Waarom intelligente mensen domme dingen geloven
Het echte doel van de wetenschappelijke methode is ervoor zorgen dat de natuur je niet ten onrechte laat denken dat je iets weet wat je in feite niet weet.
Robert Pirsig, Zen and the Art of Motorcycle Maintenance
Waarom maken we gebruik van statistieken, waarom doen we metingen en waarom tellen we? Als de wetenschappelijke methode enig gezag heeft – al heb ik het liever over ‘waarde’ – dan is het omdat ze een systematische benadering biedt, maar die is slechts waardevol omdat de alternatieve mogelijkheden misleidend kunnen zijn. Wanneer we niet formeel redeneren – noem het desgewenst intuïtie – gebruiken we vuistregels die problemen ter wille van de efficiëntie vereenvoudigen. Veel van deze korte routes zijn goed beschreven in een vakgebied dat ‘heuristiek’ wordt genoemd; in talrijke omstandigheden zijn het efficiënte middelen tot kennis.
Dit gemak heeft wel een prijs, namelijk onjuiste opvattingen, want deze strategieën die op waarheid moeten toetsen, vertonen systematisch zwakke punten waarvan misbruik kan worden gemaakt. Het heeft wel wat weg van schilderijen waarop trucs worden gebruikt om onze perceptie op een dwaalspoor te brengen: objecten die verder weg zijn, lijken kleiner, en ‘perspectief’ kan ons ten onrechte drie dimensies laten zien waar er maar twee zijn door gebruik te maken van onze strategie om diepte waar te nemen. Wanneer ons cognitieve systeem – ons apparaat om op waarheid te toetsen – voor de gek wordt gehouden, ongeveer zoals we diepte zien in een plat schilderij, komen we tot onjuiste conclusies over abstracte zaken. Misschien houden we normale veranderingen ten onrechte voor betekenisvolle patronen of zien we oorzakelijkheid waar die in feite niet bestaat.
Dit zijn cognitieve illusies die vergelijkbaar zijn met optische illusies. Ze kunnen even verbijsterend zijn en raken de kern van de reden waarom we wetenschap beoefenen en waarom we onze overtuigingen niet baseren op intuïtie op basis van de grote lijnen van een thema waarover de populaire media ons hebben geïnformeerd: de wereld biedt je nu eenmaal geen nette tabellen met gegevens over interventies en resultaten. In plaats daarvan biedt ze je in de loop der tijd af en toe mondjesmaat wat gegevens; proberen een veelomvattend inzicht in de wereld te krijgen op basis van herinneringen aan je eigen ervaringen is net zoiets als door een lange, kartonnen buis naar het plafond van de Sixtijnse Kapel staren: misschien herinner je je nog welke stukjes je hier en daar hebt gezien, maar zonder systeem en model zul je het algehele beeld nooit op waarde kunnen schatten.
Laten we beginnen.
Als mensen hebben we een aangeboren vermogen iets van niets te maken. We zien vormen in de wolken en een mannetje in de maan, gokkers zijn ervan overtuigd dat ze ‘kansrijke perioden’ hebben, we spelen volkomen positieve heavy metal achterstevoren af en horen dan geheime boodschappen over Satan. Door ons vermogen patronen te ontwaren kunnen we de wereld betekenis geven, maar soms willen we dat zo graag dat we overgevoelig zijn, dat alles daartoe als aanleiding kan dienen en dat we ten onrechte patronen zien die helemaal niet bestaan.
Als je een verschijnsel wetenschappelijk wilt bestuderen, is het soms nuttig het te reduceren tot zijn eenvoudigste en meest controleerbare vorm. Onder sportieve mensen, net als onder gokkers (maar aannemelijker), is de overtuiging gangbaar dat sportmensen ‘kansrijke perioden’ hebben. Dat wordt toegeschreven aan zelfvertrouwen, aan ‘goed op dreef zijn’ en dat soort dingen. Bij sommige sporten komt dit mogelijk voor, maar statistici hebben diverse gebieden onderzocht waarover werd gezegd dat dit verschijnsel zich daar ook voordoet, en ze hebben bijvoorbeeld niet ontdekt dat het maken van een doelpunt de kans op een tweede doelpunt direct daarna groter maakt.
