12

Hoe de media misverstanden over de wetenschap aanzwengelen

We moeten enige greep op dit alles krijgen en beseffen hoe diep de misverstanden en verkeerde voorstellingen over de wetenschap in onze cultuur zijn doorgedrongen. Als ik al bekend ben, dan is het omdat ik dwaze mediaverhalen over de wetenschap weerleg: dit is het leeuwendeel van mijn werk, mijn oeuvre, en ik schaam me er een beetje voor te zeggen dat ik uit meer dan vijfhonderd verhalen kan kiezen om te illustreren wat ik hier wil uiteenzetten. Je mag best denken dat dit een obsessie van me is.

Een groot deel van de thema’s hebben we elders besproken: de onweerstaanbare opmars van de medicalisering van het leven van alledag, kwakzalvers en reguliere medische hulpverleners die over pillen fantaseren, en de belachelijke beweringen over gezonde voeding die in ieder opzicht evenzeer aan journalisten als aan nutritionisten te wijten zijn. Maar hier wil ik me richten op de verhalen die ons iets vertellen over de wijze waarop wetenschap wordt waargenomen en over de terugkerende, structurele patronen van misleiding.

Mijn basale hypothese is de volgende: de mensen die leiding geven aan de media zijn afgestudeerd in de alfawetenschappen, begrijpen weinig van natuurwetenschap en zijn trots op die onwetendheid. Misschien koesteren ze diep in hun hart wrok over het feit dat ze zichzelf de toegang hebben ontzegd tot de belangrijkste ontwikkelingen in de geschiedenis van het westerse denken van de laatste tweehonderd jaar. Er steekt een impliciete agressie in alle mediaberichten over de wetenschap: door hun keuze van de verhalen en de manier waarop ze worden gebracht, creëren de media daarvan een parodie. Zo wordt wetenschap afgeschilderd als ongegronde, onbegrijpelijke, betweterige uitspraken van wetenschappers over de waarheid, en die wetenschappers zelf zouden een grote maatschappelijke macht hebben en zouden willekeurige, niet-democratisch gekozen gezaghebbende figuren zijn. Ze hebben geen werkelijkheidszin en doen werk dat óf onzinnig, óf gevaarlijk is, maar hoe het ook zij, alles in de wetenschap is onbeduidend, tegenstrijdig, zal waarschijnlijk snel veranderen en is – belachelijk genoeg – ‘moeilijk te begrijpen’. Nadat de commentatoren deze parodie hebben gecreëerd, vallen ze de wetenschap vervolgens aan alsof ze eerlijke kritiek leveren op alles waar die wetenschap voor staat.

Populair-wetenschappelijke mediaberichten zijn over het algemeen in drie categorieën te verdelen: onzinnige berichten, berichten over ‘doorbraken’ en bangmakerij. Ze ondermijnen en vervormen de wetenschap ieder op hun eigen manier. We zullen ze achtereenvolgens bespreken.

Onzinnige verhalen en slapend rijk worden

Als je wilt dat de media aandacht aan je onderzoek besteden, gooi dan de autoclaaf weg, laat de pipet in de steek, wis je Stata en verkoop je ziel aan een pr-bedrijf.

Op Reading University werkt een zekere dr. Kevin Warwick, die een tijdlang een bron van in het oog vallende berichten is geweest. Hij monteert een chip van een elektronische ID-kaart in zijn arm en laat journalisten vervolgens zien hoe hij daarmee deuren in zijn faculteit kan openen. ‘Ik ben een cyborg,’ verkondigt hij, ‘een fusie van mens en machine’,* en de media zijn erg onder de indruk.

≡ Dit is een vrije weergave, maar die is tamelijk nauwkeurig.

Een favoriet onderzoek uit zijn laboratorium – dat natuurlijk nooit in een vaktijdschrift is gepubliceerd – moest aantonen dat het IQ van kinderen meer wordt verhoogd door het kijken naar Richard andjudy dan door alle andere dingen waarvan dit te verwachten valt, zoals oefening of koffiedrinken.

Dit was geen marginale grap, het was nieuws, en in tegenstelling tot het meeste echte wetenschappelijke nieuws werd het een hoofdartikel in de Independent. Naar andere voorbeelden hoef ik niet lang te zoeken: ik kan uit vijfhonderd kiezen, zoals ik al zei. ‘Ontrouw is genetisch’, zeggen wetenschappers. ‘Allergie voor elektriciteit bestaat’, zegt onderzoeker. ‘In de toekomst krijgen alle mannen een grote penis’, zegt een evolutiebioloog van de London School of Economics.

Deze berichten zijn holle, onzinnige paginavulling die voor wetenschap moeten doorgaan, en die neemt haar meest onvervalste vorm aan in berichten die vertellen dat geleerden de formule voor het een of ander hebben ‘ontdekt’. Wat zijn die bollebozen toch mesjogge. Misschien heb je onlangs de perfecte manier om een ijsje te eten ontdekt, (A × Tp × Tm / Ft × At + V × LT × Sp × W/Tt = 3d20), of de perfecte komische televisieserie (C = 3d[(R X D) + V] × F/A + S, volgens de Telegraph), of het volmaakt gekookte ei (Daily Mail), of de volmaakte mop (weer de Telegraph) of de meest deprimerende dag van het jaar ([W + (D-d)] × TQ M × NA, in bijna ieder dagblad ter wereld). Zo kan ik nog wel even doorgaan.

