stad was anders dan de andere stations waar Artjom al was geweest: het was niet driebeukig zoals Volksvlijt, maar bestond uit één grote hal met een breed perron, aan de randen waarvan de sporen liepen, en dat riep het lichtelijk verontrustende gevoel van een ongewone uitgestrektheid op. De ruimte was wanordelijk verlicht door zwakke peervormige lampjes die hier en daar bungelden, maar open vuur brandde er nergens, kennelijk was dat hier niet toegestaan. In het midden van de hal stond, haar licht achteloos in het rond strooiend, een grote witte kwiklamp – voor Artjom een regelrecht wonder. Maar de Poolse landdag eromheen leidde zo de aandacht af dat hij zelfs op deze exoot de blik niet langer dan een seconde gericht kon houden.
“Wat een groot station!” verzuchtte hij.
“In feite zie je nog maar de helft,” deelde Khan mee. “Oude Stad is precies twee keer zo groot. Ja, dit is een van de vreemdste plaatsen in de metro. Je hebt vast wel gehoord dat hier de sporen van verschillende lijnen naast elkaar liggen. Die rails hier, rechts van ons, zijn al van de Taganka-Rode Vliet-lijn. Het valt niet mee de waanzin en wanorde daar te beschrijven, maar op Oude Stad komt ze samen met die oranje lijn van jou, de Kaloega-Riga-lijn, en wat daar gebeurt willen de mensen op andere lijnen al helemaal niet meer geloven. Dit station behoort ook nog eens tot geen enkele federatie, de bewoners ervan staan helemaal op eigen benen. Een buitengewoon interessante plaats. Ik noem dit hier Babylon. Koosnaampje,” voegde Khan toe, terwijl hij rondblikte over het perron en de levendige bedrijvigheid van de mensen om hen heen.
Het station bruiste van leven. Uit de verte deed het denken aan Vredesprospekt, maar daar was alles veel bescheidener en veel strakker georganiseerd. Artjom vielen meteen ook de woorden van Bourbon in, die had gezegd dat er in de metro wel betere plekjes waren dan die armoeiige bazaar, waarlangs ze naar Vredesprospekt waren gegaan.
Langs de rails strekten zich eindeloze rijen kraampjes uit, het hele perron was volgebouwd met tentjes en tenten. Enkele daarvan waren omgebouwd tot winkeltjes, in anderen woonden mensen; op een paar ervan was ‘TE HUUR’ geschilderd, daar bevonden zich overnachtingsgelegenheden voor reizigers. Rondkijkend en zich met moeite door de menigte heen werkend, merkte Artjom op het rechterspoor een enorm grijsblauw treinstel op. Het treinstel was niet compleet: het telde maar drie wagons.
Op het station was het een onbeschrijflijke drukte. Het leek of de bewoners nooit ook maar een seconde hun mond hielden en aan één stuk door praatten, schreeuwden, zongen, hartstochtelijk ruziemaakten, lachten of huilden. Van meerdere kanten tegelijk, het rumoer van de massa overstemmend, was muziek te horen, en dat zorgde voor een feestelijke sfeer die zich niet echt liet rijmen met het leven onder de grond.
Nee, ook op Volksvlijt waren er amateurzangers, maar daar was alles anders. Daar waren er op het hele station misschien een paar gitaren, en soms verzamelde zich een gezelschap bij iemand in de tent voor wat ontspanning na het werk. En af en toe ook nog wel eens op de grenspost op de driehonderd meter, waar je niet zo vreselijk ingespannen hoefde te luisteren naar de geluiden die diep uit de noordtunnel kwamen. Rond een vuurtje werd dan zachtjes op de snaren getokkeld en gezongen, zij het vooral over dingen die Artjom niet echt begreep: oorlogen die hij niet had meegemaakt en die waren gevoerd volgens andere, vreemde regels; over het leven daarboven, nog voordat.
Vooral waren hem bijgebleven de liedjes over een of ander Afgan, waarvan Andrej, de oud-marinier, zoveel hield, hoewel er van de teksten vrijwel niets te begrijpen viel, behalve dat ze draaiden om heimwee naar omgekomen kameraden en haat jegens vijanden. Maar Andrej kon ze zo zingen dat iedere toehoorder er een brok in de keel en kippenvel van kreeg.