Omdat men er zo algemeen van overtuigd is dat ‘het ene succes op het andere volgt’, is dit een goed model om te onderzoeken hoe we willekeurige reeksen gebeurtenissen waarnemen. Thomas Gilovich, een Amerikaanse sociaal psycholoog, heeft in dit verband een klassiek experiment gedaan.’ Hij zocht een aantal liefhebbers van basketbal en liet hun in een willekeurige volgorde x’en en o’s zien, en verklaarde dat die de punten en missers van een speler aangaven; vervolgens vroeg hij zijn proefpersonen of de reeksen ‘kansrijke perioden’ lieten zien.
Hier volgt een willekeurige volgorde van x’en en o’s uit dat experiment. Stel je maar voor dat ze verkregen zijn door het opgooien van een muntje.
O X X X O X X X O X X O O O X O O X X O O
De proefpersonen waren ervan overtuigd dat deze volgorde ‘achtereenvolgende punten’ of ‘kansrijke perioden’ weergaven, en als we nog eens kijken, zien we algauw waarom: zes van de eerste acht letters waren punten. Nee, wacht even: acht van de eerste elf letters waren dat. En dat is toch volstrekt niet willekeurig?
Dit vernuftige experiment laat zien hoe moeilijk we het vinden om willekeurige reeksen juist te beoordelen. We weten niet goed hoe ze eruit zouden moeten zien: we verwachten te veel afwisseling, dus echt willekeurige reeksen maken op ons een te geordende indruk. Onze intuïtieve ingevingen over de meest basale waarneming die er bestaat – een patroon onderscheiden tegen een achtergrond van willekeurige prikkels – zijn uiterst gebrekkig.
Dit is onze eerste les over hoe belangrijk het is gebruik te maken van statistieken en niet van onze intuïtie. Het is ook een uitstekend voorbeeld van de sterke overeenkomsten tussen cognitieve illusies en de perceptuele illusies, die ons veel vertrouwder zijn. Je kunt net zolang naar een visuele illusie kijken als je wilt, erover praten of erover nadenken, maar ze blijft er ‘verkeerd’ uitzien. Evenzo kun je zolang je wilt naar de willekeurige reeks op de vorige pagina kijken: die blijft er geordend uitzien en trekt zich niets aan van wat je weet.
Bij de bespreking van homeopathie hebben we al naar regressie naar het gemiddelde gekeken: dit betekent dat de kans groot is dat waarden die extreem geworden zijn, terugkeren naar het midden of’regressie naar het gemiddelde’ vertonen. We hebben dit gezien in verband met de vloek van Sports Illustrated (en bij Play Your Cards Right van Bruce Forsyth), maar we hebben het ook toegepast op de kwestie waar het eigenlijk om ging, namelijk de vraag hoe mensen beter worden: we hebben besproken dat men vaak iets onderneemt wanneer rugpijn op zijn ergst is, bijvoorbeeld een homeopaat raadplegen. En ook al zou die rugpijn sowieso minder zijn geworden (want dat gebeurt over het algemeen wanneer iets op zijn ergst is), toch schrijft men de verbetering toe aan de behandeling.
Wanneer we ten prooi vallen aan dit falen van de intuïtie gebeuren er twee afzonderlijke dingen. Ten eerste zijn we er niet in geslaagd het patroon van regressie naar het gemiddelde juist waar te nemen. Ten tweede, en dat is cruciaal, hebben we vervolgens geconcludeerd dat dit illusoire patroon door iets is veroorzaakt, in dit geval door een homeopathische remedie. Eenvoudige regressie wordt verward met oorzaak en gevolg, en misschien is dit voor menselijke dieren, wier succes afhangt van het vermogen snel en intuïtief causale verbanden te leggen, wel heel natuurlijk: het is ons eigen er overgevoelig voor te zijn.