Deze verhalen worden onveranderlijk geschreven door wetenschapsjournalisten en, met goedkeuring alom, gevolgd door commentaar van gretige alfa’s over hoe geschift en irrelevant natuurwetenschappers zijn, want vanuit de gesloten mentaliteit van mijn ‘parodie’ – hypothese bepaalt dat de aantrekkingskracht van die berichten: ze spelen in op de publieke opinie waarin wetenschap als irrelevante, marginale betweterij wordt beschouwd.

Ze worden ook geschreven om geld te verdienen, om reclame te maken en om goedkoop en met minimale journalistieke inspanning krantenpagina’s te vullen. Laten we een paar van de opvallendste voorbeelden bekijken. Dr. Cliff Arnall is de koning van de vergelijkingen, en zijn recente productie omvat de formules voor de akeligste dag van het jaar, de gelukkigste dag van het jaar, het volmaakte lange weekend en vele, vele andere. Volgens de BBC is hij ‘professor Arnall’, maar meestal is hij ‘dr. Cliff Arnall van de Cardiff University’. In werkelijkheid is hij een particuliere ondernemer die cursussen geeft in het opbouwen van zelfvertrouwen en in stressmanagement en die op de Cardiff University wat parttime onderwijs heeft gegeven. Het persbureau van de universiteit is er echter op gebrand hem in maandelijkse succesverhalen over de media te vermelden. Zo diep zijn we gezonken.

Misschien wekken die formules hoge verwachtingen – misschien denk je dat ze wetenschap ‘relevant’ en ‘leuk’ maken, zo ongeveer als christelijke rockmuziek. Maar vergeet niet dat ze, vaak kant-en-klaar, afkomstig zijn van pr-bedrijven; de wetenschapper hoeft er alleen nog maar zijn naam onder te zetten. In feite zijn pr-bedrijven naar hun klanten toe bijzonder openhartig over deze praktijk: ze wordt ‘reclame-equivalente bekendmaking’ genoemd, dat wil zeggen: een nieuwsbericht dat aan de naam van een klant kan worden gekoppeld.

De formule van Cliff Arnall voor de vaststelling van de akeligste dag van het jaar is nu een jaarlijks terugkerend media-evenement geworden. Het wordt gesponsord door Sky Travel en uitgezonden in januari, de perfecte maand om een vakantie te boeken. Zijn formule voor ‘de gelukkigste dag van het jaar’ werd uitgezonden in juni – ze kreeg bovendien aandacht van de Telegraph en de Mail in 2008 – en werd gesponsord door Wall’s Ice Cream. De formule van professor Cary Cooper om sportieve triomfen een rangnummer te geven werd gesponsord door Tesco. De vergelijking voor ‘het effect van de dronken blik’, dat wil zeggen dat vrouwen aantrekkelijker lijken na bierconsumptie, werd geleverd door dr. Nathan Efron, professor in de klinische optometrie op de University of Manchester, en gesponsord door Bausch & Lomb, fabrikant van optische producten; de formule voor de perfecte strafschop, gesponsord door Ladbrokes, kwam van dr. David Lewis van de Liverpool John Moores University; de formule voor de perfecte manier om een ‘christmas cracker’ uit elkaar te trekken was van dr. Paul Stevenson van de University of Surrey, in opdracht van Tesco; en de formule voor het volmaakte strand werd bedacht door dr. Dimitrios Buhalis van de University of Surrey, gesponsord door het reisbureau Opodo. Dit zijn mensen van keurige universiteiten die hun naam aan pr-bedrijven beschikbaar stellen ten behoeve van ‘reclame-equivalente bekendmaking’.

Ik weet hoe dr. Arnall wordt betaald, want toen ik kort voor de Kerst een kritisch artikel schreef over zijn onophoudelijke gedoe met formules, stuurde hij me een alleraardigste e-mail:

Wat betreft het noemen van mijn naam in verband met ‘Wall’s: ik heb zojuist een cheque van het bedrijf ontvangen. Proost en prettige feestdagen.

Cliff Arnall

Het is geen schandaal: het is gewoon dom. Deze verhalen geven geen informatie. Ze zijn als nieuws vermomde reclame. Ze spelen nogal cynisch in op het feit dat de meeste redacteuren geen flauw idee hebben van wat wetenschap eigenlijk is. Ze spelen in op journalisten die ondanks tijdgebrek krantenpagina’s moeten vullen nu minder verslaggevers meer moeten schrijven. Het is eigenlijk een volmaakt voorbeeld van wat de onderzoeksjournalist Nick Davies Verhaspelistiek’ (churnalism) heeft genoemd: persberichten kritiekloos omwerken tot een aardig verhaal. In sommige opzichten is dit slechts het topje van de ijsberg van een veel omvangrijker probleem dat zich in alle vormen van journalistiek voordoet.1 Onderzoek van de Cardiff University uit 2007 heeft aangetoond dat 80 procent van alle krantenartikelen ‘geheel, voornamelijk of gedeeltelijk is samengesteld uit materiaal uit de tweede hand, aangeboden door persbureaus en de pr-industrie’.