Andrej legde de jeugd uit dat Afgan een bepaald land was, hij vertelde over bergen, passen, woeste beekjes, kisjlaki, heli’s en zinken kisten. Wat een land voor iets was, begreep Artjom wel min of meer, Soechoj had hem niet voor niets destijds zo intensief les gegeven. Maar als Artjom al iets wist over staat en geschiedenis, dan waren bergen, rivieren en dalen voor hem toch een soort abstracte begrippen gebleven, en de woorden die ernaar verwezen riepen in zijn verbeelding slechts herinneringen op aan de verbleekte platen uit het aardrijkskundeschoolboek dat zijn pleegvader een keer van een van zijn tochten voor hem had meegenomen. Maar ook Andrej zelf had dat hele Afgan nooit gezien, daarvoor was hij nog te jong, hij had gewoon goed geluisterd naar de liedjes van zijn legervrienden.
Konden ze dan op Volksvlijt soms zo spelen als op dit vreemde station? Nee, bedachtzame, droefgeestige liedjes, dat was wat ze daar zongen, en als hij dacht aan Andrej met z’n treurige ballades en ze vergeleek met de vrolijke en speelse deuntjes die hier vanuit verschillende hoeken van de hal werden aangevoerd, verbaasde Artjom zich er steeds opnieuw over, hoe gevarieerd en divers muziek bleek te kunnen zijn, en hoe sterk ze kon inwerken op zijn stemming.
Artjom kwam ter hoogte van de dichtstbijzijnde muzikanten, bleef onwillekeurig staan, sloot zich aan bij het kleine kluitje mensen dat luisterde – niet eens zo zeer naar de uitgelaten woorden over iemands tochten door tunnels, trippend op de stuff, als wel naar de muziek zelf – en bekeek de uitvoerenden nieuwsgierig. Die waren met z’n tweeën: de ene, met lange vettige haren die uit zijn gezicht werden gehouden door een leren riempje om zijn hoofd en gekleed in onwaarschijnlijk veelkleurige lompen, pingelde op zijn gitaar, terwijl de andere, een al wat oudere, flink kalende man met een bril die het nodige van de wereld had gezien en talloze malen was gerepareerd en omwonden met isolatietape, in zijn oude, vaal geworden jasje toverkunsten uithaalde op een onduidelijk soort blaasinstrument, dat Khan een saxofoon noemde.
Artjom had zoiets nooit eerder gezien, het enige blaasinstrument dat hij kende was de svirel – er waren bij hen vaklui die svirels sneden uit isolatiebuizen van verschillende diameter, maar alleen voor de verkoop: op Volksvlijt was de svirel niet geliefd. En dan was er misschien nog iets wat een beetje op de saxofoon leek: de hoorn waarop soms alarm werd geblazen als door het een of ander de sirene haperde die doorgaans daarvoor werd gebruikt.
Op de grond voor de muzikanten lag een geopende gitaarkist, waarin al een stuk of tien patronen waren verzameld, en wanneer de langharige, die uit volle borst aan het zingen was, iets bijzonder grappigs ten beste had gegeven, wat hij dan begeleidde met guitige grimassen, liet de menigte meteen van zich horen door een blije schaterlach, klonk er applaus en vloog er weer een patroon in de kist.
Het lied over de omzwervingen van de pechvogel was geëindigd en de langharige leunde tegen de muur om even bij te komen, terwijl de saxofonist in zijn jasje meteen een deuntje begon te spelen dat Artjom niet bekend voorkwam maar hier kennelijk heel populair was, want de mensen begonnen te klappen en opnieuw blikkerden er een paar ‘kogeltjes’ door de lucht om op het versleten rode fluweel van de kist te belanden.