Toen we dit onderwerp eerder bespraken, vertrouwde ik tot op zekere hoogte op je goede wil en op de waarschijnlijkheid dat je er op basis van je eigen ervaring mee kon instemmen dat deze verklaring zinvol was. Maar het is ook aangetoond in een ander, vernuftig en tot de kern teruggebracht experiment waarin alle variabelen onder controle werden gehouden; toch zagen mensen nog steeds een patroon en oorzaak en gevolg, al waren die niet aanwezig.2
De proefpersonen in het experiment speelden de rol van leraren die ervoor moesten zorgen dat een kind stipt om half negen ‘s ochtends op school kwam. Ze zaten achter een computer die aangaf dat het kind vijftien dagen achter elkaar tussen 8.20 en 8.40 verscheen; ze wisten echter niet dat de tijdstippen van aankomst voor de aanvang van het experiment volkomen willekeurig waren gekozen. Desondanks kregen ze allemaal de gelegenheid te laat komen te straffen en op tijd komen te belonen in de combinatie die ze wensten. Toen aan het einde van het experiment naar hun strategie werd gevraagd, kwam 70 procent tot de conclusie dat een uitbrander effectiever was dan een beloning als ze het kind op tijd wilden laten komen.
Deze proefpersonen waren ervan overtuigd dat hun interventie een effect had op de stiptheid van het kind, ook al was diens tijdstip van aankomst volstrekt willekeurig en liet het niets anders zien dan ‘regressie naar het gemiddelde’. Zo ook blijven mensen ervan overtuigd dat homeopathie een heilzaam effect op hun gezondheid heeft, ook al is aangetoond dat ze niet meer verbetering brengt dan een placebo.
♦
Samengevat:
Dit zijn twee heel goede redenen om formele metingen uit te voeren. Dit is op zichzelf al slecht nieuws voor de intuïtie. Kan het nog erger?
Het menselijk inzicht dwaalt aanhoudend op een merkwaardige wijze, want het wordt sterker geraakt en geprikkeld door bevestiging dan door ontkenning.
Francis Bacon
Ja, het wordt nog erger. We hebben een aangeboren neiging te zoeken naar bewijsmateriaal dat een gegeven hypothese bevestigt en dat vervolgens te hoog te waarderen. We willen proberen dit verschijnsel uit het controversiële strijdperk van de aanvullende en alternatieve geneeskunde te verwijderen – of uit de angst voor de bmr-prik, waarop we later terugkomen – en gelukkig beschikken we over meer tot de kern teruggebrachte experimenten die het algemene punt illustreren.
Stel je een tafel voor waarop vier kaarten liggen, gemerkt met ‘A’, ‘B’, ‘2’ en ‘3’. Op elke kaart staat aan de ene kant een letter en aan de andere kant een cijfer. Je taak is te bepalen of op alle kaarten met een klinker op de ene kant een even getal op de andere kant staat. Welke twee kaarten zou je omdraaien? Iedereen kiest uiteraard de ‘A’ – kaart, maar net als veel anderen wil je waarschijnlijk ook de V-kaart omdraaien – tenzij je jezelf ertoe dwingt er goed over na te denken. Want dit zijn de kaarten die je informatie geven die overeenkomt met de hypothese die je, zo denk je, aan het toetsen bent. Maar in feite moet je de kaarten A’ en ‘3’ omdraaien, want als je een klinker ontdekt op de achterkant van ‘2’, weet je nog niets over ‘alle kaarten’; het zou alleen maar een bevestiging geven over ‘sommige kaarten’. Maar een klinker ontdekken op de achterkant van ‘3’ zou je hypothese volkomen weerleggen. Dit bescheiden staaltje van hersengymnastiek demonstreert dat we in onze ongecontroleerde, intuïtieve wijze van redeneren geneigd zijn naar informatie te zoeken die een hypothese bevestigt; het verschijnsel wordt hier aangetoond in een situatie waarin toekenning van waarden geen rol speelt.
Diezelfde vertekening van zoeken naar bevestigende informatie is aangetoond in meer verfijnde experimenten uit de sociale psychologie. Wanneer proefpersonen bijvoorbeeld proberen te bepalen of iemand ‘extravert’ is, stellen ze vaak vragen waarbij een bevestigend antwoord de hypothese ondersteunt (‘ga je graag naar feestjes?’) in plaats van weerlegt.