Het is me opgevallen dat je persberichten gratis op het internet kunt lezen, zonder een krant in een kiosk te hoeven kopen.

‘Een grote penis voor alle mannen’

Deze verhalen, niet meer dan dom pr-geklets, kunnen toch een enorme invloed hebben. Die penissen treffen we aan in een kop van de Sun boven een artikel over een radicaal, nieuw ‘evolutierapport’ van dr. Oliver Curry, ‘evolutietheoreticus’ van het Darwin@LSE onderzoekscentrum. Het verhaal is klassiek in zijn soort.

In het jaar 3000 is de gemiddelde mens bijna twee meter lang, heeft een koffiekleurige huid en wordt 120 jaar oud, zo voorspelt nieuw onderzoek. En dat is niet het enige goede nieuws. Het zal mannen plezier doen dat hun penis groter wordt, en vrouwen krijgen grotere borsten.

Dit werd in bijna ieder Brits dagblad als belangrijk ‘nieuw onderzoek’ gepresenteerd. In feite was het alleen maar een bizar essay van een politicoloog van de LSE. Was het steekhoudend, al was het maar binnen het eigen kader ervan?

Nee. Ten eerste denkt dr. Oliver Curry blijkbaar dat geografische en maatschappelijke mobiliteit nieuwe dingen zijn en dat daardoor over duizend jaar uniform koffiekleurige mensen ontstaan. Misschien is hij nooit in Brazilië geweest, waar zwarte Afrikanen, blanke Europeanen en indianen eeuwenlang onderling kinderen hebben gekregen. De Brazilianen zijn niet koffiekleurig geworden: ze vertonen nog steeds een ruime variatie aan huidpigmentatie, van zwart tot lichtbruin. Onderzoek (soms juist in Brazilië uitgevoerd) heeft aangetoond dat huidpigmentatie waarschijnlijk niet in verband staat met het aantal van je Afrikaanse voorouders; het doet vermoeden dat huidskleur door een tamelijk klein aantal genen wordt bepaald en zich waarschijnlijk niet, zoals Oliver suggereert, tot één kleur vermengt.

En wat valt er over zijn andere ideeën te zeggen? Hij verkondigt de theorie dat de mensheid zich door de extreme sociale en economische verschillen in de maatschappij uiteindelijk zal opsplitsen in twee soorten: de ene is lang, slank, symmetrisch gebouwd, schoon, gezond, intelligent en creatief, en de andere kort, gedrongen, asymmetrisch gebouwd, groezelig, minder gezond en minder intelligent. Zo ongeveer als de vredelievende Eloi en de kannibalistische Morlocks in De tijdmachine van H.G. Wells.

De evolutietheorie is waarschijnlijk een van de drie belangrijkste theorieën van onze tijd, en het is beschamend daarmee aan de haal te gaan. Alle Britse dagbladen brachten deze belachelijke beweringen als nieuws, maar daarbij dacht niemand eraan te vermelden dat een verdeling in twee soorten, zoals ons volgens Curry te wachten staat, een tamelijk sterke selectieve druk vergt, bijvoorbeeld die van geografische scheiding. Zo hadden de Tasmaanse aboriginals 10.000 jaar lang geïsoleerd geleefd, maar toch konden ze nog steeds kinderen krijgen met mensen uit andere landen. Splitsing in twee soorten terwijl beide groepen in hetzelfde gebied leven, slechts gescheiden door maatschappelijke en economische factoren, is nog moeilijker. Een tijdlang dachten veel wetenschappers dat dit nooit voorkwam. Zo’n splitsing zou absoluut moeten zijn, al leert de geschiedenis ons dat aantrekkelijke, berooide vrouwen en lelijke, rijke mannen opmerkelijk goed bij elkaar kunnen passen.

Zo kan ik nog wel even doorgaan – het volledige persbericht staat, ter lering ende vermaak, op badscience.net. Maar het gaat niet om de banale problemen in dit banale essay: het is vreemd dat het in alle media een verhaal heeft kunnen worden in de trant van ‘wat die geleerden nu weer te melden hebben’ en dat de BBC, de Telegraph, de Sun, de Scotsman, Metro en vele andere het voetstoots aannemen.

Hoe kan dat? Onderhand hoef ik je niet meer te vertellen dat het ‘onderzoek’ – of het ‘essay’ – is betaald door Bravo, een ‘televisiezender voor mannen’ over bikini’s en snelle auto’s, die vierde dat hij twintig jaar in de lucht was. (Om je een indruk van de zender te geven: in de week van het belangrijke wetenschappelijke essay van dr. Curry kon je daar de klassieke film Temptations zien: ‘Wanneer een groep boeren ontdekt dat de bank beslag wil leggen op hun land, zoeken ze troost bij een serie hitsige stoeipartijen.’ Dit verklaart misschien het perspectief op de ‘grote borsten’ van dit ‘nieuwe onderzoek’.)