Khan en Troef hadden iets te bespreken, ze stonden bij de dichtstbijzijnde kraam en lieten Artjom voorlopig zijn gang gaan, hij had hier nog wel een uur kunnen blijven staan luisteren naar die ongecompliceerde liedjes, als er niet opeens onverwachts een eind aan was gekomen. Op de muzikanten kwamen met een waggelloopje twee potige figuren af, die sterk deden denken aan de gorilla’s waarmee ze te maken hadden gehad toen ze het station opkwamen en op eenzelfde manier gekleed waren. Een van de twee ging op zijn hurken zitten en begon zonder omhaal de patronen die in de gitaarkist lagen bij elkaar te graaien, om ze in de zak van zijn leren jas te laten glijden. De langharige gitarist vloog hem aan om dit te verhinderen, maar de ander maakte hem snel onschadelijk met een harde klap op zijn schouder, rukte de gitaar uit zijn handen en haalde ermee uit, kennelijk om het instrument tegen de hoek van de pijler kapot te slaan. De tweede bandiet hield zonder noemenswaardige inspanning de bejaarde saxofonist tegen de muur gedrukt terwijl die probeerde zich los te rukken om zijn kameraad te helpen.
Niemand van de luisteraars die eromheen stonden, stak een hand voor de muzikanten uit. De menigte was opeens merkbaar uitgedund, degenen die er nog stonden bedekten hun ogen of deden alsof ze de koopwaar bekeken die op de aanpalende kraampjes lag. Artjom voelde een brandende schaamte opkomen voor hen en voor zichzelf, maar kon niet besluiten zich ermee te bemoeien.
“Jullie zijn vandaag toch al langsgeweest!” betoogde de langharige met huilerige stem en met zijn hand op zijn schouder.
“Luister jij! Als jullie vandaag een goeie dag hebben, hebben wij dus ook een goeie dag, is dat duidelijk, verdomme? En los daarvan, jij hebt me hier niks te vertellen, is dat duidelijk? Had je soms de wagon in gewild, rare snoeshaan?!” brulde de bandiet, terwijl hij de gitaar losliet. Het was duidelijk dat hij er vooral ter afschrikking mee zwaaide.
Bij het woord ‘wagon’ stokte de langharige meteen en schudde snel zijn hoofd, zonder verder nog iets te zeggen.
“Zó dus... Snoeshaan!” resumeerde de kleerkast, waarbij hij de muzikant minachtend een fluim voor de voeten wierp. Die duldde ook dit. Toen ze er zeker van waren dat de opstand was neergeslagen, liepen de twee stierennekken doodgemoedereerd weg, zoekend naar een volgend slachtoffer.
Artjom keek verloren om zich heen en ontdekte Troef, die vlakbij stond en blijkbaar met interesse het tafereel had gadegeslagen.
“Wie waren dat? vroeg Artjom, behoorlijk van streek.
“Waar leken ze volgens jou op?” informeerde Troef. “Doodgewone bendeleden. Op Oude Stad is geen overheid of niets, alles staat onder controle van twee groeperingen. Deze helft is van de Slavische broeders. Al het tuig van de Kaloega-Riga-lijn heeft zich hier verzameld, alle koppensnellers. De meesten noemen ze Kaloegiërs, een enkeling Riganen, maar ze hebben natuurlijk helemaal niks gemeen met Kaloega of Riga. Maar daar, zie je, waar dat bruggetje is” – hij wees Artjom naar de trap die naar rechts en omhoog leidde, ongeveer in het midden van het perron, “daar is nog een hal, die als twee druppels water op deze lijkt. Daar is het net zo’n zwijnenstal, maar daar zijn de moslim-Kozakken de baas – vooral Azerbajdzjanen en Tsjetsjenen. Ooit was hier een flinke matpartij, iedereen probeerde te pakken wat-ie pakken kon. Het draaide erop uit dat ze het station door de helft deelden.”
Artjom vroeg niet na wat dat precies waren, ‘kozakken’, en besloot dat deze benaming, net zoals die onbegrijpelijke, onuitsprekelijke woorden ‘tsjetsjenen’ en ‘azerbajdzjanen’, was afgeleid van de hem onbekende stations waarvan deze bandieten afkomstig waren.
“Op dit moment houden de bendes zich gedeisd,” vervolgde Troef. “Ze plukken iedereen kaal die het in z’n kop haalt om op Oude Stad wat te komen bijverdienen, en trekken uit iedereen die langskomt een heffing. In beide hallen betaal je hetzelfde, drie patronen, het maakt dus niks uit vanaf welke kant je op het station komt. Van orde is hier natuurlijk helemaal geen sprake, dat hebben ze ook nergens voor nodig, alleen mag je hier geen vuur maken. Wil je stuff kopen, ga je gang; sterke drank, wat ook maar: keus genoeg. Je kunt hier genoeg wapentuig bij elkaar sprokkelen om de halve metro plat te leggen – geen probleem. De prostitutie floreert. Maar ik raad ’t je niet aan,” voegde hij meteen toe, en hij mompelde opgelaten iets over een persoonlijke ervaring.