Een soortgelijke vertekening doet zich voor wanneer we informatie uit ons eigen geheugen opdiepen. In een experiment kregen proefpersonen een tekst te lezen over een vrouw die diverse introverte en extraverte gedragingen vertoonde; vervolgens werden ze in twee groepen verdeeld. Aan de ene groep werd gevraagd te beoordelen of ze geschikt was voor het beroep van bibliothecaresse en aan de andere of ze geschikt was voor het beroep van makelaar in onroerend goed. Aan beide groepen werd gevraagd voorbeelden te geven van zowel haar introversie als haar extraversie. De groep die overwoog of ze geschikt was voor bibliothecaresse herinnerde zich meer voorbeelden van introvert gedrag, maar de groep die overwoog of ze geschikt was voor het verkopen van onroerend goed noemde meer voorbeelden van extravert gedrag.3
Deze tendens is gevaarlijk, want als je alleen maar vragen stelt die je hypothese bevestigen, is de kans groter dat je die bevestigende informatie, die je een onterecht gevoel van zekerheid geeft, naar voren haalt. In ruimere zin betekent het ook dat de mensen die de vragen stellen al een voorsprong hebben in het debat.
Dus aan ons lijstje van cognitieve illusies, vertekeningen en tekortkomingen van de intuïtie kunnen we de volgende inzichten toevoegen:
Wanneer ik een nieuwe observatie deed of me een nieuwe gedachte inviel die in strijd was met mijn resultaten in het algemeen, hield [ik] me aan een vaste regel: ik maakte er onveranderlijk en onmiddellijk een notitie van, want de ervaring had me geleerd dat dergelijke feiten en gedachten veel eerder uit het geheugen verdwijnen dan veelbelovende feiten en gedachten.
Charles Darwin
Dit probleem kent iedereen, en ook al is het de minst interessante cognitieve illusie – juist omdat ze zo duidelijk is – toch zijn ze in experimenten zo pijnlijk duidelijk aangetoond dat je er, net als ik, nerveus van wordt.
Het klassieke bewijs van het feit dat mensen bevooroordeeld zijn op basis van eerder bestaande overtuigingen is afkomstig uit een onderzoek naar opvattingen over de doodstraf.4 Men verzamelde een groot aantal voor- en tegenstanders. Ze kregen allemaal twee bewijzen voorgelegd in verband met de afschrikwekkende werking van de doodstraf: het ene bevestigde het afschrikwekkende effect, het andere sprak dit juist tegen.
♦
Ze kregen de volgende bewijzen te zien:
Maar er werd nog een bijzonder slimme draai aan het experiment gegeven. De voor- en tegenstanders van de doodstraf werden allemaal nogmaals in twee kleinere groepen verdeeld. Dus de helft van de voorstanders en de tegenstanders van de doodstraf zag hun mening bevestigd door de gegevens van voor en na de invoering van de doodstraf, maar die mening werd op losse schroeven gezet door de vergelijking van de diverse staten, en omgekeerd.
Toen men aan de proefpersonen vragen stelde over de bewijzen, waren ze ervan overtuigd dat de onderzoeksmethoden die in strijd waren met hun opvatting gebreken vertoonden, maar ze bagatelliseerden de tekortkomingen van het onderzoek dat hun opvatting ondersteunde. Zo bekritiseerde de helft van de voorstanders van de doodstraf de gegevens over de vergelijking van staten op methodologische gronden, want die gegevens waren in strijd met hun opvatting, en waren ze tevreden over de gegevens over voor en na de invoering van de doodstraf. Maar de andere helft van de voorstanders kraakte de gegevens over voor en na de invoering af, omdat die in hun geval hun opvatting op losse schroeven zette, terwijl deze werd ondersteund door de data over de vergelijking van staten.