Ik heb met vrienden van diverse dagbladen, goede wetenschapsjournalisten, gesproken, en zij vertelden me dat ze slaande ruzie met de redactie kregen toen ze probeerden uit te leggen dat dit geen wetenschappelijk nieuws was. Maar als ze weigerden erover te schrijven, zou een andere journalist dat doen – je ontdekt vaak dat de slechtste wetenschappelijke artikelen zijn geschreven door consumentenjournalisten of algemene verslaggevers – en als ik zelf een concept uit de evolutietheorie mag lenen: bij landelijke dagbladen wordt selectieve druk uitgeoefend op journalisten die snel en inschikkelijk commerciële zeepbellen als ‘wetenschappelijk nieuws’ brengen.

Er is iets wat me fascineert: dr. Curry is een echte academicus (zij het een politicoloog, geen natuurwetenschapper). Ik wil zijn carrière niet afkraken. Ik weet zeker dat hij heel veel stimulerend werk heeft gedaan, maar naar alle waarschijnlijkheid zal niets wat hij doet als betrekkelijk gevestigd academicus op een vooraanstaande universiteit van de Russell Group ooit evenveel aandacht van de media krijgen of ooit evenveel culturele invloed hebben als dit kinderachtige, lucratieve, bizarre, foute essay waar niemand wijzer van wordt. Wat is het leven toch vreemd!

‘Jessica Alba wiegt perfect met haar heupen, aldus onderzoek’

Dit is een kop van de Daily Telegraph boven een artikel dat nota bene aan Fox News is ontleend, in beide gevallen vergezeld van plaatjes van een onweerstaanbaar lekkere meid. Dit is het laatste onzinverhaal dat we bespreken, en ik voeg het alleen maar toe omdat er bijzonder dappere spionage bij kwam kijken.

‘De manier van lopen van de filmactrice Jessica Alba is extreem sexy’, aldus een team van wiskundigen uit Cambridge. Dit belangrijke onderzoek werd uitgevoerd door een team dat blijkbaar onder leiding stond van professor Richard Weber van de Cambridge University. Ik was bijzonder blij dat het eindelijk in druk verscheen, omdat ik het er een half jaar eerder met Clarion, het verantwoordelijke pr-bedrijf, over had gehad mijn reputatie ter wille van het onderzoek te grabbel te gooien. Er gaat niets boven het zien van resultaten.

Hier is de eerste e-mail van een van hun medewerkers:

We onderzoeken voor mijn cliënt Veet (ontharingscrème) welke tien beroemde vrouwen de meest sexy manier van lopen hebben en we zouden ons onderzoek graag willen ondersteunen met een formule van een expert waarin wordt uitgewerkt wie het meest sexy loopt, met een theorie erbij. Daarbij zou hulp welkom zijn van een doctor in de psychologie of van een vergelijkbare persoon die vergelijkingen kan construeren om onze bevindingen te bevestigen, aangezien we van mening zijn dat commentaar van een expert en een formule het verhaal meer gewicht zullen geven.

Zoals we hebben gezien, heeft dit hun nieuwsruimte in de Daily Telegraph bezorgd.

Ik reageerde onmiddellijk met: ‘Zijn er factoren die u bijzonder graag in de formule terug zou willen zien? Iets over seks misschien?’ ‘Hi dr. Ben’, antwoordde Kiren. ‘We willen graag dat in de formule de verhouding tussen de lengte van kuiten en dijen, de vorm van de benen, de kwaliteit van de huid en de manier van heupwiegen een rol spelen. […] We kunnen u voor uw diensten 500 pond aanbieden.’

En er waren ook gegevens. ‘We hebben het onderzoek nog niet uitgevoerd,’ zei Kiren, ‘maar we weten welke resultaten we willen bereiken.’ Dat noem ik nog eens lef! ‘We willen dat Beyoncé de hoogste plaats krijgt, gevolgd door andere beroemdheden met mooie benen, zoals J-Lo en Kylie, en vrouwen als Kate Moss en Amy Winehouse moeten onderaan staan: magere, witte en lelijke benen zijn veel minder sexy.’ Het onderzoek bleek een interne e-mail te zijn aan medewerkers van het bedrijf. Ik wees hun vriendelijke aanbod af en wachtte. Professor Richard Weber nam het aan. Hij heeft er spijt van. Toen het artikel was verschenen, stuurde ik hem een e-mail, en toen bleek het allemaal nog absurder te zijn dan we al dachten. Na met hun onderzoek te hebben geknoeid, moesten ze dat nog eens dunnetjes overdoen:

Het persbericht van Clarion heb ik afgekeurd; het is feitelijk onjuist en misleidend, want men suggereert dat hier een serieuze poging is gedaan tot echte wiskundige berekeningen. Er is geen ‘team van wiskundigen uit Cambridge’ bij betrokken. Clarion heeft me gevraagd hulp te bieden bij de analyse van onderzoeksgegevens van achthonderd mannen aan wie was gevraagd tien beroemde vrouwen een rangnummer te geven voor hun ‘sexy manier van lopen’. En Jessica Alba stond niet bovenaan. Ze werd zevende.

Zijn deze verhalen echt zo erg? Ze zijn in ieder geval zinloos en geven blijk van een zekere minachting voor de wetenschap. Het is louter reclame en pr, maar het is veelzeggend dat men precies weet waar de zwakke plekken van de dagbladen te vinden zijn: zoals we zullen zien, zijn valse onderzoeksgegevens in de media bijzonder populair.