“En wat is dat voor wagon?” vroeg Artjom.
“Die wagon? Dat is, zeg maar, hun hoofdkwartier. En als iemand bij ze in het krijt is komen te staan en weigert te betalen, ze geld schuldig is of iets anders, dan slepen ze hem daarheen. Daar is ook nog een gevangenis en een martelkamer – een gijzelkamer voor schuldenaars, als het ware. Kun je maar beter niet in terechtkomen. Honger?” veranderde Troef van onderwerp.
Artjom knikte. Joost mocht weten hoe lang geleden het al was dat Khan en hij op Soecharev bij de thee met elkaar hadden zitten praten. Zonder klok was hij totaal niet meer in staat zich in de tijd te oriënteren. Zijn tochten door tunnels, vol vreemde belevenissen, konden zich urenlang hebben voortgesleept, of in luttele seconden zijn voorbijgevlogen. En dan kon in de tunnels de tijd ook nog eens heel anders lopen dan gewoonlijk.
Hoe dan ook, trek had hij wel. Hij keek om zich heen.
“Sjasliek! Warme sjasliek!” schreeuwde een donkere handelaar met een massieve zwarte snor onder een gebogen neus, die niet ver van hen vandaan stond.
Hij had een tamelijk vreemde uitspraak: zijn ‘l’ klonk dunnetjes en al zijn ‘a’s’ waren langgerekt. Artjom was wel eerder mensen met een ongewone dictie tegengekomen, maar hij had daar nooit zo bij stilgestaan. Het woord kende Artjom, op Volksvlijt was sjasliek een populair gerecht. Van varkens, dat sprak vanzelf. Maar datgene waarmee deze verkoper nu liep te zwaaien, deed alleen vanuit de verte denken aan echte sjasliek. In de stukjes die op de zwartberoete spiesen waren gestoken, kon Artjom na lange en ingespannen studie ten slotte verkoolde, gevilde rattenlijfjes met opgekrulde pootjes herkennen. Hij werd misselijk.
“Lust je geen ratten?” vroeg Troef hem vol meegevoel. “Maar ja, zij daar,” en hij knikte naar de donkere handelaar, “hebben het niet op varkens. Mogen ze niet van de Koran. Niks mis mee hoor, met die ratten,” voegde hij eraan toe, met een begerige blik op de walmende komfoor, “ik ging er vroeger ook van over m’n nek, maar je went eraan. Wat taai, natuurlijk, en ze hebben veel botjes, en stinken doen ze ook. Maar die Kaukasische struikrovers,” en weer wees hij met zijn ogen, “weten wel hoe je rattenvlees klaarmaakt, dat neem je ze niet af. Ze marineren het ergens in, dan wordt het mals als boter. O, die kruiden! En het is zoveel goedkoper!” bleef hij maar aanprijzen.
Artjom drukte zijn hand tegen zijn mond, ademde diep in en probeerde ergens anders aan te denken, maar voor zijn ogen verschenen steeds weer de zwartgeblakerde rattenlijfjes, gestoken op hun spit: de ijzeren staaf drong van achteren het lichaam binnen en kwam er door de geopende bek weer uit.
“Nou ja, wat je wilt, ik neem het ervan! Doe toch mee. Maar drie kogeltjes de spies!” bracht Troef zijn laatste argument in stelling, en hij stevende af op de komfoor.
Er zat niets anders op dan met een wijde boog om de dichtstbijzijnde kraampjes heen te lopen en op zoek te gaan naar iets wat beter geschikt was voor consumptie. Artjom meldde dit bij Khan en zocht vervolgens het hele station af. Beleefd wimpelde hij de handelaars in eigenstook af die hun waar in alle mogelijke glaswerk aanboden; gretig, maar op zijn hoede bekeek hij de verleidelijke, half ontklede meisjes die bij opengeslagen tenten stonden, uitdagend hun blikken vastsloegen in de voorbijgangers, en die misschien wel vulgair waren maar ook onbevangen en vrij, zo anders dan de benepen, door het rauwe leven murw gebeukte vrouwen op Volksvlijt; en hij hield zich in bij de boekenkraampjes – niks bijzonders. Steeds vaker goedkope, uit elkaar vallende boekjes op zakformaat: over grote en zuivere liefde voor de vrouwen, over moord en geld voor de mannen.