Simpel gezegd: het vertrouwen van de proefpersonen in onderzoeksgegevens was niet gebaseerd op een objectieve beoordeling van de methodologie, maar op de vraag of de resultaten hun opvatting al dan niet bevestigden. Dit verschijnsel bereikte een hoogtepunt bij alternatieve therapeuten – of paniekzaaiers – die onveranderlijk anekdotische gegevens verdedigen, en ondertussen in ieder omvangrijk, zorgvuldig uitgevoerd onderzoek over eenzelfde onderwerp nauwlettend speuren naar de kleinste zwakke plekken waardoor ze het geheel van de hand zouden kunnen wijzen.
Nogmaals, daarom is het zo belangrijk dat we over duidelijke strategieën beschikken om bewijsmateriaal, ongeacht de conclusies die eruit getrokken kunnen worden, te beoordelen, en dit is de grootste kracht van de wetenschap. Bij systematisch literatuuronderzoek beoordelen onderzoekers de kwaliteit van de methoden vaak blind, dat wil zeggen zonder naar de resultaten te kijken, zodat die hun inschatting niet kunnen vertekenen. Evenzo bestaat er bij medisch onderzoek een hiërarchie aan bewijsmateriaal: een goed uitgevoerde test betekent in de meeste contexten meer dan gegevens uit waarnemingen enzovoort.
♦
Dus aan onze lijst van nieuwe inzichten in de tekortkomingen van de intuïtie kunnen we het volgende toevoegen:
We zoeken ons leven lang naar patronen en letten op wat uitzonderlijk en interessant is. Als je je huis binnenkomt, verspil je geen cognitieve energie aan het opmerken en analyseren van alle kenmerken van de visueel volle omgeving van je keuken. Maar je merkt wel dat het raam is ingeslagen en dat je televisie weg is.
Wanneer informatie ‘opvallender’ wordt, zoals psychologen zeggen, springt ze onevenredig sterk in het oog. Dit kan zich op een aantal manieren voordoen, en een paar beroemde psychologische experimenten geven je een indruk van dit verschijnsel.
Bij een van deze experimenten las men aan proefpersonen een lijst van evenveel mannen- als vrouwennamen voor, en daarna werd hun gevraagd of er meer namen van mannen of van vrouwen op de lijst voorkwamen. Als de mannen op de lijst namen hadden als Ronald Reagan, maar de vrouwen onbekend waren, antwoordden de proefpersonen vaker dat er meer mannen op de lijst stonden en vice versa.5
We richten onze aandacht altijd op het uitzonderlijke en interessante, en als je iets wilt verkopen, doe je er verstandig aan de aandacht van anderen te richten op de kenmerken die jij hun het liefst wilt laten zien. Als gokautomaten uitbetalen, maken ze bij ieder muntje dat ze uitspuwen een rinkelend geluid dat iedereen in het café kan horen, maar wanneer je verliest, trekken ze geen aandacht. Evenzo doet men bij loterijen zijn uiterste best om de winnaars in de media bekend te maken, maar het spreekt vanzelf dat met je verlies nooit voor televisiecamera’s wordt gepronkt.
De anekdotische succesverhalen over de aanvullende en alternatieve geneeskunde – en de tragische anekdotes over de bmr-prik – zijn misleidend en uit hun verband gerukt, niet alleen omdat de statistische context ontbreekt, maar ook omdat ze ‘sterk opvallen’: ze zijn dramatisch en roepen heftige emoties en sterke visuele beelden op. Ze zijn concreet en gemakkelijk te onthouden, en niet abstract. Wat je ook met statistieken over risico’s of herstel doet, door hun aard vallen cijfers je psychologisch gesproken nauwelijks op, in tegenstelling tot wonderbaarlijke genezingen, verhalen die paniek zaaien en diepbedroefde ouders.
Vanwege ‘opvallendheid’ en onze vatbaarheid voor dramatiek zijn mensen banger voor haaien bij het strand en voor kermisattracties dan voor een vlucht naar Florida of een autotochtje naar de kust. Dit verschijnsel is zelfs te onderkennen bij artsen die al dan niet met roken stoppen: je zou denken dat alle artsen, rationeel als ze zijn, zo verstandig waren geweest allemaal tegelijk met roken te stoppen na de onderzoeken te hebben gelezen die een uitzonderlijk overtuigend verband aantoonden tussen sigaretten en longkanker. Per slot van rekening zijn dit mensen die de wetenschap toepassen en die iedere dag nuchtere statistieken kunnen vertalen in zinvolle informatie en kloppende mensenharten.