En heeft Clarion Communications echt achthonderd reacties gekregen op een onderzoek via interne e-mail, waarbij het gewenste resultaat bij voorbaat bekend was en waarin Jessica Alba de zevende plaats kreeg, maar na de analyse op geheimzinnige wijze naar de eerste werd bevorderd? Misschien wel: Clarion maakt deel uit van WPP, een van de grootste concerns ter wereld in ‘communicatieve dienstverlening’. Het houdt zich bezig met reclame, pr en lobbyen, heeft een omzet van ongeveer 6 miljard pond en er werken 100.000 mensen uit ongeveer honderd landen.

Deze ondernemingen spelen een leidende rol in onze cultuur en doorzeven die met nonsens.

Statistieken, wonderen en verborgen angsten

Hoe verklaren we de hopeloze manier waarop de media met de wetenschap omgaan? Het is deels te wijten aan gebrek aan deskundigheid, maar heeft ook andere, interessantere aspecten. Bijna de helft van alle wetenschappelijke artikelen in de krant gaat over gezondheid, want verhalen over wat ons doodt of geneest, zijn bijzonder motiverend, en op dit gebied is het tempo van het onderzoek drastisch gewijzigd, zoals ik al kort heb vermeld. Dit is belangrijke achtergrondinformatie.

Voor 1935 waren artsen in principe nutteloos. We hadden morfine – een in ieder geval oppervlakkig aantrekkelijk medicijn – om pijn te verlichten, en we konden betrekkelijk hygiënisch operaties uitvoeren, zij het met enorme doses narcotica, want we hadden nog geen doelgerichte spierverslappende medicijnen ontdekt. Toen begon de wetenschap, ongeveer tussen 1935 en 1975, een eindeloze stroom wonderen te produceren. Als je in de jaren twintig van de vorige eeuw tuberculose kreeg, stierf je er bleek en uitgemergeld aan, in de stijl van de romantische dichter. Als je in de jaren zeventig tuberculose kreeg, kon je naar alle waarschijnlijkheid nog een hoge leeftijd bereiken. Misschien zou je maandenlang rifampicine en isoniazide in moeten nemen, en dat zijn geen prettige medicijnen: door de bijwerkingen ervan krijg je rode ogen en rode urine, maar als alles goed ging, bleef je in leven en was je getuige van uitvindingen die in je jeugd onvoorstelbaar leken.

Het ging niet alleen om medicijnen. Alles wat we met moderne geneeskunde associëren, werd in die tijd ontdekt, en het was een spervuur van wonderen: nierdialyse hield mensen in leven, ondanks het verlies van twee organen, transplantaties voorkwamen een doodvonnis, CT-scanners lieten driedimensionale beelden zien van wat zich in een levend mens afspeelde. Hartchirurgie maakte een pijlsnelle ontwikkeling door. Bijna ieder medicijn waarvan je ooit hebt gehoord, werd toen uitgevonden. Reanimatie (druk uitoefenen op de borstkas en elektrische schokken om je weer tot leven te brengen) begon in die periode pas goed.

En laten we polio niet vergeten. De ziekte verlamt je spieren en tast ook die van je borstkas aan; je kunt letterlijk geen adem meer halen, dus ga je dood. Welnu, zo redeneerden de artsen, verlamming door polio geneest vaak vanzelf. Als je deze patiënten zo nodig wekenlang zuurstof toedient, beginnen ze na verloop van tijd misschien weer zelfstandig te ademen. Mensen keerden bijna letterlijk terug uit de dood, en dat was het begin van intensive-careafdelingen.

Afgezien van deze onmogelijk te ontkennen wonderen ontdekten we in feite de simpele, rechtstreekse en verborgen moordenaars die de media nog steeds zo vreselijk graag in de krantenkoppen willen vermelden. In 1950 publiceerden Richard Doll en Austin Bradford Hill een voorlopig ‘patiëntcontroleonderzoek’ – daarbij verzamel je mensen met een bepaalde ziekte én mensen die deze ziekte niet hebben, en vergelijkt de risicofactoren in de leefgewoonten van beide groepen – dat een sterk verband aantoonde tussen roken en longkanker. Aan het Britse artsenonderzoek uit 1954 namen 40.000 artsen deel – artsen zijn gemakkelijk te onderzoeken omdat ze in het register van de General Medical Council zijn opgenomen, zodat je hen snel kunt terugvinden om te kijken wat er in hun latere leven is gebeurd – en het resultaat werd bevestigd. Doll en Bradford hadden zich afgevraagd of longkanker in verband zou kunnen staan met teer of benzine, maar tot ieders stomme verbazing bleek roken in 97 procent van de gevallen de oorzaak te zijn. In de onderstaande voetnoot sla ik uitvoerig een zijspoor in.*

≡ In zekere zin had dit ons niet hoeven te verrassen. De Duitsers hadden in de jaren twintig een toename van longkanker geconstateerd, maar suggereerden – en dat is heel aannemelijk – dat dit in verband zou kunnen staan met blootstelling aan gifgas tijdens de Eerste Wereldoorlog. Tijdens de jaren dertig werd de vaststelling van giftige stoffen in de omgeving een belangrijk kenmerk van het naziproject een superras te ontwikkelen door middel van ‘raszuiverheid’.