Het perron was zo’n tweehonderd passen lang – iets langer dan elders gebruikelijk. De wanden en de pijlers, die door hun grappige vorm aan harmonica’s deden denken, waren bekleed met gekleurd marmer, voornamelijk grijs-geel, met hier en daar een toetsje roze. Langs de sporen was het station versierd met zware geciseleerde bladeren van donker geworden geel metaal, met erop gegraveerd nauwelijks herkenbare symbolen van een voorbij tijdperk.
Heel deze laconieke schoonheid was echter bar slecht bewaard gebleven, ze was nog maar een trieste schim van zichzelf, niet meer dan de suggestie van vergane glorie: het plafond was zwart geblakerd, de wanden waren overdekt met talloze opschriften in verf en roetaanslag en met primitieve, meest scabreuze tekeningen; her en der leken de marmeren platen gebarsten, en de metalen bladeren waren verbogen en bekrast.
Midden in de hal, aan de rechterkant, was voorbij een korte brede trap achter een bruggetje de tweede hal van het station zichtbaar. Artjom had ook daar even willen rondkijken, maar bleef staan bij de ijzeren afscheiding, die was samengesteld uit delen van twee meter lengte, net als op Vredesprospekt.
Bij de smalle doorgang stonden, over de omheining geleund, een paar mannen. Aan Artjoms kant de al bekende bulldozers in trainingspakken. Aan de overkant getinte en besnorde bruinharigen van minder imposante afmetingen, maar evenmin ogend alsof ze in waren voor een geintje. Een van hen hield een machinegeweer tussen zijn benen geklemd, bij een ander stak een pistoolkolf uit de jaszak. De bandieten maakten vredig een praatje met elkaar en het was moeilijk te geloven dat er ooit vijandschap tussen hen was geweest. Ze legden min of meer beleefd aan Artjom uit dat de doorgang naar het buurstation hem twee patronen kostte, en dat hij net zo veel zou moeten aftikken als hij vervolgens weer terug wilde. Door schade en schande wijs geworden besloot Artjom de rechtmatigheid van deze heffing niet te betwisten en liep weg.
Hij maakte een rondje, bestudeerde de kraampjes en de rommel, en keerde terug naar de rand van het perron waar ze waren aangekomen. Hij ontdekte dat de hal hier niet ophield: er leidde nog een trap naar boven, en toen hij die op gelopen was, stapte hij een korte hal binnen die doormidden was gedeeld door net zo’n afscheiding met kordon. Hier liep kennelijk nog een grens tussen de twee domeinen. Rechts zag hij tot zijn verbazing een heus standbeeld, zo een als op plaatjes van de stad, met dit verschil dat hier niet een mens ten voeten uit stond, maar alleen een hoofd.
Maar wat een groot hoofd was dit! Zeker twee meter hoog. Het was weliswaar een beetje viezig van boven, en bovendien pronkte het wat sullig met een neus die zo vaak was beetgepakt dat hij glom, maar toch boezemde het ontzag en zelfs een zekere angst in. Meteen kwamen er fantasieën boven over giganten van wie er een in de strijd zijn hoofd was kwijtgeraakt, dat nu in brons gegoten de marmeren hallen sierde van dit kleine Sodom, uitgehakt diep in de aardmassa om zich te verbergen voor het alziend oog van de Heer en zo de vergelding te ontlopen. Het afgehakte hoofd had een droevig gezicht en Artjom dacht eerst dat het had toebehoord aan Johannes de Doper uit het Nieuwe Testament, een boekje dat hij ooit eens ergens had kunnen doorbladeren. Maar toen besloot hij dat het, gezien de maatvoering, eerder moest gaan om een van de helden uit het verhaal waaraan hij zojuist had moeten denken, over David en Goliath, die groot en sterk was, letterlijk een reus, maar uiteindelijk toch zijn hoofd kwijtraakte. Niemand van de mensen die hem zo gejaagd passeerden, kon hem vertellen aan wie dit afgesneden hoofd precies had toebehoord, en dat stelde hem wel een beetje teleur.