Maar alleen artsen die gespecialiseerd waren in hart- en longziekten en in oncologie – en die met hun eigen ogen mensen aan longkanker zagen sterven – stopten veel sneller met roken dat hun collega’s uit andere specialismen. Afgeschermd worden van de emotionele directheid en de dramatiek van de gevolgen heeft effect.
Bij ons bliksembezoek aan irrationaliteit staan we tenslotte even stil bij onze meest voor de hand liggende tekortkoming. Het lijkt bijna te vanzelfsprekend om te vermelden: onze waarden worden sociaal bekrachtigd door aanpassing en door de mensen in onze omgeving. We worden selectief blootgesteld aan informatie die onze overtuigingen bevestigt, deels omdat we situaties opzoeken waarin die opvattingen blijkbaar worden versterkt, deels omdat we vragen stellen die – door de aard ervan, op basis van de hierboven beschreven redenen – een bevestigend antwoord oproepen, en deels omdat we selectief mensen uitkiezen die onze overtuigingen bekrachtigen.
De enorme invloed van aanpassing vergeten we gemakkelijk. Je vindt jezelf ongetwijfeld een tamelijk onafhankelijk denkend mens die zijn eigen gedachten kent. Ik vermoed dat de proefpersonen van de experimenten van Asch over sociale aanpassing er net zo over dachten.6 Zij werden achter een rij acteurs geplaatst die zich als medeproefpersonen voorstelden, maar die feitelijk onder één hoedje speelden met de onderzoeker. Er werden kaarten omhooggehouden met één lijn erop, en vervolgens een andere kaart met drie lijnen van verschillende lengte, namelijk van 15cm, 20cm en 25cm.
Iedereen zei om beurten welke lijn op de tweede kaart even lang was als de lijn op de eerste kaart. Bij zes van de achttien kaarten gaven de handlangers het juiste antwoord, maar bij de andere twaalf niet. In driekwart van de gevallen gaven de proefpersonen eenmaal of vaker hetzelfde onjuiste antwoord als de rij handlangers en trokken zich dus niets aan wat ze duidelijk met hun eigen ogen zagen.
Dit is een extreem voorbeeld van aanpassing, maar het verschijnsel doet zich overal om ons heen voor. ‘Bekrachtiging in groepsverband’ is het proces waarin een bewering in een krachtige overtuiging verandert doordat leden van een groep herhaaldelijk verzekeren dat die bewering juist is. Het proces is niet afhankelijk van de vraag of de bewering wel goed is onderzocht of wordt ondersteund door empirische gegevens die voor redelijk denkende mensen overtuigend genoeg zijn.
Bekrachtiging in groepsverband verklaart voor een groot deel hoe religieuze overtuigingen van generatie op generatie worden doorgegeven. Ze maakt ook duidelijk hoe verklaringen van groepen therapeuten, psychologen, beroemdheden, theologen, politici, presentatoren van praatprogramma’s enzovoort meer invloed hebben dan wetenschappelijke bewijzen en die van het toneel kunnen verdringen.
Wanneer mensen geen kennis nemen van instrumenten ter beoordeling en louter afgaan op wat ze hopen, zaait men de kiemen van politieke manipulatie.
Stephen Jay Gould
Talrijke andere gebieden waarop vertekening een rol speelt, zijn goed onderzocht. We hebben een onevenredig hoge dunk van onszelf, en dat is plezierig. De grote meerderheid van de bevolking meent eerlijker, minder bevooroordeeld, intelligenter en meer bedreven in autorijden te zijn dan de gemiddelde persoon, hoewel we uiteraard maar voor de helft beter kunnen zijn dan de mediaan.*
≡ Ik ben echt nieuwsgierig hoeveel tijd het je kost, vanaf de plek waar je nu zit, iemand te vinden die je het verschil kan uitleggen tussen ‘mediaan’, ‘gemiddelde’ en ‘modus’.