De onderzoekers Schairer en Schöniger publiceerden hun eigen patiëntcontroleonderzoek in 1943 en toonden daarin een verband aan tussen roken en longkanker, bijna tien jaar eerder dan onderzoekers elders. Hun artikel werd in het klassieke artikel van Doll en Bradford Hill uit 1950 niet genoemd, en wanneer je in de Science Citation Index kijkt, zie je dat het in de jaren zestig maar viermaal werd vermeld, eenmaal in de jaren zeventig en toen helemaal niet meer tot 1988, ook al gaf het waardevolle informatie. Sommige mensen zeggen misschien dat hieruit blijkt dat het gevaarlijk is informatiebronnen af te wijzen waaraan je een hekel hebt. Het wetenschappelijke en medische onderzoek van de nazi’s was onlosmakelijk verbonden met de gruwelen van koelbloedige massamoord en de merkwaardige theorieën over raszuiverheid van het nazisme. Het werd bijna universeel genegeerd, en daar had men goede redenen voor. Artsen hadden actief deelgenomen aan het project van de nazi’s en zich in grotere aantallen bij de nationaal-socialistische partij van Hitler aangesloten dan welke andere beroepsgroep dan ook (45 procent was lid van de partij, en dat gold maar voor 20 procent van de leraren).
Onder de Duitse wetenschappers die aan het onderzoek naar roken deelnamen, bevonden zich rassentheoretici, maar ook onderzoekers die belangstelling hadden voor de erfelijkheid van de verzwakking die door tabak werd veroorzaakt en voor de vraag of mensen onder invloed van hun omgeving konden ‘degenereren’. Het onderzoek naar roken stond onder leiding van Karl Astel, die had geholpen bij de organisatie van het ‘euthanasieprogramma’, dat tot de moord op 200.000 psychiatrische patiënten en invaliden heeft geleid. Hij heeft eveneens een bijdrage geleverd aan de ‘Endlösung der Judenfrage’, namelijk als directeur van het bureau voor rassenonderzoek.2

Aan het gouden tijdperk – hoe mythisch en simplistisch dit model ook mag zijn – kwam in de jaren zeventig een einde. Maar het medische onderzoek kwam niet tot stilstand. Integendeel: je kans om (als je man bent) op middelbare leeftijd te sterven is gedurende de afgelopen dertig jaar waarschijnlijk gehalveerd, maar niet vanwege één enkele drastische doorbraak die onmiddellijk de krantenkoppen haalt. Het huidige medische onderzoek vordert gestaag door geleidelijke, cumulatieve verbeteringen, door ons inzicht in de gevaren en heilzame werkingen van medicijnen en in de optimale dosering ervan, door een scrupuleuze verfijning van onopvallende chirurgische technieken, door identificatie van bescheiden risicofactoren en door het vermijden daarvan met behulp van gezondheidscampagnes (zoals ‘twee ons groenten en twee stuks fruit’), die op zichzelf moeilijk te valideren zijn.

Dit is het grote probleem van de media als ze tegenwoordig verslag proberen te doen van medisch wetenschappelijk onderzoek: je kunt deze kleine stapjes – die bij elkaar genomen aanzienlijk bijdragen aan de gezondheid – niet in het voormalige plaatje van ‘wonderbaarlijke genezing/verborgen angsten’ persen.

Ik zou nog een stap verder willen gaan en stellen dat de wetenschap bijzonder weinig nieuwswaarde heeft: door haar aard is ze een onderwerp voor ‘thematisch nieuws’, omdat ze over het algemeen geen vorderingen maakt via plotselinge, baanbrekende ontdekkingen. Ze maakt vorderingen door middel van zich geleidelijk aftekenende thema’s en theorieën, ondersteund door een grote verzameling bewijsmateriaal uit een aantal verschillende vakgebieden en op diverse verklaringsniveaus. Toch blijven de media geobsedeerd door ‘nieuwe doorbraken’.

Het is heel begrijpelijk dat dagbladen het tot hun taak rekenen over nieuwe ontwikkelingen te schrijven. Maar als een experimenteel resultaat nieuwswaarde heeft, betekent dat even zo vaak dat het onjuist is: het moet nieuw en onverwachts zijn en veranderen wat we eerder dachten, en dat wil zeggen dat het één enkel, afzonderlijk stuk informatie moet zijn dat een grote hoeveelheid al langer bestaand experimenteel bewijsmateriaal tegenspreekt.

Er is heel veel uitstekend werk gedaan, waaraan John Ioannidis, een Griekse academicus, een grote bijdrage heeft geleverd. Hij heeft laten zien hoe en waarom een enorme hoeveelheid gloednieuw onderzoek met onverwachte resultaten vervolgens onjuist blijkt te zijn.3 Dit is duidelijk van belang voor de toepassing van wetenschappelijk onderzoek op het werk van alledag, bijvoorbeeld in de geneeskunde, en ik vermoed dat de meeste mensen dit intuïtief begrijpen: het zou onverstandig zijn je leven te riskeren ter wille van wat onverwachte gegevens die tegen aanvaarde kennis ingaan.