Maar gelukkig trof hij dichtbij het standbeeld een geweldige plek: een heus restaurant, ingericht in een ruime, schone tent van net zo’n prettige, vertrouwde donkergroene kleur als bij hem thuis op het station. Binnen vond hij in de hoeken plastic kunstbloemen met stoffen blaadjes, het was onduidelijk waarvoor ze dienden, maar mooi waren ze wel, en een paar nette tafeltjes met daarop olielampjes die de tent vulden met een behaaglijk, gedempt licht. En het eten... Godenspijs: het fijnste varkensbraad met paddenstoelen – het water liep hem in de mond, op Volksvlijt maakten ze zoiets alleen op feestdagen, maar zo lekker en exquis had hij het daar nooit geproefd.
Om hem heen zat degelijk, eerbaar, goed en smaakvol gekleed publiek, zo te zien grote handelaren. Beschaafd sneden ze hun aangebraden, van een knapperig korstje voorziene, in een geurige warme jus drijvende koteletje, rustig brachten ze de kleine hapjes naar hun mond en zachtjes en ordelijk converseerden zij en bespraken hun zaken, waarbij ze af en toe een beleefd-nieuwsgierige blik op Artjom wierpen. Goedkoop was het natuurlijk niet – hij moest maar liefst vijftien patronen uit zijn reservemagazijn drukken en in de brede hand van de gezette gerant deponeren, en vervolgens rondlopen met spijt dat hij aan de verleiding had toegegeven, maar desondanks had hij zijn buikje nu zo lekker vol en rond, dat de stem van de rede geapaiseerd verstomde.
Nu nog een kroes vruchtenwijn, zo zacht en prettig duizelig makend, maar niet sterk, niet van die pittige, troebele eigenstook uit smoezelige flesjes en blikjes, waarvan alleen de lucht al je knikkende knieën bezorgde. Goed, nog eens drie patronen, maar wat zijn drie miezerige patronen als je ze weggeeft in ruil voor een fiool vol fonkelend elixer, dat je verzoent met de onvolkomenheid van deze wereld en helpt de volmaakte harmonie te bereiken?
Nippend van zijn vruchtenwijn, voor het eerst in een paar dagen in stilte en rust alleen met zichzelf, probeerde Artjom zich de recente gebeurtenissen weer voor de geest te halen en te begrijpen wat hij had bereikt en waar hij nu naartoe moest. Weer had hij een etappe van de uitgestippelde weg afgelegd en opnieuw stond hij op een tweesprong.
Net als de ridder in de bijna vergeten sprookjes uit zijn kindertijd, zo ver weg dat hij zich niet meer kon herinneren wie ze destijds vertelde: Soechoj, de ouders van Zjenka, of zijn eigen moeder. Het liefst stelde Artjom zich voor dat hij ze van zijn moeder had gehoord, en zelfs leek haar gezicht een ogenblik uit de mist op te doemen, leek hij een stem te horen die hem, nadrukkelijk intonerend, voorlas: ‘Er was eens...’
En nu stond hij net als die ridder uit het sprookje bij de steen en lagen er drie wegen voor hem: naar Smidsbrug, naar Tretjakov en naar Taganka. Hij savoureerde de benevelende drank, een zalige aangename loomheid maakte zich meester van zijn lichaam, denken wilde hij nu even helemaal niet, en in zijn hoofd maalde het slechts: ‘Ga je naar rechts, dan verlies je je leven, ga je naar links, dan verlies je je paard.’
Dit zou natuurlijk eindeloos kunnen doorgaan: na alles wat hij had doorgemaakt, had hij zijn rust hard nodig. Hij moest maar eens een poosje blijven op Oude Stad – om zich heen kijken, bij de mensen naar de routes informeren; hij moest zeker ook nog een keer met Khan gaan praten en hem vragen of hij met hem verder ging, of dat hun wegen scheidden op dit merkwaardige station.
Maar het liep helemaal anders dan Artjom, luiig zijn plannetjes makend en versuft starend in het kleine vlammentongetje dat danste in het lampje op zijn tafel, zich voorstelde.