Meestal vertonen we zogeheten ‘attributiefouten’: we geloven dat we onze successen te danken hebben aan onze eigen vermogens, maar denken dat de successen van anderen zijn veroorzaakt door geluk en dat ze hun mislukkingen aan hun eigen tekortkomingen te wijten hebben. We kunnen onmogelijk allemaal gelijk hebben.
Tenslotte gebruiken we de context en onze verwachting om onze inschatting van een situatie te vertekenen – want in feite kunnen we niet anders denken. Kunstmatige intelligentie heeft tot nu toe geen succes gehad vanwege iets wat ‘het probleem van inkadering’ wordt genoemd: je kunt een computer wel vertellen hoe hij informatie moet verwerken en vervolgens alle informatie ter wereld invoeren, maar zodra je hem een reëel probleem voorlegt – bijvoorbeeld een zin begrijpen en daar een antwoord op geven – presteert hij veel minder goed dan we zouden mogen verwachten, want hij weet niet welke informatie relevant is voor het probleem. Mensen zijn bijzonder goed in het uitfilteren van irrelevante informatie, maar de keerzijde van die vaardigheid is een onevenredige vervorming van bepaalde contextuele gegevens.
Zo nemen we bijvoorbeeld aan dat positieve kenmerken bij elkaar horen: aantrekkelijke mensen zijn volgens ons ook goed, en vriendelijke mensen ook intelligent en goed geïnformeerd. Ook dit is met behulp van experimenten aangetoond: van twee identieke opstellen, waarvan het ene in een mooi handschrift en het andere slordig is geschreven, krijgt het eerste een betere beoordeling, en het gedrag van sportteams in zwarte sportkleding wordt agressiever en oneerlijker gevonden dan het gedrag van teams in witte sportkleding.7
En hoe je ook je best doet, toch gaan allerlei dingen volkomen tegen de intuïtie in, vooral in de wetenschap. Stel je voor dat zich in een zaal drieëntwintig mensen bevinden. Hoe groot is de kans dat twee van hen op dezelfde dag jarig zijn? Eén op twee.*
≡ Om dit wat aannemelijker te laten lijken: vergeet niet dat alle mogelijke twee geboortedata kunnen samenvallen. Bij 47 mensen stijgt die kans tot 0,95, dat is negentien op twintig! (Bij 57 mensen wordt de kans 0,99 en bij 70 0,999.) Daar kan je intuïtie niet bij: op het eerste gezicht lijkt het volkomen onbegrijpelijk.
Tijdens het nadenken over de wereld om je heen beschik je over een reeks instrumenten. Intuïtieve ingevingen zijn heel vaak waardevol, vooral in het sociale domein, bijvoorbeeld wanneer je moet bepalen of je vriendin je bedriegt en of je zakenpartner betrouwbaar is. Maar bij wiskundige problemen of het inschatten van causale verbanden zitten intuïtieve ingevingen er vaak volkomen naast omdat ze gebaseerd zijn op een snelle manier van denken die is ontstaan als een handig middel om vliegensvlug complexe cognitieve problemen op te lossen, zij het ten koste van nauwkeurigheid, trefzekerheid en objectiviteit.
Het is niet veilig om onze intuïtieve ingevingen en vooroordelen de vrije teugel te laten en ze niet te onderzoeken: het is in ons belang intuïtief redeneren waar mogelijk in twijfel te trekken. De wetenschappelijke methoden en de statistiek zijn juist ontstaan om de tekortkomingen ervan het hoofd te bieden. Zorgvuldige toepassing daarvan is ons beste wapen tegen deze valstrikken; misschien staan we voor de uitdaging te bepalen welke instrumenten we in welke situatie het beste kunnen gebruiken. Want de relatie met je partner ‘wetenschappelijk’ benaderen is even dom als bij oorzakelijke verbanden op je intuïtie vertrouwen.
Laten we nu eens kijken hoe journalisten met statistieken omgaan.