Alles bij elkaar genomen brengen deze verhalen over ‘doorbraken’ het idee aan de man dat wetenschap – sterker nog, het empirische wereldbeeld als geheel – slechts te maken heeft met subtiele, nieuwe, fel betwiste gegevens en spectaculaire doorbraken. Dit bekrachtigt een van de belangrijkste karikaturen van de wetenschap van alfa’s: wetenschap is niet alleen irrelevante betweterij, maar ook tijdelijk en veranderlijk; net als voorbijgaande modegrillen herziet ze zichzelf voortdurend. En daarom, zo redeneert men, hoeven we ons van wetenschappelijke bevindingen niet veel aan te trekken.

Ook al geldt dit misschien wel voor diverse uiterst geavanceerde onderzoeksgebieden, toch loont het de moeite niet te vergeten dat Archimedes het al een paar duizend jaar bij het rechte eind heeft als hij verklaart waarom voorwerpen op water drijven. Hij begreep ook waarom hefbomen werken, en de newtoniaanse natuurkunde heeft waarschijnlijk eeuwig gelijk als het om het rollen van biljartballen gaat.*

≡ Ik geef grif toe dat ik deze voorbeelden aan de legendarische professor Lewis Wolpert heb ontleend.

Maar op de een of andere manier is het beeld van de veranderlijke wetenschap doorgesijpeld naar de belangrijkste wetenschappelijke uitspraken. Alles kan worden afgekraakt.

Dit heeft echter wat te veel weg van vage verontschuldigingen. We moeten nu kijken naar de manier waarop de media met wetenschap omgaan, de werkelijke betekenissen achterhalen van de uitdrukking ‘onderzoek heeft aangetoond’ en, het belangrijkste van alles, nagaan hoe de media herhaaldelijk en routinematig statistieken verkeerd begrijpen en verkeerd weergeven.

‘Onderzoek heeft aangetoond…’

Het grootste probleem met mediaverhalen over wetenschap is dat ze meestal helemaal geen wetenschappelijk bewijsmateriaal bevatten. Waarom? Omdat dagbladen ervan uitgaan dat de lezer de ‘technische aspecten’ niet begrijpt, en daarom moeten alle verhalen over wetenschap worden versimpeld in een ultieme poging de onwetenden, die toch al niet in wetenschap geïnteresseerd zijn, te verleiden en te boeien (of misschien denken journalisten dat wetenschap goed voor je is en dus gedemocratiseerd moet worden).

In zekere zin is dit een bewonderenswaardig streven, maar bepaalde inconsequenties springen onvermijdelijk in het oog. Niemand versimpelt de financiële pagina’s. Van het grootste deel van het sportkatern begrijp ik niets. In de literaire bijlage staan essays van vijf pagina’s lang die ik volkomen ondoorgrondelijk vind: hoe meer Russische romanschrijvers je erin verwerkt, des te intelligenter ben je in de ogen van het publiek. Ik beklaag me daar niet over, ik benijd het.

Als je simpelweg de conclusies van een onderzoek onder ogen krijgt zonder dat je verteld wordt wat er is gemeten en hoe dat is gedaan, en wat er is ontdekt (het bewijsmateriaal), dan neem je die gewoon voor wat ze zijn en krijg je geen inzicht in het onderzoeksproces. De problemen die daardoor ontstaan, kan ik het beste met een eenvoudig voorbeeld uitleggen.

Vergelijk de volgende twee zinnen eens: ‘Onderzoek heeft aangetoond dat zwarte Amerikaanse kinderen over het algemeen minder goede prestaties leveren bij IQ-tests dan blanke kinderen’ en ‘onderzoek heeft aangetoond dat zwarten minder intelligent zijn dan blanken’. De eerste zegt je wat in het onderzoek is ontdekt: dat is het bewijsmateriaal. De tweede maakt je de hypothese duidelijk, iemands interpretatie van het bewijsmateriaal, en je zult het ermee eens zijn dat dit iemand is die niet veel snapt van het verband tussen IQ-tests en intelligentie.

Zoals we herhaaldelijk hebben gezien, zit bij wetenschap het venijn in de details. Een onderzoeksartikel heeft een bijzonder duidelijke indeling: een deel over methoden en resultaten, de inhoud, waarin je beschrijft wat je hebt gedaan en wat er is gemeten, en een afzonderlijk deel over de conclusies, waarin je je indrukken weergeeft en je bevindingen naast die van anderen legt om te bepalen of ze met elkaar en met een bepaalde theorie verenigbaar zijn. Vaak kun je er niet op vertrouwen dat onderzoekers een goede conclusie uit hun resultaten trekken – misschien zijn ze al te enthousiast over één bepaalde theorie – en moet je hun feitelijke experimenten controleren om je eigen mening te vormen. Daarom moeten krantenartikelen over gepubliceerd onderzoek het op zijn minst mogelijk maken dat onderzoeksartikel ergens te lezen. Daarom zijn volledige publicatie en kritiek van iedereen die je artikel wil lezen belangrijker dan ‘kritiek van vakgenoten’, het proces waarin enkele academici uit hetzelfde vakgebied onderzoeksartikelen doornemen en ze op grove fouten en dergelijke controleren.

Op het gebied van hun favoriete angsten hebben dagbladen een opvallend overdreven vertrouwen in wetenschappelijk onderzoek dat helemaal niet gepubliceerd is. Dit geldt bijvoorbeeld voor bijna alle recente voorpagina-artikelen over onderzoek naar de bmr-prik. Een regelmatig geciteerde bron, dr. Arthur Krigsman, heeft sinds 2002 alom vermelde uitspraken gedaan over nieuw wetenschappelijk bewijsmateriaal in verband met de bmr-prik, maar moet, zes jaar later, zijn werk nog steeds in een wetenschappelijk tijdschrift publiceren. Evenzo hebben ongepubliceerde uitspraken van dr. Arpad Pusztai, namelijk dat genetisch gemodificeerde aardappelen kanker bij ratten zouden hebben veroorzaakt, een heel jaar lang geleid tot koppen als ‘Frankensteinvoedsel’, totdat het onderzoek eindelijk werd gepubliceerd en men het kon lezen en op een zinnige manier beoordelen. In tegenstelling tot de speculaties in de media heeft zijn werk de hypothese niet bevestigd dat genetische modificatie schadelijk voor de gezondheid is (maar dit betekent niet dat het altijd een goede zaak is, zoals we later zullen zien).

Zodra je je bewust wordt van het verschil tussen het bewijsmateriaal en de hypothese, merk je hoe zelden onderzoek waarvan journalisten zeggen ‘onderzoek heeft aangetoond dat…’ werkelijk het genoemde heeft aangetoond.

Soms is het duidelijk dat de journalisten zelf het weinig subtiele verschil tussen het bewijsmateriaal en de hypothese vaak gewoon niet begrijpen. Zo deed The Times verslag van een experiment dat aantoonde dat het hebben van jongere broers en zusjes in verband stond met een kleinere kans op multiple sclerose. Multiple sclerose wordt veroorzaakt door het immuunsysteem dat zich tegen het lichaam zelf keert. ‘De kans daarop is groter als een kind in een beslissende ontwikkelingsfase niet wordt blootgesteld aan infecties van jongere broertjes en zusjes, aldus het onderzoek.’ Zo formuleerde The Times het.

Maar dat is onjuist. Dit is de ‘hygiënehypothese’, of wel de theorie, het kader waarin het bewijsmateriaal zou kunnen passen, maar het is niet wat het onderzoek heeft aangetoond: daarin werd slechts ontdekt dat het hebben van jongere broers en zusjes enige beschermende werking bood tegen MS. Men gaf niet aan hoe het werkte, men kon niet zeggen of er een verband bestond, bijvoorbeeld of het een gevolg was van een sterkere blootstelling aan infecties. Het was slechts een waarneming. The Times verwarde het bewijsmateriaal met de hypothese, en ik ben bijzonder blij dat dit lastige punt me duidelijk is geworden.

Hoe gaan de media om met hun onvermogen duidelijke informatie te geven over wetenschappelijk bewijsmateriaal? Vaak maken ze gebruik van gezaghebbende personen alsof het priesters, politici of ouderfiguren zijn, en dat is volstrekt in strijd met alles waar wetenschap voor staat. ‘Wetenschappers hebben vandaag gezegd…’, ‘wetenschappers hebben onthuld dat…’, ‘wetenschappers hebben gewaarschuwd voor…’ Als de media een evenwichtig beeld willen geven, krijg je nieuws over twee wetenschappers die het met elkaar oneens zijn, maar er wordt niet verklaard waarom dat zo is (een van de gevaarlijkste aspecten van die benadering is bijvoorbeeld het fabeltje dat wetenschappers ‘verdeeld’ waren over de veiligheid van de bmr-prik). De ene wetenschapper ‘onthult’ iets, en vervolgens zet de andere daar vraagtekens bij. Ongeveer zoals de Jediridders.

Bij afwezigheid van echt bewijsmateriaal schuilt er een gevaar in de inschakeling van gezaghebbende figuren, want dit zet de deur wijd open voor mensen met een dubieuze reputatie. Gillian McKeith, Andrew Wakefield en de rest komen een heel eind verder als hun gezag als authentiek wordt beschouwd, want hun redeneringen en bewijzen worden zelden publiekelijk onderzocht.

Erger nog, wanneer er onenigheid bestaat over wat het bewijsmateriaal laat zien, ontaardt de discussie in een scheldpartij, want een bewering als ‘de bmr-prik veroorzaakt autisme’ (of niet) wordt slechts bekritiseerd in termen van het karakter van de persoon die de uitspraak doet, en niet in termen van het bewijsmateriaal dat hij kan presenteren. Dat is niet nodig, zoals we zullen zien, want mensen zijn niet dom, en het bewijsmateriaal is vaak tamelijk gemakkelijk te begrijpen.

Het bekrachtigt ook de karikatuur van de wetenschap die journalisten met een alfa-opleiding geven, en daarvan kennen we nu alle componenten: wetenschap gaat over ongegronde, veranderlijke, betweterige uitspraken over de waarheid van willekeurige, niet-gekozen gezaghebbende personen. Wanneer mensen uit de media over serieuze kwesties als de bmr-prik gaan schrijven, merk je hoe ze eigenlijk over wetenschap denken. De volgende onvermijdelijke halte op onze reis is de statistiek, want dit is een gebied dat de media met unieke problemen opzadelt. Maar eerst slaan we even een zijpad in.